Nieuwsbrief oktober 2026


Let op!

Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 19 oktober 2026, 20:00 uur.


1. Eindejaarstips: wat kun of moet je nog regelen in 2026?

Wat kun je of moet je als ondernemer, dga, werkgever of particulier voor het einde van 2026 regelen? Of waar moet je juist mee wachten? Wat verandert er per 2027 waar je nu al op kunt anticiperen? We geven je een aantal belangrijke tips.

Let op!
Vanwege grote onzekerheid of plannen van het kabinet wel door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd, kan een aantal van onderstaande tips voor het einde van het jaar (deels) nog wijzigen. Houd daar rekening mee!

1. Dividend uitkeren in 2026 of toch niet?
Moet je dit jaar nog dividend uitkeren of kun je beter wachten tot 2027? Het antwoord op die vraag is niet voor iedereen gelijk te beantwoorden. Neem in je overweging in ieder geval de volgende punten mee:

  • Het kan verstandig zijn een dividend vast te stellen ter grootte van de eerste schijf van 24,5%. Deze schijf loopt in 2026 tot € 68.843 en als je een fiscale partner hebt tot € 137.686. Boven die grens bedraagt het tarief 31%.
  • Houd er wel rekening mee dat door de dividenduitkering mogelijk je algemene heffingskorting extra daalt. Hierdoor kan de dividenduitkering toch minder aantrekkelijk zijn dan gedacht. Heb je sowieso al geen recht meer op de algemene heffingskorting, dan treedt dit effect overigens niet op. Overleg hierover met onze adviseurs. Doe dat ook als je de AOW-gerechtigde leeftijd al hebt bereikt, in verband met een mogelijk effect van de dividenduitkering op de ouderenkorting.
  • Het kabinet heeft een plan geopperd om de tweede schijf van 31% in de jaren 2027 tot en met 2030 te verlagen met 1,8%-punt naar 29,2%. Dit kan een reden zijn om het dividend dat uitstijgt boven de eerste schijf van € 68.843/€ 137.686 uit te stellen naar 2027. In verband met het eerst volmaken van de eerste schijf van 24,5%, die in 2027 loopt tot waarschijnlijk € 69.607 (bij fiscale partners € 139.214), lijkt uitstellen naar 2027 van dit dividend sowieso verstandiger.
  • Of het verstandig is om in 2026 nog dividend uit te keren, zal ook afhankelijk zijn van het bestedingsdoel. Geef je het dividend in 2026 nog uit of valt dit begin 2027 meteen in box 3? Dat laatste maakt de dividenduitkering tegen 24,5% weer iets minder gunstig.
  • Als de dividenduitkering nodig is om een excessieve leningstand te verminderen tot onder de grens voor het excessief lenen, zal het dividend ook sowieso in 2026 moeten worden uitgekeerd.

Let op!
Overleg over je eigen situatie met onze adviseurs. Zij kunnen berekenen wat het effect van de dividenduitkering op bijvoorbeeld je heffingskortingen is en je belasting in box 3. Aan de hand daarvan kun je beslissen om wel of niet dividend uit te keren. Op dit moment is het advies in ieder geval nog even te wachten totdat er iets meer duidelijkheid is over welke belastingplannen de eindstreep in de Tweede en Eerste Kamer gaan halen.

2. Houd rekening met verlaging bedrag excessief lenen
De maatregel excessief lenen bij de eigen vennootschap betekent grofweg dat de dga die te veel leent bij de eigen bv, hierover box 2-heffing betaalt. Er geldt nu nog een drempel van € 500.000, maar het kabinet wil de grens verlagen naar € 100.000. Dit gebeurt dan in vijf stappen van € 80.000 per jaar, te beginnen in 2027. Eind 2027 bedraagt de grens dan € 420.000 en eind 2031 is de € 100.000-grens bereikt. Hoewel de maatregel nog door de Tweede en Eerste Kamer moet worden aangenomen, is het misschien wel goed om in je dividendplanning al rekening te houden met de verlaging van de drempel.

Let op!
Eigenwoningschulden blijven in het voorstel, net als nu, uitgezonderd en tellen dus ook vanaf 2027 niet mee voor de drempel. Voor eigenwoningschulden die zijn ontstaan op of na 1 januari 2023 geldt wel de voorwaarde dat deze moeten zijn gedekt met hypothecaire inschrijving op de woning.

3. Anticipeer op 12% extra werkgeversheffing over de fossiele auto van de zaak
Vanaf 2027 geldt een 12% pseudo-eindheffing voor personenauto’s van de zaak als deze auto’s CO2 uitstoten (hierna: fossiele personenauto van de zaak). Deze heffing wordt berekend over de cataloguswaarde van de auto (en bij auto’s ouder dan 25 jaar over de waarde in het economisch verkeer). Het is een werkgeversheffing die je niet mag verhalen op de werknemer! Bovendien kan daarnaast ook de werknemer nog worden geconfronteerd met de bijtelling over het privégebruik.

Wat kun je nu nog doen om de heffing in 2027 te voorkomen?

  • Zorg dat de fossiele personenauto op 31 december 2026 al ter beschikking staat aan een werknemer. Voor deze personenauto hoef je dan tot en met 31 december 2030 geen 12% pseudo-eindheffing te betalen, ook niet als je de auto aan een andere werknemer ter beschikking stelt.
  • Zorg dat de personenauto’s die je aan je personeel ter beschikking stelt volledig elektrisch of waterstof aangedreven zijn. Deze personenauto’s stoten geen CO2 uit. De 12% pseudo-eindheffing geldt daarom niet voor deze auto’s.

Alles wat geen personenauto is, zoals een bestelauto, vrachtwagen en tractor, wordt ook niet geraakt door de 12% pseudo-eindheffing. Houd er echter rekening mee dat een kampeerauto en een personenbus ook een personenauto kunnen zijn. Kijk hiervoor in het kentekenregister naar de aanduiding. Een M1-voertuig is een personenauto!

Let op!
Bij wisseling van werkgever stopt het overgangsrecht dat normaal loopt tot en met 31 december 2030. Dit overgangsrecht is namelijk gekoppeld aan de auto in combinatie met de werkgever. Als een ex-werknemer de auto meeneemt naar een nieuwe werkgever is die combinatie verbroken en vervalt het overgangsrecht. De nieuwe werkgever krijgt dan vanaf dag 1 met de 12% pseudo-eindheffing te maken.

Er geldt nog een aantal uitzonderingen op de 12% pseudo-eindheffing. Zo valt onder voorwaarden een vervangende auto gedurende maximaal veertien aaneengesloten dagen niet onder de heffing en is de handgeschakelde lesauto ook uitgezonderd.

4. In 2026 de bv nog in?
Er kunnen verschillende redenen zijn om in 2026 nog een bv op te richten en je IB-onderneming in te brengen in de bv. Een van de redenen leek te zijn dat je dit toch al van plan was en ook een fossiele personenauto wilde inbrengen in de bv. Er bestond onduidelijkheid of het overgangsrecht van de 12% pseudo-eindheffing zou blijven bestaan bij inbreng van een IB-onderneming na 31 december 2026. Om die reden was, voor behoud van het overgangsrecht, het advies om de bv op te richten in 2026 en de personenauto uiterlijk eind 2026 vanuit de bv ter beschikking te stellen.

Voor behoud van het overgangsrecht van de 12% pseudo-eindheffing is dat echter niet nodig. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief van 16 oktober 2026 namelijk aangegeven dat het overgangsrecht ook van toepassing blijft als een personenauto vóór 1 januari 2027 mede voor privédoeleinden ter beschikking staat aan een IB-ondernemer. Als deze IB-ondernemer zijn onderneming met de personenauto inbrengt in een bv, geldt voor deze personenauto het overgangsrecht, aldus de staatssecretaris. Ook als de oprichting van de bv en de inbreng pas plaatsvindt na 31 december 2026.

Maar er kunnen nog andere redenen zijn om je IB-onderneming in 2026 nog in te brengen in een bv.

Breng je de IB-onderneming in 2026 ruisend (met fiscale afrekening) in de bv in? Dan kun je nog profiteren van de stakingsaftrek van € 3.630. In 2027 daalt deze aftrek naar € 908. Heb je nog een FOR die vrijvalt, dan kun je bij een geruisloze inbreng overigens ook gebruikmaken van de stakingsaftrek.

Verder wordt een aantal voordelen van de ondernemer in de inkomstenbelasting verder versoberd. Zo daalt de zelfstandigenaftrek van € 1.200 in 2026 naar € 900 in 2027, daalt de extra zelfstandigenaftrek van een starter van € 2.123 in 2026 naar € 10 in 2027 en gaat de meewerkaftrek in 2027 met 75% omlaag. Dit kan ook aanleiding zijn om in 2026 over te stappen naar een bv.

Let op!
Of het aantrekkelijk is om je IB-onderneming in te brengen in de bv is uiteraard niet alleen afhankelijk van de stakingsaftrek en andere ondernemersaftrekken. Naast fiscale argumenten kunnen ook andere argumenten, zoals de aansprakelijkheidsbeperking, een rol spelen. Overleg daarom met onze adviseurs of overstap naar de bv raadzaam kan zijn. Wacht daarmee niet te lang. Voor de oprichting van een bv heb je een notaris nodig en de agenda’s van notarissen lopen over het algemeen snel vol aan het einde van het jaar.

5. Controleer of het nieuwe toelatingsstelsel voor uitleners jou raakt
Vanaf 2027 is een nieuw toelatingsstelsel voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) van kracht. Dit is geregeld in de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta).

Het toelatingsstelsel geldt voor iedereen die arbeidskrachten (ook zzp’ers) ter beschikking stelt aan derden. Denk aan uitzenders, detacheerders en uitleners van zzp’ers. Maar ook de bv die de dga uitleent aan een andere onderneming kan onder het toelatingsstelsel vallen!

Gelukkig zijn er uitzonderingen. Zo valt collegiale uitleen waarbij geen winst wordt gemaakt niet onder het toelatingsstelsel. Hetzelfde geldt voor in- en uitleen binnen concernverband.

Is er geen uitzondering van toepassing, dan kun je misschien om ontheffing verzoeken. Dit kan als je inkomsten uit uitlenen in een jaar minder dan 10% van je totale inkomsten zijn én die inkomsten niet hoger zijn dan € 5 miljoen per jaar. Daarbij moet een accountant dan jaarlijks verklaren dat deze drempels niet worden overschreden.

Let op!
Om gebruik te kunnen maken van een overgangsregeling is het belangrijk dat je tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 een aanmelding doet! Zo regel je dat je voorlopig kunt blijven uitlenen. Belangrijk is dan wel dat je ook tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een aanvraag tot toelating tot het stelsel doet. Heb je uiterlijk op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk, dan hoef je geen aanmelding voor de overgangsregeling te doen in 2026. Je moet dan wel een aanvraag tot toelating doen tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027.

6. Stel de aankoop van box 3-woning uit naar 2027
Een woning die niet jouw hoofdverblijf is, bijvoorbeeld een vakantiewoning of een woning die je verhuurt, valt in box 3. Ben je van plan zo’n woning aan te schaffen, dan kan het voordelig zijn om de overdracht bij de notaris niet in 2026, maar in 2027 plaats te laten vinden. De overdrachtsbelasting voor de verkrijging van woningen die niet je hoofdverblijf zijn, bedraagt namelijk nu nog 8%, maar vanaf 2027 7%. Bovendien is de forfaitaire box 3-heffing over een banktegoed (mocht je de woning met banktegoeden aanschaffen) een stuk lager dan over de woning die als overige bezitting wordt aangemerkt.

7. Denk na over je (elektrische of oude) auto
Voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto geldt een bijtelling van 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Wordt de volledig elektrische nieuwe auto in 2027 voor het eerst ter beschikking gesteld, dan is de bijtelling 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Rijdt de auto op waterstof of met zonnepanelen, dan geldt de beperking tot € 30.000 niet en bedraagt de bijtelling in 2026 18% over de gehele cataloguswaarde en in 2027 20% over de gehele cataloguswaarde. Deze bijtellingspercentages gelden voor een periode van 60 maanden. Dit kan misschien reden zijn om te proberen in 2026 nog, of anders in 2027, een auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking te krijgen.

Valt je auto met CO2-uitstoot onder de youngtimerregeling, dan bedraagt de bijtelling geen 22% (of 25% bij een auto met eerste toelating vóór 2017) over de cataloguswaarde, maar 35% over de waarde in het economisch verkeer. De youngtimerregeling is in 2026 van toepassing als de auto op 1 januari 2026 16 jaar of ouder is of in 2025 al aan jou ter beschikking stond en in 2026 16 jaar wordt. Vanaf 1 januari 2027 gaat de leeftijdsgrens waarschijnlijk omhoog naar 17 jaar (dit is nu nog 25 jaar) en vanaf 1 januari 2028 naar 20 jaar. Rij je de youngtimer vanuit je IB-onderneming, bijvoorbeeld een eenmanszaak? Dan wil je de auto misschien wel overbrengen naar privé. Normaal gesproken kan dat niet zomaar, maar in verband met de wetswijziging zijn er misschien mogelijkheden. Overleg daarover met onze adviseurs.

8. Benut je ruimte in de werkkostenregeling (WKR)
Controleer of je nog vrije ruimte over hebt in de WKR en benut deze. In 2026 bedraagt deze vrije ruimte 2% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% daarboven. Vrije ruimte die je in 2026 overhebt, kun je niet doorschuiven naar 2027!

In 2027 gaat de vrije ruimte overigens iets omhoog. Deze bedraagt dan 2,16% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% daarboven.

Let op!
De gerichte vrijstelling voor personeelskorting op branche-eigen producten verdwijnt vanaf 2027. Alleen in 2026 kun je daarom nog gericht vrijgesteld een vergoeding of korting geven van maximaal 20% van de waarde in het economisch verkeer van het product, met een maximum per werknemer van € 500 op jaarbasis.

9. Zorg dat je voldoet aan nieuwe regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups
Er komt, waarschijnlijk met ingang van 2027, een nieuwe, aantrekkelijke regeling voor aandelenopties bij start-ups en scale-ups. Onder de nieuwe regeling blijft 35% van het voordeel (= het verschil tussen de verkoopopbrengst van de aandelen enerzijds en de inleg en de koopsom van de aandelen anderzijds) belastingvrij. En de werknemer betaalt pas belasting bij verkoop van de aandelen die met de aandelenopties zijn verkregen.

Er gelden allerlei voorwaarden en de RVO moet jouw onderneming aanmerken als een innovatieve start-up of scale-up. Belangrijk voor nu is dat aandelenoptierechten die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, mogelijk gebruik kunnen maken van de nieuwe regeling. Het is dan van belang dat deze aandelenoptierechten op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken. Zorg er in ieder geval voor dat de vanaf 17 april 2025 toegekende aandelenoptierechten daaraan voldoen.


2. Houd rekening met de 12% pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s!

De 12% pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s van de zaak lijkt er echt te gaan komen. De heffing is vorig jaar al in de wet opgenomen en treedt op 1 januari 2027 in werking. Op Prinsjesdag 2026 is nog wel een aantal aanpassingen voorgesteld. Wat betekent deze heffing voor jou als werkgever en dga?

12% pseudo-eindheffing
Stel je vanaf 2027 een personenauto aan een werknemer ter beschikking, dan moet je rekening houden met een pseudo-eindheffing van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm.

Wanneer?
Deze eindheffing geldt niet voor alle personenauto’s. Zo moet de personenauto:

  • ter beschikking worden gesteld aan een werknemer, en
  • moet die werknemer de auto ook privé gebruiken, en
  • moet de auto een CO2-uitstoot hebben groter dan nul.

Let op!
De pseudo-eindheffing geldt voor de hele kalendermaand, ook als in die kalendermaand maar een of enkele dagen een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing geldt dan dus niet alleen voor die een of enkele dagen maar voor de hele maand!

Niet bij andere auto’s
Als de ter beschikking gestelde auto geen personenauto is, geldt de pseudo-eindheffing niet.

Personenauto’s zijn voertuigen met voertuigclassificatie M1 in het civiele kentekenregister en auto’s die onder de Europese verordening zo zouden kwalificeren.

Een M1-voertuig is een motorvoertuig op vier of meer wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal negen zitplaatsen inclusief bestuurdersstoel. Ook kampeerauto’s, personenbusjes voor zorgvervoer (ingericht met maximaal negen zitplaatsen) en lijkwagens vallen hieronder.

Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors hebben geen M1-kwalificatie en vallen dus niet onder de pseudo-eindheffing. Stel je dus een bestelauto ter beschikking, dan krijg je niet te maken met de heffing. Ook niet als de CO2-uitstoot van die bestelauto groter dan nul is of als de werknemer de bestelauto ook privé gebruikt.

Niet bij personenauto’s zonder CO2-uitstoot
De pseudo-eindheffing is ook niet van toepassing als de personenauto die je ter beschikking stelt geen CO2 uitstoot. Je werknemer kan dus gewoon nog in een volledig elektrisch of waterstof aangedreven auto privé rijden zonder dat dit jou eindheffing kost.

Niet bij alleen maar zakelijk gebruik
Stoot de personenauto wel CO2 uit, maar gebruikt je werknemer de personenauto alleen maar zakelijk? Dan geldt de pseudo-eindheffing ook niet.

Let op!
Hier schuilt wel een addertje onder het gras. Voor de regeling van de pseudo-eindheffing wordt woon-werkverkeer aangemerkt als privé. Het zal dus niet snel voorkomen dat een werknemer alleen maar zakelijke kilometers maakt met de personenauto.

Overigens geldt er een uitzondering op het privégebruik ingeval sprake is van incidenteel privégebruik door overmacht of bijzondere omstandigheden. Je moet als werkgever dan wel aannemelijk kunnen maken dat sprake is van overmacht of bijzondere omstandigheden.

Niet bij vervangende auto, maximaal zeven dagen en lesauto’s
Op Prinsjesdag 2026 is nog een aantal andere uitzonderingen op de pseudo-eindheffing voorgesteld. Als de Tweede en Eerste Kamer instemmen, geldt de pseudo-eindheffing vanaf 1 januari 2027 ook niet:

  • Bij tijdelijke vervanging van een ‘vaste’ auto bij schade, reparatie, onderhoud of bandenwissel. De pseudo-eindheffing geldt dan maximaal voor een periode van veertien aaneengesloten kalenderdagen niet voor de vervangende auto.
  • Bij de ter beschikking stelling van een fossiele personenauto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten dagen per kalenderjaar. Deze uitzondering vervalt per 1 januari 2031.
  • Voor handgeschakelde lesauto’s.

Overgangsrecht tot en met 31 december 2030
Personenauto’s die al voor 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling. Deze zou oorspronkelijk lopen tot 17 september 2030, maar op Prinsjesdag 2026 is voorgesteld deze termijn te verlengen naar 1 januari 2031. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.

Let op!
Deze overgangsregeling is gekoppeld aan de personenauto. Dus ook als je als werkgever de auto na 1 januari 2027 ter beschikking stelt aan een andere werknemer dan aan wie de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking stond, blijft de overgangsregeling gelden.

Geen overgangsrecht meer bij wisseling werkgever
Neemt de werknemer de personenauto na 1 januari 2027 mee naar een andere werkgever, dan vervalt het overgangsrecht. De auto wordt dan immers door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking gesteld. Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt, maar wil hier geen aanpassingen op doen.

Wel overgangsrecht bij fusies en overnames
Bij fusies en overnames waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, blijft het overgangsrecht wel van toepassing. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hier geen wettelijke aanpassing voor nodig is, maar dat dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.

Cataloguswaarde zonder aftrek eigen bijdrage
De 12% pseudo-eindheffing wordt berekend over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer.

Let op!
Is de personenauto ouder dan 25 jaar, dan wordt de 12% pseudo-eindheffing berekend over de waarde in het economische verkeer van de personenauto.

Aangifte loonbelasting
Je berekent de pseudo-eindheffing maandelijks. Je kunt er echter voor kiezen om de betaling van de eindheffing pas te doen uiterlijk in de tweede loonaangifte van het volgende kalenderjaar. Voor het jaar 2027 kun je dus wachten tot de tweede loonaangifte van 2028 om je pseudo-eindheffing te voldoen.

Verband met bijtelling?
De pseudo-eindheffing komt volledig ten laste van jou als werkgever. Je mag deze niet verhalen op je werknemer. De bijtelling voor de auto van de zaak vanwege privégebruik blijft ook gewoon bestaan. Die blijft gewoon ten laste van de werknemer komen.

Let op!
Voor een werknemer die geen bijtelling heeft omdat hij de personenauto voor maximaal 500 kilometers op jaarbasis privé gebruikt, kun je wel tegen de pseudo-eindheffing aanlopen. Die geldt immers al vanaf 1 kilometer privé. Bovendien is woon- werkverkeer voor de bijtelling zakelijk, maar voor de pseudo-eindheffing privé.

Ook voor de dga, niet voor IB-ondernemer
De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv ook met de heffing te maken kan krijgen.

Let op!
Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet met de heffing te maken krijgen, maar mogelijk wel voor zijn personeel.


3. Voorstel Zelfstandigenwet openbaar

Op 1 oktober 2026 is de Zelfstandigenwet in internetconsultatie gegaan. Het is de bedoeling meer duidelijkheid te bieden aan zelfstandigen en opdrachtgevers. Er wordt in dit verband gesproken over een veilige haven. De Zelfstandigenwet moet onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers bij het inhuren van zzp’ers tegengaan én zorgen dat zelfstandigen de verantwoordelijkheid nemen om risico’s af te dekken.

Twee toetsen
Het wetsvoorstel introduceert twee toetsen:

  • de zelfstandigentoets, en
  • de werkrelatietoets.

Zelfstandigentoets
Bij de zelfstandigentoets vindt een beoordeling plaats of de zelfstandige zich ook als echte zelfstandige gedraagt. Denk hierbij aan zaken als het hebben van een KvK- en een btw-nummer, een aparte rekening voor zakelijke transacties en meerdere opdrachtgevers (minimaal drie in het lopende en afgelopen kalenderjaar). Het is mogelijk om jarenlang één klant te hebben mits er daarnaast ook andere klanten zijn van enige omvang.

Let op!
Dit criterium van minimaal drie opdrachtgevers zorgt wel voor de nodige kritiek.

De zelfstandige moet verder jaarlijks een zeker minimumbedrag besteden aan bepaalde voorzieningen om ondernemersrisico’s af te dekken zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een pensioenvoorziening en een verzekering tegen bedrijfsaansprakelijkheid.

Let op!
Dit minimumbedrag wordt later bekendgemaakt. Het gaat om een vast bedrag, ongeacht omzet of tarief. Ook dit punt heeft tot kritiek geleid. Het is dus wachten of deze punten nog aangepast worden.

Werkrelatietoets
De werkrelatietoets beoordeelt of de werkende zich binnen een specifieke opdracht als echte zelfstandige gedraagt. Daarvoor geldt dat beide partijen de wil moeten hebben om buiten een arbeidsovereenkomst te werken. Daarnaast moet de werkende vrij zijn om te bepalen hoe, waar en wanneer hij de werkzaamheden uitvoert (locatie- en tijdsgebonden werk uitgezonderd) en het werk voor eigen rekening en risico uitvoeren.

Veilige haven
De wet is niet verplicht, maar biedt een optie voor wie vooraf zekerheid wil (de ‘veilige haven’). Daarbij geldt dat er geen rangorde en geen weging is. Als er aan één criterium niet wordt voldaan, dan geeft de wet geen zekerheid. Van belang is de feitelijke uitvoering en niet wat op papier staat. Verliest een zelfstandige tijdens de opdracht een criterium, dan vervalt de veilige haven vanaf dat moment.

Wie niet aan de criteria van de wet voldoet, is niet vanzelf een werknemer. Er volgt dan een reguliere beoordeling, waarbij nog steeds geoordeeld kan worden dat sprake is van zelfstandigheid.

Let op!
De wet is niet nodig en hoeft daarom niet toegepast worden op zelfstandigen bij wie duidelijk is dat ze zelfstandige zijn. Denk aan zelfstandigen die eenmalige – vaak korte – diensten leveren aan bedrijven, zoals advieswerk, het geven van een training of een eenmalig financieel advies.

Uitvoering
Een mogelijk opdrachtgever kan wat betreft de zelfstandigentoets bij een zzp’er navraag doen of deze aan genoemde criteria voldoet. Ook kan de zelfstandige zelf een dergelijke verklaring voorzien van bewijs opstellen. Daarnaast wordt het mogelijk dat er gewerkt wordt met een ‘derdenverklaring’, waarbij bijvoorbeeld een accountant of boekhouder zo’n verklaring afgeeft.

De voorwaarden voor de werkrelatietoets moeten opdrachtgever en opdrachtnemer per opdracht gezamenlijk afspreken en vastleggen, en in de praktijk ook zo uitvoeren.

Controlerende instanties, zoals de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie, hebben als taak om te controleren of er in de praktijk ook wordt gewerkt conform wat is afgesproken.

Invoering
De beoogde invoering is 1 januari 2028, maar de wet moet nog worden ingediend bij de Tweede Kamer en daarna nog door de Eerste Kamer worden behandeld.

Let op!
De consultatie loopt van 1 oktober tot en met 29 oktober 2026.


4. Let op met het verstrekken van een personeelslening

Het gebeurt in de praktijk regelmatig dat een werkgever een werknemer een lening verstrekt voor de aanschaf van bepaalde zaken, zoals een auto. Dit is niet zonder risico, zo blijkt ook uit een recente uitspraak van een gerechtshof. Een dergelijke lening kan namelijk aangemerkt worden als een overeenkomst van consumentenkrediet. Is dat het geval, dan gelden voor de werkgever verplichtingen in zijn rol als kredietverstrekker. Voldoet de werkgever daar niet aan, dan bestaat het risico dat hij de lening niet kan terugvorderen.

Vordering op werknemer vanwege niet aflossen personeelslening
Bij een kantonrechter en in hoger beroep bij een gerechtshof speelde de volgende casus. Een werkgever had aan een werknemer een geldlening verstrekt van € 50.000 tegen een rente van 7% op jaarbasis. Bedragen die de werknemer niet tijdig afloste, mocht de werkgever inhouden op het eerstvolgende loon van de werknemer.

De geldlening was nog niet volledig terugbetaald toen de arbeidsovereenkomst met de werknemer eindigde. De werknemer betaalde nadien niets meer. De werkgever zag zich daarom genoodzaakt bij de rechter een bedrag van bijna € 52.000 te vorderen van de ex-werknemer.

Kantonrechter wijst vordering af
De kantonrechter stelde de werkgever niet in het gelijk. De door de werkgever verstrekte lening moest namelijk worden aangemerkt als een consumentenkrediet. Dit betekende dat de werkgever een informatieverplichting had ten opzichte van de werknemer. Bovendien had de werkgever een kredietwaardigheidstoets moeten uitvoeren.

Nu de werkgever niet kon laten zien dat voldaan was aan de informatieverplichting en de kredietwaardigheidstoets, wees de kantonrechter de vordering van de werkgever af.

Ook gerechtshof wijst vordering af
De werkgever liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in bij het gerechtshof. Volgens de werkgever was geen sprake van een consumentenkrediet, omdat de lening niet als kredietgever, maar als werkgever in het kader van de arbeidsovereenkomst was verstrekt.

Het gerechtshof oordeelde dat een overeenkomst van consumentenkrediet een wettelijk gereguleerde overeenkomst is. Daarbij verleent een kredietgever aan een consument krediet of zegt dit toe in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere soortgelijke betalingsfaciliteit.

Het gerechtshof was van oordeel dat de door de werkgever verstrekte lening binnen deze definitie viel. Het maakte niet uit dat de werkgever niet alleen de geldverstrekker, maar ook de werkgever was.

Is er een escape?
Er is wel een escape. De regels die betrekking hebben op het verstrekken van consumentenkrediet zijn namelijk niet van toepassing als:

  • een werkgever als nevenactiviteit rentevrij of tegen een lager jaarlijks rentepercentage dan marktconform een lening aan werknemers verstrekt, én
  • die lening in het algemeen niet ook aan anderen aangeboden wordt.

Let op!
De werkgever die procedeerde bij de kantonrechter en het gerechtshof kon zich hier niet op beroepen, omdat de rente van 7% marktconform was.

Wees alert bij verstrekken van personeelsleningen
Wees dus alert bij het verstrekken van personeelsleningen. Het risico bestaat dat de lening wordt aangemerkt als een consumentenkrediet. In dat geval moet je vóór het verstrekken van de lening voldoen aan een informatieverplichting en een kredietwaardigheidstoets uitvoeren. Laat je daarom goed informeren door een deskundige of jouw personeelslening mogelijk een consumentenkrediet is.


5. Wat betekenen de wijzigingen in de youngtimerregeling voor jouw auto?

Een youngtimer kent een bijtelling voor privégebruik van 35% van de waarde in het economisch verkeer in plaats van de reguliere bijtelling van – voor auto’s van vóór 2017 – 25% over de cataloguswaarde. In 2026 ligt de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling op 16 jaar. Ook de auto die in 2025 al aan jou ter beschikking stond en in de loop van 2026 16 jaar wordt, kan heel 2026 onder de regeling vallen. Vanaf 2027 zou de leeftijdsgrens in een keer omhooggaan naar 25 jaar. Het kabinet wil dit echter wijzigen in een verhoging naar 17 jaar per 2027 en naar 20 jaar per 2028. Ook de auto die in de loop van 2027 17 jaar wordt en al in 2025 aan jou ter beschikking stond, blijft een youngtimer. Als de plannen ongewijzigd door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, vervalt de youngtimerregeling per 2028 voor alle auto’s die in de loop van 2027 de leeftijd van 17, 18 of 19 jaar overschrijden, maar nog niet die van 20 jaar. Daarvoor geldt dan weer de normale bijtelling van 25% van de cataloguswaarde. De youngtimerregeling is dan pas weer van toepassing als de auto de leeftijd van 20 jaar bereikt. Heb je een youngtimer of ben je van plan zo’n auto aan te schaffen? Houd dan rekening met deze voorgestelde wijzigingen.


6. Verplichte e-facturering tussen bedrijven vanaf 1 juli 2030

Ondernemers moeten waarschijnlijk vanaf 1 juli 2030 voor de zogenoemde business-to-business-transacties (hierna: B2B-transacties) binnen tien werkdagen na het verrichten van de goederenlevering of dienst een elektronische factuur versturen naar de afnemer-ondernemer. Dit geldt zowel voor binnenlandse als intracommunautaire B2B-transacties. Met intracommunautaire B2B-transacties wordt grensoverschrijdende handel bedoeld tussen twee ondernemers binnen de EU. Voor intracommunautaire B2B-transacties zal vanaf 1 juli 2030 en voor binnenlandse B2B-transacties vanaf 1 juli 2031 ook een digitale rapportageverplichting gelden. Deze houdt in dat de ondernemer op het moment dat de elektronische factuur wordt uitgereikt, dit digitaal rapporteert aan de Belastingdienst. De Opgaaf Intracommunautaire Prestatie (Opgaaf ICP) verdwijnt daarmee.