All Posts By

Advieswijzer Vakantiewoning en fiscus

By nieuws

Als u een vakantiewoning op het oog heeft in Nederland, zijn er fiscale regels over de aankoop en het gebruik hiervan. Denk aan inkomstenbelasting – waaronder de box 3-heffing –, onroerendezaakbelasting en mogelijk ook overdrachtsbelasting, omzetbelasting en forensenbelasting. Houd daarbij rekening met het feit dat met name de heffing in box 3 over uw vermogen, waaronder een vakantiewoning, de komende jaren gaat veranderen. Of dit positief of negatief voor u gaat uitpakken, is afhankelijk van de omstandigheden en bovendien deels nog niet bekend.

Met welke belastingen ú te maken krijgt bij de aankoop van een vakantiewoning, is afhankelijk van uw (persoonlijke) omstandigheden en de wijze van gebruik van de vakantiewoning. Deze advieswijzer bevat algemene informatie en kan niet zonder meer uitsluitsel geven over uw eigen specifieke situatie.

Let op! Gezien de arresten van de Hoge Raad over de Wet rechtsherstel box 3 en de Overbruggingswet box 3 en mogelijke nieuwe plannen om in de toekomst het btw-tarief op verhuur van een tweede woning te verhogen, is het van belang dat u zich extra goed laat informeren.

Omzetbelasting

Omzetbelasting bij aankoop

Koopt u een nieuwe – nog niet eerder gebruikte – vakantiewoning, dan zal hierover 21% omzetbelasting (btw) berekend worden. Koopt u een vakantiewoning die al meer dan twee jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, dan zal hierover geen btw berekend worden. Op verzoek van zowel koper als verkoper kan in een dergelijk geval toch btw berekend worden als u de vakantiewoning voor 90% of meer gaat gebruiken voor met btw belaste activiteiten. U moet hiervoor toestemming vragen aan uw belastingkantoor of uw keuze vastleggen in de notariële akte van levering.

Let op! De hiervoor beschreven gevolgen voor de btw gelden als de vakantiewoning als ‘onroerend’ wordt aangemerkt. De vakantiewoning is onroerend als deze duurzaam met de grond verenigd is of in ieder geval naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. In sommige situaties zal een vakantiewoning roerend zijn en kunnen andere gevolgen voor de btw gelden.

De btw die bij de aankoop berekend wordt, kunt u in sommige gevallen terugvragen bij de Belastingdienst. Dit is afhankelijk van de wijze van gebruik van de vakantiewoning. Koopt u de vakantiewoning alleen voor eigen gebruik of verhuurt u deze ook (gedeeltelijk)?

Eigen gebruik vakantiewoning

Indien u de vakantiewoning alleen zelf gebruikt en niet verhuurt aan anderen, kunt u de btw die bij de aankoop berekend is niet terugvragen bij de Belastingdienst.

Verhuur vakantiewoning

Verhuurt u de vakantiewoning aan anderen, dan kunt u mogelijk de btw die bij de aankoop berekend is wel (gedeeltelijk) terugvragen bij de Belastingdienst. De verhuur van de vakantiewoning moet dan zodanig zijn dat sprake is van exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. Hiervan is volgens beleid van de Belastingdienst in ieder geval sprake als de vakantiewoning minimaal 140 dagen per jaar wordt verhuurd. Bovendien moet sprake zijn van kortstondige verhuur.

Tip! Verhuurt u de vakantiewoning minder dan 140 dagen per jaar, dan kan er nog steeds sprake zijn van exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. Neem voor uw persoonlijke situatie contact op met een van onze adviseurs.

Of u de btw geheel dan wel gedeeltelijk terug kunt vragen, is afhankelijk van uw eigen gebruik van de vakantiewoning. Gebruikt u de vakantiewoning zelf niet, maar wordt deze alleen verhuurd, dan kunt u de volledige btw over de aankoop terugvragen. Gebruikt u de vakantiewoning ook voor eigen gebruik, dan kunt u slechts het deel dat betrekking heeft op de verhuur terugvragen.

Voorbeeld
U koopt in 2024 een vakantiewoning voor € 121.000 (inclusief btw). De vakantiewoning wordt in 2024 voor 70% verhuurd en voor 30% door u zelf gebruikt. Van de btw bij aankoop (€ 21.000) kunt u dan in 2024 € 14.700 (70%) terugvragen bij de Belastingdienst.

Let op! Om btw te kunnen terugvragen, dient u zich als ondernemer voor de omzetbelasting aan te melden bij de Belastingdienst. Inschrijven als ondernemer bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel is niet nodig.

Indien de Belastingdienst van mening is dat u voor de verhuur van de vakantiewoning ondernemer bent voor de btw en u dus uw btw kunt terugvragen, dient u 9% btw over de huur te berekenen en af te dragen aan de Belastingdienst. Dit lijkt financieel nadelig, maar hier staat tegenover dat u de btw bij aankoop, en ook de btw met betrekking tot de bij u in rekening gebrachte kosten voor de vakantiewoning, in aftrek kunt brengen (na toepassing van een correctie voor het eigen gebruik van de vakantiewoning).

Voorbeeld
In 2024 ontvangt u € 5.450 (inclusief 9% btw) uit de verhuur van de vakantiewoning. U betaalt € 1.210 (inclusief 21% btw) aan kosten voor de vakantiewoning. In 2024 draagt u € 450 btw af. Van de € 210 btw over de kosten die u heeft gemaakt, kunt u 70% (€ 147) terugvragen, omdat de woning voor 70% wordt verhuurd. Per saldo bedraagt uw teruggaaf in 2024 € 14.397 (€ 14.700 btw + € 147 btw – € 450 btw).

Let op! Het nieuwe kabinet Schoof heeft in het Hoofdlijnenakkoord bekendgemaakt het btw-tarief op de verhuur van vakantiewoningen per 2026 te willen verhogen naar 21%. Dit plan moet eerst nog worden uitgewerkt in een wetsvoorstel en door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd.

Tip! Moet u in een jaar per saldo btw betalen, dan kunt u mogelijk gebruikmaken van de kleineondernemersregeling (de KOR).

De kleineondernemersregeling is in 2020 gewijzigd. U kunt er tot een omzet van € 20.000 voor kiezen geen btw in rekening te brengen. In dat geval kunt u ook geen btw terugvragen. Ondernemers die de nieuwe regeling willen toepassen, dienen dit te melden bij de inspecteur. U vindt een aanmeldformulier op de website van de Belastingdienst (zoekterm ‘aanmelden KOR’). Het aanmeldformulier moet uiterlijk vier weken voor de ingangsdatum van het aangiftetijdvak waarin u de KOR wilt laten ingaan door de Belastingdienst zijn ontvangen. Kiest u voor de KOR, dan moet u er drie jaar gebruik van maken. Als u tussentijds de omzetgrens van € 20.000 per jaar bereikt, geldt de KOR vanaf dat moment niet meer.

Let op! U moet wellicht een deel van de afgetrokken btw op de vakantiewoning terugbetalen als u er in 2024 voor kiest om deel te nemen aan de kleineondernemersregeling. Dit is het geval als er na het jaar van aankoop van de vakantiewoning minder dan negen jaar zijn verstreken. Neem dit mee bij uw keuze of neem hierover contact met ons op.

Wanneer u een jaaromzet van maximaal € 1.800 heeft, dan kunt u de kleineondernemersregeling voor de btw toepassen zonder dit te melden bij de Belastingdienst. Ook de minimale termijn van drie jaar voor toepassing van de KOR wordt losgelaten. Deze regeling geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.

Ontvangen of terugbetalen btw bij gewijzigd gebruik of verkoop

Als het eigen gebruik van de vakantiewoning wijzigt, wordt de btw die u in aftrek heeft gebracht, herzien. Wordt het eigen gebruik groter, dan zult u mogelijk btw terug moeten betalen. Daalt het eigen gebruik, dan krijgt u mogelijk (extra) btw terug. Deze herziening moet u gedurende de negen jaar volgend op het jaar van ingebruikneming jaarlijks uitvoeren. De herziening vindt plaats op 1/10 deel van de aankoop-btw. Herziening blijft achterwege als deze minder dan 10% bedraagt van de aan het jaar toe te rekenen reeds in aftrek gebrachte btw.

Voorbeeld
In 2024 wordt de vakantiewoning voor 60% verhuurd en voor 40% door u zelf gebruikt. U moet een herziening toepassen op 1/10 van € 21.000 = € 2.100. Van deze € 2.100 heeft u 70% (= € 1.470) terugontvangen. In 2024 heeft u echter maar recht op 60% (= € 1.260). Het verschil bedraagt € 210. Dit is hoger dan 10% van de aan 2024 toe te rekenen al in aftrek gebrachte btw (10% van € 1.470 = € 147). De herziening blijft daarom niet achterwege en u moet in 2024 € 210 aan btw terugbetalen.

Let op! Als u de aankoop-btw heeft teruggevraagd, wordt uw vakantiewoning in het jaar van aankoop en de negen jaren daaropvolgend voor de btw gevolgd. Herziening van btw vindt niet alleen plaats bij wijziging in het gebruik zoals in het voorbeeld hiervoor, maar ook als u bijvoorbeeld de woning alleen nog maar zelf gebruikt (en dus niet meer verhuurt) of als u de woning verkoopt zonder btw. In de laatste twee gevallen zult u de volledige btw over de nog resterende jaren in één keer moeten terugbetalen.

Voorbeeld
Op 1 januari 2025 verkoopt u de vakantiewoning aan een particulier, die deze gaat gebruiken voor eigen gebruik. Volgens de wettelijke regels kunt u geen btw berekenen over deze verkoop. Heeft u de vakantiewoning in 2019 gekocht, dan moet u wel de in 2019 in aftrek gebrachte btw over de nog resterende periode herzien. Op 1 januari 2025 zijn vijf van de negen herzieningsjaren verlopen. Dit betekent dat u nog voor vier jaren 1/10 van € 14.700 moet terugbetalen aan de Belastingdienst, tezamen € 5.880 (= viermaal € 1.470).

Tip! Verkoopt u de vakantiewoning uit het voorbeeld na 31 december 2028, dan heeft dit geen gevolgen meer voor de in 2019 in aftrek gebrachte btw bij aankoop.

Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden waardoor u de btw die u bij aankoop heeft teruggekregen, niet hoeft terug te betalen. Gaat de koper de woning bijvoorbeeld voor meer dan 90% voor met btw belaste activiteiten gebruiken, dan kunt u mogelijk op verzoek de vakantiewoning toch met btw verkopen. Het voordeel hiervan is dat u dan niet de aankoop-btw hoeft te herzien. Ook bij verkoop binnen twee jaar na de eerste ingebruikname van de vakantiewoning wordt de verkoop met btw belast en treedt hetzelfde effect op. Zet de koper van uw vakantiewoning uw activiteiten van verhuur ongewijzigd voort, dan is het misschien zelfs mogelijk om de woning zonder btw te verkopen en hetzelfde effect te bereiken. Hiervoor moet de verkoop van de woning kunnen worden aangemerkt als overdracht van een algemeenheid van goederen.

Tip! De verkoop van uw vakantiewoning kan diverse btw-gevolgen hebben. Laat u daarom, voordat tot verkoop wordt overgegaan, altijd eerst adviseren.

Overdrachtsbelasting

Bij verkoop van een onroerende zaak is overdrachtsbelasting verschuldigd. Koopt u een nieuwe, nog niet eerder gebruikte vakantiewoning, dan zal hierover 21% omzetbelasting (btw) berekend worden en geldt een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Dat is mogelijk ook het geval als de woning binnen twee jaar na ingebruikname wordt verkocht. In alle overige gevallen is sinds 1 januari 2023 10,4% overdrachtsbelasting verschuldigd.

Koopt u een vakantiewoning inclusief inventaris, dan wordt over het aandeel van de inventaris in de koopsom geen overdrachtsbelasting berekend.

Let op! Het tarief van 2% overdrachtsbelasting geldt alleen voor de woning waarin u zélf voor langere tijd gaat wonen en dus niet voor een tweede woning. Voor jongeren tussen 18 en 35 jaar die zélf voor langere tijd in een woning gaan wonen, geldt onder voorwaarden een vrijstelling voor woningen met een waarde t/m € 510.000. Maar ook dan moet de woning als hoofdverblijf gaan dienen.

Inkomstenbelasting

De vakantiewoning zal over het algemeen belast zijn in box 3. De wijze van belastingheffing in box 3 is al enkele jaren woelig, doordat de hoogste rechter het wettelijk systeem in strijd acht met Europees recht. Ook de aangepaste wet kan de toets der kritiek niet doorstaan. Ten slotte zijn er vergevorderde plannen om de box 3-heffing per 2027 ingrijpend te wijzigen. We zitten de systemen hierna kort uiteen:

  • Volgens het huidige wettelijke systeem in box 3 betaalt u geen belasting over de werkelijke ontvangen huur, maar over een fictief rendement. Dat fictieve rendement bedraagt in 2024 6,04% over de WOZ-waarde van de vakantiewoning. Werkelijke kosten zijn niet aftrekbaar. Een schuld op de woning levert een aftrekpost op van 2,47% over de hoogte van de schuld per 1 januari, waarbij de werkelijke rente op de schuld niet van belang is. Op uw totale vermogen mag u ook nog rekening houden met een heffingsvrij vermogen. Over het resterende fictieve inkomen betaalt u 36% box 3-heffing.
  • De Hoge Raad oordeelde dat dit systeem in strijd kan zijn met Europees recht. Dat is het geval als u kunt aantonen dat het fictieve (wettelijke) rendement hoger is dan uw werkelijke rendement. Om het werkelijke rendement te bepalen, moet u wel rekening houden met waardeveranderingen van de woning, maar mag u geen rekening houden met kosten. Alleen de werkelijke rentelasten mogen worden afgetrokken. U mag hierbij ook geen rekening houden met heffingsvrij vermogen. Als de uitkomst van deze rekensom leidt tot de conclusie dat het werkelijke inkomen lager is dan het fictieve inkomen, wordt op uw verzoek rekening gehouden met het lagere, werkelijke inkomen. Het is op dit moment nog niet duidelijk op welke wijze u dat verzoek kunt doen.
  • Het is de bedoeling van de wetgever dat vanaf 2027 sowieso belasting zal worden geheven over het werkelijke rendement. Er moet dan worden gekeken naar de werkelijke inkomsten en werkelijke kosten. Volgens de huidige plannen hoeft dan niet jaarlijks rekening te worden gehouden met de waardeverandering van de woning en tellen bovendien alle kosten mee. Het inkomen van een vakantiewoning kent toch weer een bijzondere regeling. Afhankelijk van het gebruik, moet u een percentage van de WOZ-waarde tot uw inkomen rekenen of – als dat hoger is – de werkelijke huurinkomsten. Bij verkoop van de woning telt de waardestijging van de woning mee als belast inkomen!

Let op! Als de exploitatie van uw vakantiewoning dusdanige vormen aanneemt dat deze het normale actieve vermogensbeheer te buiten gaat, wordt de vakantiewoning niet belast in box 3, maar worden de inkomsten belast in box 1.

Onroerendezaakbelasting (OZB)

Voor de heffing van de onroerendezaakbelasting (OZB) is bij vakantiewoningen de vraag van belang of ze ook als woning kunnen worden aangemerkt. De rechter heeft beslist dat niet van belang is of een vakantiewoning al dan niet permanent bewoond mag worden en als dit niet is toegestaan, of dit bewonen al dan niet gedoogd wordt. Wel van belang is of de woning beschikt over eigen voorzieningen, zoals een badkamer, sanitair en kookgelegenheid. Zo ja, dan is de woning bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De vakantiewoning is dan naar aard en inrichting bestemd en geschikt om enigszins duurzaam als bewoning te dienen en wordt dan ook als woning aangemerkt.

Kan een vakantiewoning als woning worden aangemerkt, dan betekent dit dat voor de OZB alleen een aanslag eigenarenheffing kan worden opgelegd. Een aanslag gebruikersheffing kan de gemeente niet opleggen. Bovendien geldt voor woningen meestal een lager OZB-tarief dan voor niet-woningen. Bij een vakantiewoning die aan bovengenoemde eisen voldoet, krijgt u dus slechts één heffing opgelegd en is op deze heffing veelal een lager tarief van toepassing.

Verbod op permanente bewoning

Is permanente bewoning verboden, dan drukt dit wel de WOZ-waarde, zo besliste de rechter in het verleden. Ga dus na of een eventueel verbod op permanente bewoning in de WOZ-waarde is meegenomen.

Forensenbelasting

Een gemeente heeft de mogelijkheid forensenbelasting te heffen. Dit kan als u in een andere plaats dan uw woonplaats een woning voor minstens 90 dagen per jaar ter beschikking heeft. Het is niet van belang of u ook daadwerkelijk 90 dagen of meer in de woning verblijft. Verblijft u permanent in uw vakantiewoning, dan is forensenbelasting niet van toepassing.

Dagen dat u de woning verhuurt dan wel de woning gebruikt om de woning beschikbaar te maken of te houden voor verhuur, tellen dus niet mee. Bij het beschikbaar maken of houden voor verhuur kunt u bijvoorbeeld denken aan het plegen van onderhoud, zoals het verven van het houtwerk. Verhuurt u de woning voor een bepaalde periode via een derde, maar kunt u zelf gebruikmaken van de woning als deze in de betreffende periode niet verhuurd wordt, dan tellen deze dagen wel mee. De woning staat u dan immers ter beschikking.

Tot slot

Met betrekking tot de aankoop en het gebruik van een vakantiewoning kunt u met verschillende belastingen te maken krijgen. In deze Advieswijzer hebben wij geprobeerd een algemeen beeld te schetsen. Neem voor de fiscale gevolgen in uw specifieke situatie contact op met een van onze adviseurs.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 

Restant persoonsgebonden aftrek na overlijden, hoe zit dat?

By nieuws

Persoonsgebonden aftrekposten kunnen verrekend worden met het inkomen. Fiscale partners mogen de persoonsgebonden aftrekposten onderling verdelen. Op die manier kan dan maximaal geprofiteerd worden van het te behalen belastingvoordeel.

Persoonsgebonden aftrekposten

Rekenen

Persoonsgebonden aftrekposten zijn partneralimentatie, zorgkosten, giften en kosten voor verblijf thuis van ernstig gehandicapten. Deze kostenposten zijn dus onder voorwaarden aftrekbaar van het inkomen voor belasting. Een eventueel overschot kan worden doorgeschoven naar een volgend jaar.

Gevolgen overlijden

Onlangs heeft de Belastingdienst aangegeven wat het gevolg is als een belastingplichtige over een restant persoonsgebonden aftrek beschikt en komt te overlijden. Meer specifiek is ingegaan op de vraag of diens partner het restant in het jaar na overlijden dan nog mag verrekenen met het eigen inkomen. 

Geen partners meer

De Belastingdienst geeft aan dat dit niet mogelijk is, omdat er in het jaar na overlijden geen sprake meer is van fiscaal partnerschap. Een restant persoonsgebonden aftrek van de overleden partner kan daarom niet meer met het inkomen van de partner die nog in leven is verrekend worden.

Overlijdensjaar

In het overlijdensjaar kunnen partners er nog wel voor kiezen de persoonsgebonden aftrekposten zo gunstig mogelijk te verdelen. De verdeling kan dus zodanig worden aangepast dat dit maximaal aan de overleden partner wordt toegerekend. Een eventueel overschot komt na het jaar van overlijden namelijk te vervallen. De verdeling kan worden herzien totdat de aanslagen van beide partners definitief vaststaan. Een verzoek om ambtshalve vermindering is daarna niet meer mogelijk.

Tip! Heeft u vragen over de persoonsgebonden aftrek, neem dan contact op met uw adviseur.

Subsidie voor emissieloze vrachtauto, AanZet, vanaf 1 oktober aanvragen

By nieuws

Ondernemers die een emissieloze vrachtauto aan willen schaffen, kunnen hiervoor vanaf 1 oktober 2024 de Aanschafsubsidie Zero-Emissie Trucks, AanZET, aanvragen. Zowel het subsidiebedrag als de maximaal te verkrijgen subsidie per vrachtauto zijn verminderd ten opzichte van vorig jaar.

Duurder dan diesel

Auto

De subsidie komt tegemoet in de extra kosten van emissieloos materieel ten opzichte van materieel dat werkt op diesel. Daarom kan via AanZET per vrachtauto een subsidie verkregen worden die varieert van € 7.500 tot € 115.200, afhankelijk van het type vrachtauto en de grootte van uw onderneming. De subsidie bedraagt een percentage van de verkoopprijs exclusief btw. Kleinere bedrijven komen in aanmerking voor de hoogste subsidiebedragen.

Tip! Gebruik de mkb-toets bij RVO (dit is de Europese mkb-toets) om te weten of uw organisatie groot, middelgroot of klein is.

Aanvragen beperkter

Omdat de subsidie vorig jaar in no-time overtekend was, zijn er nu beperkende maatregelen van kracht. Zo kan er dit jaar per werkdag slechts voor één vrachtauto een subsidieaanvraag worden ingediend.

Voorwaarden

AanZET kent ook voorwaarden. Zo moet het gaan om de aanschaf van een nieuwe, emissieloze vrachtauto. Ook mag de aankoop nog niet definitief zijn als u de subsidieaanvraag indient. Na de aanvraag mag u de aanschaf desgewenst wel definitief door laten gaan. Ook moet de vrachtauto na aanschaf minimaal vier jaar lang op uw naam blijven staan. Alle voorwaarden vindt u op RVO.nl.

Aanvragen

Aanvragen van de subsidie kan van 1 oktober 2024 9.00 uur tot 8 oktober 2024 12.00 uur. Dit kan digitaal via RVO.nl. U hoort binnen 13 weken of de subsidie wordt toegekend, daarna heeft u 15 maanden de tijd om de subsidie vast te laten stellen. Hiervoor moet u onder andere het kenteken doorgeven aan de rvo. Ook moet u dan  een factuur meesturen.

WOZ-waarde gebouw in aanbouw in- of exclusief btw?

By nieuws

Ook voor panden in aanbouw geldt dat ieder jaar de WOZ-waarde moet worden bepaald. Maar betreft het dan de waarde in- of exclusief btw? De Hoge Raad heeft deze vraag onlangs in een arrest beantwoord.

Hotel in aanbouw

Bouw

In genoemd arrest betrof het een hotel in aanbouw. Wettelijk is bepaald dat een gebouw in aanbouw moet worden gewaardeerd op de vervangingswaarde. Helaas is niet aangegeven of deze waarde in- of exclusief btw is. 

Wetsgeschiedenis

In hoger beroep had het Hof Den Haag in deze kwestie beslist dat op basis van de wetsgeschiedenis ervan moet worden uitgegaan dat de vervangingswaarde exclusief btw is, indien de eigenaar de btw in aftrek kan brengen. Is dit niet het geval, dan is de vervangingswaarde wel inclusief btw. Het standpunt van de gemeente dat de vervangingswaarde van een pand in aanbouw altijd inclusief btw moet worden vastgesteld, is volgens het Hof onjuist. De Hoge Raad sluit zich hierbij aan.

Uitlating bewindspersoon

De gemeente had er nog op gewezen dat tijdens de behandeling van het wetsvoorstel de betreffende bewindspersoon wel had aangegeven dat de vervangingswaarde inclusief btw behoort te zijn. Hof en Hoge Raad zijn echter van mening dat dit niet beslissend is. Om dit te bereiken had de bewindspersoon daartoe namelijk een nota van wijziging in moeten dienen. Dit was niet gebeurd.

Ook bij gebroken boekjaar uitgaan van btw-aangiftes voor TVL

By nieuws

Ondernemers die de tijdens de coronacrisis de TVL hebben aangevraagd, mogen ook bij een gebroken boekjaar voor de berekening van hun omzet in de referentie- en subsidieperiode uitgaan van hun btw-aangiftes. Zij hoeven dit dus niet te berekenen aan de hand van gegevens uit hun eigen administratie. Dit heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), de hoogste rechter voor dit soort geschillen, beslist.

TVL

Tractor

De TVL (Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19) was een subsidie voor ondernemers die tijdens de coronacrisis te maken hadden met een aanzienlijk omzetverlies. De subsidie vergoedde een deel van de vaste lasten van ondernemers. Om het omzetverlies te berekenen ten opzichte van de situatie vóór corona, de zogenaamde referentieperiode, werd in beginsel gebruik gemaakt van de omzet volgens de btw-aangiftes.

Gebroken boekjaar

Sommige ondernemers hebben echter een zogenaamd gebroken boekjaar. Dit komt onder meer vaak voor in de agrarische sector. Een gebroken boekjaar loopt dan bijvoorbeeld van 1 mei tot en met 30 april. De kwartalen van de btw-aangiftes lopen dan niet meer synchroon met de kalenderkwartalen op basis waarvan de btw-aangiftes normaal gesproken worden ingevuld. Zo lopen de btw-kwartalen bij een boekjaar 1 mei-30 april, van mei-juli, augustus-oktober, november-januari tot februari-april.

Btw-aangiftes uitgangspunt

Het CBb stelt in bovengenoemde uitspraak vast dat ook bij gebruik van een gebroken boekjaar voor de berekening van omzet in de referentie-en subsidieperiode in principe uitgegaan dient te worden van de btw-aangiftes. In bovengenoemde zaak had een agrariër de omzet voor de TVL berekend door de omzet van zijn btw-aangiftes evenredig toe te rekenen aan de referentie- en subsidieperiode voor de TVL. Voor de referentieperiode 1e kwartaal 2019 rekende de agrariër bijvoorbeeld 1/3 van de omzet van zijn btw-kwartaal november 2018 – januari 2019 en 2/3 van de omzet van zijn btw-kwartaal februari 2019 – april 2019 toe.

Door deze berekeningswijze had de agrariër recht op TVL in bepaalde perioden, maar deze werd niet aan hem toegewezen. Volgens het ministerie was deze berekeningswijze namelijk niet toegestaan, maar had de agrariër de omzet moeten berekenen aan de hand van de werkelijke omzetgegevens die volgden uit zijn administratie.

Niet eigen administratie

Het CBb denkt daar echter anders over. Het CBb overweegt dat de TVL van voorgaande tijdvakken ook niet altijd op basis van de btw-aangiftes berekend kon worden, namelijk toen de TVL over een periode van vier maanden berekend werd. Bovendien is voor de TVL bepaald dat de btw-aangiftes in principe dienen als uitgangspunt ter berekening van de TVL en niet de omzetgegevens uit de eigen administratie van de agrariër. Dit is alleen anders als voor (delen van) de omzet geen btw-aangiftes worden gedaan. Nu de agrariër voor alle omzet btw-aangiften deed, leidde dit tot de conclusie dat voor de agrariër de TVL niet op basis van de eigen administratie hoefde te worden berekend.

Geblokkeerde bankrekening ook in box 3?

By nieuws

Behoort een bankrekening met een BEM-clausule tot box 3 en zo ja, tegen welke waarde?

BEM-clausule

Geld

Een bankrekening met een BEM-clausule is geblokkeerd en kan alleen met toestemming van de kantonrechter worden gedeblokkeerd. Zo’n bankrekening wordt gebruikt om bijvoorbeeld een erfenis, schenking of schadevergoeding die een minderjarige ontvangt te beschermen. BEM staat voor ‘Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen’.

Let op! Zonder toestemming van de kantonrechter kan er dus geen geld van een bankrekening met BEM-clausule worden opgenomen. Dit geldt niet voor de rente op deze bankrekening. Deze mag wel tussentijds zonder toestemming worden opgenomen.

Normaal gesproken vervalt de BEM-clausule automatisch als het minderjarige kind 18 jaar wordt. In sommige gevallen is de BEM-clausule ook mogelijk tot latere leeftijd.

Box 3

De Belastingdienst geeft aan dat een bankrekening met een BEM-clausule gewoon tot box 3 behoort tegen de nominale waarde. De BEM-clausule heeft hier dus geen invloed op. Er is geen vrijstelling in de wet op de inkomstenbelasting opgenomen voor bankrekeningen met een BEM-clausule.

Weer hogere premies Werkhervattingskas in 2025

By nieuws

Als werkgever draagt u sociale premies af voor de Werkhervattingskas (Whk). Daalde de gemiddelde premiepercentages voor de WGA en de ZW in 2024 nog ten opzichte van 2023, in 2025 vindt er weer een stijging plaats. De gemiddelde percentages blijven echter nog onder het niveau van 2023.

Lichte stijging

Administratie

U draagt de gedifferentieerde premie Whk af als onderdeel van de premies werknemersverzekeringen. Het gemiddelde premiepercentage van de premiecomponent WGA daalde in 2024 nog van 0,87 in 2023 naar 0,77% in 2024.

In 2025 stijgt dit gemiddelde premiepercentage weer naar 0,83%, maar blijft daarmee nog onder het percentage van 2023. Het gemiddelde percentage van de premiecomponent ZW-flex daalde in 2024 van 0,66 in 2023 naar 0,45% in 2024, maar bedraagt in 2025 weer 0,50%.

Let op! De premiecomponent WGA geldt voor alle dienstbetrekkingen waarvoor premies werknemersverzekeringen moeten worden afgedragen. De premiecomponent ZW geldt alleen voor flexibele en tijdelijke dienstbetrekkingen.

Gemiddelde premieplichtig loon

Hoe de gedifferentieerde premie Whk wordt berekend, hangt af van de grootte van uw onderneming. Op basis van de loonsom in 2023 wordt bepaald in welke categorie u als werkgever in 2025 valt. De basis hiervoor is het gemiddelde premieplichtig loon. Dit bedraagt in 2024 nog € 37.700 en stijgt in 2025 naar € 39.600.

Grenzen kleine/middelgrote/grote werkgever

De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt in 2025 bij een loonsom van maximaal € 990.000 (in 2024 € 942.500). Werkgevers met in 2025 een loonsom van meer dan € 3.960.000 (in 2024 € 3.770.000) vallen in de categorie grote werkgever.

Let op! Het gaat in 2025 dus om de loonsom van twee jaar eerder, dus 2023. Bedroeg de loonsom in 2023 maximaal € 990.000, dan is sprake van een kleine werkgever.

Rekenhulp

Op de website van het UWV is een rekenhulp opgenomen waarmee u de gedifferentieerde premies WGA en ZW-flex voor 2025 kunt berekenen.

Eigenrisicodrager: let op deadline

Bent u eigenrisicodrager, dan betaalt u de premies niet. U kunt er onder voorwaarden voor kiezen om geen eigenrisicodrager meer te zijn vanaf 1 januari 2025.  Als u dat wilt moet u ervoor zorgen dat het daarvoor bestemde formulier voor de WGA en voor de Ziektewet vóór 1 oktober 2024 door de Belastingdienst ontvangen is. Bent u nog geen eigenrisicodrager maar wilt u dat wel worden vanaf 1 januari 2025, dan moet u dat met dezelfde formulieren doorgeven, ook vóór 1 oktober 2024.

Eind 2024 bericht van Belastingdienst

Grote en middelgrote werkgevers ontvangen eind 2024 een beschikking van de Belastingdienst over de hoogte van de premie. De hoogte daarvan hangt af van de instroom van werknemers in de ZW en WGA. 

Let op! Voor kleine werkgevers is de premie afhankelijk van de sector waarin zij werkzaam zijn. Zij krijgen in december daarom geen beschikking, maar alleen een mededeling van de premie van de Belastingdienst.

Kosten logies werknemer belastingvrij vergoeden?

By nieuws

Als uw werknemers zakelijk onderweg zijn, kan het voorkomen dat ze kosten moeten maken in verband met een overnachting. Kunt u dergelijke kosten dan belastingvrij vergoeden en zo ja, onder welke voorwaarden?

Tijdelijk verblijf

Euro

Een van de voorwaarden die gelden als u kosten voor logies belastingvrij wilt vergoeden aan uw werknemer, is dat er sprake moet zijn van tijdelijk verblijf. Uw werknemer is een zogenaamde ambulante werknemer. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een vertegenwoordiger die vrijwel dagelijks onderweg is, steeds naar verschillende adressen. Er is ook sprake van een ambulante werknemer als de werknemer doorgaans op ten minste 1 dag per week heen en weer reist naar dezelfde arbeidsplaats op maximaal 20 dagen (het 20-dagencriterium) of als de werknemer om zakelijke redenen nog niet dichtbij de werkplek woont, bijvoorbeeld omdat er nog geen sprake is van een vaste aanstelling.

Dezelfde regeling als ambtenaren

Voor ambtenaren die een dienstreis maken, geldt volgens hun cao Rijk een eigen regeling inzake de vergoeding van logieskosten. U mag deze regeling voor uw werknemers ook toepassen, als ze voor wat betreft hun kosten in vergelijkbare omstandigheden verkeren als ambtenaren die een dienstreis maken. U hoeft dan geen bonnen te hebben als bewijs, wat niet wil zeggen dat u niet aannemelijk moet kunnen maken dat de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn.

Let op! Uit eerdere versies van het Handboek Loonheffingen was af te leiden dat alleen de hoogte van de kosten van belang is. Dit is echter veranderd per 2024. Nu moet u zowel voor de hoogte van de vergoedingen als voor de overige voorwaarden aansluiten bij de afspraken uit de cao Rijk. Voor bestaande situaties gaat deze nieuwe eis per 2025 in.

Onbelaste kostenvergoeding logies binnenland

Volgens de cao Rijk kunt u uw werknemer bij een binnenlandse dienstreis een onbelaste kostenvergoeding voor logies geven van maximaal € 140,57 (2024) per nacht.

Onbelaste kostenvergoeding logies buitenland

Voor buitenlandse dienstreizen gelden andere bedragen, die afhankelijk zijn van het land waar het logies plaatsvindt. Het bedrag voor Curaçao is bijvoorbeeld vastgesteld op € 175 (2024), voor Luxemburg op € 275 (2024). Soms verschilt het bedrag in een land per plaats. U vindt alle bedragen in de Tarieflijst verblijfkosten buitenlandse dienstreizen.

Let op! U moet aannemelijk kunnen maken dat de buitenlandse overnachtingen hebben plaatsgevonden. Lukt dat niet, dan mag u geen onbelaste vergoedingen geven voor de overnachting en mag u uitsluitend een beperkte belaste vergoeding geven, namelijk maximaal € 11,34 per nacht gedurende vier nachten per reis voor het werk. Geeft u deze vergoeding niet, dan is dat in afwijking met de voorwaarden die voor ambtenaren gelden. De werknemer is dan dus niet vergelijkbaar met een ambtenaar qua vergoedingen en de ambtenarenregeling is niet van toepassing.

Meer vergoeden?

Als u uw werknemer meer vergoedt dan bovengenoemde vrijgestelde bedragen, dan moet u het meerdere als loon aanmerken of aanwijzen als eindheffingsloon. Ook hier geldt: indien u meer vergoedt dan de standaard voor ambtenaren, dan kan dat ertoe leiden dat de werknemer niet vergelijkbaar is met een ambtenaar en de ambtenarenregeling om die reden niet geldt.

Ook voor de dga

Ook voor de dga geldt dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding voor logies als hij reist voor de zaak. Uiteraard gelden dan ook dezelfde voorwaarden. Attentiepunt is wel dat bij een controle kritischer zal worden gekeken naar de zakelijke reden voor de overnachting, om te voorkomen dat privé-uitstapjes als dienstreizen aangemerkt worden.

Tip! Kijk voor alle voorwaarden en bedragen in het Handboek Loonheffingen.

Vanaf 2026 btw-herziening investeringsdiensten vanaf € 30.000

By nieuws

Het kabinet stelt op Prinsjesdag 2024 voor om vanaf 2026 een btw-herzieningsregeling te introduceren voor investeringsdiensten van minimaal € 30.000 met betrekking tot onroerende zaken. Dit blijkt uit de Eindejaarsregeling 2024 die ter internetconsultatie is aangeboden.

Btw-herzieningsregeling investeringsgoederen

Bedrijfspand

Op dit moment bestaat er al een btw-herzieningsregeling voor investeringen in roerende en onroerende goederen. In deze regeling wordt het gebruik van roerende investeringsgoederen gedurende vier jaar en het gebruik van onroerende investeringsgoederen gedurende negen jaar ná het jaar van ingebruikname gevolgd.

Als gedurende die periode het gebruik van het investeringsgoed voor btw-belaste en/of btw-vrijgestelde prestaties (deels) wijzigt, kan dit gevolgen hebben voor de btw-aftrek. De eerder in aftrek gebrachte btw kan dan worden herzien. Dat betekent dat mogelijk btw terugbetaald moet worden (als het gebruik wijzigt van oorspronkelijk btw-belast naar btw-vrijgesteld) of btw teruggevraagd kan worden.

Btw-herzieningsregeling investeringsdiensten

Voor investeringsdiensten aan onroerende zaken geldt op dit moment nog geen btw-herzieningsregeling. Zo kan bijvoorbeeld voor woningen die fors verbouwd worden en daarna voor een korte periode btw-belast verhuurd worden, de volledig btw in aftrek worden gebracht; ook als die woningen daarna btw-vrijgesteld verhuurd worden. De die btw-aftrek wordt dan niet herzien.

Let op! Niet elke verhuur van woningen is btw-belast mogelijk. In beginsel is de verhuur van een ongemeubileerde woning namelijk btw-vrijgesteld. Alleen in zogenaamde short-stay situaties is de verhuur met 9% btw-belast. Neem voor meer informatie hierover contact op met een van onze adviseurs.

Btw-herziening investeringsdiensten

Begin 2024 werd uit een internetconsultatie al duidelijk dat het toenmalige kabinet het niet gewenst vond dat voor investeringsdiensten aan onroerende zaken geen btw-herzieningsregeling geldt. Uit een internetconsultatie van de Eindejaarsregeling 2024 van begin september jl. is op te maken dat het huidige kabinet deze mening deelt.

Daarom zal het kabinet op Prinsjesdag 2024 een wetsvoorstel indienen waarin vanaf 1 januari 2026 een btw-herzieningsregeling voor het jaar van ingebruikname plus de vier daaropvolgende jaren gaat gelden voor investeringsdiensten aan onroerende zaken vanaf € 30.000 exclusief btw.

Let op! Bij diensten aan onroerende zaken moet u denken aan verbouwingen van en onderhoud aan onroerende zaken. Als zo’n dienst vanaf 1 januari 2026 minimaal € 30.000 exclusief btw bedraagt, gaat daar volgens het wetsvoorstel een herzieningsregeling voor gelden.

Tip! De btw-herzieningsregeling gaat gelden voor investeringsdiensten die vanaf 1 januari 2026 in gebruik worden genomen. Neemt u deze investeringsdiensten dus vóór 1 januari 2026 in gebruik, dan worden ze niet geraakt door de regeling.

Voordelig óf nadelig?

De voorgestelde regeling kan nadelig uitwerken als de btw-herziening ertoe leidt dat u afgetrokken btw deels terug moet betalen. Als het gebruik van uw onroerend goed wijzigt van btw-vrijgesteld naar (deels) btw-belast, dan kan de voorgestelde regeling ook positief uitwerken. In dat geval heeft u namelijk recht op meer btw-aftrek.

Let op! In het eerste geval kunt u de investeringsdiensten aan onroerende zaken misschien beter vóór 1 januari 2026 plannen. In het tweede geval is ingebruikname van de diensten vóór 1 januari 2026 misschien wel ongunstiger.

KOR flexibeler vanaf 2025, introductie EU-KOR

By nieuws

De kleineondernemersregeling (KOR) in de btw gaat vanaf 1 januari 2025 veranderen. Ondernemers kunnen de KOR flexibeler toepassen en er wordt een Europese KOR geïntroduceerd.

KOR

EU

De KOR geldt voor kleine ondernemers met een omzet tot maximaal € 20.000 per jaar die belast is met Nederlandse btw. Als u deelneemt aan de KOR, hoeft u aan uw afnemers geen btw in rekening te brengen. U kunt echter de door u betaalde btw ook niet aftrekken. De KOR is dan ook niet in alle situaties voordelig.

KOR flexibeler: eis 3 jaar verdwijnt

De KOR wordt per 1 januari 2025 flexibeler. Neemt u deel aan de KOR, dan moet u deze verplicht drie jaar toepassen. Deze eis verdwijnt per 1 januari 2025. Ondernemers kunnen zich vanaf die datum op ieder moment afmelden, ook als u al deelneemt. U hoeft de KOR dus niet meer verplicht minstens drie jaar toe te passen. 

Ook hoeft u vanaf die datum niet meer drie jaar te wachten als u zich opnieuw voor de KOR wilt aanmelden; deze eis geldt nu nog wel. Vanaf 1 januari 2025 is deze wachttijd beperkt tot de rest van het jaar waarin u zich heeft afgemeld en het erop volgende jaar. 

Een andere wijziging is dat buitenlandse ondernemers met een vaste inrichting in Nederland de KOR niet meer kunnen toepassen. 

Tip! Aan- en afmelden voor de KOR kan vanaf 1 oktober 2024 via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Europese KOR

Vanaf 1 januari 2025 is het ook mogelijk de KOR aan te vragen voor EU-landen waarmee u zakendoet. U bepaalt zelf voor welke EU-landen u de KOR aanvraagt. U hoeft daar dan ook geen btw-aangiftes te doen. Wel moet u ieder kwartaal de Nederlandse Belastingdienst een overzicht (opgaaf) verstrekken van de omzet die u in het voorgaande kwartaal in de EU heeft behaald.

Eisen EU-KOR

Wilt u als Nederlandse onderneming gebruikmaken van de EU-KOR, dan is vereist dat uw hoofdvestiging in Nederland ligt. De totale jaaromzet mag maximaal € 100.000 bedragen, opgeteld voor alle EU-landen, inclusief Nederland. 
Ook geldt voor de deelnemers de nationale omzetgrens van het EU-land waar ze de vrijstelling willen toepassen. Dit kan variëren per EU-land. In Nederland bedraagt deze dus € 20.000.