Category

nieuws

Wanneer is ontslag na overgang onderneming mogelijk?

By nieuws

Bij een overgang van onderneming gaan als uitgangspunt de rechten en plichten van de werknemers over naar de nieuwe eigenaar, de verkrijger. De werknemers treden van rechtswege automatisch in dienst bij de verkrijger. Wanneer is ontslag wel mogelijk? Een casus van de Hoge Raad.

Overgang onderneming

Juridisch

Om te kunnen spreken van een overgang van onderneming is het van belang dat de onderneming haar identiteit heeft weten te behouden. Hierbij wordt gekeken naar een zevental factoren:

  1. Aard van de betrokken onderneming
  2. Worden materiële activa overgedragen
  3. De waarde van de immateriële activa op datum overgang
  4. Wordt vrijwel al het personeel mee overgenomen?
  5. Wordt de klantenkring overgedragen?
  6. Komen de voor en na overdracht verrichte activiteiten overeen?
  7. Eventuele duur van de onderbrekingen van de activiteiten

Bescherming tegen ontslag

Werknemers worden bij een overgang van onderneming beschermd tegen ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen. De vraag is tot hoever deze bescherming reikt.  

Uit de rechtspraak volgt dat het ontslagverbod vanwege overgang van onderneming opzij kan worden geschoven als de verkrijger na de overgang besluit tot aanpassing van zijn organisatie op grond van zogenaamde economische, technische of organisatorische redenen, de eETO-redenen.  Het gaat dan om redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen.

Hoge Raad geeft duidelijkheid

De Hoge Raad heeft zich onlangs gebogen over een zaak waarbij sprake was van overgang van onderneming waarna een werknemer ontslagen werd. De werknemer was sinds 1994 in dienst bij een supermarkt en was op dat moment personeelsverantwoordelijke (P&O) op basis van een dienstverband van acht uur per week. Dit hield in dat hij ondersteunende werkzaamheden verrichtte op het gebied van verzuimregistratie en contracthuishouding. De werknemer kreeg in mei 2023 te horen dat hij van rechtswege in dienst was getreden bij een andere franchisenemer als gevolg van overgang van onderneming. Deze verkrijger beschikte over een servicekantoor waar de HR-taken voor alle supermarkten van de verkrijger centraal worden verricht. De verkrijger stelde zich op het standpunt dat de functie van werkneemster binnen zijn organisatie niet inpasbaar en daarom overbodig was. 

Het lukt hem niet de werknemer te herplaatsen. Hij vroeg daarom een ontslagvergunning aan bij het UWV, maar die werd door het UWV geweigerd. Vervolgens ging hij naar de kantonrechter waar hij meer succes had; de kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst. De werknemer ging hiertegen zonder succes in hoger beroep. Uiteindelijk stelde de werknemer cassatie in bij de Hoge Raad.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat het moet gaan om ETO-redenen die geen intrinsiek verband houden met de overgang van onderneming. Dit betekent echter niet dat er geen enkel verband mag bestaan tussen de overgang van onderneming en de aan het ontslag ten grondslag gelegde ETO-redenen. Er moet zowel rekening worden gehouden met de belangen van werknemers als ook met de belangen van werkgevers.

Daarnaast merkt de Hoge Raad op dat naarmate een reorganisatie sneller na de overgang plaatsvindt, de werkgever beter moet kunnen uitleggen waarom het ontslag niet met die overgang samenhangt.

Toch ontslag

In dit geval volgt de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof dat de verkrijger de aangevoerde ETO-redenen voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Aan het ontslag van werknemer lag de beslissing van de verkrijger om de werkzaamheden anders te organiseren en dat stond los van de overgang van onderneming.

Villatax strijdig met Europees recht?

By nieuws

Bezitters van een eigen woning betalen hierover jaarlijks belasting in box 1 via het eigenwoningforfait (EWF). Er zijn twee forfaits, een van 0,35% en een hoger forfait van 2,25%. Is dit hogere forfait, ook wel villatax genoemd, in strijd met Europees recht?

WOZ-waarde is bepalend

Vastgoed

Voor woningen vanaf € 75.000 geldt het EWF van 0,35%, voor woningen met een WOZ-waarde vanaf € 1.350.000 geldt een hoger EWF van 2,35% over het meerdere. 

Strijd met Europees recht?

Al langer vragen met name bezitters van duurdere woningen zich af of dit hogere forfait in strijd is met het Europese recht. Ze voeren onder meer aan dat er strijdigheid is met het gelijkheidsbeginsel en dat er geen redelijke verhouding meer is tussen het gehanteerde middel van de heffing en het beoogde doel.

Rechtbank volgt Hof

In een zaak die eind oktober vorig jaar speelde voor Gerechtshof Amsterdam, kwam het Hof tot de conclusie dat het hoge forfait niet in strijd is met het Europese recht. Het hogere forfait is mede ingevoerd vanwege het beleggingsaspect dat voor duurdere woningen zou gelden, naast het bestedingsaspect in de vorm van het woongenot. Een vergelijkbare zaak werd behandeld door Rechtbank Den Haag en ook die komt tot de conclusie dat er geen strijd is met het Europese recht.

Hoge forfait beperkt aftrek

In deze zaak handelde het om een woning met een WOZ-waarde van € 1.683.000. In het jaar betreffende jaar (2023) kwam het EWF uit op € 15.550. Vanwege dit hoge forfait was van de betaalde hypotheekrente van € 24.533 slechts een bedrag van € 8.983 aftrekbaar.

Toegenomen belang vanwege afbouw Wet Hillen

De discussie rond het hoge forfait staat de laatste tijd extra in de belangstelling vanwege de versnelde afbouw van de aftrek volgens de Wet Hillen. Bezitters van een eigen woning met een geringe hypotheek kunnen namelijk niet het hele rentebedrag in aftrek op het EWF brengen, als het EWF hoger is dan de aftrekbare hypotheekrente. Het niet-aftrekbare bedrag zou oorspronkelijk pas in 2048 zijn terugbracht naar nihil, maar in het Belastingplan 2026 is dit vervroegd naar 2041. Vanaf dit jaar gaat men in deze situatie dus minder profiteren van de aftrek van de hypotheekrente, ook als met te maken heeft met de villatax. 

Toegenomen belang vanwege beperking aftrek tot 30 jaar

In dit kader is ook van belang dat de aftrek van hypotheekrente van de eigen woning beperkt is tot maximaal 30 jaar. Bij leningen die vóór 2001 zijn afgesloten, begint deze termijn op 1 januari 2001. Aftrek van hypotheekrente is na 30 jaar dan niet meer mogelijk, terwijl voor duurdere woningen wel de villatax van kracht blijft.

Wachten op Hoge Raad

Vanwege het grote belang van de uitspraken is het vrijwel zeker dat deze worden voorgelegd aan de Hoge Raad. Pas dan zal duidelijk worden of de villatax in stand kan blijven.

Uitbetalen 10% pensioen ineens niet vanaf 1 juli 2026

By nieuws

De mogelijkheid om 10% pensioen ineens op te nemen is nog niet mogelijk vanaf 1 juli 2026. Vanaf wanneer dat wel mogelijk is, is op dit moment nog niet bekend.

Bedrag ineens

Golfbaan

Het staat al jaren op de planning, maar is nog steeds niet ingevoerd: de mogelijkheid om op de pensioeningangsdatum maximaal 10% van het opgebouwde pensioen in één keer uit te laten betalen. De gepensioneerde mag dit bedrag vrij besteden, er is dus geen verplicht bestedingsdoel. 

Let op!De opname van een bedrag ineens kan overigens wel gevolgen hebben voor het recht op toeslagen.

Herhaaldelijk uitstel inwerkingtreding

Oorspronkelijk was het plan om deze mogelijkheid per 1 januari 2023 in te laten gaan, maar de ingangsdatum is keer op keer uitgesteld. De laatste stand van zaken was dat het niet eerder dan 1 juli 2026 zou ingaan. Vanwege de voorbereidingstijd die nodig is, is inmiddels duidelijk dat die ingangsdatum niet gehaald wordt. Het is aan het nieuwe kabinet om te besluiten over een nieuwe inwerkingtredingsdatum.

Tip! De mogelijkheid 10% ineens op te nemen komt ook beschikbaar voor lijfrentes.

Denk aan maximale looptijd lening bij oversluiten hypotheek

By nieuws

De hypotheekrente die u betaalt ter financiering van een eigen woning is in beginsel aftrekbaar. Een belangrijke voorwaarde voor aftrek is dat de woning dient als hoofdverblijf. Een andere voorwaarde is dat de hypothecaire lening een looptijd heeft van maximaal 30 jaar.

Looptijd per ongeluk te lang

Huis

Het is van groot belang goed op de voorwaarde van 30 jaar te letten, zeker als u een hypotheek oversluit. In een zaak die speelde bij Rechtbank Noord-Nederland had een belastingplichtige de in 2014 afgesloten hypothecaire lening in 2021 overgesloten bij een andere bank. De nieuwe lening was opnieuw afgesloten voor een periode van 30 jaar. 

Geen aftrek van rente en kosten

Omdat er inmiddels al zeven jaren waren verlopen sinds de oorspronkelijke lening was afgesloten, was de looptijd van opnieuw 30 jaar van de nieuwe hypothecaire lening te lang. Het gevolg was dat de rente die betrekking had op de nieuwe lening, helemaal niet meer aftrekbaar was. Ook de financieringskosten van het oversluiten van de nieuwe lening waren daardoor niet aftrekbaar.

Geen correctie met terugwerkende kracht

De belastingplichtige voerde aan dat de lening in 2024 was aangepast, waarbij voor de looptijd werd uitgegaan van 30 jaren onder aftrek van de inmiddels verstreken jaren. De rechtbank was echter van mening dat aan deze correctie geen terugwerkende kracht kon worden verleend en liet de aanslag in stand. 

Aanslag stond niet onherroepelijk vast

Dat de aanslag nog niet onherroepelijk vaststond, deed volgens de rechtbank niet ter zake. De lening voldeed bij het aangaan van de schuld niet aan de wettelijke voorwaarden en dit kon achteraf niet worden hersteld.

Advieswijzer Bestelauto

By nieuws

Een bestelauto is voor veel ondernemers een onmisbaar bedrijfsmiddel. Voor een bestelauto geldt een flink aantal specifieke (fiscale) regelingen. Deze zijn er veelal op gericht het zakelijk gebruik van een bestelauto slechts beperkt te belasten. Daarbij geldt wel een aantal voorwaarden. Ook zijn er specifieke regelingen voor de bestelauto zonder CO2-uitstoot.

In deze advieswijzer infomeren wij u over de volgende zaken:

  • Wat valt onder de definitie bestelauto?
  • Aanschaf: welke regelingen zijn er?
  • Bijtelling: wat zijn de voorwaarden?
  • Belasting voor Personenauto’s en Motorrijwielen (bpm)
  • Motorrijtuigenbelasting (mrb)

Wat valt onder de definitie bestelauto?

Auto

Niet elke auto die gebruikt wordt voor vervoer van goederen wordt fiscaal als een bestelauto aangemerkt. Er zijn verschillende soorten bestelauto’s, zoals met open laadbak, een verhoogd dak of dubbele cabine. Voor iedere soort bestelauto gelden andere inrichtingseisen. Zo mogen in het ene geval wel zijruiten aanwezig zijn, maar in een ander geval weer niet.

Let op! Bestelauto’s mogen soms voorzien zijn van één zijruit rechts in de laadruimte. Het komt echter regelmatig voor dat bestelauto’s van fabriekswege voorzien zijn van meerdere zijruiten. Om fiscaal dan toch als bestelauto te kunnen worden aangemerkt, moeten deze zijruiten worden verwijderd en vervangen worden door niet uit glas bestaande panelen uit één stuk van ondoorzichtig en vormvast materiaal. Deze moeten zo veel mogelijk rondom en op onverbrekelijke wijze rechtstreeks met de carrosserie zijn verbonden. De Belastingdienst heeft bekendgemaakt dat ook aan deze blinderingseis kan worden voldaan als de zijruit aan de buitenkant van de laadruimte niet verwijderd wordt. In dat geval moet er wel ondoorzichtig en vormvast materiaal aan de binnenkant van de carrosserie zijn bevestigd. Op deze manier kunnen onnodige kosten worden voorkomen, terwijl het resultaat qua blindering hetzelfde blijft.

Tip! Voor een gedetailleerd overzicht van alle inrichtingseisen per soort bestelauto, check deze site van de Belastingdienst.

Let op! Voldoet uw bestelauto niet aan deze eisen, dan zijn ook de fiscale faciliteiten voor een bestelauto niet van toepassing.

Aanschaf: welke regelingen zijn er?

Bij de aanschaf van een bestelauto kunt u mogelijk gebruikmaken van de KIA en bij aanschaf van een nieuwe bestelauto op waterstof kunt u mogelijk gebruikmaken van twee fiscale regelingen: de KIA en de MIA.

KIA

Voor een bestelauto die tot het ondernemingsvermogen behoort, heeft u bij aanschaf recht op de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Het bedrag van de KIA kunt u in mindering op de winst brengen. De KIA is zowel op nieuwe als op gebruikte bestelauto’s van toepassing. De omvang van de KIA is afhankelijk van uw totale bedrag aan investeringen in een jaar en bedraagt maximaal 28% van het investeringsbedrag.  Om voor de KIA in aanmerking te komen, moet het te investeren bedrag meer dan € 2.900 en niet meer dan € 398.236 bedragen. Kijk hier voor de berekening en de voorwaarden.

MIA voor bestelauto op waterstof

Voor een nieuwe bestelauto op waterstof heeft u in 2026 bovendien recht op 45% milieu-investeringsaftrek (MIA). Het bedrag van de MIA kunt u in mindering brengen op de winst. Het bedrijfsmiddel komt voor 90% van het investeringsbedrag – met een maximum van € 125.000 – in aanmerking voor de MIA. Voor een bestelauto op waterstof van bijvoorbeeld € 75.000 krijgt u dus MIA over een bedrag van € 67.500.

Let op! Als u voor de MIA in aanmerking komt, kunt u van de Subsidieregeling Waterstof in Mobiliteit (SWIM) geen gebruikmaken, en andersom. Bereken dus voordat u investeert, wat het meeste oplevert. Bijtelling: wat zijn de regels?

Wanneer geen bijtelling?

Als een bestelauto ter beschikking wordt gesteld, krijgt men in beginsel met de bijtelling te maken. Voor ondernemers in de inkomstenbelasting vindt die bijtelling plaats via de aangifte inkomstenbelasting. Voor werknemers, waaronder dga’s, vindt dit plaats via de loonadministratie en aangifte loonheffing. Voor bestelauto’s is de bijtelling in onderstaande situaties echter niet van toepassing:

– Privégebruik maximaal 500 km
De bijtelling blijft achterwege als bewezen kan worden dat met de bestelauto in het jaar niet meer dan 500 km privé is gereden. Een rittenregistratie is niet verplicht, maar omdat bewezen moet worden dat de bestelauto niet meer dan 500 km privé is gebruikt, is het aan te bevelen een goede administratie bij te houden. Er zijn hier ook automatische rittenregistratie-oplossingen voor. 
Voor werknemers is het mogelijk een ‘verklaring geen privégebruik’ aan te vragen voor personeel dat niet meer dan 500 km privé rijdt. Als u als werkgever deze verklaring heeft en er geen indicaties zijn dat de werknemer zich er niet aan houdt, hoeft u in de loonadministratie geen rekening te houden met de bijtelling. Eventuele controles vinden plaats bij de werknemer. Ook een eventuele correctie wordt bij de werknemer neergelegd.

Let op! Voor ondernemers in de inkomstenbelasting is het niet mogelijk een dergelijke verklaring aan te vragen.

– Uitsluitend geschikt voor goederenvervoer
Voor de bestelauto die bijna uitsluitend geschikt is voor goederenvervoer, is de standaardbijtelling ook niet van toepassing. Hiervan is onder andere sprake als de bestelauto te smerig is om privé te worden gebruikt, zoals de klusjesauto van een garage waarbij de bekleding besmeurd is met olie. Ook de bestelauto die beschikt over slechts één zitplaats en waarbij de eventuele bevestigingspunten voor de overige zitplaatsen zijn verwijderd of dichtgelast, wordt geacht bijna uitsluitend geschikt te zijn voor goederenvervoer. Bezit de bestelauto wel een tweede zitplaats, dan is deze toch bijna uitsluitend geschikt voor goederenvervoer als de bijrijder nodig is voor het laden en lossen van de bestelauto.

Onder omstandigheden kunnen ook andere bestelauto’s als bijna uitsluitend geschikt voor goederenvervoer worden aangemerkt. Zo is door de rechter in het verleden een bestelauto als zodanig aangemerkt die in de laadruimte was voorzien van stellages voor het vervoer van planten. Overleg bij twijfel met uw inspecteur. Als bestelauto’s die bijna uitsluitend geschikt zijn voor goederenvervoer privé worden gebruikt, moet het privévoordeel tot het loon worden gerekend. U kunt hiervoor uitgaan van de kilometerkostprijs vermenigvuldigd met het aantal privékilometers.

– Uitsluitend zakelijk gebruik
Als een bestelauto uitsluitend zakelijk wordt gebruikt, blijft de bijtelling achterwege. Er moet dan een ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ worden aangevraagd bij de Belastingdienst. U hoeft dan geen rittenregistratie bij te houden. De Belastingdienst controleert fysiek of u de bestelauto inderdaad in het geheel niet privé gebruikt. Vermoedt de Belastingdienst tijdens een controle dat u de bestelauto toch privé gebruikt, dan kan men u vragen waar u de bestelauto op dat moment zakelijk voor gebruikte. Kunt u niet aannemelijk maken dat u de bestelauto zakelijk gebruikte, dan kan men u een naheffing of navordering met boete opleggen.

Let op! Bij gebruik van een ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ mag u de bestelauto helemaal niet privé gebruiken. Dus ook niet om bijvoorbeeld op de terugweg van uw werk naar huis uw kind bij de kinderopvang op te halen. De grens van 500 km is hierbij dus niet van toepassing.

De ‘Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ kan zowel door werknemers als door de ondernemer in de inkomstenbelasting worden aangevraagd.

Ook in onderstaande situaties is de bijtelling voor een bestelauto niet van toepassing. Deze situaties zijn in principe niet van toepassing op de ondernemer in de inkomstenbelasting en de dga.

– Privégebruik verboden
Is privégebruik van de bestelauto verboden, dan blijft de bijtelling achterwege op voorwaarde dat u als werkgever controleert dat de bestelauto daadwerkelijk niet privé wordt gebruikt. Gebeurt dit toch, dan moet er – naast het alsnog betalen van de bijtelling – een aanzienlijke sanctie voor de werknemer volgen. De afspraak dat de bestelauto niet privé mag worden gebruikt en de sancties wanneer dit toch gebeurt, moeten schriftelijk worden vastgelegd. Voor de dga geldt de optie alleen als er sprake is van een reëel verbod. Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake als de dga zelf de controle uitoefent. 

– Privégebruik onmogelijk
Als privégebruik van de bestelauto onmogelijk is, blijft de bijtelling eveneens achterwege. Dit is bijvoorbeeld het geval als de sleutels van de auto ’s avonds moeten worden ingeleverd of als de bestelauto’s ’s avonds op een afgesloten terrein worden gestald. 

– Doorlopend afwisselend gebruik
Als een bestelauto doorlopend afwisselend door verschillende personeelsleden wordt gebruikt, is de bijtelling niet van toepassing als hierdoor het privégebruik moeilijk kan worden vastgesteld. Dit is niet het geval als een bestelauto bijvoorbeeld door twee werknemers om de week privé wordt gebruikt. Het privégebruik is dan immers niet moeilijk vast te stellen. Bij doorlopend afwisselend gebruik moet de werkgever in plaats van de bijtelling per bestelauto een bedrag van € 451 aan belasting betalen via de eindheffing. Het doorlopende, afwisselende gebruik moet dan wel door de aard van het werk worden opgeroepen.

Let op! De rechter heeft beslist dat de eindheffing niet wegneemt dat de bijtelling voor de ondernemer zelf nog geldt als de bestelauto ook aan hem ter beschikking staat. Dit geldt dus voor de ondernemer in de inkomstenbelasting.

Toch bijtelling?

Is een van de hiervoor genoemde voorwaarden niet van toepassing op uw situatie? Dan valt uw bestelauto onder de bijtellingsregeling.

De IB-ondernemer

Heeft u als ondernemer een bestelauto tot uw beschikking die tot uw ondernemingsvermogen behoort, dan valt deze bestelauto onder de bijtellingsregeling.

De bijtelling is het bedrag dat vanwege het privégebruik niet aftrekbaar is van de winst. Dit bedrag kan niet negatief worden, oftewel: de bijtelling kan nooit meer zijn dan de werkelijke autokosten (inclusief afschrijving).

Werknemers en de dga

Bij werknemers en dga’s aan wie een bestelauto ter beschikking is gesteld, wordt de bijtelling als loon aangemerkt. De werkgever is verplicht hierover loonheffing in te houden. 

Hoeveel bijtelling?

De bijtelling bedraagt een percentage van de cataloguswaarde dat afhankelijk is van het jaar waarin de auto voor het eerst op kenteken is gesteld. Dit percentage blijft 60 maanden van kracht. Daarna wordt het percentage bepaald op basis van de dan geldende wetgeving. De bijtelling bedraagt 22% voor auto’s die in 2026 voor het eerst op kenteken zijn gezet en voor bestelauto’s die niet volledig elektrisch zijn of op waterstof of zonne-energie rijden. Voor volledig elektrische bestelauto’s bedraagt de bijtelling in 2026 18% van de cataloguswaarde tot maximaal € 30.000 en 22% over het meerdere. Voor het jaar 2017 bedraagt de bijtelling 20% van de cataloguswaarde tot maximaal € 30.000 en 22% over het meerdere. Vanaf 2028 geldt een bijtelling van 22% over de gehele catalogusprijs. Voor bestelauto’s op waterstof of zonne-energie geldt de bijtelling van 18% in 2026 en 20% in 2027 over de gehele cataloguswaarde. Vanaf 2028 geldt een bijtelling van 22% over de gehele cataloguswaarde.

Voorbeeld
Aan werknemer A is een niet-elektrische bestelauto met een cataloguswaarde van € 50.000 ter beschikking gesteld die in 2026 voor het eerst op kenteken is gezet. Aan werknemer B is een elektrische bestelauto met een cataloguswaarde van € 50.000 ter beschikking gesteld die ook in 2026 voor het eerst op kenteken is gezet.

Bijtelling werknemer A: € 50.000 x 22% = € 11.000
Bijtelling werknemer B: € 30.000 x 18% + € 20.000 x 22% = € 5.400 + € 4.400 = € 9.800.

Vereenvoudigde rittenregistratie

Als de werknemer door de aard van de werkzaamheden (vaak) veel ritten op een dag heeft met de bestelauto van de zaak, kan het bijhouden van een rittenregistratie een grote administratieve last zijn voor werkgever en werknemer. In dit geval mag de werknemer om praktische redenen het bewijs voor het aantal gereden privékilometers leveren met een combinatie van een vereenvoudigde rittenregistratie en de zakelijke adressen in de (project)administratie van de werkgever. De werkgever moet dan wel schriftelijk met de werknemer hebben afgesproken dat de werknemer een vereenvoudigde rittenregistratie bijhoudt, dat privégebruik tijdens werk- en lunchtijd niet is toegestaan en dat de werkgever de zakelijke adressen in zijn administratie bewaart. U kunt voor een vereenvoudigde rittenregistratie desgewenst gebruikmaken van bijgevoegde voorbeeldafspraak.

Belasting voor Personenauto’s en Motorrijwielen (bpm)

Bij aanschaf van een nieuwe auto, bestelauto of motorfiets betaalt u bpm. U betaalt ook bpm als u een dergelijk voertuig importeert. De bpm wordt berekend op basis van de CO2-uitstoot en de nettocatalogusprijs. Voor voertuigen zonder CO2-uitstoot betaalt u geen bpm. Als ondernemer kunt u sinds 1 januari 2025 niet langer in aanmerking komen voor een vrijstelling van bpm bij aanschaf van een bestelauto.

Motorrijtuigenbelasting (mrb)

Als u in Nederland met een voertuig gebruikmaakt van de openbare weg, bent u in beginsel motorrijtuigenbelasting verschuldigd. Hoeveel mrb u voor een bestelauto moet betalen, hangt af van het gewicht, de brandstof en hoe milieuvervuilend het motorrijtuig is. Voor ondernemers geldt onder voorwaarden een lager mrb-tarief. De belangrijkste voorwaarde is dat u de bestelauto meer dan 10% in het kader van uw onderneming gebruikt. U moet dit desgevraagd aannemelijk kunnen maken. Een rittenregistratie is daarvoor niet vereist.

Daarnaast geldt voor auto’s zonder CO2-uitstoot een korting op de mrb. Elektrische auto’s krijgen in 2026, 2027 en 2028 een korting van 30% op het normale tarief.  In 2029 wordt de korting verlaagd naar 25% en per 2030 helemaal afgeschaft.  Voor plug-inhybride auto’s geldt ’sinds het normale mrb-tarief. Voor bestelauto’s zonder CO2-uitstoot geldt in 2026 geen korting meer op het normale mrb-tarief, zodat u dan voor emissieloze bestelauto’s het normale mrb-tarief voor bestelauto’s betaalt. Ook de gewichtscorrectie van 125 kg is per 2026 afgeschaft, zodat u meer mrb betaalt.

Wat scheelt dat nu?

Stel, u rijdt in een bestelauto met dieselmotor, met een gewicht van 1.300 kilo. Bent u particulier, dan betaalt u € 352 mrb per kwartaal. Bent u ondernemer, dan betaalt u slechts € 121 per kwartaal.

Invoering zero-emissiezones
Als een gemeente een zero-emissiezone invoert, betekent dit dat in dat gebied alleen elektrische trucks en bestelauto’s mogen rijden. Hierdoor wordt de CO2-uitstoot beperkt. 
Inmiddels hebben tal van gemeentes zero-emissiezones ingevoerd en delen boetes uit als met een vervuilende auto de zone betreden wordt. De boetes bedragen minimaal € 120 exclusief administratiekosten. 

Invoering pseudo-eindheffing fossiele personenauto

Vanaf 2027 moeten werkgevers die hun personeel een fossiele personenauto ter beschikking stellen, extra belasting betalen. De heffing bedraagt jaarlijks 12% van de cataloguswaarde. De heffing geldt echter niet voor bestelauto’s, zodat het ter beschikking stellen van een bestelauto in 2027 niet tot extra kosten leidt.

Vragen?

Heeft u vragen over deze advieswijzer? Neem dan contact op met een van onze adviseurs.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Wijzigingen aftrek dieetkosten en kleding en beddengoed

By nieuws

De vaste bedragen die in aftrek komen bij dieetkosten en kleding en beddengoed wijzigen met ingang van 2026. Wat verandert er?

Aftrek dieetkosten verhoogd en verlaagd

Rolstoel

De extra kosten van een op voorschrift van een arts of diëtist gehouden dieet zijn voor bepaalde ziektebeelden en aandoeningen aftrekbaar voor vaste bedragen. Deze vaste bedragen zijn in 2026 gewijzigd als gevolg van actuele inzichten in diëten en het aanbod van dieetproducten. Voor bepaalde diëten betekent dit een hogere aftrek, voor anderen een lagere aftrek.

Zo stijgt de aftrek voor een energieverrijkt dieet in combinatie met een eiwitverrijkt dieet bij een groot aantal aandoeningen (onder meer groeiachterstand bij kinderen, aids, chronische pancreatis) van € 650 in 2025 naar € 1.050 in 2026. De aftrek voor een glutenvrij dieet bij coeliakie, ziekte van Dühring en glutenintolerantie daalt echter van € 1.200 in 2025 naar € 900 in 2026.

Let op! Er zijn nog veel meer diëten waarvoor aftrek mogelijk is. Kijk voor de aftrekbare bedragen van alle diëten in 2026 hier (Artikel I, B) en voor de aftrekbare bedragen 2025 hier.

Aftrek extra kleding en beddengoed verlaagd

De extra kosten die u, in vergelijking met mensen in vergelijkbare (financiële) omstandigheden, door ziekte of invaliditeit maakt voor (het wassen van) kleding en beddengoed, kunnen als zorgkosten aftrekbaar zijn. De extra kosten moeten dan wel een rechtstreeks gevolg zijn van uw ziekte of invaliditeit die minimaal een jaar duurt of waarschijnlijk minimaal een jaar gaat duren.

Hiervoor gelden vaste bedragen die in 2025 al daalden ten opzichte van 2024, maar in 2026 nog verder dalen. Zo bedroeg het vaste aftrekbare bedrag in 2024 nog € 350, werd dat in 2025 verlaagd naar € 340 en bedraagt dat in 2026 € 330.

Waren uw extra kosten voor kleding en beddengoed in 2024 hoger dan € 700, dan bedroeg de aftrek in dat jaar geen € 350 maar € 875. Ook deze vaste bedragen waren in 2025 lager en zijn vanaf 2026 nog lager. Wel wordt de hogere aftrek eerder bereikt. Waren in 2025 uw extra kosten voor kleding en beddengoed namelijk hoger dan € 680, dan bedroeg de aftrek geen € 340 maar € 850. Zijn in 2026 uw extra kosten voor kleding en beddengoed hoger dan € 660, dan bedraagt de aftrek geen € 330 maar € 825.

Kamerverhuurvrijstelling verhoogd naar € 6.633

By nieuws

Bij verhuur van een kamer in uw woning, kunt u misschien gebruikmaken van de kamerverhuurvrijstelling. In 2026 is deze vrijstelling verhoogd naar € 6.633.

Kamerverhuurvrijstelling

Woning

Voordeel van het gebruik van de kamerverhuurvrijstelling is dat u in box 1 en box 3 geen belasting betaalt over uw huuropbrengsten. Bovendien blijft uw recht op hypotheekrenteaftrek in stand. U moet wel in uw aangifte inkomstenbelasting rekening houden met het gehele eigenwoningforfait voor uw woning.

Wanneer?

U kunt gebruikmaken van de kamerverhuurvrijstelling als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • de kamer die u verhuurt is onderdeel van uw eigen woning in box 1, en
  • de kamer vormt geen zelfstandige woning, en
  • u staat gedurende verhuur ingeschreven op het adres van de woning, en
  • uw huurder staat gedurende de verhuur ook op dit adres ingeschreven, en
  • de totale huuropbrengsten mogen in 2026 niet meer bedragen dan € 6.633 (in 2025 was dit bedrag nog € 6.324).

Let op! Onder huuropbrengsten worden alle vergoedingen begrepen die de huurder aan u betaalt en die betrekking hebben op de verhuur.

Box 3

Kunt u de kamerverhuurvrijstelling niet toepassen? Dan verhuist het verhuurde deel van uw woning naar box 3. Of u daarover dan box 3-heffing verschuldigd bent is afhankelijk van uw overige bezittingen en schulden in box 3.

Overdrachtsbelasting: wat zijn ‘onvoorziene omstandigheden’?

By nieuws

Bij de aankoop van een woning bent u in 2026 2% overdrachtsbelasting verschuldigd, onder de voorwaarde dat de woning uw hoofdverblijf wordt. Zo niet, dan bedraagt het tarief 8% (2026). Door onvoorziene omstandigheden kan soms van het hoge tarief worden afgeweken. Een casus.

Tip! Voor meerderjarige jongeren tot 35 jaar bestaat er, onder voorwaarden, een eenmalige vrijstelling als de woning niet meer kost dan € 555.000 (2026) én als hoofdverblijf dient.

Woning binnen drie maanden weer verkocht

Huis

In een zaak die voor rechtbank Noord-Holland werd behandeld, ging het om een woning die na aankoop binnen drie maanden weer werd doorverkocht. De vrouw die de woning had gekocht had verklaard dat het de bedoeling was geweest dat ze de woning na verkrijging zelf zou gaan bewonen. Bij de verkoop was 2% overdrachtsbelasting (OVB) in rekening gebracht, maar volgens de inspecteur was dit ten onrechte en dus volgde er een naheffing over het verschil ten opzichte van het hoge tarief.

Paniekaanval

De vrouw vocht de naheffing aan en stelde dat ze de woning weer had verkocht, omdat ze bij het eerste zelfstandige bezoek aan de woning was getroffen door een paniekaanval. De vrouw was behandeld voor PTSS-klachten en gaf aan dat iets in de woning, een ruimte of een geur, de aanval had veroorzaakt en ervoor had gezorgd dat ze de woning uit was gevlucht. Daarna had ze de woning alleen nog durven te betreden voor het halen van de post en had ze de woning zo snel mogelijk weer verkocht.

Wat is een onvoorziene omstandigheid? 

Voor de rechter gaf de vrouw aan dat er naar haar mening sprake was van een onvoorziene omstandigheid, waardoor het lage tarief OVB van 2% diende te worden toegepast. Dat ze eerder had aangegeven spijt te hebben gehad van haar aankoop, volgde uit het feit dat ze op basis van eerdere ervaringen niet had durven vertellen dat de paniekaanval de doorslag voor de verkoop had gegeven.

Wat was de intentie?

De rechtbank achtte het geloofwaardig dat het de intentie van de vrouw geweest was de woning zelf te gaan bewonen. Dit bleek onder meer uit het feit dat ze offertes had laten maken en een met een aannemer contact had gehad om de woning te laten opknappen en verbouwen. Ook was het aannemelijk dat de vrouw last had gehad van PTSS-klachten. Dat ze hiervoor in het verleden was behandeld, maakte nog niet dat de paniekaanval te voorzien was geweest, zoals de inspecteur aanvoerde.

Geen uitputtende wettelijke opsomming

De rechtbank wees er ook op dat tijdens het tot stand komen van de wet enkele voorbeelden waren genoemd van onvoorziene omstandigheden, zoals een echtscheiding en werkloosheid, maar dat dit geen uitputtende opsomming betrof. De paniekaanval kon dan ook als zodanig bestempeld worden, aangezien de vrouw wel degelijk van plan was geweest de woning zelf duurzaam te gaan bewonen. De naheffingsaanslag kwam dan ook te vervallen.

Botsing ketenregeling en cao-bepaling

By nieuws

Soms zijn de bepalingen die in een cao staan strijdig met bepalingen in de wet, zoals de ketenregeling. Wat is bepalend bij het wettelijk maximaal aantal toegestane contracten voor bepaalde tijd? De afspraken in de wet over de ketenregeling of de afspraken in de cao?

Een casus van een docent

Juridisch

Een docent treedt na het bereiken van de AOW-leeftijd in dienst. Hij is gedurende het dienstverband ingezet als docent voor de zogeheten Internationale Schakelklas. In die klas geeft hij nieuwkomers in Nederland les. Hij heeft formeel geen bevoegdheid om les te geven. Negen jaar lang krijgt hij een jaarcontract aangeboden, waarbij het laatste contract door de werkgever niet meer verlengd wordt. In de cao staat dat docenten zonder onderwijsbevoegdheid nooit een vast contract kunnen krijgen. 

Opzegging van dienstverband?

De werknemer kwalificeert het door de werkgever beoogde einde van rechtswege en het feit dat hij niet meer tewerk is gesteld en geen loon meer heeft ontvangen, als opzegging. Hij berust nu in die opzegging, maar maakt wel aanspraak op een billijke vergoeding, omdat die opzegging onregelmatig was.

Vast contract?

De werknemer claimt een vast contract op basis van de wettelijk geregelde ketenregeling, welke inhoudt dat er maximaal drie contracten in drie jaar tijd mogen worden afgesloten. De werkgever erkent dit, maar verwijst daarentegen naar zowel de Wet voortgezet onderwijs 2020 als de cao Voortgezet Onderwijs 2024-2025. Beide bepalen dat onbevoegde docenten niet in dienst kúnnen zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaald tijd. In die ‘botsing’ tussen twee wettelijke en cao-regimes, komt de beperking van de mogelijkheden voor onbevoegde docenten als winnaar uit de strijd, aldus de werkgever.  

Ketenregeling

De rechter oordeelt dat de ketenregeling – die overigens ook letterlijk in de cao herhaald is – een wezenlijk onderdeel van het arbeidsrecht is, dat ingericht is ter bescherming van de werknemer. Een dergelijk wezenlijke beschermingsbepaling kan niet ondergraven worden door een branche-specifieke bepaling die niet arbeidsrechtelijk van aard is, maar gericht is op optimalisatie van de kwaliteit van het onderwijs. Het is aan de werkgever om die wettelijke regels toe te passen en te zorgen dat zij daaraan voldoet.

Contract voor onbepaalde tijd

Dit houdt in dat sprake is van contract voor onbepaalde tijd, welk contract de werkgever niet volgens de regels heeft opgezegd. Hij ging immers uit van een einde van rechtswege. De werkgever is op basis van de cao verplicht een docent met onderwijsbevoegdheid in te zetten, zodra deze beschikbaar is. De docent zonder onderwijsbevoegdheid moet dan plaatsmaken, ook al is er niets aan te merken op de wijze van lesgeven van de betreffende docent. Er was een docent met onderwijsbevoegdheid beschikbaar. Dat de arbeidsovereenkomst dus uiteindelijk zou eindigen staat vast. 

Slordige werkgever

Hoewel zonder kwade bedoelingen gedaan, heeft de werkgever de werknemer vanuit zakelijk oogpunt wel erg lang laten ‘bungelen’ in onzekerheid door steeds jaarcontracten af te sluiten (terwijl dat eigenlijk niet meer mocht) en dat heeft werkgever al die tijd – ook nog in de aanloop naar en tijdens de procedure – vastgehouden, terwijl zij beter had moeten weten. Deze onhandige en ongelukkige gang van zaken wil de kantonrechter tot uitdrukking brengen in de vergoeding.

Vergoeding

De kantonrechter stelt de billijke vergoeding daarom vast op € 13.500, zijnde het salaris van vijf maanden. Dit zou de meest waarschijnlijke datum zijn waarop het dienstverband voor onbepaalde tijd rechtsgeldig geëindigd zou zijn. Gelet op de handelwijze van de werkgever verhoogt de kantonrechter de uiteindelijke vergoeding naar € 15.000.

Advieswijzer Eigen woning

By nieuws

Voor de eigen woning gelden duidelijke en strenge fiscale regels. Een lening voor de eigen woning moet bijvoorbeeld aan aflossingseisen voldoen om voor renteaftrek in aanmerking te komen. En die renteaftrek is inmiddels afgebouwd. Wellicht wilt u extra aflossen, maar is dat wel verstandig? Deze en meer zaken die u moet weten bij de aanschaf en het bezit van een eigen woning vindt u hier in een notendop.

Welke regels van toepassing zijn, is afhankelijk van uw individuele situatie. In deze advieswijzer komen verschillende situaties aan bod.

Overdrachtsbelasting: drie tarieven en hogere startersvrijstelling in 2026

Woning

Bij de aanschaf van onroerend goed betaalt u overdrachtsbelasting. De overdrachtsbelasting kent vanaf 2026 voor woningen drie tarieven en een vrijstelling. 

Woning voor eigen gebruik

In 2026 geldt bij de overdracht van een woning die een koper zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, onder voorwaarden, een overdrachtsbelastingtarief van 2%. Dit is niet anders dan in 2025 toen hiervoor ook al het 2%-tarief gold.

Overige woningen

Wat wel gewijzigd is, is het tarief voor overige woningen. Verkrijgt u een woning die u niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, dan gold daar in 2025 nog een overdrachtsbelastingtarief van 10,4%. Vanaf 2026 is dit tarief 8%. Bij overige woningen moet u denken aan een vakantiewoning, een woning die u koopt voor een studerend kind of een woning die u verhuurt.

Overig onroerend goed

Voor de verkrijging van overig onroerend goed blijft het overdrachtsbelastingtarief, net als in 2025, 10,4%.

Vrijstelling overdrachtsbelasting

De vrijstelling van overdrachtsbelasting, de startersvrijstelling, geldt voor jongeren tussen 18 en 35 jaar (dus 18 jaar of ouder en jonger dan 35 jaar) die een eigen woning kopen en deze duurzaam zelf gaan bewonen. De vrijstelling is beperkt tot woningen met een waarde van maximaal € 555.000 (2026). 

Tip! Ook voor 2027 is de woningwaardegrens al bekend, deze bedraagt € 615.000.

Let op! Er kan maar één keer gebruik worden gemaakt van de vrijstelling van overdrachtsbelasting.

Let op! Voor toepassing van de vrijstelling is de datum van levering van de woning bij de notaris bepalend. Kocht u in 2025 een woning die pas in 2026 door de notaris geleverd wordt, dan geldt een woningwaardegrens van € 555.000 en dus niet van € 525.000 (de grens in 2025).

Eigenwoninglening, aflossing en renteaftrek

Voor een eigenwoninglening geldt dat de rente alleen aftrekbaar is als de lening in maximaal 30 jaar volledig en ten minste annuïtair wordt afgelost. Dit betekent dat de maandelijkse som van rente plus aflossing tijdens de rentevaste periode hetzelfde blijft. Naast de aflossingseis geldt de voorwaarde dat de lening is aangegaan ter verwerving, onderhoud of verbetering van de eigen woning.
Deze regels gelden in principe voor elke lening die vanaf 1 januari 2013 is afgesloten. Het kan echter zijn dat een op of na 1 januari 2013 afgesloten lening onder overgangsregels valt. Er gelden dan geen aflossingseisen. Onze adviseurs kunnen u informeren over uw eigen, specifieke situatie.

Gevolgen niet-nakomen aflossingsverplichtingen

De aflossingsverplichtingen moeten bij het aangaan van de lening in de leenovereenkomst zijn overeengekomen en ook worden nageleefd. Als op een lening te weinig wordt afgelost, is de rente op die lening in principe niet meer aftrekbaar. Gelukkig is het mogelijk om, onder voorwaarden, een tijdelijke achterstand in aflossingen te herstellen of een nieuw aflossingsschema af te spreken. Als tijdig aan deze herstelmogelijkheden wordt voldaan, blijft de renteaftrek behouden. Wordt niet tijdig aan deze herstelmogelijkheden voldaan, dan gaat de renteaftrek op dat moment verloren.

Tip! Het verlies aan renteaftrek is niet definitief. Als u de aflossingsachterstand die aanwezig was op het moment van verlies van de renteaftrek weer inhaalt, is de rente vanaf dat moment weer aftrekbaar.

Informatieverplichtingen

Heeft u een eigenwoninglening waarvoor een aflossingseis geldt en is deze lening niet afgesloten bij een in Nederland gevestigde bank, verzekeraar of andere financiële instelling, dan heeft u een informatieplicht. Deze informatieplicht loopt via uw aangifte inkomstenbelasting voor alle schulden die zijn aangegaan na 31 december 2015 en voor alle wijzigingen in uw eerder afgesloten lening die zich voordoen vanaf 1 januari 2016. Onder de informatieplicht vallen onder andere de NAW-gegevens van de leningverstrekker, de hoogte van de lening, de looptijd en het rentepercentage. Voldoet u niet (tijdig) aan uw informatieplicht, dan is de rente niet aftrekbaar. Als u in een later jaar alsnog de informatie verstrekt, is de rente vanaf het daaropvolgende jaar (weer) aftrekbaar.

Let op! Dit geldt dus ook voor de dga die een lening voor zijn eigen woning heeft afgesloten bij zijn eigen bv.

Beperking renteaftrek in de hoogste schijf

Vanaf 2014 is de maximale renteaftrek van de hypothecaire lening jaarlijks verlaagd. Voor het jaar 2026 betekent dit dat de rente die aftrekbaar is in de hoogste belastingschijf (49,5%) niet meer tegen 49,5%, maar tegen maximaal 37,56% aftrekbaar is. Deze aftrekbeperking geldt zowel voor leningen die afgesloten zijn na 1 januari 2013 als voor leningen die voor die datum zijn afgesloten.

Overgangsrecht: bestaande eigenwoninglening

Voor een oude eigenwoninglening hoeft u niet aan de aflossingseis te voldoen. Een oude eigenwoninglening is een lening die u op 31 december 2012 voor uw eigen woning had (hoofdregel). In een aantal uitzonderingsgevallen wordt ook een na 31 december 2012 afgesloten lening (gedeeltelijk) aangemerkt als een oude eigenwoninglening. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als in de periode tot eind 2013 sprake is geweest van tijdelijke huur tussen twee eigen woningen in, de aankoop van een andere woning of van het verrichten van onderhoud of verbetering aan de eigen woning. Daarnaast is er een regeling voor expats.

Oversluiten lening

Uw lening blijft aangemerkt als een oude eigenwoninglening als u deze (gedeeltelijk) oversluit, bijvoorbeeld bij het aflopen van uw rentevaste periode of bij de aankoop van een nieuwe woning. Leent u echter een hoger bedrag, dan wordt het extra bedrag aangemerkt als nieuwe eigenwoninglening en is de rente hierover alleen aftrekbaar als aan de aflossingseisen wordt voldaan.

Aftrek beperkt tot maximaal 30 jaar

De aftrek van hypotheekrente inzake de eigen woning is beperkt tot maximaal 30 jaar. Bij leningen die vóór 2001 zijn afgesloten, begint deze termijn op 1 januari 2001. Dit betekent dat degenen met een dergelijke hypotheek de rente vanaf 2031 niet meer af kunnen trekken en dus een (fors) hogere maandlast tegemoet kunnen zien. De termijn van 30 jaar gaat iedere keer opnieuw in voor het bedrag waarmee u uw hypotheek verhoogt.

Verzekeringen eigen woning

Het is al lange tijd niet meer mogelijk (sinds 2013) om een nieuw spaar-, verzekerings- of beleggingsproduct gekoppeld aan de eigen woning af te sluiten. Heeft u een bestaand spaar-, verzekerings- of beleggingsproduct gekoppeld aan de oude eigenwoninglening, dan wijzigt er niets.

Deze blijft vrijgesteld in box 1. Een gekoppeld spaar-, verzekerings- of beleggingsproduct volgt het overgangsrecht dat geldt voor de oude eigenwoninglening: is uw in 2013 afgesloten lening aan te merken als een oude eigenwoninglening, dan was het ook nog mogelijk om hier in 2013 een spaar-, verzekerings- of beleggingsproduct aan te koppelen.

Tip! In beginsel kunt u vanaf 1 april 2017 vrij gebruikmaken van de vrijstelling voor uw spaar-, verzekerings- of beleggingsproduct. Afkoop is over het algemeen financieel niet aantrekkelijk. Overleg daarom vooraf met onze adviseurs over uw eigen situatie.

(Extra) aflossen of niet?

Nu de rente op een spaarrekening laag is, is het de vraag of extra aflossen misschien raadzaam is. Aflossen heeft verschillende fiscale en financiële gevolgen. We zetten er een aantal op een rij:

  • U hoeft na aflossing geen hypotheekrente meer te betalen.
  • U kunt na aflossing die rente niet meer in aftrek brengen in box 1.
  • Houd er rekening mee dat u mogelijk boeterente moet betalen vanwege de extra aflossing.
  • De rente op uw spaarrekening zult u waarschijnlijk nauwelijks missen gezien de lage rentestand.
  • Mogelijk bespaart u belasting in box 3 vanwege het voor de aflossing gebruikte spaargeld.
  • Heeft u uw hypotheek afgelost, dan heeft u ook geen bijtelling (meer) vanwege het eigenwoningforfait. Deze faciliteit wordt echter vanaf 2019 in dertig jaar geleidelijk afgebouwd. Deze geleidelijke afbouw wordt vanaf 2026 versneld. Dit betekent dat u in 2026 nog maar 71,87% van het verschil tussen uw eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten voor uw eigen woning als aftrek krijgt. Het percentage neemt vanaf 2026 ieder jaar af met 4,8%. Vanaf 1 januari 2041 vervalt de aftrek helemaal.

Let op! Of het raadzaam is om af te lossen op uw hypothecaire lening, is volledig afhankelijk van uw persoonlijke omstandigheden. Mogelijk heeft u uw spaargeld op een later moment voor andere doeleinden nodig. Gebruikt u uw spaargeld om af te lossen, dan zit dit geld echter ‘vast’ in uw woning en kunt u dit alleen weer vrij besteedbaar krijgen door verkoop van de woning of het afsluiten van een nieuwe lening. Bedenk daarbij dat het niet altijd zal meevallen om een nieuwe lening af te sluiten en dat bovendien de rente die u op deze lening betaalt dan niet meer aftrekbaar is in box 1. Laat u zich daarom goed adviseren over uw persoonlijke situatie.

Restschulden

Als de verkoopopbrengst van uw eigen woning onvoldoende is om uw eigenwoningschuld en de verkoopkosten te dekken, blijft u zitten met een restschuld. Als deze restschuld is ontstaan in de periode tussen 29 oktober 2012 en 31 december 2017, dan mag u de rente over deze restschuld gedurende vijftien jaar na het ontstaan ervan in aftrek brengen in box 1.

Verhuisregelingen

U kunt onder voorwaarden ook uw te koop staande lege of gekochte lege eigen woning onder de eigenwoningregeling houden en de rente op de bijbehorende leningen in aftrek blijven brengen; de termijn voor deze verhuisregelingen bedraagt maximaal drie jaar na het jaar waarin u de oude woning heeft verlaten. Voor uw woning die vanaf 2023 leeg te koop staat of voor uw woning die u vanaf 2023 kocht en die in 2026 nog leegstaat of in aanbouw is, heeft u daarom tot en met 31 december 2026 nog renteaftrek.

De regeling kan ook worden toegepast als een woning niet direct wordt aangeboden voor de verkoop, maar pas vanaf het moment waarop de woning wordt aangeboden voor de verkoop. De aftrek van de hypotheekrente is dan dus nog slechts mogelijk voor het restant van de periode waarover de verhuisregeling maximaal kan worden toegepast.

Rentemiddeling

Rentemiddeling biedt een mogelijkheid om tegen een lagere hypotheekrente te lenen zonder dat ineens de boeterente vanwege vervroegd aflossen betaald hoeft te worden. Bij rentemiddeling is de boeterente namelijk niet ineens verschuldigd, maar wordt uitgesmeerd over de nieuwe rentevaste periode. Hiermee wordt een lagere hypotheekrente ineens bereikbaar voor een veel grotere groep.
De boeterente bij rentemiddeling is eveneens aftrekbaar. Naast de boeterente kan het rentepercentage ook verhoogd worden met andere opslagen die geen verband houden met de boeterente. Bijvoorbeeld een opslag voor het risico van vroegtijdig aflossen van de hypotheekschuld. Deze andere opslagen, boven op de hypotheekrente en de boeterente, mogen in totaal niet hoger zijn dan 0,2%. In dat geval is er ook sprake van renteaftrek voor de andere opslagen.

Tip! Onderzoek of in uw situatie rentemiddeling een mogelijkheid is.

Lening energiezuinige woning

Bij het Nationaal Warmtefonds kunt u tegen een aantrekkelijke rente een lening afsluiten om uw woning energiezuiniger te maken. Het bedrag van de lening moet liggen tussen de € 1.000 en € 28.000 en de looptijd bedraagt zeven, tien, vijftien of twintig jaar. De lening mag alleen gebruikt worden voor energiebesparende maatregelen. Wilt u maatregelen nemen om uw woning volledig energievrij te maken, dan is een lening mogelijk van maximaal € 28.000. Voor de aanschaf van een thuisbatterij is een lening van maximaal € 8.500 mogelijk. Deze lening moet u binnen zeven, vijftien of twintig jaar aflossen. De hoogte van de rente is afhankelijk van de looptijd van de lening en varieert van 3,66% tot 4,33% (januari 2026). Bedraagt uw verzamelinkomen minder dan €60.000, dan is soms een rente van 0% mogelijk. Inwoners van de gemeentes Capelle aan den IJssel, Den Haag en Leidschendam-Voorburg kunnen via hun gemeente een lager rentepercentage krijgen.

Btw op zonnepanelen terugvragen

Het btw-tarief op zonnepanelen die u op uw woning legt, is per 1 januari 2023 verlaagd naar 0%. Voor particulieren betekent dit in de meeste gevallen dat men zich niet meer bij de Belastingdienst hoeft aan te melden vanwege de btw en ook geen btw-aangifte meer hoeft te doen. Heeft u uw zonnepanelen aangeschaft vóór 2023, dan is hierover 21% btw gerekend. Deze btw heeft u terug kunnen vragen. U moest daartoe binnen zes maanden na het jaar van aanschaf het formulier ‘Opgaaf zonnepaneelhouders’ naar de Belastingdienst zenden. Na deze periode kunt u echter toch nog vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de zonnepanelen zijn gekocht, het formulier inzenden.

Let op! De salderingsregeling van zonnepanelen zorgt er nu nog voor dat de teruggeleverde elektriciteit wordt verrekend met de afgenomen elektriciteit. Met ingang van 1 januari 2027 wordt de salderingsregeling definitief afgeschaft. Vanaf dat moment moeten energieleveranciers wel een redelijke vergoeding betalen voor de teruggeleverde elektriciteit. Die redelijke vergoeding mag tot en met 1 januari 2030 nooit minder bedragen dan 50% van voor de levering overeengekomen prijs.

Laag tarief btw schilderen, stukadoren en isoleren oudere woning

Is uw woning ouder dan twee jaar, dan bedraagt het btw-tarief voor schilderen, stukadoren en het aanbrengen van isolatiemateriaal geen 21, maar slechts 9%. 

Let op! Dit verlaagde btw-tarief geldt vanaf 1 juli 2025 alleen voor woningen die particulier bewoond worden. Panden die deels particulier bewoond worden en deels gebruikt worden als bedrijfspand, moeten gesplitst worden. Het schilderen en/of stukadoren van het deel dat als bedrijfspand wordt gebruikt, moet vanaf 1 juli 2025 worden belast tegen 21%.

Vragen?

De fiscale regels met betrekking tot uw eigen woning zijn niet eenvoudig. Het naast elkaar bestaan van verschillende regelingen kan de uitwerking behoorlijk ingewikkeld maken, zeker bij complexere situaties als verhuizing, echtscheiding, trouwen en overlijden. Neem voor uw eigen, specifieke situatie daarom contact met ons op.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.