All Posts By

Kamerverhuurvrijstelling verhoogd naar € 6.633

By nieuws

Bij verhuur van een kamer in uw woning, kunt u misschien gebruikmaken van de kamerverhuurvrijstelling. In 2026 is deze vrijstelling verhoogd naar € 6.633.

Kamerverhuurvrijstelling

Woning

Voordeel van het gebruik van de kamerverhuurvrijstelling is dat u in box 1 en box 3 geen belasting betaalt over uw huuropbrengsten. Bovendien blijft uw recht op hypotheekrenteaftrek in stand. U moet wel in uw aangifte inkomstenbelasting rekening houden met het gehele eigenwoningforfait voor uw woning.

Wanneer?

U kunt gebruikmaken van de kamerverhuurvrijstelling als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • de kamer die u verhuurt is onderdeel van uw eigen woning in box 1, en
  • de kamer vormt geen zelfstandige woning, en
  • u staat gedurende verhuur ingeschreven op het adres van de woning, en
  • uw huurder staat gedurende de verhuur ook op dit adres ingeschreven, en
  • de totale huuropbrengsten mogen in 2026 niet meer bedragen dan € 6.633 (in 2025 was dit bedrag nog € 6.324).

Let op! Onder huuropbrengsten worden alle vergoedingen begrepen die de huurder aan u betaalt en die betrekking hebben op de verhuur.

Box 3

Kunt u de kamerverhuurvrijstelling niet toepassen? Dan verhuist het verhuurde deel van uw woning naar box 3. Of u daarover dan box 3-heffing verschuldigd bent is afhankelijk van uw overige bezittingen en schulden in box 3.

Overdrachtsbelasting: wat zijn ‘onvoorziene omstandigheden’?

By nieuws

Bij de aankoop van een woning bent u in 2026 2% overdrachtsbelasting verschuldigd, onder de voorwaarde dat de woning uw hoofdverblijf wordt. Zo niet, dan bedraagt het tarief 8% (2026). Door onvoorziene omstandigheden kan soms van het hoge tarief worden afgeweken. Een casus.

Tip! Voor meerderjarige jongeren tot 35 jaar bestaat er, onder voorwaarden, een eenmalige vrijstelling als de woning niet meer kost dan € 555.000 (2026) én als hoofdverblijf dient.

Woning binnen drie maanden weer verkocht

Huis

In een zaak die voor rechtbank Noord-Holland werd behandeld, ging het om een woning die na aankoop binnen drie maanden weer werd doorverkocht. De vrouw die de woning had gekocht had verklaard dat het de bedoeling was geweest dat ze de woning na verkrijging zelf zou gaan bewonen. Bij de verkoop was 2% overdrachtsbelasting (OVB) in rekening gebracht, maar volgens de inspecteur was dit ten onrechte en dus volgde er een naheffing over het verschil ten opzichte van het hoge tarief.

Paniekaanval

De vrouw vocht de naheffing aan en stelde dat ze de woning weer had verkocht, omdat ze bij het eerste zelfstandige bezoek aan de woning was getroffen door een paniekaanval. De vrouw was behandeld voor PTSS-klachten en gaf aan dat iets in de woning, een ruimte of een geur, de aanval had veroorzaakt en ervoor had gezorgd dat ze de woning uit was gevlucht. Daarna had ze de woning alleen nog durven te betreden voor het halen van de post en had ze de woning zo snel mogelijk weer verkocht.

Wat is een onvoorziene omstandigheid? 

Voor de rechter gaf de vrouw aan dat er naar haar mening sprake was van een onvoorziene omstandigheid, waardoor het lage tarief OVB van 2% diende te worden toegepast. Dat ze eerder had aangegeven spijt te hebben gehad van haar aankoop, volgde uit het feit dat ze op basis van eerdere ervaringen niet had durven vertellen dat de paniekaanval de doorslag voor de verkoop had gegeven.

Wat was de intentie?

De rechtbank achtte het geloofwaardig dat het de intentie van de vrouw geweest was de woning zelf te gaan bewonen. Dit bleek onder meer uit het feit dat ze offertes had laten maken en een met een aannemer contact had gehad om de woning te laten opknappen en verbouwen. Ook was het aannemelijk dat de vrouw last had gehad van PTSS-klachten. Dat ze hiervoor in het verleden was behandeld, maakte nog niet dat de paniekaanval te voorzien was geweest, zoals de inspecteur aanvoerde.

Geen uitputtende wettelijke opsomming

De rechtbank wees er ook op dat tijdens het tot stand komen van de wet enkele voorbeelden waren genoemd van onvoorziene omstandigheden, zoals een echtscheiding en werkloosheid, maar dat dit geen uitputtende opsomming betrof. De paniekaanval kon dan ook als zodanig bestempeld worden, aangezien de vrouw wel degelijk van plan was geweest de woning zelf duurzaam te gaan bewonen. De naheffingsaanslag kwam dan ook te vervallen.

Botsing ketenregeling en cao-bepaling

By nieuws

Soms zijn de bepalingen die in een cao staan strijdig met bepalingen in de wet, zoals de ketenregeling. Wat is bepalend bij het wettelijk maximaal aantal toegestane contracten voor bepaalde tijd? De afspraken in de wet over de ketenregeling of de afspraken in de cao?

Een casus van een docent

Juridisch

Een docent treedt na het bereiken van de AOW-leeftijd in dienst. Hij is gedurende het dienstverband ingezet als docent voor de zogeheten Internationale Schakelklas. In die klas geeft hij nieuwkomers in Nederland les. Hij heeft formeel geen bevoegdheid om les te geven. Negen jaar lang krijgt hij een jaarcontract aangeboden, waarbij het laatste contract door de werkgever niet meer verlengd wordt. In de cao staat dat docenten zonder onderwijsbevoegdheid nooit een vast contract kunnen krijgen. 

Opzegging van dienstverband?

De werknemer kwalificeert het door de werkgever beoogde einde van rechtswege en het feit dat hij niet meer tewerk is gesteld en geen loon meer heeft ontvangen, als opzegging. Hij berust nu in die opzegging, maar maakt wel aanspraak op een billijke vergoeding, omdat die opzegging onregelmatig was.

Vast contract?

De werknemer claimt een vast contract op basis van de wettelijk geregelde ketenregeling, welke inhoudt dat er maximaal drie contracten in drie jaar tijd mogen worden afgesloten. De werkgever erkent dit, maar verwijst daarentegen naar zowel de Wet voortgezet onderwijs 2020 als de cao Voortgezet Onderwijs 2024-2025. Beide bepalen dat onbevoegde docenten niet in dienst kúnnen zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaald tijd. In die ‘botsing’ tussen twee wettelijke en cao-regimes, komt de beperking van de mogelijkheden voor onbevoegde docenten als winnaar uit de strijd, aldus de werkgever.  

Ketenregeling

De rechter oordeelt dat de ketenregeling – die overigens ook letterlijk in de cao herhaald is – een wezenlijk onderdeel van het arbeidsrecht is, dat ingericht is ter bescherming van de werknemer. Een dergelijk wezenlijke beschermingsbepaling kan niet ondergraven worden door een branche-specifieke bepaling die niet arbeidsrechtelijk van aard is, maar gericht is op optimalisatie van de kwaliteit van het onderwijs. Het is aan de werkgever om die wettelijke regels toe te passen en te zorgen dat zij daaraan voldoet.

Contract voor onbepaalde tijd

Dit houdt in dat sprake is van contract voor onbepaalde tijd, welk contract de werkgever niet volgens de regels heeft opgezegd. Hij ging immers uit van een einde van rechtswege. De werkgever is op basis van de cao verplicht een docent met onderwijsbevoegdheid in te zetten, zodra deze beschikbaar is. De docent zonder onderwijsbevoegdheid moet dan plaatsmaken, ook al is er niets aan te merken op de wijze van lesgeven van de betreffende docent. Er was een docent met onderwijsbevoegdheid beschikbaar. Dat de arbeidsovereenkomst dus uiteindelijk zou eindigen staat vast. 

Slordige werkgever

Hoewel zonder kwade bedoelingen gedaan, heeft de werkgever de werknemer vanuit zakelijk oogpunt wel erg lang laten ‘bungelen’ in onzekerheid door steeds jaarcontracten af te sluiten (terwijl dat eigenlijk niet meer mocht) en dat heeft werkgever al die tijd – ook nog in de aanloop naar en tijdens de procedure – vastgehouden, terwijl zij beter had moeten weten. Deze onhandige en ongelukkige gang van zaken wil de kantonrechter tot uitdrukking brengen in de vergoeding.

Vergoeding

De kantonrechter stelt de billijke vergoeding daarom vast op € 13.500, zijnde het salaris van vijf maanden. Dit zou de meest waarschijnlijke datum zijn waarop het dienstverband voor onbepaalde tijd rechtsgeldig geëindigd zou zijn. Gelet op de handelwijze van de werkgever verhoogt de kantonrechter de uiteindelijke vergoeding naar € 15.000.

Bouwgrond of woning: 10,4% of 2% overdrachtsbelasting?

By nieuws

Koopt u een bouwkavel die onderdeel is van een groter perceel? En bevinden zich op dit perceel, ten tijde van de overdracht bij de notaris, nog (een of) meer woningen? Dan is het afhankelijk van welke bouwkavel u koopt of u 10,4 of 2% overdrachtsbelasting verschuldigd bent.

Woning?

Bouw

De Hoge Raad sprak onlangs zijn oordeel uit over twee belastingplichtigen die elk een bouwkavel kochten op een perceel waarop zich nog een woning bevond. Beiden wilde het tarief het lage tarief van 2% toepassen omdat zij vonden dat zij voor de overdrachtsbelasting een woning verkregen.

Drie situaties

De Hoge Raad oordeelde dat aan de hand van het civiele recht bepaald moet worden of sprake is van de verkrijging van een woning. De Hoge Raad onderscheidt daarbij drie situaties:

  1. Staat op het perceel alleen een bestanddeel van de woning, maar staat de hoofdzaak van de woning op een ander perceel dat bij iemand anders in eigendom is? Dan hoort civielrechtelijk dat bestanddeel toe aan het andere perceel. De verkrijging van het perceel met het bestanddeel van de woning is dan geen verkrijging van een woning.
  2. Staat echter op het perceel de hoofdzaak van de woning en staan bestanddelen van de woning op andere percelen in eigendom bij iemand anders? Dan horen civielrechtelijk de bestanddelen van die andere percelen tot de woning. De verkrijging van het perceel met de hoofdzaak van de woning is dan wel een verkrijging van een woning.
  3. Is niet te bepalen of hetgeen op het perceel staat een bestanddeel is of de hoofdzaak van de woning? Dan is civielrechtelijk hetgeen op het perceel staat een onverdeeld aandeel in een woning. De verkrijging van het perceel is ook in zo’n geval een verkrijging van een woning.

Wat betekent dit?

Als u de bouwkavel koopt om daarop een woning te bouwen die u als hoofdverblijf gaat gebruiken, kan de overdracht van de bouwkavel bij de notaris tegen 2% overdrachtsbelasting (of 0% als u de startervrijstelling kunt toepassen) als de aanschaf kan worden aangemerkt als koop van een woning. Is dat niet het geval, dan bedraagt de overdrachtsbelasting 10,4%!

Wel woning

In de ene casus die voorlag bij de Hoge Raad bevond zich op de kavel nog 55% van de oppervlakte van een woning. De andere 45% bevond zich op een kavel die bestemd was voor een ontsluitingsweg. De Hoge Raad oordeelde dat deze twee kavels gezamenlijk eigenaar geworden waren van de woning. De koper van de kavel met 55% van de woning had daarmee een onverdeeld aandeel in de woning verkregen. Onder de huidige wetgeving zou in dit geval dus het 2% tarief overdrachtsbelasting kunnen worden toegepast.

Geen woning

De andere casus liep minder voorspoedig af. In deze casus bevond zich op de kavel voor minder dan 1% nog een buitenmuur van een woning en voor een deel een terras. De Hoge Raad vond de buitenmuur een bestanddeel van een woning. Nu de hoofdzaak van de woning op andere kavels lag, hoorde dit bestanddeel toe aan anderen. De koper van de kavel verkreeg daarom geen woning. In dit geval zou daarom onder de huidige wetgeving 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd zijn.

Let op! Welk tarief overdrachtsbelasting u verschuldigd bent, is zeker in dit soort gevallen, niet eenvoudig. Laat u daarover daarom goed adviseren.

Btw bij installatie en verhuur niet-geïntegreerde zonnepalen

By nieuws

U installeert zonnepanelen op daken, blijft eigenaar van de gehele zonnepaneleninstallatie en verhuurt deze daarna. Hoe moet u dan omgaan met de btw? De Belastingdienst gaf onlangs antwoord op een vraag daarover.

Casus: installatie en verhuur zonnepaneleninstallatie

Zonnepanelen

De casus uit de aan de Belastingdienst gestelde vraag was als volgt. Een ondernemer plaatst niet-geïntegreerde zonnepanelen op grote daken. De ondernemer blijft zelf eigenaar, maar verhuurt de installatie aan de gebruiker van het gebouw waarop de zonnepanelen zijn geplaatst.

Naast de niet-geïntegreerde zonnepanelen maken ook de volgende zaken onderdeel uit van de installatie: rasters waarop de zonnepanelen worden gelegd, kabels en kabelgoten, transformators, omvormers en een op maat gemaakte groepenkast. Als de zonnepanelen niet aan het dak worden bevestigd, gebruikt de ondernemer ook ballasttegels om de constructie te verzwaren.
In het Nederlandse civiele recht is de zonnepaneleninstallatie een onroerende zaak.

Voor btw geen verhuur onroerende zaak

Desondanks antwoordt de Belastingdienst dat de verhuur van de zonnepaneleninstallatie geen verhuur van een onroerende zaak is. De Belastingdienst oordeelt dat voor de btw de zonnepanelen roerend zijn, omdat ze afzonderlijk kunnen worden gebruikt en in bouwkundig opzicht geen onderdeel worden van de onroerende zaak waarop ze geplaatst zijn.

Let op! Dit oordeel geldt niet voor geïntegreerde zonnepanelen. Geïntegreerde zonnepanelen vervullen ook een rol als dakbedekking en worden daarmee in bouwkundig opzicht onderdeel van de onroerende zaak. Geïntegreerde zonnepanelen zijn dus wel onroerend.

Nu de verhuur van de zonnepaneleninstallatie naar het oordeel van de Belastingdienst geen verhuur van een onroerende zaak is, zal deze verhuur altijd met btw belast zijn.

Geen btw-verlegging voor installateur

De ondernemer in de casus maakt voor de installatie van de zonnepanelen gebruik van de diensten van een derde. Deze treedt op als uitvoerder en hield supervisie en controle. De Belastingdienst oordeelt dat de btw-verleggingsregeling hier niet van toepassing is omdat de derde geen fysieke werkzaamheden verricht aan een onroerende zaak. De derde realiseert, in de visie van de Belastingdienst, immers een roerende zaak en geen onroerende zaak.

Gevolg van dit oordeel is dat de derde bij installatie van niet-geïntegreerde zonnepanelen altijd btw berekenen en deze niet mag verleggen naar de opdrachtgever/hoofdaannemer. Let wel dat in het geval van installatie van zonnepanelen op een woning, onder voorwaarden, een nultarief geldt.

Let op! Ook in dit geval was het oordeel van de Belastingdienst anders geweest als het geïntegreerde zonnepanelen zouden zijn in plaats van niet-geïntegreerde zonnepanelen. Bij geïntegreerde zonnepanelen is de btw-verleggingsregeling wel van toepassing.

Let op! Ondanks dat de zonnepaneleninstallatie in het Nederlandse civiele recht een onroerend zaak is, neemt de Belastingdienst voor de btw een ander standpunt daarover in. Voor de heffing van de btw geldt namelijk een ander rechtskader en wordt niet in alle gevallen de Nederlandse civiele kwalificatie gevolgd.

Gewijzigde regels voor asielzoekers om te mogen werken

By nieuws

Een asielzoeker waarvoor u een tewerkstellingsvergunning (TWV) heeft, mag bij u werken. Hierbij geldt geen beperking in het aantal weken per jaar dat de asielzoeker mag werken. Voorwaarde is wel dat de asielaanvraag minstens zes maanden in behandeling is. Er zijn veranderingen op komst. Wat wijzigt er?

Van zes naar drie maanden

Bouw

De regels voor asielzoekers om te mogen werken gaan veranderen. Nu mogen asielzoekers die in de asielprocedure zitten na zes maanden gaan werken. Vanaf 12 juni 2026 mag dat al na drie maanden nadat hun asielprocedure is gaan lopen. 

Let op! Dit geldt alleen voor asielzoekers die een grotere kans hebben om in Nederland te mogen blijven.

Schrappen 24-weken-eis

Op dat moment wordt eveneens de 24-weken-eis officieel uit de regels geschrapt. Asielzoekers mochten maar 24 weken werken per periode van 52 weken. Dit om te voorkomen dat ze recht op een WW-uitkering zouden krijgen. Na een uitspraak van de Raad van State in november 2023 dat deze 24-weken-eis in strijd is met Europees recht, past het UWV deze ook al niet meer toe.

Nog wijzigen

Om bovenstaande regels te kunnen invoeren, moeten het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 en de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 nog worden gewijzigd. Hierover is al wel een internetconsultatie geweest. 

Let op! Voor statushouders (asielzoekers met een verblijfsvergunning) hoeft u geen TWV aan te vragen. Datzelfde geldt voor asielzoekers die vrijwilligerswerk gaan doen. De werkgever moet dan wel een vrijwilligersverklaring aanvragen.

Aanvragen werkvergunning

De werkvergunning van een asielzoeker geldt voor de duur van het Vreemdelingen Identiteitsbewijs (W-document). Het aanvragen van de vergunning gebeurt bij het UWV.

Aanleiding

Aanleiding voor het veranderen van deze regels is het EU Asiel- en migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking treedt. Er geldt vanaf dat moment één gezamenlijk Europees asielsysteem. In het pact zitten verordeningen en een richtlijn die ervoor moeten zorgen dat de instroom van asielzoekers naar Nederland en de EU afneemt.

Vragen?

Bij vragen over werkvergunningen of werknemers uit het buitenland kan het Landelijk Steunpunt Arbeidsmigratie (LSA) ondersteuning bieden. Het LSA kan de werkgever ondersteunen vanaf het begin van de zoektocht naar nieuwe werknemers.

Arbeidsmigranten die vragen hebben over hun rechtspositie in Nederland kunnen hier een kijkje nemen. 

Advieswijzer Auto en fiscus

By nieuws

Fiscaal vriendelijk rijden wordt steeds lastiger, nu de autobelastingen de laatste jaren zijn aangescherpt. Het kan nog wel, maar de voordelen zijn voor een steeds kleinere groep beschikbaar. Ook de nieuwe 12% pseudo-eindheffing per 2027 kan nu van invloed zijn op de keuze van uw auto, voor u en voor uw eventuele personeel. We zetten alles hier voor u op een rij.

Rijdt u in een milieuvriendelijke auto, dan heeft u kunnen genieten van een groot aantal fiscale voordelen. De afgelopen jaren zijn deze voordelen steeds verder teruggeschroefd. Hoewel nog beperkter, kunt u ook in 2026 gebruikmaken van een aantal fiscale voordelen.

Bijtelling privégebruik auto

Auto

Voor de meeste nieuwe auto’s van de zaak waarmee ook privé wordt gereden, geldt vanaf 2017 een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een korting op de bijtelling. Die korting geldt in de maand van tenaamstelling en in de volgende zestig volle maanden. Daarna wordt de bijtelling jaarlijks opnieuw bepaald aan de hand van de dan geldende tarieven. Auto’s zonder uitstoot die in 2021 op kenteken zijn gezet, kennen in een deel van 2026 nog bijtelling van 12%. In de loop van 2026 zal voor deze auto’s de bijtelling moeten worden herzien op basis van de regels van 2026 (zie hierna).

2021

Voor elektrische auto’s die in het jaar 2021 op naam zijn gesteld geldt een lagere bijtelling van 12% over een cataloguswaarde van € 40.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2021 een bijtelling van 12% over de gehele cataloguswaarde.

2022

Voor elektrische auto’s die in het jaar 2022 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 16% over een cataloguswaarde van € 35.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2022 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.

2023

Voor elektrische auto’s die in 2023 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 16% over een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2023 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.

2024

Voor elektrische auto’s die in 2024 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 16% over een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2024 een bijtelling van 16% over de gehele cataloguswaarde.

2025

Voor elektrische auto’s die in 2025 op naam zijn gesteld, geldt een lagere bijtelling van 17% over een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere. Voor auto’s op waterstof en zonnecelauto’s geldt in 2025 een bijtelling van 17% over de gehele cataloguswaarde.

2026

Voor nieuwe auto’s gelden in 2026 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:

 Soort auto  Bijtelling  CO2-uitstoot
 Elektrisch  18% tot € 30.000/22% over meerdere  0
 Waterstof  18%  0
 Zonnecel  18%  0
 Overig  22%  > 0

Het aanscherpen van de CO2-grenzen heeft niet tot gevolg dat u elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage wordt geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende zestig maanden geldig. Na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.

Let op! Een auto met datum eerste toelating tot de weg van uiterlijk 31 december 2016 krijgt na zestig maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%. Dit is alleen anders als het een auto betreft die geen CO2 uitstoot. Auto’s die geen CO2 uitstoten, krijgen in 2026 een korting van 4% op de normale bijtelling tot een cataloguswaarde van € 30.000. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor een elektrische auto uit 2016 in 2025 een bijtelling geldt van 21% (25% -/- 4%) tot een cataloguswaarde van € 30.000. Daarboven is de bijtelling 25%. Voor een elektrische auto die in 2017 voor het eerst op kenteken is gezet, gaat in 2026 een bijtelling gelden van 18% (22% -/- 4%) tot een cataloguswaarde van € 30.000 en van 22% over het meerdere. Auto’s die de periode van zestig maanden achter de rug hebben, lopen dus jaarlijks mee met de wettelijke wijzigingen in de bijtelling.

Tip! Voor ondernemers in de inkomstenbelasting blijft de bijtelling beperkt tot maximaal het bedrag dat in een jaar aan autokosten ten laste van de winst is gebracht.

Vanaf 2028

Vanaf 2028 is er nog maar één bijtellingspercentage van 22% en is er dus geen voordeel meer voor auto’s zonder CO2-uitstoot. In 2027 wordt de korting op de bijtelling verlaagd van 4 naar 2% tot de cataloguswaarde van € 30.000 en bedraagt de bijtelling 22% over het meerdere. Voor een elektrische auto die in 2027 voor het eerst op kenteken wordt gezet, gaat dus een bijtelling gelden van 20% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en van 22% over het meerdere.

Minder dan 500 kilometer?

Een bijtelling kan overigens helemaal achterwege blijven als u kunt bewijzen dat u op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto heeft gereden. Woon-werkkilometers worden daarbij gezien als zakelijk, ook als u thuis gaat lunchen.

Youngtimerregeling: leeftijdgrens omhoog, overgangsregeling in 2026

De bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, bedraagt in 2026 35% van de waarde in het economisch verkeer. Dit wordt ook wel de youngtimerregeling genoemd. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op vijftien jaar.

Is de auto in 2026 jonger dan zestien jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast.

Tip! Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 vijftien jaar of ouder is geworden, geldt overgangsrecht. Voor deze auto mag heel 2026 uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Let op! Met ingang van 1 januari 2027 gaat de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

Er bestaat in 2026 recht op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) voor bestelauto’s. Voor waterstofpersonen- en bestelauto’s bedraagt de MIA 45% voor maximaal 90% van het bedrag van de investering. Voor personenauto’s geldt daarbij een maximum van € 75.000, voor bestelauto’s van € 125.000. 

Let op! Als u voor de MIA in aanmerking komt, kunt u geen gebruikmaken van de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM). Andersom geldt hetzelfde. Voor de zonnecelpersonenauto’s bedraagt de MIA 36% tot maximaal 90% van het investeringsbedrag, met een maximum van € 100.000.

Onderstaand de regelingen op een rij.

 Soort auto  MIA %  Maximaal investeringsbedrag
 Waterstofpersonenauto  45%  € 75.000
 Zonnecelpersonenauto  36%  € 100.000
 Waterstofbestelauto  45%  € 125.000

Melding RVO

Om in aanmerking te komen voor de MIA, is een tijdige melding van de investering bij RVO noodzakelijk. De investering moet worden gemeld binnen drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting. Het moment van ingebruikname of facturering is daarbij niet van belang. Het moment van ingebruikname en/of betaling kan wel van belang zijn voor het moment waarop u de aftrek kunt effectueren in de aangifte inkomsten- of vennootschapsbelasting.

Motorrijtuigenbelasting

De hoogte van de motorrijtuigenbelasting (mrb) is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de CO2-uitstoot van uw auto. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km geldt in 2026 een korting van 30% op het normale MRB-tarief. Voor plug-inhybrides geldt in 2026 geen korting meer. Ook voor emissieloze bestelauto’s geldt in 2026 geen korting meer op de mrb.

Ondernemers betalen voor een bestelauto minder mrb. Voorwaarde is dat de bestelauto meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt. Dit moet u desgevraagd aannemelijk kunnen maken, maar een kilometeradministratie is niet vereist. 

Bpm

Als uw auto op kenteken wordt gezet, wordt bpm geheven. De hoogte van de bpm is voor personenauto’s gebaseerd op de CO2-uitstoot. Er geldt vanaf 2025 geen vrijstelling bpm meer voor auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Er geldt nog wel een vrijstelling bpm voor bestelauto’s met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Voor personenauto’s waarvoor geen vrijstelling geldt, is de bpm hoger naarmate de CO2-uitstoot groter is.

Let op! De bpm-vrijstelling voor ondernemers is per 2025 afgeschaft. De vrijstelling geldt nog wel voor bestelauto’s die vóór 2025 zijn aangeschaft, mits voldaan blijft worden aan de daarvoor geldende voorwaarden. Dit betekent onder meer dat de bestelauto voor meer dan 10% zakelijk wordt gebruikt.

Vanaf 2027: 12% pseudo-eindheffing personenauto van de zaak met CO2-uitstoot

Vanaf 2027 geldt een pseudo-eindheffing van 12% in de loonbelasting. Deze 12% is een werkgever verschuldigd als hij aan een werknemer vanaf 2027:

  • een personenauto van de zaak ter beschikking stelt,
  • die ook privé mag worden gebruikt en
  • die een CO2-uitstoot heeft groter dan nul.

Let op!De 12% pseudo-eindheffing komt ten laste van de werkgever. Het is een extra heffing die de werkgever niet mag verhalen op de werknemer. Daarnaast blijft de bijtelling voor de auto van de zaak die ten laste van de werknemer komt, ook gewoon bestaan in 2027.

Uitzonderingen

Er is wel een aantal uitzonderingen. Een werkgever is de eindheffing namelijk niet verschuldigd als:

  • de personenauto een CO2-uitstoot heeft van nul – volledig elektrische en waterstof aangedreven auto’s vallen dus buiten deze heffing;
  • de auto van de zaak uitsluitend zakelijk wordt gebruikt en niet voor privégebruik (er geldt dan ook geen bijtelling voor de auto van de zaak).

Let op!Er geldt een uitzondering voor incidenteel privégebruik bij overmacht en bijzondere omstandigheden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat hiervan sprake is.

Woon-werkverkeer is privé!

Wat betreft de uitzondering van ‘geen privégebruik’ zit er een addertje onder het gras. Waar voor de bijtelling van de auto van de zaak het woon-werkverkeer als zakelijk wordt aangemerkt, zijn deze kilometers voor de pseudo-eindheffing privékilometers.

Let op! Dit heeft tot gevolg dat een werkgever vanaf 2027 ook de pseudo-eindheffing verschuldigd kan zijn als de werknemer de personenauto niet privé gebruikt (of maximaal 500 kilometers) en dus geen bijtelling heeft. Als die werknemer de personenauto wel voor woon-werkverkeer gebruikt, is de werkgever de pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd.

Personenauto

De pseudo-eindheffing geldt voor personenauto’s. Dit zijn voertuigen met voertuigclassificatie M1 in het civiele kentekenregister en auto’s die onder de Europese verordening zo zouden kwalificeren.

Let op! Een M1-voertuig is een motorvoertuig op vier of meer wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal negen zitplaatsen, inclusief bestuurdersstoel. Ook kampeerauto’s, personenbusjes voor zorgvervoer (ingericht met maximaal negen zitplaatsen) en lijkwagens vallen hieronder.

Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors hebben geen M1-kwalificatie en vallen dus niet onder de pseudo-eindheffing. 

Overgangsregeling tot 17 september 2030

Personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling tot 17 september 2030. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.

Let op! De overgangsregeling is gekoppeld aan de personenauto. Dus ook als een werkgever de auto na 1 januari 2027 ter beschikking stelt aan een andere werknemer dan aan wie de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking stond, blijft de overgangsregeling gelden.

12% van de (catalogus)waarde

De 12% pseudo-eindheffing wordt straks berekend over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak, wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer. Is de personenauto ouder dan 25 jaar, dan wordt de 12% pseudo-eindheffing berekend over de waarde in het economisch verkeer van de personenauto. 

Betaling bij aangifte loonbelasting

De pseudo-eindheffing wordt per kalendermaand berekend. De werkgever kan er echter voor kiezen om de eindheffing uiterlijk in de tweede loonaangifte van het volgende kalenderjaar te voldoen.

Let op! Over het jaar 2027 betaalt een werkgever de pseudo-eindheffing dus uiterlijk in het tweede loonaangiftetijdvak van 2028.

Besparen op de pseudo-eindheffing door de personenauto niet alle dagen voor privé ter beschikking te stellen, zal niet werken. Als de personenauto slechts een deel van een maand voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, wordt deze namelijk geacht de hele kalendermaand voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. De pseudo-eindheffing van 12% geldt dan voor de hele kalendermaand.

Ook voor de dga, niet voor IB-ondernemer

De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv ook met de heffing te maken kan krijgen.

Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet met de heffing te maken krijgen, maar mogelijk wel voor zijn personeel.

Anticiperen

Ondanks dat de maatregel pas in 2027 ingaat en er een overgangsregeling geldt, is het goed om al te anticiperen op de maatregel. Dat geldt zeker als u nu of in de toekomst een leasecontract gaat afsluiten met een looptijd van vijf jaar. De overgangsregeling loopt immers tot 17 september 2030 en dat is op dit moment al over minder dan vijf jaar.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de advieswijzer is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Vanaf 2027 wijzigt de inlenersaansprakelijkheid

By nieuws

De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, Wtta, gaat in op 1 januari 2027. De inlenersaansprakelijkheid wijzigt ook op het moment dat de Wtta in werking treedt. Wat wijzigt er in de inlenersaansprakelijkheid?

Inlenersaansprakelijkheid

Handtekening

Een uitlener van arbeidskrachten moet loonbelasting, sociale verzekeringspremies en btw betalen over het uitlenen van die arbeidskrachten. Betaalt de uitlener niet, dan kan de Belastingdienst de inlener of doorlener aansprakelijk stellen.

Nieuw! Aansprakelijk voor 35% van de factuursom

Vanaf de inwerkingtreding van de Wtta – dit staat gepland per 2027 – kan de Belastingdienst de inlener en de doorlener aansprakelijk stellen voor (gezamenlijk) maximaal 35% van de factuursom, zonder verder onderzoek te doen naar de daadwerkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld. De Belastingdienst mag dan dus een beroep doen op het vermoeden dat de omvang van de aansprakelijkheidsschuld 35% van de factuursom bedraagt.

Let op! Deze nieuwe aansprakelijkstelling is alleen mogelijk voor de belastingjaren vanaf 2027. Treedt de Wtta later dan op 1 januari 2027 in werking, dan is de nieuwe aansprakelijkstelling pas mogelijk voor belastingtijdvakken van inwerkingtreding van de Wtta.

Tegenbewijs omvang aansprakelijkheidsschuld

De inlener en doorlener mogen straks nog wel tegenbewijs leveren over de werkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld, bijvoorbeeld op basis van stukken uit de eigen administratie.

Uitzendonderneming is standaard uitlener

Nu moet de Belastingdienst voor de aansprakelijkstelling altijd eerst onderzoeken of sprake is van uitlening of aanneming. Straks hoeft dat niet meer. Van elke onderneming die is ingeschreven in het openbaar register als toegelaten uitzendonderneming, mag de Belastingdienst aannemen dat het een uitlener is. De Belastingdienst kan dan dus op basis van de raadpleging van het register de inlenersaansprakelijkheid toepassen.

Let op! Het openbaar register is onderdeel van de Wtta.

Tegenbewijs inlener

De inlener of doorlener krijgt wel de mogelijkheid om aannemelijk te maken dat sprake is van aanneming van werk.

Vrijwaring

Stort de inlener 35% van de factuursom op de g-rekening van de uitlener en voldoet de inlener aan administratieve verplichtingen, dan geldt straks een vrijwaring.

Wijziging btw-teruggaaf ondernemer uit ander EU-land

By nieuws

Een ondernemer die buiten Nederland gevestigd is en geen btw-aangifte doet in Nederland, kan Nederlandse btw terugvragen. Per 1 april 2026 wijzigt daar iets in.

Btw-teruggaaf

EU

De ondernemer moet het verzoek om teruggaaf van Nederlandse btw digitaal indienen bij de Belastingdienst van het EU-land waar hij gevestigd is. In Nederland kan btw teruggevraagd worden over de afgelopen vijf jaar. In sommige EU-landen kan dat niet en moet een verzoek om btw-teruggaaf vóór 1 oktober van het volgende jaar zijn ingediend.

Let op! In sommige gevallen is het mogelijk om alsnog een schriftelijk verzoek in te dienen bij de Nederlandse Belastingdienst als dat digitaal bij de Belastingdienst van het land van vestiging niet meer mogelijk is. Voor vragen hierover kunt u contact opnemen met de Belastingtelefoon Buitenland in Nederland.

Wijziging met ingang van 1 april 2026

Vanaf 1 april 2026 geldt een aanvullende eis voor het digitale verzoek om btw-teruggaaf. De niet in Nederland gevestigde ondernemer moet dan ook de factuur of het invoerdocument bijvoegen bij het verzoek als het factuurbedrag exclusief btw € 1.000 of meer bedraagt. Gaat het om brandstof, dan moet een factuur worden bijgevoegd als het factuurbedrag exclusief btw € 250 of meer bedraagt.

Let op! De factuur of het invoerdocument moet zijn opgesteld in het Duits, Frans, Italiaans of Nederlands.

Niet geregistreerd medicijn aftrekbaar als zorgkosten

By nieuws

Onder voorwaarden kunt u de kosten van in Nederland niet geregistreerde medicijnen in uw aangifte inkomstenbelasting aftrekken als zorgkosten.

Medicijnen aftrekbaar als zorgkosten

Medisch

Als een arts medicijnen aan u voorschrijft, kunt u de kosten daarvan als zorgkosten in aanmerking nemen in uw aangifte inkomstenbelasting. Hierbij geldt de voorwaarde dat de kosten van die medicijnen niet al aan u vergoed worden.

Let op! De wettelijke eigen bijdrage voor ziektekosten kunt u nooit als zorgkosten in aanmerking nemen. Dat geldt ook voor het eigen risico van uw zorgverzekering.

Niet geregistreerde medicijnen

Aan de Belastingdienst is gevraagd of het ook mogelijk is om medicijnen die niet in Nederland en ook niet in de EU geregistreerd zijn als zorgkosten in aanmerking te nemen. Volgens de Belastingdienst is dat onder voorwaarden mogelijk.

Daarbij moet eerst worden vastgesteld dat het gaat om wat in Nederland omschreven wordt als een medicijn. Dat is een middel dat wordt gebruikt om de fysiologische functies bij de mens te herstellen, verbeteren of wijzigen. Het middel mag niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan de behandeling of voorkoming van een ziekte.

Voorschrift arts

Volgens de Belastingdienst is aftrek als zorgkosten vervolgens mogelijk als deze medicijnen zijn voorgeschreven door een in Nederland gevestigde arts.

Formeel kan een in Nederland gevestigde arts een niet geregistreerd medicijn niet voorschrijven. Maar als deze arts kan aangeven dat het medicijn kan leiden tot verbetering van de klinische conditie van de patiënt en bovendien aangeeft hoe het medicijn moet worden gebruikt, wordt dit aangemerkt als een voorschrift. 

Verder is aftrek ook mogelijk als de medicijnen zijn voorgeschreven door een naar Nederlandse maatstaven kwalificerende arts in het buitenland. Uit de rechtspraak volgt dat uitleg over het gebruik van een medicijn door een arts hierbij gelijkgesteld kan worden met een voorschrift van een arts.

Overige voorwaarden

Uiteraard moet ook nog aan de overige algemene voorwaarden die gelden voor aftrek van zorgkosten voldaan worden. Houd er ook rekening mee dat voor de aftrek van specifieke zorgkosten een inkomensafhankelijk drempelbedrag geldt. Alleen als alle zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen in een jaar boven dit drempelbedrag uitkomen, leidt dit tot een aftrekbaar bedrag.