Category

nieuws

Nog geen duidelijkheid over box 3 vanaf 2028

By nieuws

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort.

Eerste Kamer

In de Eerste Kamer zou waarschijnlijk geen meerderheid voor het wetsvoorstel komen. Eind februari 2026 liet de Minister van Financiën al weten het wetsvoorstel daarom aan te willen passen. Op Prinsjesdag 2026 zouden de aanpassing in een novelle op het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Om die reden heeft de Eerste Kamer stemming over het wetsvoorstel tot nader orde uitgesteld.

Kamerbrief

Het is het kabinet niet gelukt om tot een voorstel tot aanpassing te komen dat kan rekenen op een breed draagvlak in het parlement. Op Prinsjesdag 2026 verscheen daarom geen novelle maar een Kamerbrief waarin het kabinet aangeeft in gesprek te willen met de Tweede en Eerste Kamer over het vervolg.

Let op! De Eerste Kamer werd in de Kamerbrief ook gevraagd om het wetsvoorstel voorlopig niet verder in behandeling te nemen. De Eerste Kamer heeft de minister en staatssecretaris uitgenodigd voor een gesprek op 5 oktober en beslist daarna of ze aan het verzoek tegemoet komen.

Scenario’s

In de Kamerbrief geeft het kabinet vier scenario’s, waarbij als vertrekpunt voor alle scenario’s geldt: invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028.

  1. Scenario 1: nog geen verdere doorontwikkeling richting een volledige vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 maar wel al uiteenlopende verbeteringen aan het wetsvoorstel. Denk daarbij aan achterwaartse verliesverrekening, bepaalde wijzigingen om de belastingdruk box 3 te verlagen en verbeteringen in het wetsvoorstel bij huwen en scheiden.
  2. Scenario 2: invoeren van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 met de verbeteringen uit scenario 1 per 2028 en op termijn invoeren van een volledige vermogenswinstbelasting.
  3. Scenario 3: intrekken van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en vanaf 2030 invoeren van een volledige vermogenswinstbelasting.
  4. Scenario 4: uitbreiden van de vermogenswinstbelasting in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 vanaf 2028 naar alle financiële instrumenten en vanaf 2030 ook naar alle andere vermogensbestanddelen.

De Cyber Resilience Act: ook voor het mkb!

By nieuws

Wat regelt de CRA?

De CRA stelt eisen aan producten met digitale elementen die op de Europese markt worden aangeboden. Vanaf 11 december 2027 moeten die producten voldoen aan veiligheidseisen. Ook moeten ze na verkoop veilig gehouden worden met updates. Zo weten je klanten waar ze op kunnen rekenen.

Let op! Het gaat niet alleen om fysieke apparaten zoals Internet of Things (IoT)-apparatuur (denk aan een slimme deurbel of thermostaat), firewalls of netwerkapparatuur. Ook software valt eronder, denk aan mobiele apps, videogames en besturingssystemen.

Wanneer raakt dit jou?

De CRA kent drie rollen, en elke rol heeft eigen verplichtingen.

Ben je fabrikant?

Dan heb je de meeste verplichtingen. Je bent integraal verantwoordelijk voor een veilig product en moet daar al vanaf de ontwerpfase rekening mee houden. Je ontwikkelt zelf, of je laat ontwikkelen en brengt het product onder je eigen merknaam op de markt.

Ben je importeur?

Dan moet je actief controleren of de producten die je invoert aan de CRA voldoen. Breng je het product onder je eigen merk op de markt? Dan gelden voor jou alle verplichtingen van een fabrikant.

Ben je distributeur?

Dan volstaat passende zorgvuldigheid. Je controleert of het product een CE-markering heeft. Twijfel je of het product voldoet, dan breng je het niet op de markt.

Let op! Je hoeft geen techbedrijf te zijn om fabrikant te worden genoemd. Laat je software of een apparaat ontwikkelen en verkoop je dat onder je eigen naam, dan ben je volgens de CRA een fabrikant, met alle bijbehorende verplichtingen.

Wat moet je dan doen?

De CRA stelt eisen aan zowel het product als aan je processen. Je voert een risicoanalyse uit en gebruikt die als basis voor een veilig ontwerp, waarbij je kwetsbaarheden en reële risico’s wegneemt. Daarna moet je het product veilig houden gedurende de verwachte levensduur, met een ondersteuningsperiode van minimaal vijf jaar. Ontdek je een kwetsbaarheid, dan bied je zo snel mogelijk een gratis veiligheidsupdate aan.

Als fabrikant moet je ook laten controleren of je product aan de eisen voldoet, een zogeheten conformiteitsbeoordeling, en vervolgens de CE-markering aanbrengen. Voor reguliere producten zoals apps, games en IoT-apparatuur mag je die beoordeling zelf uitvoeren. Voor beveiligingssoftware, netwerkapparatuur en besturingssystemen mag dat alleen op basis van Europese normen. Bij firewalls, hypervisors of smartcards is een externe beoordelaar verplicht.

Let op! Eén verplichting geldt al eerder. Vanaf 11 september 2026 moet je actief misbruikte kwetsbaarheden en ernstige beveiligingsincidenten melden bij het Nationaal Cyber Security Centrum, en wel binnen 24 uur na ontdekking. Dat kan via MijnNCSC of het CRA-meldformulier.

Tip! Wil je weten in welke categorie jouw product valt en wat dat betekent? De Gids Cyber Resilience Act van de RDI geeft per categorie voorbeelden van veelvoorkomende producten.

Twijfel je of de CRA op jouw producten van toepassing is, of wil je weten wat er dan van je wordt verwacht? Neem contact met ons op, we denken graag met je mee.

 

Aandachtspunten Prinsjesdag op het gebied van arbeid en inkomen

By nieuws

Uitstel bekorting WW- duur

Het kabinet wil de maximale duur van de WW-uitkering en van de daaraan gekoppelde duur van de WGA-loongerelateerde uitkering terugbrengen van nu maximaal 24 maanden naar straks maximaal 12 maanden. Het aanvankelijke plan was om dit per 1 januari 2028 in te voeren, maar dit staat nu gepland per 1 januari 2029. Ook zal de zogenaamde wekeneis om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering dan worden aangescherpt.

Verlaging maximumdagloon met 20% gaat niet door

Er waren plannen om het maximumdagloon te verlagen met 20%. Zo’n verlaging werkt door in de WIA, WAO, ZW, WW en de verlofregelingen op grond van de Wet arbeid en zorg. Uit de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) volgt dat de verlaging niet door gaat. Het maximumpremieloon zal daardoor in 2029 ook niet dalen.

Uitstel afschaffing tegemoetkoming arbeidsongeschikten van 2028 naar 2029

De tegemoetkoming voor extra ziektekosten voor werknemers met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (€ 226,28 netto in 2026) zou aanvankelijk al in 2026 afgeschaft worden, maar dit is steeds uitgesteld. De afschaffing is nu verder uitgesteld naar 2029.

Nieuwe banenafspraak en verbreding doelgroep

De doelgroep van de nieuw banenafspraak wordt verbreed met mensen uit de WW en WIA die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. Daarnaast komt het instrument loonkostensubsidie onder meer beschikbaar in de WIA, WW en Wajong. In de Wajong zal de loonkostensubsidie dan mogelijk de loondispensatie gaan vervangen. Het wetsvoorstel Verdere verbreding doelgroep banenafspraak gaat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer.

Nieuwe regeling leven lang ontwikkelen

Vanaf 2028 wordt bezuinigd op de re-integratiemiddelen binnen de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Er komt wel een verhoging van het budget voor een leven lang ontwikkelen. Vanaf 2028 komt hiervoor structureel € 100 miljoen per jaar beschikbaar. De regeling beoogt scholing toegankelijker te maken voor mensen die aan het werk willen, willen doorgroeien of willen overstappen naar ander werk.

Vereenvoudiging verlofstelsel vanaf 2028

Het kabinet streeft ernaar een nieuwe Verlofwet in te voeren als opvolger van de huidige Wet arbeid en zorg. Het betreft een administratieve vereenvoudiging. Dit betekent dat voorwaarden en kenmerken van de diverse verlofvormen zo veel mogelijk gelijk worden getrokken. Bestaande rechten, zoals de verlofduur en betalingshoogte, blijven zoveel mogelijk gelijk.

Verhoging minimumjeugdloon vanaf 2027

Het wettelijk minimumjeugdloon gaat per 1 januari 2027 omhoog voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar. Voor 15-jarigen daarentegen blijft het minimumjeugdloon volgens de regeling gelijk. Het kabinet wil zo de financiële positie van werkende jongeren verbeteren.

Sommige rechters geven UWV 52 weken voor WIA-herbeoordeling

By nieuws

Als het UWV niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken een besluit neemt, kan de werkgever het UWV in gebreke stellen. Daarna kan de werkgever beroep instellen bij de rechtbank vanwege het uitblijven van de herbeoordeling. Verklaart de rechtbank dit beroep gegrond, dan geeft de rechtbank het UWV normaliter twee weken de tijd om de herbeoordeling alsnog uit te voeren. Rechtbank Gelderland wijzigde echter haar koers en besliste anders. Eerder deed rechtbank Limburg dat ook al.

Bijzonder geval

Uit de wet volgt dat een rechter kan afwijken van de twee weken als sprake is van een bijzonder geval. Volgens rechtbank Gelderland is hier sprake van een bijzonder geval. Het UWV kampt namelijk met grote en oplopende achterstanden in de sociaal-medische dienstverlening in combinatie met een gebrek aan verzekeringsartsen. Herbeoordelingen van mensen die al een WIA-uitkering ontvangen krijgen daarbij in 2026 in beginsel geen prioriteit, tenzij sprake is van een schrijnende situatie. Bij dit laatste gaat het om problemen van financiële aard of situaties waarin het wachten op een herbeoordeling kan leiden tot verslechtering van de gezondheid van de (ex)-werknemer.

Nu sprake is van een bijzonder geval, vindt de rechtbank dat een langere beslistermijn dan twee weken moet worden opgelegd.

Wachttijden UWV

Bij het bepalen van de langere beslistermijn betrekt de rechtbank de wachttijden bij het UWV. Deze komen door een tekort aan verzekeringsartsen en zijn niet op korte termijn op te lossen. Het UWV heeft gekozen voor prioritering op basis van inkomenszekerheid. Daarbij wordt de hoogste prioriteit gegeven aan Wajong-aanvragen en aanvragen beoordeling arbeidsvermogen. Verder wordt prioriteit gegeven aan WIA-eindewachttijdbeoordelingen. Er wordt in 2026 geen voorrang meer gegeven aan herbeoordelingsverzoeken en bezwaarschriften waartegen een beroep vanwege het niet tijdig beslissen is ingesteld. Door de gestelde prioriteiten behandelt het UWV in 2026 dus ook geen herbeoordelingen van (ex-)werknemers die al een WIA-uitkering hebben en geen bezwaarzaken, tenzij sprake is van een schrijnende situatie. Het is ook nog niet duidelijk of dat in 2027 wel mogelijk is.

Langere beslistermijn

De rechtbank oordeelt dat de op te leggen beslistermijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden van het UWV om beoordelingen zorgvuldig af te handelen. De rechtbank wil geen termijn stellen waarvan het bij voorbaat duidelijk is dat het UWV die gelet op de capaciteitsproblemen en prioritering niet zal gaan halen. De termijn moet echter ook tegemoetkomen aan het belang van de aanvrager om binnen afzienbare tijd een besluit te ontvangen.

De rechtbank wijkt vervolgens expliciet af van haar eerdere lijn uit april 2025 en sluit aan bij uitspraken van de rechtbank Limburg van 6 augustus 2026, omdat de rechtszekerheid niet wordt gediend met verschillen tussen de lijnen van de rechtbanken op dit punt. Voortaan krijgt het UWV bij dit type herbeoordelingen van rechtbank Gelderland in beginsel 52 weken na verzending van de rechtbankuitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er wordt daarbij niet langer onderscheid gemaakt tussen aanvragen van werknemers en (ex-)werkgevers.

Let op! Als sprake is van een schrijnend geval kan de rechtbank een andere (kortere) beslistermijn opleggen. Degene die zich beroept op een schrijnend situatie moet dat wel motiveren.

Andere termijnen bij zaken met prioritering

De beroepen die zien op zaken die binnen de door het UWV aangegeven prioritering vallen (denk aan Wajong-aanvragen en aanvragen beoordeling arbeidsvermogen en eindewachttijdbeoordelingen), zullen door de rechtbank vooralsnog aan de hand van haar eerdere lijn worden behandeld. Daarbij wordt wel onderscheid gemaakt tussen werknemersberoepen en werkgeversberoepen. Voor een werknemersberoep is de beslistermijn dan twee maanden en voor een werkgeversberoep vier maanden, gerekend vanaf de verzending van de rechtbankuitspraak.

Dwangsom bij overschrijding beslistermijn

Overschrijdt het UWV de gestelde termijn, dan geldt een rechterlijke dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.

Box 2 tarief in 2027 gelijk, toch in 2026 nog dividend?

By nieuws

Tarief in box 2

De tarieven in box 2 zijn in 2027, op basis van de Prinsjesdag 2026 stukken, gelijk aan 2026. De schijven waarbinnen deze tarieven van toepassing zijn, worden wel iets verhoogd. In tabelvorm:

  Jaar  Schijf  Belastbaar inkomen box 2  Tarief
 2027  1  tot € 69.607  24,50%
   2  vanaf € 69.607  31,00%
 2026  1  tot € 68.843  24,50%
   2  vanaf € 68.843  31,00%

Dividend 2026 of 2027?

Het voorgaande betekent dat je in 2026 tot een dividend van € 68.843 van het lage tarief van 24,5% kan profiteren. In 2027 kan dit tot € 69.607. Is het dividend in een jaar hoger, dan bedraagt het tarief 31% in zowel 2026 als 2027.

Let op! Heb je een fiscale partner, dan kun je samen met je partner gebruikmaken van verdubbeling van de schijven. De eerste schijf van 24,5% loopt dan voor jou en je partner samen in 2026 tot € 137.686 en in 2027 tot € 139.214.

Beoordeel je dividendplanning en ga na of spreiding over 2026 en 2027 mogelijk voordelig is. Dit zal onder meer ook afhangen wat het bestedingsdoel is (komt het in box 3 of niet), het effect op de algemene heffingskorting en of je excessieve schulden (vanaf € 500.000, exclusief eigen woningschulden) aan je bv hebt.

Let op! Overleg hierover met een van onze adviseurs.

Toch nog verhoging box 2-tarief?

Het zal je niet ontgaan zijn dat de politiek er zeker nog niet uit is. De belastingplannen voor 2027 zijn weliswaar op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden, maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook zo de eindstreep gaan halen. De ervaringen uit de afgelopen jaren leren ons dat op de valreep, bij stemming in de Tweede Kamer en Eerste Kamer, er nog aanpassingen kunnen komen. Het is daarom nog niet zeker dat het tarief in box 2 in 2027 gelijk blijft aan in 2026. Houd daar rekening mee!

Waar moet je op letten bij vaste kostenvergoedingen?

By nieuws

Onbelast

Geef je een vaste kostenvergoeding voor zaken waarvoor een gerichte vrijstelling geldt? Dan kan dat, onder voorwaarden, onbelast en gaat dit niet ten laste van je vrije ruimte in de werkkostenregeling (wkr). Datzelfde geldt voor een vaste kostenvergoeding voor intermediaire kosten.

Denk bij een gerichte vrijstelling bijvoorbeeld aan een vergoeding voor woon-werkverkeer met de eigen auto tegen € 0,25 per kilometer en een vergoeding voor thuiswerken tegen € 2,45 per thuisgewerkte dag. Intermediaire kosten zijn bijvoorbeeld de kosten van het wassen van de auto van de zaak.

Voorwaarden

De vaste kostenvergoeding voor gerichte vrijstellingen en voor intermediaire kosten zijn alleen onbelast als je voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • Je moet het bedrag van de gerichte vrijstelling en de intermediaire kosten aannemelijk maken.
  • Verder moet je deze vrijstellingen en intermediaire kosten omschrijven en de bedragen nader specificeren, zodat duidelijk is dat sprake is van zakelijke gericht vrijgestelde en/of intermediaire kosten.
  • Je moet de vaste kostenvergoeding ook onderbouwen met een onderzoek vooraf naar de werkelijk door de werknemers gemaakte kosten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om kosten onderweg en representatiekosten. Voor een vaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer zal uiteraard geen onderzoek nodig zijn, omdat de woon-werkverkeer afstand vaststaat.
  • Je wijst de kostenvergoeding voor de gerichte vrijstellingen aan als eindheffingsloon in de WKR.

Let op! Het onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten moet je herhalen als de omstandigheden wijzigen of als de Belastingdienst daar een verzoek toe doet. In de praktijk blijkt dat de Belastingdienst eigenlijk wil dat het onderzoek elke vijf jaar opnieuw gedaan wordt.

Geen terugwerkende kracht

Het onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten moet echt vooraf gebeuren. Je kunt niet na afronding van het onderzoek een vaste kostenvergoeding onbelast met terugwerkende kracht geven.

Ten laste van de vrije ruimte

Je kunt ook een vaste kostenvergoeding geven die (deels) niet betrekking heeft op een gerichte vrijstelling of intermediaire kosten. Dit is in principe belast loon voor je werknemer. Als dit deel van de vaste kostenvergoeding voldoet aan de gebruikelijkheidstoets, kun je dit ook aanwijzen als eindheffingsloon in de vrije ruimte van de WKR.

Let op! Dit deel van de vaste kostenvergoeding voldoet aan de gebruikelijkheidstoets als deze niet voor meer dan 30% afwijkt van hetgeen normaal vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld wordt. De Belastingdienst hanteert daarbij een doelmatigheidsmarge: aanwijzingen van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen tot een bedrag van in totaal € 2.400 per werknemer per jaar beschouwt de Belastingdienst altijd als gebruikelijk.

Vaste kostenvergoedingen uit cao’s

De Belastingdienst heeft veel cao’s beoordeeld op de gevolgen voor de loonheffingen. Geef jij je werknemers een vaste kostenvergoeding volgens een cao? Kijk dan hier of de Belastingdienst deze beoordeeld heeft en zo ja, wat het oordeel is.

Afschaffing compensatieregeling transitievergoeding per 2028

By nieuws

Aanvankelijk plan 

Het plan was aanvankelijk om de compensatieregeling transitievergoeding voor langdurig arbeidsongeschikte werknemers per 1 juli 2026 alleen nog open te laten staan voor zogeheten kleine werkgevers. Dit zijn werkgevers met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Voor 2026 zou het dan gaan om werkgevers die in 2024 een sv-loonsom hadden van maximaal € 1.082.500.

Later plan: uitstel afschaffing en verbreding doelgroep

Het kabinet liet later echter weten dat de voorgenomen afschaffing van de compensatieregeling niet per 1 juli 2026, maar per 1 januari 2027 zou plaatsvinden. De afschaffing zou dan niet alleen betrekking hebben op de compensatie van de transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid, maar ook bij bedrijfsbeëindiging door overlijden of pensionering. Bovendien zou dit dan gelden voor alle werkgevers, dus ook voor kleine werkgevers.

Laatste plan: nieuw uitstel afschaffing

Het kabinet heeft aangekondigd de afschaffing van de compensatieregeling transitievergoeding weer met een jaar uit te stellen. De nieuwe datum is nu 1 januari 2028. Voorlopig kunnen alle werkgevers (ongeacht bedrijfsgrootte) dus nog gebruik blijven maken van de compensatieregelingen.

Recht op transitievergoeding blijft

Het recht van een werknemer op de transitievergoeding blijft bestaan. Werknemers die worden ontslagen na het verstrijken van het opzegverbod bij ziekte houden dus recht op de transitievergoeding, ook als de compensatieregeling straks verdwijnt.

Dit geldt ook voor werknemers die hun baan verliezen omdat een werkgever stopt met het bedrijf vanwege pensionering of overlijden. Bij afschaffing van de compensatieregeling per 2028 moeten werkgevers van die datum deze kosten volledig zelf betalen.

Let op! Dit kan bij langdurig arbeidsongeschikte werknemers weer leiden tot slapende dienstverbanden. De situatie die de wetgever met de invoering van de compensatieregeling transitievergoeding wegens langdurige arbeidsongeschiktheid juist wilde voorkomen.

Wel eventuele wijzigingen in transitievergoeding

Het kabinet is van plan werkgevers die werk maken van re-integratie dan wel outplacement te belonen door hen een lagere dan wel geen transitievergoeding te laten betalen. Onduidelijk is nog op welke wijze het kabinet dit wil gaan doen.

Vanaf 2027 geen vrijstelling meer voor personeelskortingen

By nieuws

Vrijstelling voor branche-eigen producten

Op dit moment geldt er nog een gerichte vrijstelling als je jouw personeel een vergoeding geeft voor of een korting verleend op de aankoop van branche-eigen producten uit jouw bedrijf. Over die vergoeding of korting is geen loonbelasting verschuldigd als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • de vergoeding of korting is maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van het product, én
  • de kortingen en vergoedingen bedragen voor een werknemer in het kalenderjaar niet meer dan € 500.

Let op! De vrijstelling geldt niet als je een vergoeding of korting geeft voor branchevreemd product.

Meer dan 20% of € 500?

Is de vergoeding of korting hoger dan 20% of bedragen deze in een kalenderjaar meer dan € 500? Voor het meerdere geldt de vrijstelling niet. Dit is loon voor je werknemer. Je kunt dit meerdere ook ten laste brengen van de vrije ruimte in de werkkostenregeling, als de hogere vergoedingen en kortingen voldoen aan het gebruikelijkheidscriterium.

Niet meer vanaf 2027

Het kabinet schaft de vrijstelling vanaf 2027 af. Dat betekent dat in principe elke korting of vergoeding die je op branche-eigen producten vanaf 2027 geeft, loon is voor je werknemer. 

Je werknemer betaalt hier loonbelasting over, tenzij jij de korting of vergoeding ten laste brengt van je vrije ruimte in de werkkostenregeling.

Let op! De vrije ruimte gaat in 2027 iets omhoog. Over de eerste € 400.000 loonsom bedraagt deze in 2027 2,16% (2026: 2%), daarboven 1,18% (zowel in 2027 als in 2026).

Vergoeding of korting voor oud-werknemer

De vrijstelling geldt nu ook als je vergoeding of korting geeft aan een oud-werknemer. Maar ook voor die oud-werknemer is de vrijstelling vanaf 2027 niet meer mogelijk.

Geef je de oud-werknemer in 2027 nog een vergoeding of korting voor de aankoop van een branche-eigen product, dan ben je verplicht om dit ten laste van je vrije ruimte te brengen in de werkkostenregeling. Je mag dit dus niet individueel belasten bij de oud-werknemer. Deze regel is gemaakt om te voorkomen dat een werkgever loonbelasting moet verhalen op een oud-werknemer.

Let op! Het voorstel om de vrijstelling af te schaffen is opgenomen in de belastingplannen voor 2027. De Tweede én Eerste Kamer moeten hier nog mee instemmen. Het is daarom nog niet definitief.

Overdrachtsbelasting tweede eigen woning in 2027 7%

By nieuws

Woning of niet

Voor de hoogte van de overdrachtsbelasting is het allereerst van belang om vast te stellen of je een woning of een niet-woning (bijvoorbeeld een bedrijfspand) verkrijgt. In het laatste geval is de overdrachtsbelasting 10,4%.

Woning hoofdverblijf of niet

Verkrijg je een woning, dan kunnen twee tarieven gelden en eventueel de startersvrijstelling. Daarbij is van belang of je de woning zelf anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. In dat geval bedraagt het tarief, onder voorwaarden, 2% of kan je, onder voorwaarden, de startersvrijstelling toepassen.

Ga je de verkregen woning niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gebruiken, dan geldt een hoger tarief van op dit moment 8%. De startersvrijstelling is dan niet van toepassing.

Let op! Voor het 2% tarief en de startersvrijstelling gelden voorwaarden. Laat je daarover goed informeren. Meer informatie vind je ook op de website van de Belastingdienst.

Verlaging tarief

In de Prinsjesdagstukken 2026 is opgenomen dat het tarief voor woningen die je niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gaat gebruiken in 2027 geen 8 maar 7% bedraagt. Op een woning van € 550.000 scheelt dat dus € 5.500! Reden genoeg om te beoordelen of de levering bij de notaris niet in 2026 maar in 2027 kan plaatsvinden.

Let op! Bij die beoordeling moet je uiteraard ook de andere omstandigheden meenemen. Wil de verkoper hier bijvoorbeeld wel aan meewerken, wat is de invloed van latere levering op je financiering et cetera.

Overige tarieven gelijk

De overige tarieven blijven gelijk. Voor een niet-woning geldt ook in 2027 een tarief van 10,4%. De woning die je zelf — anders dan tijdelijk — als hoofdverblijf gaat gebruiken geldt een tarief van 2% of de startersvrijstelling. Allemaal onder dezelfde voorwaarden zoals die ook in 2026 gelden.

Let op! De Tweede en Eerste Kamer moeten het Belastingplan 2027 nog aannemen. Gezien de minderheid van de coalitie in de Tweede én Eerste Kamer is nog niet zeker of dit zonder nadere wijzigingen zal gebeuren. De ervaringen uit de afgelopen jaren leren ons dat op de valreep, bij stemming in de Tweede Kamer en Eerste Kamer, er nog aanpassingen kunnen komen. Het is daarom nog niet zeker dat het algemene woningtarief volgende jaar 7% bedraagt. Houd daar rekening mee!

Ook bijtelling bij wisseling naar auto zonder privégebruik

By nieuws

Bijtelling privégebruik

Wordt aan een werknemer een auto van de zaak ter beschikking gesteld? Dan geldt in principe op jaarbasis een bijtelling van 22% over de cataloguswaarde van de auto.

Lagere bijtelling auto zonder CO2-uitstoot

Stoot de auto van de zaak geen CO2 uit? Dan geldt een korting op het bijtellingspercentage tot een bepaald bedrag van de cataloguswaarde. Hoe hoog die korting is, is afhankelijk van het jaar waarin de auto op kenteken is gezet.

Voor in 2026 op kenteken gezette auto’s bedraagt de korting 4% tot een cataloguswaarde van € 30.000. Betreft het een auto op waterstof op zonnecellen, dan is de korting 4% over de gehele cataloguswaarde.

500 kilometer privé grens

De bijtelling kan achterwege blijven als de werknemer in een jaar aantoonbaar in totaal niet meer dan 500 kilometer privé rijdt. Die 500 kilometer geldt voor alle in de loop van een jaar ter beschikking gestelde auto’s samen.

Wisseling auto

Wisselt de werknemer in het jaar dus van auto en rijdt hij met de nieuwe auto geen privékilometers meer? Dan moet nog steeds een bijtelling plaatsvinden als hij met de oude auto op jaarbasis al meer dan 500 kilometer privé reed.

Voorbeeld
Een werknemer rijdt in een auto met een cataloguswaarde van € 50.000. De auto stoot CO2 uit, dus er geldt geen korting op de bijtelling. De werknemer krijgt per 1 september 2026 een nieuwe auto met een cataloguswaarde van € 60.000. Ook deze auto stoot CO2 uit. Met de oude auto reed de werknemer tot 1 september 2026 2.000 kilometers privé. Met de nieuwe auto rijdt de werknemer geen kilometer meer privé. Desondanks moet zowel voor de oude auto als voor de nieuwe auto in 2026 een bijtelling van 22% plaatsvinden. Op jaarbasis rijdt de werknemer immers meer dan 500 kilometer privé. Rijdt de werknemer in 2027 aantoonbaar niet meer dan 500 kilometer privé, dan geldt vanaf 2027 geen bijtelling meer.

Let op! Als de werknemer in de eerste auto niet privé rijdt, maar in de nieuwe auto wel (op jaarbasis meer dan 500 kilometer), moet met terugwerkende kracht alsnog bijtelling plaatsvinden over de eerste auto.

Wisseling werkgever

Wisselt de werknemer uit het voorbeeld op 1 september 2026 van werkgever en krijgt hij van de nieuwe werkgever een auto ter beschikking waar hij niet privé mee rijdt? Dan geldt voor de nieuwe auto geen bijtelling.

Ook bij wisseling naar bestelauto of verklaring geen privégebruik

Een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto of een verklaring geen privégebruik auto zorgen niet voor een andere uitkomst. Stel dat de werknemer uit het voorbeeld bij dezelfde werkgever blijft en per 1 september 2026 wisselt naar een bestelauto met een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto. Over de bestelauto geldt dan in 2026 nog een bijtelling als de werknemer in de personenauto op jaarbasis meer dan 500 kilometer privé heeft gereden.

Ook als de werknemer wisselt naar een personenauto met een verklaring geen privégebruik auto, moet een bijtelling plaatsvinden als de werknemer niet aannemelijk kan maken dat hij met de eerdere auto op jaarbasis maximaal 500 kilometer privé reed.

Let op! ergis je niet in het aannemelijk maken. Hiervoor geldt een zware bewijslast. Zorg daarom dat je een correcte sluitende kilometeradministratie hebt. Heb je daar vragen over? Neem dan contact op met een van onze adviseurs.

Kabinet past regeling niet aan

In reactie op een verzoekschrift heeft het kabinet aangegeven de regeling niet aan te passen. Het kabinet wil vasthouden aan de eenvoudige benadering waarbij alleen van belang is of er meer dan 500 kilometer op jaarbasis privé is gereden.