All Posts By

Brief Belastingdienst voortzettingseis bij schenking onderneming

By nieuws

Kreeg u een onderneming geschonken in 2022? En maakte u daarbij gebruik van de vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling? Dan ontvangt u in de week van 23 april 2026 een brief van de Belastingdienst.

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)

Belastingdienst

De BOR kan – grofweg omschreven – van toepassing zijn bij het schenken van het vermogen van een persoonlijke onderneming (denk aan eenmanszaak of aandeel in een firma) en bij het schenken van aandelen in een bv die een onderneming drijft.

Let op!De vrijstelling bedraagt in 2026 100% van de goingconcernwaarde tot een bedrag van € 1.543.500 en 75% daarboven.

Voorzettingseis

De vrijstelling is een voorwaardelijke vrijstelling. Een van de voorwaarden voor deze vrijstelling is dat de onderneming door ontvanger van de schenking een aantal jaren wordt voortgezet. Bij schenkingen vóór 1 januari 2025 bedroeg deze voortzettingstermijn nog minimaal vijf jaar.

Let op!Bij schenkingen vanaf 1 januari 2025 bedraagt de voortzettingstermijn minimaal drie jaar.

Als de ontvanger van de schenking de onderneming niet minimaal zolang voortzet, vervalt de vrijstelling en moet alsnog schenkbelasting betaald worden over de verkregen onderneming.

Brief Belastingdienst

In een brief die de Belastingdienst in de week van 23 april 2026 stuurt, wijst de Belastingdienst op deze voortzettingseis voor schenkingen die gedaan zijn in het jaar 2022. Ontvangt u zo’n brief en heeft u niet voldaan aan de voortzettingseis of twijfelt u daaraan? Neem dan contact op met één van onze adviseurs. Zij kunnen dan samen met u beoordelen of u nog voldoet aan de voorwaarden, zo nodig na overleg met de Belastingdienst.

Let op!U voldoet bijvoorbeeld niet meer (geheel) aan de voorzettingseis als u binnen de voortzettingstermijn de onderneming (deels) verkoopt, uw aandelen (deels verkoopt), uw onderneming of de bv failliet wordt verklaard, de onderneming wordt beëindigd, de activiteiten van de onderneming wijzigen et cetera.

Aangifte

Voldoet u niet meer aan de voorzettingseis, dan moet u daarvan aangifte doen. Dit moet uiterlijk binnen acht maanden nadat u niet meer voldeed aan de voorzettingeis met het formulier Aangifte niet voldoen aan het voortzettingsvereiste.

Let op!Als u via een erfenis een onderneming verkreeg en daarbij de BOR toepaste, moet u ook voldoen aan de voortzettingseis. Doet u dat niet meer, dan vervalt de vrijstelling en moet u daarvan ook aangifte doen.

Steunpakket van 1 miljard voor kosten auto en energie

By nieuws

De NOS meldt dat het kabinet een steunpakket van 1 miljard voorbereidt om tegemoet te komen aan de effecten van de oorlog in het Midden-Oosten. Dit pakket wordt vrijdag 17 april 2026 in de ministerraad besproken.

Geen accijnsverlaging

Auto

Het steunpakket lijkt geen accijnsverlaging te bevatten. Dat is te duur en bovendien niet doelmatig. Het is onvoldoende gericht op huishoudens en bedrijven die het hardst geraakt worden door de hoge brandstofprijzen.

Onbelaste reiskostenvergoeding naar 25 cent

Het lijkt erop dat het verhogen van de onbelaste reiskostenvergoeding van 23 naar 25 cent wel tot de steunmaatregelen gaat behoren. Die verhoging zou dan mogelijk tot eind 2026 gelden.

Halvering mrb bestelbus ondernemer

Voor dezelfde periode zou het kabinet de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor bestelbussen van ondernemers – de zogenaamde grijze kentekens – willen halveren.

Extra geld voor energienoodfonds en isolatie

De bronnen bevestigen aan NOS ook dat er 50 miljoen extra beschikbaar komt voor het energienoodfonds. Verder zou er extra geld komen voor het isoleren van huizen.

Groene subsidies

De NOS meldt ook nog dat budgetten voor groene subsidies voor bedrijven voor de jaren na 2026 eerder beschikbaar komen.

Vrijdag in ministerraad

Het steunpakket wordt vrijdag 17 april a.s. in de ministerraad besproken en waarschijnlijk na het weekend gepresenteerd. Daarna moet het kabinet ook nog voldoende steun voor het pakket zien te vinden bij de oppositiepartijen in zowel Tweede als Eerste Kamer. De Tweede Kamer debatteert volgende week over het steunpakket.

Let op!De NOS meldt dit alles op basis van bronnen. Een officiële bevestiging of vastlegging is nog niet verschenen.

Advieswijzer Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ)

By nieuws

Het wetsvoorstel voor de BAZ is naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze verplichte basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid raakt straks zo’n 1,2 miljoen IB-ondernemers. De verwachting is dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd. Het zal daarom waarschijnlijk nog jaren duren voordat zelfstandigen van deze verzekering gebruik kunnen gaan maken.

Wat is de BAZ?

Medisch

De BAZ betreft een verplichte publieke verzekering tegen inkomensverlies bij langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Het gaat dus nadrukkelijk om een publieke regeling, niet om een private of commerciële verzekering. De BAZ is bedoeld als basisvoorziening. Wie door ziekte, een gebrek, een zwangerschap of bevalling langdurig niet meer kan werken, kan straks onder voorwaarden een uitkering krijgen.

Let op!De BAZ wordt om een aantal redenen ingevoerd. Zo zijn er op dit moment te weinig zelfstandigen adequaat verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, is er sprake van een ongelijk speelveld en vallen onverzekerde zelfstandigen uiteindelijk terug op de bijstand.

Voor wie geldt de BAZ?

De BAZ geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting (IB-ondernemers), met of zonder personeel, die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Het gaat dan concreet om ondernemers die werken vanuit een eenmanszaak, vof of maatschap.

Voor wie geldt de BAZ niet?

De volgende groepen vallen niet onder de BAZ. Dat betekent dat ze geen premie betalen, maar ook dat ze geen aanspraak kunnen maken op een uitkering.

Directeur-grootaandeelhouders (dga’s) van een bv

Volgens de regering hebben dga’s gemiddeld een hoger inkomen en meer vermogen dan IB-ondernemers, waardoor de noodzaak voor overheidsingrijpen minder groot is. Bovendien zou het toevoegen van deze groep aan de BAZ voor problemen in de uitvoering kunnen zorgen.

Meewerkende partners

Ook meewerkende partners zijn om uitvoeringstechnische redenen uitgezonderd. Deze groep is namelijk vooraf niet te identificeren voor de premieheffing.

Resultaatgenieters

Mensen die resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) genieten, vallen ook niet onder de BAZ. Bij ROW gaat het vaak om bijverdiensten.

Gemoedsbezwaarden

Mensen met principiële bezwaren (vaak van godsdienstige aard) tegen elke vorm van verzekering kunnen ontheffing krijgen.

Combinatieverdieners met voldoende WIA-dekking

Sommige zelfstandigen combineren het zelfstandig ondernemerschap met een baan in loondienst. Zij zijn voor de werkzaamheden in loondienst via hun werkgever verzekerd voor de WIA. Daarom vallen ze, afhankelijk van de hoogte van hun loon, niet of slechts gedeeltelijk onder de BAZ. Bedraagt het SV-loon (het loon waarover premies werknemersverzekeringen worden betaald) minimaal 142,86% van het minimumloon, dan is de zelfstandige niet premieplichtig voor de BAZ. Het gaat hier naar verwachting om ongeveer 600.000 combinatieverdieners.

Medegerechtigden

Commanditaire vennoten en anderen die winst uit onderneming genieten zonder daarvoor arbeid te verrichten (bijvoorbeeld na een bedrijfsoverdracht), vallen niet onder de BAZ.

AOW-gerechtigden

Zelfstandigen boven de AOW-gerechtigde leeftijd betalen geen premie, maar hebben ook geen recht op een uitkering.

Kiezen voor private verzekering: opt-out

Zelfstandigen hoeven niet deel te nemen aan de BAZ. Ze kunnen namelijk kiezen voor een opt-out. Ze moeten dan wel een private (commerciële) verzekering hebben die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Dat betekent dat een private verzekering onder meer:

  • een dekking moet bieden tot de AOW-leeftijd;
  • een uitkering van minimaal 70% van de winst (waarbij de winst maximaal 42,86% van het wettelijk minimumloon bedraagt) moet geven;
  • een wachttijd moet hebben van maximaal 104 weken;
  • periodiek uitkeert (geen eenmalige uitkering);
  • een premie moet hebben die minimaal gelijk is aan de publieke premie.

De verzekeraar kan dan voor de verzekerde een opt-out aanvragen bij het UWV. Deze opt-out kan alleen ingaan per 1 januari of bij de start van de onderneming.

Stabiliteitsbijdrage

Als een zelfstandige kiest voor een private verzekering via de zogenaamde opt-out, moet hij toch nog een premie betalen, de zogenaamde stabiliteitsbijdrage. Dit betreft een vast bedrag per privaat verzekerde. De gedachte hierbij is dat zo wordt voorkomen dat de publieke verzekering vooral de zwaardere risico’s overhoudt en daardoor snel duurder wordt. Deze bijdrage wordt afgedragen door de verzekeraar, maar zal naar verwachting in de premie voor de verzekerde worden verwerkt. De verwachting is dat deze stabiliteitsbijdrage uit zal komen op een bedrag tussen de € 25 en € 35 per maand bij volledige risicoverevening.

Overgangsrecht voor zelfstandige met private AOV

Voor zelfstandigen die al een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, gaat er overgangsrecht gelden. Om onder het overgangsrecht te vallen, moet de verzekering:

  • tot stand zijn gekomen vóór de peildatum;
  • een wachttijd hebben van maximaal 104 weken;
  • een eindleeftijd hebben van minimaal 55 jaar;
  • periodiek uitkeren;
  • geen ongevallenverzekering of woonlastenbeschermer zijn.

Voldoet de verzekering aan genoemde voorwaarden, dan hoeft de zelfstandige niet verplicht aan de BAZ deel te nemen. De verzekerde hoeft dan ook niet opnieuw medisch gekeurd te worden. De stabiliteitsbijdrage blijft wel van toepassing.

Als de verzekering niet aan de voorwaarden voldoet, kan de zelfstandige deze aanpassen, kan hij een nieuwe verzekering afsluiten die wel aan de eisen voldoet of toch instromen in de publieke BAZ.

Let op!De verzekeraar moet binnen dertien weken na inwerkingtreding van de wet een aanvraag doen bij het UWV voor toepassing van het overgangsrecht.

Let op!Alleen wie voor de peildatum een verzekering heeft, kan gebruikmaken van dit overgangsrecht. Op dit moment is nog onduidelijk wanneer die peildatum bekend wordt gemaakt. Vaak gaat deze direct na de bekendmaking in, dus wacht niet te lang met actie ondernemen.

Hoe hoog is de premie voor de BAZ?

De premie voor de BAZ bedraagt 5,4% van de winst uit onderneming. Er geldt een maximum van circa € 171 bruto aan te betalen premie per maand.

Let op!De maximale premie van € 171 is gebaseerd op 142,86% van het minimumloon in 2025. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De maximale premie van € 171 bruto per maand is verschuldigd vanaf een winst uit onderneming van € 38.000 (5,4% van € 38.000 gedeeld door 12).

Door de koppeling van de BAZ-premie aan de winst uit onderneming, betaalt een zelfstandige met een winst van nul of lager geen BAZ-premie.

Tip! De BAZ-premie is fiscaal aftrekbaar in de aangifte IB als uitgave voor inkomensvoorzieningen.

De zelfstandige ontvangt voor de BAZ-premie een aparte aanslag, naast de aanslag IB en de aanslag Zvw.

Hoe hoog is de BAZ-uitkering?

De hoogte van de BAZ-uitkering is ook afhankelijk van de winst uit onderneming en bedraagt 70% van de gemiddelde winst, maar maximaal het wettelijk minimumloon. Bij de eerdergenoemde winst van € 38.000 of meer is de uitkering dus het minimumloon. Bij een lagere winst bedraagt de uitkering 70% van de gemiddelde winst.

Let op!Bij winst uit onderneming gaat het om de belastbare winst voor belastingen, vermeerderd met ondernemersaftrekken (zoals de zelfstandigenaftrek, meewerkaftrek, aftrek speur- en ontwikkelingswerk en de stakingsaftrek) en vermeerderd met de mkb-winstvrijstelling.

De uitkering is dus erg laag. Reden waarom gesproken wordt van een basisverzekering. Wie meer uitgekeerd wil krijgen, zal zich aanvullend moeten verzekeren.

Het is verder een alles-of-nietsverhaal. Dat betekent dat er wel of geen recht op uitkering bestaat. Er is geen mogelijkheid van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zoals bij de WIA. Eventuele inkomsten naast de uitkering worden voor 70% gekort. Werken loont dus wel.

Arbeidsongeschikt in de zin van de BAZ

De BAZ hanteert een absoluut criterium. Iemand is arbeidsongeschikt als hij of zij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet meer in staat is om met arbeid ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen. Het feitelijk verdiende inkomen is dus niet van belang. Het UWV gaat kijken of iemand zogeheten basisfuncties kan uitvoeren. Het gaat dan om functies die op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkomen met een relatief lage belasting, op of rond minimumloonniveau. Denk hierbij aan eenvoudig administratief werk of lichte productiewerkzaamheden.

Lukt het om zo’n functie uit te voeren, dan is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid.

Let op!Het gegeven dat iemand als zelfstandige zijn eigen werk niet meer kan uitvoeren, is dus niet van belang.

Wachttijd

Er geldt een wachttijd van twee jaar voordat eventueel tot uitkering wordt overgegaan. Dit heeft als voordelen dat de premie lager uitvalt en de druk op de uitvoering voor het UWV afneemt. Deze wachttijd kan de zelfstandige op verschillende manier overbruggen, zoals door eigen vermogen, een broodfonds of een private verzekering. Wel kan er gedurende de wachttijd een beroep worden gedaan op de re-integratiedienstverlening door het UWV.

Behandeling wetsvoorstel

Het kabinet wil de BAZ snel door het parlement loodsen. Dit hangt samen met de deadline van 31 augustus 2026 in verband met het EU Herstel- en Veerkrachtplan en de samenhang met de Zelfstandigenwet, waarin een arbeidsongeschiktheidsverzekering een voorwaarde wordt voor het werken als zelfstandige. Het is de verwachting echter dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Gemeente kan leegstandsheffing invoeren

By nieuws

Het artikel in de Gemeentewet dat gemeenten de mogelijkheid biedt om een leegstandsheffing in te voeren is met ingang van 21 maart 2026 in werking getreden. Wat betekent dit?

Gemeentewet

Bedrijfspand

In de Gemeentewet is sinds eind 2025 opgenomen dat een gemeente een leegstandsheffing kan opleggen aan eigenaren van woningen die langer dan twaalf maanden leegstaan. Het betreffende artikel is per 21 maart 2026 in werking getreden.

Leegstandsheffing

Nu de wettelijke bepaling in de Gemeentewet in werking is getreden, kunnen gemeenten ervoor kiezen om de leegstandsheffing op te nemen in een lokale belastingverordening. Pas nadat de leegstandsheffing is opgenomen in zo’n lokale belastingverordening, gaan de twaalf maanden voor leegstand lopen. De gemeente kan dus niet meteen na de lokale belastingverordening de heffing opleggen.

Let op!De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werkt aan een modelverordening die gemeenten zouden kunnen gebruiken.

De hoogte van de heffing en de beslissing om een leegstandsheffing in te voeren wordt overigens bepaald door de gemeente. Het is dus een keuze en geen verplichting.

Wijzigingen Leegstandswet

Wijzigingen in de Leegstandswet gaan binnenkort voor advies naar de Raad van State. Als deze wijzigingen door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, krijgen gemeenten effectievere bevoegdheden om leegstand tegen te gaan. Dit zijn onder meer:

  • de mogelijkheid om een collectieve vergunning af te geven voor tijdelijke verhuur van woonruimtes in een gebouw of bij sloop en (ver)nieuwbouw’,
  • het opvragen van het elektriciteitsverbruik van een pand om te controleren of het leegstaat,
  • het opleggen van de verplichting om een langdurig leegstaand pand weer in gebruik te nemen of geven.

Schenking bij borg lening aan bv kind

By nieuws

Als u persoonlijk borgstaat voor een lening aan de bv van uw kind, is dat dan een schenking?

Borgstelling

Schenken

Uw kind heeft een bv. Die bv wil een lening afsluiten bij een bank, maar de bank wil de lening alleen verstrekken als er een borgstelling is. U besluit persoonlijk borg te staan voor de lening. U berekent daarvoor geen vergoeding (borgstellingsprovisie) aan de bv van uw kind. Is hier sprake van een schenking?

Schenking

De Belastingdienst geeft aan dat hier sprake is van een schenking, omdat u uit vrijgevigheid genoegen neemt met een lagere vergoeding voor de borgstelling dan wat een zakelijke vergoeding is. De schenking wordt toegerekend aan degene die voordeel heeft van die vrijgevigheid, in dat geval uw kind die de aandeelhouder is van de bv.

Let op!De schenking vindt plaats op het moment dat u de borgstelling verstrekt en dus niet pas op het moment dat u zou worden aangesproken als borg, aldus de Belastingdienst.

Hoogte schenking

Door het borgstaan voor een lagere dan een zakelijke vergoeding, worden de aandelen van de bv van uw kind meer waard volgens de Belastingdienst. De bv kan immers onder aantrekkelijke voorwaarden geld lenen bij de bank zonder (of tegen een lagere) vergoeding dan in zakelijke verhoudingen. De hoogte van de schenking is daarom gelijk aan de waardestijging van de aandelen als gevolg van die borgstelling tegen een lagere vergoeding dan zakelijk.

Tarief

Voor de schenkbelasting wordt gerekend met de tarieven en vrijstelling die gelden voor een kind. De schenking wordt immers toegerekend aan uw kind.

Let op!Het standpunt van de Belastingdienst wordt in de fiscale vakliteratuur bekritiseerd. Neem voor uw eigen situatie daarom contact op met onze adviseurs.

Advieswijzer Echtscheiding en uw bedrijf 2026

By nieuws

Wanneer u als ondernemer gaat scheiden, heeft dit in de meeste gevallen ook gevolgen voor de onderneming. Of dit nu een eenmanszaak is of een bv. Een eigen bedrijf maakt een scheiding vele malen lastiger.

Er komen vragen op u af als:

  • Kan de onderneming worden voortgezet?
  • Maakt uw partner aanspraak op een deel van (de waarde van) het bedrijf?
  • Wat gebeurt er met het pensioen?
  • Van welke financiële gegevens moet worden uitgegaan bij het berekenen van alimentatie?

Deze advieswijzer bevat een overzicht van enkele belangrijke zaken waarmee u als ondernemer te maken kunt krijgen bij een echtscheiding. Het zijn complexe zaken, die om deskundige begeleiding vragen. Met behulp van deze advieswijzer inventariseert u uw persoonlijke situatie en komen er zaken aan de orde als:

  • Huwelijksvermogensregime: is er een algehele gemeenschap van goederen (vóór 2018), een beperkte gemeenschap van goederen (vanaf 2018) of heeft u huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden gesloten?
  • Is het Nederlands recht wel van toepassing? Dit kan een rol spelen als u in het buitenland heeft gewoond na uw huwelijk of als u en uw partner (ook) een andere nationaliteit hebben.
  • Rechtsvorm van uw bedrijf: is er sprake van een eenmanszaak, vof, maatschap, bv of andere vorm? Staat het bedrijf op uw naam en/of op uw partners naam? Werkt u beiden in het bedrijf? Is er een regeling getroffen over de eigendom van en/of het recht op een deel van de waarde van de onderneming?
  • Vermogens- en inkomenspositie: wat behoort tot uw privé- en zakelijk vermogen? Waaruit bestaat het gezinsinkomen? Heeft u kinderen?
  • Pensioenen: welke regelingen hebben u en uw partner gesloten? Welke aanspraken heeft u beiden opgebouwd voor en tijdens het huwelijk?
  • Fiscaliteit: wat zijn de fiscale gevolgen van de scheiding? Moet u fiscaal afrekenen over de waarde van het bedrijf? Op welke fiscale valkuilen moet u alert zijn?

Tip! Ga regelmatig na of uw huwelijksvermogensregime nog wel past bij uw zakelijke en privébelangen. Laat u daarbij ook goed informeren over actuele wet- en regelgeving.

Let op!Sinds 1 januari 2018 is voor vanaf dat moment te sluiten huwelijken de beperkte gemeenschap van goederen de standaard. In plaats van één gemeenschappelijk vermogen is sprake van drie vermogens: een huwelijksvermogen en een afzonderlijk vermogen voor ieder van de echtgenoten. Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de beperkte gemeenschap (vraag ook naar de Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen).

Wel geldt dat een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid voldaan dient te worden aan de gemeenschap, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van de echtgenoten komt of is gekomen. Dit vereist een nauwkeurige administratie tijdens het huwelijk. Het is verstandig om de waarde van de voorhuwelijkse onderneming goed vast te stellen en hierbij op te nemen op basis van welke grondslag dit is gebeurd.

Door de wettelijke regeling die geldt vanaf 1 januari 2018 is het overeenkomen van huwelijkse voorwaarden over het algemeen van nog groter belang dan voor die tijd.

Verdeling

Strategie

Bij een algehele of beperkte gemeenschap vindt bij echtscheiding verdeling plaats van het vermogen dat in de gemeenschap is gevallen. Beide partijen zijn gerechtigd tot hun aandeel in de gemeenschap. In het kader van de verdeling dient waardering van het ondernemingsvermogen dan wel van de aandelen plaats te vinden, op voorwaarde dat deze tot de gemeenschap behoren.

Huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden

Zonder huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden valt de (waarde van de) onderneming in de te verdelen gemeenschap; met uitzondering van het voorhuwelijks ondernemingsvermogen bij een beperkte gemeenschap van goederen. In dat geval kan wel sprake zijn van een redelijke vergoeding aan de gemeenschap voor kennis, vaardigheden en arbeid, die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

Wellicht heeft u in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden wel specifieke bepalingen opgenomen over de gerechtigdheid tot het eigen bedrijf. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een verrekenbeding, waarbij de waarde van het geheel of van een gedeelte van de onderneming moet worden verrekend.

Ook kan het zijn dat u een zogenaamd jaarlijks verrekenbeding in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden heeft staan waar u nooit uitvoering aan heeft gegeven. De wet gaat er bij een echtscheiding dan in beginsel van uit dat uw totale vermogen gelijk met elkaar verrekend dient te worden.

Tegenbewijs is weliswaar mogelijk, maar de praktijk leert dat dit vaak erg lastig is. Ook kan het zijn dat er wel jaarlijkse berekeningen zijn gemaakt, maar dat die niet goed blijken te zijn; bijvoorbeeld omdat opgepotte winsten in de bv niet meegerekend zijn, terwijl dat wel had gemoeten. Het gevolg is dan dat of de berekeningen opnieuw gemaakt moeten worden (hetgeen vaak complex blijkt te zijn), of dat het totale vermogen toch verrekend dient te worden.

In het kader van een echtscheiding kan om afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden worden gevraagd. Het kan dan gaan om verdeling van een eenvoudige gemeenschap of een verrekening in het kader van een verrekenbeding.  Ook is het vaak lastig om achteraf nog vast te stellen wat er precies tussen de partijen verrekend moet worden.

Let op!Als u voor het huwelijk een eenmanszaak had die u tijdens het huwelijk met beperkte gemeenschap van goederen (dus alleen bij huwelijken gesloten na 1 januari 2018) in een besloten vennootschap heeft ingebracht, dan wordt deze besloten vennootschap niet zonder meer beschouwd als een voorhuwelijkse onderneming. Dit kan betekenen dat de vennootschap gemeenschappelijk is geworden en uw partner recht heeft op de helft van de waarde van de aandelen in de vennootschap.

Het kan dus zomaar zijn dat u als ondernemer de waarde van uw onderneming moet delen met uw (ex-)partner. De activa/passiva van het bedrijf dienen hiervoor reëel te worden gewaardeerd. De scheiding brengt het risico met zich mee dat het uitkopen van de ex-partner ten koste kan gaan van de continuïteit van het bedrijf. Als het bedrijf dan ook de belangrijkste inkomensbron is, is het zaak te zoeken naar passende oplossingen. Denk hierbij ook aan het (tijdelijk) aanhouden van een belang in de onderneming door uw ex-partner. Maar ook aan het verrekenen met andere bezittingen of het overnemen van schulden.

Let op!Ga na of bij een bedrijfsfinanciering ook privézekerheden, bijvoorbeeld een hypotheek op de woning, zijn verstrekt. Dit vraagt dan om extra aandacht bij de afwikkeling van de scheiding.

Verevening van pensioenrechten

Bij een echtscheiding heeft de ex-partner in principe recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dit wordt pensioenverevening genoemd. De ex-partner krijgt dan een voorwaardelijk recht. Daarnaast heeft de ex-partner recht op een bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen.

Tip! U bent vrij om samen met uw (ex-)partner een andere verdeling af te spreken of zelfs te besluiten niet tot verevening van het ouderdomspensioen over te gaan. Let wel, in maart 2026 heeft een Kennisgroep van de Belastingdienst laten weten dat het afzien van verevening van pensioen beschouwd kan worden als een schenking, als de echtgenoot die hiervan afziet hier niet voor gecompenseerd wordt en als de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding wel van toepassing is.

Ook conversie van pensioen is mogelijk. Dan zet u de rechten voor uw ex-partner om in een eigen pensioen en u bent niet meer ‘verbonden’ aan elkaar. Wijkt u af van de wettelijke regeling, dan moet dit wel zijn vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant. Als u wenst af te wijken van de wet is het van belang om advies in te winnen bij een fiscalist en/of pensioendeskundige.

Let op!Van het bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen moet u expliciet afzien als dat gewenst is.

Fiscale gevolgen afspraken pensioen in eigen beheer

Over pensioen in eigen beheer heeft u voor 1 januari 2020 moeten beslissen, opbouw is sinds 1 juli 2017 al niet meer mogelijk. Koos u ervoor om het pensioen in eigen beheer ongewijzigd te laten (zonder verdere opbouw) en gaat u scheiden, dan blijft uw ex-partner voor zijn of haar deel van het reeds opgebouwde pensioen in eigen beheer afhankelijk van het reilen of zeilen van uw bv. De bv is en blijft immers in dit geval de pensioenuitvoerder. Omdat dit nadelig kan zijn voor uw ex-partner, kan deze eisen dat het pensioenaandeel elders wordt ondergebracht. U en uw bv moeten hieraan meewerken. Dit is alleen anders als door afstorting van het pensioen de continuïteit van uw onderneming aantoonbaar in gevaar komt. Bovendien mag het afstorten er niet voor zorgen dat uw eigen pensioen in gevaar komt. Komt het in gevaar, dan moet er sprake zijn van post-relationele solidariteit, en moet de ex-partner ‘meedelen’ in het eventuele tekort, en krijg dus minder afgestort pensioen mee, maar houdt wel het volledige recht op dan een deel in de eigen bv.

Tip! Het staat u en uw (ex-)partner te allen tijde vrij om te kiezen voor een alternatieve financiële oplossing.

Koos u ervoor om de pensioenaanspraak in eigen beheer af te kopen met een belastingkorting of om te zetten in een oudedagsverplichting, dan verliest uw partner zijn of haar rechten op een deel van het in eigen beheer opgebouwde ouderdomspensioen (partnerpensioen). Uw partner dient daarvoor wellicht ‘passend’ te worden gecompenseerd. ‘Passend’ kan ook betekenen dat u samen met uw partner schriftelijk vastlegt dat compensatie (uitsluitend) plaatsvindt wanneer u overlijdt of bij echtscheiding. Ook hier geldt dat iedere keuze mogelijk fiscale voordelen biedt, maar ook tot ongewenste fiscale complicaties kan leiden en dus moeten deze vooraf goed in beeld gebracht worden.

Let op!In bepaalde situaties is de partnercompensatie belast als periodieke uitkering en/of aftrekbaar als onderhoudsverplichting.

Alimentatie

Ook na een echtscheiding hebben uw ex-partner en u de plicht voor elkaar en de kinderen te zorgen door bij te dragen in de kosten van levensonderhoud (alimentatie). Voor het berekenen van de alimentatie gelden de zogenaamde ‘Tremanormen’. Bij de ondernemer is het van groot belang om niet alleen naar de jaarstukken uit het verleden te kijken, maar ook naar de kasstroom van de ondernemer, prognoses en informatie over de onderneming en de branche.

Partneralimentatie

Wanneer een van de ex-partners niet genoeg inkomsten heeft om van te leven, heeft de ander de plicht om bij te dragen in de kosten. Bij verzoekschriften tot echtscheiding die na 1 januari 2020 zijn ingediend, geldt dat de partneralimentatie beperkt is in duur. Hoe lang alimentatie betaald dient te worden, hangt af van verschillende factoren, zoals de duur van het huwelijk, leeftijd van betrokkenen, leeftijd van eventuele kinderen en het moment van het ontvangen van AOW. Een veel gehoorde misvatting is dat de duur van partneralimentatie standaard vijf jaar zou zijn.

In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Let op!Partneralimentatie is bij de betaler ervan aftrekbaar en bij de ontvanger belast.

Voor de verkrijger van alimentatie zijn de hiermee samenhangende advocaatkosten aftrekbaar als de procedure ter verkrijging van alimentatie voor hem of haar succesvol verloopt. Dit is ook het geval als de verkrijger geen succes heeft, maar er een redelijke kans op succes is geweest. Degene die alimentatie moet betalen, kan de kosten van de advocaat niet aftrekken. Dit staat los van de vraag of de procedure voor degene van wie de betaling geëist werd, al dan niet succesvol is verlopen.

Over de hoogte en de duur van de alimentatie kunt u met elkaar naar eigen inzicht en mogelijkheden afspraken maken. Neem de afspraken volledig en duidelijk op in een echtscheidingsconvenant. Voorkom discussie over het ondernemersinkomen en de onderlinge draagkrachtverdeling. Daarnaast is het bij een ondernemer van groot belang dat een dubbeltelling voorkomen wordt. Toekomstige geldstromen van de onderneming moeten niet twee keer worden meegenomen, dat wil zeggen zowel bij de waardering van de aandelen als bij de alimentatie.

Kinderalimentatie

De kosten van de kinderen (ook wel behoefte genoemd) worden in beginsel berekend aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen in een gezin en de leeftijd van de kinderen. Ook kan rekening worden gehouden met hoge (netto) oppaskosten voor en na de scheiding.

Bij het bepalen van draagkracht van ouders voor kinderalimentatie wordt gebruikgemaakt van een formule die is opgenomen in de Tremanormen. Aan de hand van het netto besteedbaar inkomen wordt dan berekend wat een ouder redelijkerwijs kan bijdragen in de kosten van de kinderen. In de formule wordt rekening gehouden met de bijstandsnorm, alsook een component voor woonlasten.

Worden er schulden afgelost of heeft iemand bijzondere verplichtingen, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan kan de formule hierop worden aangepast. Ouders die gaan scheiden, hoeven minder kinderalimentatie te betalen naarmate zij meer voor de kinderen zorgen (zorgkorting).

Indien de ouders samen een tekort hebben aan draagkracht voor de kinderalimentatie, dan dient onderzocht te worden of de draagkracht niet hoger is, wanneer gerekend wordt met de daadwerkelijke woonlast van de ouders in plaats van met het forfaitaire bedrag.

Let op!Er kan bij kinderalimentatie sprake zijn van samenloop van onderhoudsverplichtingen. Dit is aan de orde als er sprake is van bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige stiefouder of wanneer de ouders kinderen hebben bij verschillende partners. Ook dit heeft gevolgen voor de berekening.

Let op!In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Fiscaal partnerschap

Een echtscheiding kan voor de scheidende partners uiteenlopende fiscale consequenties hebben. Op het moment dat u het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed heeft ingediend en u ook niet meer op hetzelfde adres ingeschreven staat, bent u geen fiscaal partner meer. Wel mag u in dat jaar nog kiezen om als fiscale partners de belastingaangifte in te vullen. Dit kan het jaar daarop niet meer. Bent u geen fiscaal partner meer, dan heeft dit vooral direct gevolgen voor een aantal regelingen in de inkomstenbelasting en voor eventuele toeslagen. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende regelingen.

Doorschuiffaciliteit

Behoort het ondernemingsvermogen tot de te ontbinden gemeenschap van de (huwelijks)partners? Dan wordt het deel van uw onderneming, dat volgens het huwelijksvermogensrecht toekomt aan uw partner, bij ontbinding van de gemeenschap geacht te zijn overgedragen tegen reële waarde. Over de fiscale meerwaarde (goodwill, reserves en stille reserves) van dit deel van de onderneming moet u als ondernemer dan afrekenen. Onder voorwaarden hoeft er echter niet te worden afgerekend en geldt er een belastingvrije doorschuiffaciliteit.

Terbeschikkingstelling (TBS)

Als u een vermogensbestanddeel (zoals een pand) ter beschikking stelt aan de onderneming, aanmerkelijk belang vennootschap of werkzaamheid van een verbonden persoon, dan is op dit vermogensbestanddeel de TBS-regeling van toepassing. Partners gelden voor de TBS-regeling als verbonden personen. De positieve en negatieve voordelen behaald met dit vermogensbestanddeel vormen dan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheid (box 1). Met de echtscheiding eindigt de verbondenheid en de terbeschikkingstelling en vindt over het betreffende (aandeel in het) TBS-vermogen een fiscale afrekening plaats, tenzij er een doorschuiffaciliteit (fiscale begeleiding) van toepassing is. Bij huwelijkse voorwaarden speelt dit vaak niet. Het vermogensbestanddeel behoort tot uw vermogen en alleen u heeft te maken met de TBS-regeling.

Aanmerkelijk belang

Hebben uw partner en u een aanmerkelijk belang (AB), dan kan de scheiding tot gevolg hebben dat bij een of beide partners niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang. Op dat moment is sprake van een fictieve vervreemding in de zin van de AB-heffing met een fiscale afrekening tot gevolg. Onder voorwaarden geldt ook hier een doorschuiffaciliteit.

Eigen woning

Bij een echtscheiding verlaat doorgaans een van de partners de woning. Op dat moment is deze woning voor de vertrekkende partner geen hoofdverblijf meer en daarmee zou voor dit aandeel in de woning de eigenwoningregeling en bijbehorende hypotheekrenteaftrek komen te vervallen. Maar, op voorwaarde dat de ex-partner in de woning blijft wonen, blijft de eigenwoningregeling op grond van de scheidingsregeling nog maximaal twee jaar na vertrek gelden. Naast de scheidingsregeling zijn er ook nog vele fiscale valkuilen als er een eigen woning in het spel is. Zo kan de aftrekbaarheid van de eigenwoningrente (deels) in gevaar komen als hierover geen goede afspraken zijn gemaakt.

Tot slot

Een echtscheiding vraagt om goede (fiscale) begeleiding. Er zijn veel regels om rekening mee te houden. Denk hierbij ook aan de verdeling van lijfrenten en kapitaalverzekeringen. Wij kunnen u begeleiden bij dit complexe proces.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Lagere WOZ-waarde voor PAS-melder

By nieuws

Rechtbank Noord-Nederland heeft geoordeeld dat het PAS-melderschap van invloed is op de WOZ-waarde. Wat speelde hier?

PAS-melder

Agrarisch

In deze casus was een melkveebedrijf een PAS-melder. In het verleden had dit melkveebedrijf gebruikgemaakt van de uitzondering die door het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (het PAS) werd geboden op de vergunningsplicht voor bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken.

WOZ-waarde lager?

De eigenaar van het melkveebedrijf vond dat de WOZ-waarde lager moest worden vastgesteld omdat hij een PAS-melder was. De verkoopbaarheid van zijn bedrijf stond namelijk al sinds 2019 onder grote druk ten opzichte van agrarische bedrijven die wel over de benodigde vergunningen beschikten.

Oordeel rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland vond, net als het melkveebedrijf, dat bij het bepalen van de WOZ-waarde rekening gehouden moest worden met het PAS-melderschap.

In 2019 oordeelde de Raad van State immers dat PAS-melders alsnog vergunningsplichtig waren. Na het vaststellen van een legalisatieprogramma door de Minister van LNV, had aanvankelijk in 2025 duidelijkheid voor PAS-melders moeten bestaan. Die termijn is echter inmiddels verlengd naar 2028. Dit heeft een waardeverminderend effect. En dit effect deed zich ook voor bij het melkveebedrijf, aldus de rechtbank.

Agrarische taxatiewijzer

De in de door de gemeenteambtenaar gebruikte agrarische taxatiewijzer zijn kengetallen opgenomen die gebaseerd zijn op agrarische objecten die wél over de benodigde vergunningen beschikken. Daarom is deze taxatiewijzer naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer toepasbaar voor de waardebepaling bij een PAS-melder.

Let op!De WOZ-waarde werd in deze casus door de rechter verlaagd van € 1.091.000 naar € 850.000. Deze verlaging betrof deze specifieke casus en kan daarom niet een op een getalsmatig worden doorgetrokken naar andere casussen.

De rechtbank gaf nog aan dat het feit dat er inmiddels aan oplossingen wordt gewerkt voor de PAS-melders en dat uitkoop ook een optie was, niet leidde tot een ander oordeel. Ook het gegeven dat het betreffende melkveebedrijf nog draaide en als kansrijk kon worden gezien, maakte niet dat er geen waardedruk was. Hetzelfde gold voor de vestiging van het bedrijf buiten een Natura 2000-gebied.

Aanvraag SLIM eerste tijdvak uiterlijk 4 mei 2026

By nieuws

Ondernemers kunnen ook dit jaar individueel of via een samenwerkingsverband de SLIM-subsidie (Stimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen) aanvragen. Via de SLIM-subsidie wordt leren en ontwikkelen op de werkvloer gestimuleerd.

Waarvoor kunt u subsidie krijgen?

Euro

U kunt de SLIM-subsidie krijgen voor de kosten van een adviseur die een scholings- en ontwikkelingsplan maakt voor uw bedrijf, of uw personeel loopbaan- en ontwikkeladvies geeft. Ook projecten om uw personeel te stimuleren om hun kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen, vallen onder de subsidiemogelijkheden.

Hoeveel subsidie?

Individuele bedrijven kunnen maximaal €24.999 subsidie krijgen, voor landbouwbedrijven is dit maximaal €20.000. Samenwerkingsverbanden krijgen maximaal €500.000 per aanvraag en maximaal €200.000 per partner. De subsidie bedraagt in de meeste gevallen 60% van de subsidiabele kosten. Alleen voor loopbaan- en ontwikkeladviezen geldt een vast subsidiebedrag van €700 per afgerond loopbaan-of ontwikkelingstraject

Aanvragen SLIM-subsidie

Individuele ondernemers kunnen de SLIM-subsidie aanvragen van 7 april 2026 9.00 uur tot en met 4 mei 2026 17.00 uur. Aanvragen is ook mogelijk van 10 augustus 2026 9.00 uur tot en met 7 september 2026 17.00 uur. Samenwerkingsverbanden kunnen de subsidie aanvragen van 8 juni 2026 9.00 uur tot 6 juli 2026 17.00 uur.

Aanvragen

Als u de SLIM-subsidie wilt aanvragen, moet u zich eerst registreren. Dit kan via website van Uitvoering van Beleid. Houd er rekening mee dat u de nodige formulieren moet meesturen, zoals een activiteitenplan en begroting.

Loting

Als er te veel aanvragen worden ingediend, wordt de subsidie toegedeeld via loting. Dit was al zo voor individuele ondernemingen, maar sinds dit jaar voor het eerst ook voor samenwerkingsverbanden. Met deze nieuwe aanpak wordt voorkomen dat de beschikbare subsidie voor samenwerkingsverbanden te snel is uitgeput.

Ongewenste effecten 12% pseudo-eindheffing fossiele auto van de zaak

By nieuws

Vanaf 2027 geldt een 12% pseudo-eindheffing voor de fossiele personenauto van de zaak. De Tweede Kamer heeft de regering verzocht om te werken aan oplossingen voor ongewenste effecten van deze regeling.

Pseudo-eindheffing voor personenauto met CO2-uitstoot

Auto

Met ingang van 1 januari 2027 wordt een 12% pseudo-eindheffing in de loonbelasting ingevoerd. Vanaf dat moment is een werkgever 12% pseudo-eindheffing verschuldigd over de cataloguswaarde van een personenauto met CO2-uitstoot die hij aan een werknemer ter beschikking stelt.

Tip! De heffing geldt niet voor personenauto’s die niet privé gebruikt worden, waarbij woon-werkverkeerkilometers als privé worden aangemerkt. Verder geldt de heffing ook niet voor personenauto’s zonder CO2-uitstoot of voor auto’s die geen personenauto zijn (bijvoorbeeld een bestelauto).

Let op! Voor personenauto’s die een werkgever al vóór 1 januari 2027 ter beschikking heeft gesteld, geldt overgangsrecht. Voor deze personenauto’s geldt de heffing voor de werkgever pas vanaf 18 september 2030. Wijzigt een werknemer van werkgever en neemt hij de personenauto mee, dan vervalt het overgangsrecht voor die personenauto en geldt voor de nieuwe werkgever wel meteen de pseudo-eindheffing.

Heffing bij fossiel vervangend vervoer

De pseudo-eindheffing is de hele maand van toepassing, ook als een fossiele personenauto slechts enkele uren of een dag ter beschikking wordt gesteld in die maand. Dit betekent dat bij een vervangende personenauto met een CO2-uitstoot groter dan nul, de werkgever in die maand 12% eindheffing verschuldigd is over de cataloguswaarde van de vervangende personenauto.

Schadeherstel- en verhuurbedrijven

De Tweede Kamer heeft dit ongewenste effect van de nieuwe eindheffing ook opgemerkt. De pseudo-eindheffing zou schadeherstel- en verhuurbedrijven in de huidige vorm immers min of meer dwingen tot een volledig elektrisch wagenpark met ingang van 2027. Dat is irreëel gezien de lopende afspraken van deze bedrijven met betrekking tot het wagenpark en vanwege onvoldoende laadcapaciteit (en door de netcongestie ook geen zicht op snelle uitbreiding van die capaciteit).

Rijscholen

Daarnaast leidt de pseudo-eindheffing tot extra administratieve lasten voor onder andere rijscholen. Een elektrische personenauto is namelijk een automaat. Om te leren schakelen zal een lesauto daarom altijd een brandstofauto moeten zijn (met een CO2-uitstoot groter dan nul). Het bijhouden van een rittenregistratie om aan te tonen dat er niet privé met de personenauto wordt gereden is gezien het gebruik van de lesauto onwerkbaar. Lesauto’s gaan immers niet van A naar B, maar rijden willekeurig rond tijdens de lessen.

Wegnemen ongewenste effecten

Daarom verzoekt de Tweede Kamer de regering om in overleg met de sector te werken aan oplossingen voor deze ongewenste effecten van de pseudo-eindheffing.

Advieswijzer Ontslagrecht

By nieuws

In deze advieswijzer geven we u de stand van zaken met betrekking tot het actuele ontslagrecht. Wanneer mag u iemand ontslaan, welke route moet u bewandelen en wat moet u vastleggen?

De volgende onderwerpen komen aan de orde:

  • Ontslagroute
  • Opzegtermijnen
  • Opzegverboden
  • Beëindigingsovereenkomst
  • Ontbindende voorwaarde
  • Direct ontslag
  • Overlijden werknemer

Ontslagroute

Strategie

Welke route moet u als werkgever bewandelen om de arbeidsovereenkomst van een werknemer te beëindigen? Het UWV is de bevoegde instantie als het gaat om:

a. bedrijfseconomisch ontslag; en
b. ontslag door langdurige arbeidsongeschiktheid.

Andere, meer persoonlijk getinte redenen gaan via de kantonrechter. Bij de kantonrechter moet het gaan om de volgende redelijke ontslaggronden:

c. frequent verzuim werknemer;
d. disfunctioneren werknemer;
e. verwijtbaar handelen of nalaten werknemer;
f. werkweigering wegens ernstig gewetensbezwaar;
g. verstoorde arbeidsverhouding;
h. andere omstandigheden die van dien aard zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren;
i. een combinatie van meerdere van de bovengenoemde ontslaggronden (met uitzondering van de ontslaggrond werkweigering) die elk afzonderlijk geen voldragen ontslaggrond opleveren, maar die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

De laatste ontslaggrond, de zogenaamde cumulatiegrond ook wel i-grond genoemd, geldt vanaf 1 januari 2020.

De procedures bij het UWV en de kantonrechter kosten tijd. Deze proceduretijd kan volledig in mindering worden gebracht op de opzegtermijn. Wel moet minimaal een maand opzegtermijn overblijven. In de opzegbrief moet de werkgever de reden van de opzegging vermelden. Opzegging is alleen aan de orde na verkregen ontslagvergunning van het UWV. Bij een ontbindingsprocedure bepaalt de rechter zelf de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Normaliter houdt hij daarbij rekening met de reguliere opzegtermijn. Is er echter sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, dan kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per direct beëindigen.

Opzegtermijnen

Bij opzegging gaat het om een eenzijdig gerichte rechtshandeling van de ene partij ten opzichte van de andere partij. De opzegging hoeft niet door die andere partij te worden aanvaard. 
Voor zowel werkgever als werknemer gelden termijnen die ze bij de opzegging moeten hanteren. Als hoofdregel geldt dat opzegging tegen het einde van de maand dient plaats te vinden. Dit is slechts anders als in een schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag is aangewezen.

Let op!Het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn, waardoor de arbeidsrelatie te vroeg eindigt – we spreken dan van een onregelmatige opzegging –, zorgt voor de verplichting het loon over de niet in acht genomen opzegtermijn te vergoeden. Dit staat bekend als het betalen van de gefixeerde schadevergoeding.

Bij een contract voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding moeten beide partijen de volledige looptijd uitzitten. Doen ze dat niet, dan is er eveneens sprake van een onregelmatig en dus schadeplichtig ontslag. Alleen als u aangeeft geen problemen te hebben met een tussentijds vertrek van de werknemer is er geen schadeplichtigheid aan de orde. 

Een tussentijds opzegbeding kan eventueel ook later worden overeengekomen in bijvoorbeeld een beëindigingsovereenkomst. Op die manier kan ervoor gezorgd worden dat een werknemer mogelijk toch een WW-uitkering kan krijgen bij een tussentijds vertrek.

Let op!Wanneer gedurende de opzegtermijn helemaal geen loon verschuldigd is, omdat bijvoorbeeld na 104 weken de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte is geëindigd, kan toch aanspraak worden gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding, dus het loon over de niet in acht genomen opzegtermijn.

De door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn is gerelateerd aan de duur van het dienstverband van de werknemer.

Duur dienstverband  Opzegtermijn
 Korter dan 5 jaar 1 maand
Tussen 5 – 10 jaar  2 maanden
Tussen 10 -15 jaar 3 maanden
15 jaar of langer 4 maanden

Bepalend voor de duur van de opzegtermijn, is de duur van het dienstverband op de dag van de opzegging. Voor de werknemer die het dienstverband wil opzeggen, geldt standaard een opzegtermijn van één maand. Wilt u hem aan een langere opzegtermijn houden, dan geldt voor u het dubbele, tot maximaal een jaar. Is sprake van een AOW-gerechtigde werknemer, dan hoeft u maar één maand opzegtermijn in acht te nemen ongeacht de duur van het dienstverband.

Voorbeeld
De opzegtermijn voor de werknemer bedraagt drie maanden. In dat geval bedraagt de door u in acht te nemen opzegtermijn zes maanden.

In een cao kan de door u in acht te nemen opzegtermijn weer worden bekort, maar deze kan nooit korter zijn dan de opzegtermijn die voor de werknemer geldt. Het is daarom van belang de toepasselijke cao erop na te slaan, ook omdat in een cao van de wet afwijkende opzegtermijnen kunnen zijn opgenomen.

Opzegverboden

U kunt de arbeidsovereenkomst pas opzeggen na verkregen toestemming van het UWV. Er mag echter geen sprake zijn van een opzegverbod. Het UWV toetst bij de behandeling van ontslagaanvragen of hier sprake van is. De kantonrechter is niet bevoegd de arbeidsovereenkomst te ontbinden als er een wettelijk opzegverbod geldt, tenzij het ontbindingsverzoek niet gebaseerd is op bedrijfseconomische redenen en het verzoek geen verband houdt met de ziekte van de werknemer dan wel indien de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. Dit is alleen anders wanneer redelijkerwijs verwacht mag worden dat het opzegverbod binnen vier weken na de dag waarop het UWV op het verzoek beslist, niet meer geldt.

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen de opzegverboden ‘tijdens’ en ‘wegens’.

Ontslag is niet toegestaan wegens:

  • lidmaatschap van een vakbond;
  • het als lid bijwonen van vergaderingen van de Eerste Kamer of vertegenwoordigende organen van publiekrechtelijke lichamen die bij rechtstreekse verkiezing worden samengesteld en commissies uit deze organen. Dit wordt ook wel politiek verlof genoemd. Buiten de bescherming valt het lidmaatschap van de Tweede Kamer; 
  • het opnemen van het recht op zorg- en ouderschapsverlof;
  • overname van de onderneming door een nieuwe werkgever;
  • het weigeren om op zondag te werken.

Verder kan ook gedacht worden aan discriminatoire opzegverboden, zoals de opzegverboden wegens huwelijk, leeftijd, ras of arbeidsduur. Bovengenoemde opzegverboden gelden altijd, wat betekent dat er geen uitzondering mogelijk is. Wel kan dan de route via de kantonrechter worden bewandeld.

Ontslag mag niet tijdens:

  • ziekte, tenzij de ziekte twee jaar heeft geduurd of de door UWV opgelegde loonsanctie is komen te vervallen;
  • zwangerschap en bevalling, en zwangerschaps- en bevallingsverlof, en 6 weken nadat de werkneemster haar werk heeft hervat na het einde van het bevallingsverlof. Of 6 weken nadat de werkneemster haar werk heeft hervat na het einde van ziekte die volgde op bevallingsverlof waarbij zwangerschap of bevalling de oorzaak van de ziekte was;
  • militaire of vervangende dienst;
  • lidmaatschap van een medezeggenschapsorgaan;
  • kandidaatschap voor een medezeggenschapsorgaan;
  • de twee jaar nadat de werknemer lid was van een medezeggenschapsorgaan;
  • lidmaatschap van een voorbereidingscommissie van een ondernemingsraad;
  • werk als deskundig werknemer in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Deze ‘tijdens’ opzegverboden zijn minder strikt, omdat ze niet van toepassing zijn als de werknemer schriftelijk heeft ingestemd met de opzegging (en dit niet binnen 14 dagen heeft herroepen), de opzegging wordt gedaan tijdens de proeftijd, er sprake is van een ontslag op staande voet, het contract wordt opgezegd wegens het bereiken (of bereikt hebben) van de AOW- of andere pensioengerechtigde leeftijd of sprake is van ziekte nadat een verzoek om toestemming voor opzegging of ontbinding van het contract is ingediend.

De ontslagbescherming van de functionaris voor de gegevensbescherming is te vinden in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het opzegverbod is gewijzigd van een opzegverbod ‘tijdens’ naar een opzegverbod ‘wegens’.

Beëindigingsovereenkomst

Het is ook mogelijk om als werkgever en werknemer onderling een schriftelijke beëindigingsovereenkomst te sluiten. De werknemer heeft daarna een bedenktijd van veertien dagen. De werkgever moet de werknemer hier expliciet – schriftelijk – op wijzen. Verzuimt de werkgever dit, dan wordt de bedenktermijn verlengd naar drie weken. Binnen deze bedenktermijn kan de werknemer zonder reden buitengerechtelijk de beëindigingsovereenkomst ontbinden. Dit kan hij doen door dit de werkgever schriftelijk kenbaar te maken. Er geldt per periode van zes maanden maar één keer een bedenktermijn.

Voor een werknemer is het van belang zijn eventuele recht op een WW-uitkering zo veel mogelijk veilig te stellen. Daarom dienen de volgende elementen in de beëindigingsovereenkomst terug te vinden zijn:

  • de werkgever heeft het initiatief genomen voor een beëindiging van het dienstverband;
  • de correcte opzegtermijn is gehanteerd (er is bij het niet hanteren sprake van een uitsluitingsgrond waardoor het recht op WW voorlopig niet ontstaat );
  • er is geen sprake van verwijtbaarheid aan de  kant van de werknemer;
  • er is gekeken naar herplaatsingsmogelijkheden.

Overige zaken die in een beëindigingsovereenkomst kunnen worden opgenomen, zijn:

  • afstemming communicatie over vertrek werknemer richting derden;
  • geheimhoudingsbepaling;
  • bepaling inzake inleveren bedrijfseigendommen;
  • tegemoetkoming in juridische kosten (veelal een bedrag variërend van € 500 tot € 1.250). Dit geldt niet als de werknemer lid is van een vakbond of een rechtsbijstandsverzekering heeft waar hij een beroep op kan doen;
  • een outplacement- of opleidingsvergoeding;
  • tot wanneer en onder welke voorwaarden de werknemer de lease- of bedrijfsauto mag blijven rijden;
  • vervallen of terugbetalen van studiekosten;
  • hoogte van de ontslagvergoeding waarbij vaak de transitievergoeding als uitgangspunt dient;
  • (positief) getuigschrift en (positieve) referenties naar derden;
  • opheffing of matiging van een concurrentiebeding of omzetting ervan naar een relatiebeding;
  • vrijstelling van werk al dan niet met opname nog openstaande vakantiedagen;
  • vermelding van het aantal vakantiedagen dat eventueel nog moeten worden uitbetaald;
  • wijzigen gegevens op sociale media per datum einde dienstverband;
  • een regeling inzake het vervallen dan wel handhaven van een eventueel concurrentiebeding;
  • uitbetaling eindafrekening waarbij het raadzaam is de emolumenten van de eindafrekening expliciet te benoemen;
  • een finale kwijtingsbepaling.

Als het opzegverbod tijdens ziekte is verstreken na in beginsel twee jaar, kan er als duidelijk is dat werkhervatting in eigen dan wel aangepast ander werk binnen een periode van 26 weken niet tot de mogelijkheden behoort, een beëindigingsovereenkomst worden overeengekomen. In dat geval hoeft geen fictieve opzegtermijn gehanteerd te worden. Het opzegverbod van twee jaar is dan immers verstreken.

Ontbindende voorwaarde

U kunt als werkgever niet met uw werknemer overeenkomen dat de arbeidsovereenkomst eindigt als de werknemer in het huwelijk treedt of een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel wegens zwangerschap of bevalling van de werkneemster. Andere ontbindende voorwaarden worden zeer incidenteel wel toelaatbaar geacht. Denk hierbij aan het uitzendbeding. Schriftelijk wordt dan bedongen dat de overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht door het uitzendbureau aan de inlener op verzoek van de inlener eindigt. Als u als inlener de uitzendkracht om wat voor reden ook terugstuurt naar het uitzendbureau, eindigt de tijdelijke arbeidsovereenkomst automatisch.

De geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst wordt slechts bij uitzondering aanvaard en hangt af van de aard, inhoud en context van de voorwaarde. Rechters hechten er belang aan dat de voorwaarde schriftelijk is overeengekomen. De ontbindende voorwaarde moet gekoppeld zijn aan een objectief bepaalbare toekomstige gebeurtenis, waaraan geen verdere subjectieve beoordeling van u als werkgever (ook wel het ‘triggerverbod’ genoemd) te pas komt. Denk bijvoorbeeld aan het vereiste van het kunnen overleggen van een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) binnen een bepaalde nader omschreven periode. Het is raadzaam duidelijk vast te leggen wat het verband is tussen de aard en de inhoud van de functie en het kunnen beschikken over een VOG.

Een veelvoorkomende ontbindende voorwaarde is die waarbij in de arbeidsovereenkomst expliciet is opgenomen dat deze eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd door de werknemer. Dit staat bekend als het pensioenontslagbeding. Een dergelijk beding is toelaatbaar, omdat er een groot maatschappelijk draagvlak bestaat voor de grens van de AOW-leeftijd als einde van het arbeidzaam leven. Dit houdt uiteraard ook verband met het feit dat er dan in principe recht bestaat op een AOW-uitkering.

Direct ontslag?

U kunt als werkgever in bepaalde gevallen de arbeidsovereenkomst per direct eindigen bij een dringende reden onder gelijktijdige mededeling van die dringende reden. Er hoeft in dat geval geen opzegtermijn in acht genomen te worden. In het spraakgebruik wordt gesproken over een ontslag op staande voet. Er gelden wel voorwaarden voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet:

  • er moet sprake zijn van een dringende reden;
  • die direct moet zijn meegedeeld;
  • én het ontslag moet direct worden gegeven. Soms is een bepaalde korte onderzoeksperiode toelaatbaar, bijvoorbeeld bij onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Voorbeelden van dringende redenen voor u als werkgever zijn:

  • werkweigering van de werknemer;
  • wanneer de werknemer u of uw familieleden of huisgenoten mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt;
  • de werknemer is ongeschikt voor het werk.

Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet geldt dat u hoor en wederhoor moet toepassen. Uw werknemer moet de gelegenheid hebben gekregen een reactie te geven op de geconstateerde dringende reden.

Tip! Ga niet te lichtvaardig te werk bij een ontslag op staande voet, maar pas hoor en wederhoor toe en verzamel voldoende feiten.

Bij een ontslag op staande voet moet sprake zijn van:

  • een objectieve dringende reden; of
  • een subjectieve dringende reden.

Met een objectieve dringende reden wordt een gedraging bedoeld die door geen enkele andere werkgever getolereerd zou worden. Bij een subjectieve dringende reden gaat het erom dat de gedraging van de werknemer specifiek voor u als werkgever absoluut ontoelaatbaar is, gelet op de omstandigheden van het geval.

Stel nu dat achteraf bezien maar een deel van de dringende reden vast komt te staan, wat dan? De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat ook dan het gegeven ontslag geldig is, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • de wel vaststaande feiten moeten het ontslag rechtvaardigen;
  • het is aannemelijk dat de werkgever ook ten aanzien van de wel bewezen feiten ontslag zou hebben verleend;
  • het was voor de werknemer kenbaar dat ook het wel vaststaande feitencomplex voldoende reden vormde voor een ontslag op grond van een dringende reden.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat niet de strafrechtelijke delictsomschrijving (zoals bijvoorbeeld diefstal) leidend is voor de vraag of de werkgever een dringende reden voor een ontslag op staande voet heeft, maar dat van belang is dat het de werknemer, uit de brief waarin het ontslag op staande voet wordt meegedeeld, duidelijk is welke dringende reden tot zijn ont-slag heeft geleid.

Is de werknemer het niet eens met het ontslag op staande voet en stapt hij naar de rechter (binnen 2 maanden na het gegeven ontslag op staande voet), dan kijkt de rechter voor de rechtsgeldigheid van het ontslag naar de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Dit betekent dat, afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden zoals de duur van het dienstverband, de genoten opleiding, eventuele eenzijdige werkervaring of de thuissituatie, bij de ene werknemer een ontslag op staande voet wél en bij de andere werknemer niet gerechtvaardigd kan zijn.

Ook wordt wel gekeken naar eventueel beleid dat u heeft opgesteld en of u dit beleid ook daadwerkelijk heeft gehandhaafd.

Stel nu dat achteraf bezien maar een deel van de dringende reden vast komt te staan, wat dan? Het gegeven ontslag is geldig als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • de wel vaststaande feiten moeten het ontslag rechtvaardigen;
  • het is aannemelijk dat de werkgever ook ten aanzien van de wel bewezen feiten ontslag zou hebben verleend;
  • het was voor de werknemer kenbaar dat ook het wel vaststaande feitencomplex voldoende reden vormde voor een ontslag op grond van een dringende reden.

Als de werknemer gaat procederen, loopt u het risico dat het ontslag op staande voet geen standhoudt en de arbeidsovereenkomst dus nog steeds doorloopt en u het loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens te late betaling (maximaal 50%) en de wettelijke rente van thans 4% , moet doorbetalen. U kunt het daarom ook anders aanpakken door het ontslag als een drukmiddel te gebruiken.

Tip! Het is toegestaan dat u de werknemer enige bedenktijd geeft om te beslissen of hij niet liever zelf ontslag neemt in plaats van ontslag te krijgen. De gedachte hierachter is dat daarmee de mogelijkheden worden vergroot voor het vinden van een andere, meer bevredigende oplossing dan ontslag op staande voet.

Ook kunt u de werknemer nog een beëindigingsovereenkomst aanbieden. 

Let op!Trek het  ontslag op staande voet pas in  op het moment dat de wettelijke bedenktermijn is verstreken.

Eindafrekening

Bij het einde van het dienstverband moet er een eindafrekening worden opgesteld waarbij de werknemer zijn nog resterende tegoeden krijgt uitbetaald. Denk hierbij aan zaken als het opgebouwde vakantiegeld of de opgebouwde eindejaarsuitkering. 

Momenteel bestaat er discussie of de werknemer die langdurig ziek is, na het verstrijken van de periode van loondoorbetaling bij ziekte (wachttijd) nog vakantiedagen opbouwt. In de wet staat expliciet aangegeven dat het recht op vakantie is gekoppeld aan het recht op loon. Het antwoord zou dus ontkennend luiden. In de jurisprudentie die hierover is verschenen, wordt hierover echter wisselend geoordeeld. Het is te hopen dat rechter hierover zogenaamde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gaan stellen zodat er duidelijkheid over komt. 

Overlijden werknemer

U bent, als uw werknemer komt te overlijden, verplicht aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer een overlijdensuitkering te verstrekken. Deze overlijdensuitkering bestaat uit het loon dat de werknemer zou hebben ontvangen over de periode vanaf de dag na het overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden. Onder nagelaten betrekkingen wordt verstaan:

  • de achterblijvende echtgenoot/echtgenote; of
  • de achterblijvende geregistreerde partner; of
  • de achterblijvende ongehuwd samenwonende partner; of
  • de minderjarige kinderen; of
  • degene met wie de overledene in gezinsverband samenleefde en in wiens kosten van bestaan hij voorzag.

Let op! De overlijdensuitkering wordt alleen verstrekt aan de nagelaten betrekkingen met wie de overledene voor zijn overlijden feitelijk samenwoonde. Bij een scheiding van tafel en bed heeft de achtergebleven echtgenoot/echtgenote dus geen recht op een overlijdensuitkering.

Let op! De overlijdensuitkering wordt belasting- en premievrij uitbetaald (bruto = netto). U mag bij het overlijden belastingvrij drie maandsalarissen verstrekken, maar bent hiertoe wettelijk niet verplicht. Veelal is een dergelijke bepaling te vinden in een eventueel toepasselijke cao.

Postuum loon

Vaak bestaat er bij het overlijden nog recht op een stuk postuum loon voor dat gedeelte dat uw werknemer nog heeft gewerkt. Stel dat de werknemer op 11 augustus overlijdt, dan bestaat er nog recht op loon en op opgebouwde vakantiedagen tot de dag van overlijden. De werkgever zal moeten wachten met het overmaken hiervan tot er duidelijkheid bestaat wie de rechthebbenden hierop zijn. Dit zijn de erfgenamen. Dit kunnen overigens weer andere personen zijn dan de nagelaten betrekkingen.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.