All Posts By

admin

Nieuwe wijziging youngtimerregeling per 2027

By nieuws

Youngtimerregeling in 2026

Met ingang van 2026 is de youngtimerregeling gewijzigd. In 2026 bedraagt daardoor de bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen 35% van de waarde in het economisch verkeer. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op vijftien jaar.

Overgangsregeling in 2026

Is de auto in 2026 jonger dan zestien jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast.

Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 vijftien jaar of ouder was, geldt een overgangsregeling. Voor deze auto mag heel 2026 nog uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Huidige wettelijke regels youngtimerregeling vanaf 2027

Met ingang van 1 januari 2027 gaat, onder de huidige wettelijke regels, de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling in een keer naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.

Nieuwe wijziging youngtimerregeling vanaf 2027

De Tweede kamer meent dat de korte overgangsperiode in de huidige youngtimerregeling voor onbedoelde neveneffecten zorgt voor verkopers en gebruikers van youngtimers. De Tweede Kamer vindt dan ook dat de regering moet afzien van de verhoging van de leeftijdsgrens in een keer naar 25 jaar met ingang van 1 januari 2027.

De Tweede Kamer verzoekt de regering om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden. Dit zou dan gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economische verkeer.

E-timerregeling?

De Tweede Kamer doet ook het verzoek om een e-timerregeling uit te werken om te voorkomen dat elektrische leaseauto’s die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease massaal naar het buitenland worden geëxporteerd.

Voorkom belastingrente met tijdige aangifte of voorlopige aanslag

By nieuws

Belastingrente

De belastingrente bedraagt in 2026 zowel voor de IB als voor de Vpb 5%. Als de Belastingdienst met een dagtekening vanaf 1 juli 2026 een (voorlopige) aanslag IB of Vpb 2025 oplegt, wordt belastingrente berekend over de periode die begint op 1 juli 2026 en die eindigt zes weken na dagtekening van de (voorlopige) aanslag.

Let op! Als de Belastingdienst te lang doet over het opleggen van de (voorlopige) aanslag, kan het zijn dat de periode eerder eindigt. De periode eindigt namelijk altijd uiterlijk veertien weken na een verzoek om een voorlopige aanslag en negentien weken na ontvangst van de aangifte.

Voorkom belastingrente IB

U kunt de belastingrente voor de IB voorkomen. Hiervoor moet u vóór 1 mei 2026 uw aangifte IB 2025 juist en volledig indienen of vóór 1 mei 2026 verzoeken om een juiste en volledige voorlopige aanslag IB 2025. In die gevallen zal de Belastingdienst geen belastingrente over uw (voorlopige) aanslag IB berekenen.

Voorkomen belastingrente Vpb

Ook voor de Vpb kunt u de belastingrente voorkomen. Hiervoor moet u vóór 1 juni 2026 uw aangifte Vpb 2025 juist en volledig indienen of vóór 1 mei 2026 verzoeken om een juiste en volledige voorlopige aanslag Vpb 2025. In die gevallen zal de Belastingdienst geen belastingrente over uw (voorlopige) aanslag Vpb berekenen.

Wel belastingrente bij afwijkende aanslag

De Belastingdienst berekent overigens wel belastingrente vanaf 1 juli 2026 als de aanslag afwijkt van het verzoek om een voorlopige aanslag of de ingediende aangifte. Het is daarom belangrijk dat uw aangifte juist en volledig is en het verzoek om een voorlopige aanslag zo goed mogelijk is ingeschat.

Geen belastingrente bij dagtekening vóór 1 juli 2026

Heeft de (voorlopige) aanslag 2025 een dagtekening vóór 1 juli 2026, dan berekent de Belastingdienst nooit belastingrente. Dus ook niet als de aangifte is ingediend vanaf 1 mei 2026 (voor de IB) of 1 juni 2026 (voor de Vpb) of de voorlopige aanslag is aangevraagd vanaf 1 mei 2026.

Belastingrente Vpb bij gebroken boekjaar

Heeft uw bv een gebroken boekjaar, dan berekent de Belastingdienst belastingrente voor een (voorlopige) aanslag Vpb over een periode die aanvangt zes maanden na afloop van het boekjaar.

Ook bij een gebroken boekjaar kunt u de belastingrente voorkomen. U moet dan uw aangifte Vpb juist en volledig indienen binnen vijf maanden na afloop van het boekjaar of verzoeken om een voorlopige aanslag Vpb binnen vier maanden na afloop van het boekjaar.

 

Europese Commissie stelt nieuw vennootschapsmodel voor

By nieuws

Eenvoud belangrijkst

De eenvoud van het plan is het belangrijkst. Wie momenteel in verschillende EU-lidstaten actief wil zijn, moet vaak in iedere lidstaat een apart bedrijf oprichten in de vorm van bijvoorbeeld een dochtermaatschappij. Daarvoor gelden in iedere lidstaat aparte voorwaarden en regels met betrekking tot onder meer startkapitaal en registratie. Via een EU Inc. wordt dit met een geharmoniseerd aantal regels sterk vereenvoudigd. De keuze voor een EU Inc. is optioneel.

Snel en goedkoop

De oprichting van een EU Inc. kan binnen 48 uur volledig digitaal plaatsvinden voor minder dan € 100. Er is ook geen kapitaalvereiste. Verder wordt er een centraal EU-register met bedrijfsgegevens ingevoerd en ontvangen de bedrijven na registratie automatisch belasting- en btw-nummers. Ook faillissementsprocedures verlopen volledig digitaal. 

Optieplannen

EU Inc.-bedrijven kunnen optieplannen voor hun werknemers starten, waarbij pas bij verkoop van de opties met de Belastingdienst hoeft te worden afgerekend. Investeren wordt vereenvoudigd door formele procedures en tussenpersonen bij aandelentransacties af te schaffen. Lidstaten kunnen zelf beslissen of ze de EU Inc. toegang verlenen tot de beurs, waarbij bescherming kan worden geboden tegen vijandige overnames. 

Meerdere nieuwe initiatieven

De EU kondigde meerdere nieuwe initiatieven aan, zoals het zoveel mogelijk digitaliseren van de communicatie tussen bedrijven en overheid. Ook is het de bedoeling dat er aparte gerechtelijke Kamers komen voor EU Inc. bedrijven. Verder streeft men naar volledig grensoverschrijdend telewerken voor start-ups en scale-ups. Andere initiatieven betreffen het verbeteren van toegang tot kapitaal en een evaluatie van Europese durfkapitaalfondsen, het scheppen van gelijke fiscale kaders en een vermindering van de administratieve lasten.

Invoering via verordening

De EU Inc. zal via een verordening worden ingevoerd. Het voordeel is dat dit een directe werking heeft in alle lidstaten. Een nadeel is dat unanieme steun voor een verordening vereist is. Dit brengt het risico mee dat landen tijdens de onderhandelingen uitzonderingen willen toevoegen. Het streven is de besluitvorming inzake de EU Inc. nog in 2026 af te ronden.

Duidelijkere eisen voor gedetacheerde derdelanders

By nieuws

Het kabinet komt met duidelijkere regels voor zogeheten derdelanders. Het doel hiervan is om een einde te maken aan sluiproutes met gedetacheerde derdelanders.

Praktijk Werk- en verblijfsvergunning

Bouw

Derdelanders zijn werknemers van buiten de EU die via een werk- en verblijfsvergunning uit een ander Europees land in Nederland komen werken. Zij mogen alleen in de EU werken als ze beschikken over een werk- en verblijfsvergunning. Nederland is in tegenstelling tot andere landen zeer terughoudend met het verstrekken hiervan. Via een sluiproute gaan sommigen alsnog in Nederland aan het werk. 

Een voorbeeld

Recentelijk heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een Poolse ondernemer en drie tuinders in bloembollen en groenten in Noord-Holland voor bijna € 175.000 beboet. Deze boetes waren voor onder meer het illegaal tewerkstellen van tenminste 26 arbeidsmigranten van buiten Europa. 

De Poolse ondernemer wierf via een postbusonderneming in Polen Wit-Russen die hij een zogenaamde verklaring  ‘voor het toevertrouwen van werk aan een buitenlander’ gaf. Hiermee verkregen deze zogenoemde derdelanders een Pools D-visum, waarmee ze in combinatie met de verklaring in Polen mogen werken en wonen. Dit visum (machtiging voor verblijf) is bedoeld voor personen die langer dan 90 dagen in Nederland willen verblijven. Na een paar dagen in Polen verbleven te hebben (zonder daar gewerkt te hebben) werden de Wit-Russen naar Nederland gebracht, waar ze huisvesting en werk kregen. 

Volgens de NLA betrof het hier een vorm van illegale detachering omdat in Polen sprake was van een postbusonderneming, waar geen ‘substantiële activiteiten’ werden verricht. De arbeidsmigranten gingen direct aan de slag bij Nederlandse tuinders, zonder eerst in Polen gewerkt te hebben. 

Sluiproute

Laat een werkgever derdelanders via een postbusonderneming werken, dan is sprake van een sluiproute waarbij gebruik wordt gemaakt van illegale detachering. Dit had tot gevolg dat zowel de Poolse ondernemer als de Nederlandse tuinders boetes kregen voor illegale tewerkstelling van arbeidsmigranten.

Duidelijkere regels hoe lang

In Europese regelgeving is niet duidelijk op te maken gedurende welke periode iemand in een land moet werken alvorens ze in een ander Europees land aan de slag mogen. Uit onderzoek is gebleken dat de Nederlandse wet- en regelgeving enige ruimte biedt voor duidelijkere regels. Er zal nader worden uitgewerkt hoe lang iemand in een ander land moet werken alvorens in Nederland te kunnen gaan werken. 

Derdelanders moeten in het vervolg een werk- en verblijfsvergunning hebben in de zendende lidstaat voor het soort werk dat ze in Nederland gaan doen. Het kan niet zo zijn dat een Spaanse werkvergunning voor de zorgsector wordt gebruikt door een bedrijf uit Cyprus om werknemers in een Nederlandse slachterij te laten werken.

Werknemersbescherming

Bij derdelanders komen relatief veel misstanden voor zoals onderbetaling, slechte arbeidsomstandigheden en, in het ernstigste geval, zelfs arbeidsuitbuiting.
Het doel is daarom deze werknemers beter te beschermen door ze beter te informeren en te ondersteunen bij het zoeken naar en vinden van juridische hulp. Als er duidelijkere regelgeving is, dan heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie betere handvatten om te handhaven bij overtreding van de regels.

 

Uit dienst, toch recht op bonus?

By nieuws

Een werkneemster die reeds uit dienst was, was van mening dat zij desondanks nog aanspraak kon maken op een bonus. Wat vond de rechter van deze kwestie?

Wat was de situatie?

Strategie

Het ging om een werkneemster die vanaf 1 december 2018 bij de werkgever in dienst was. De werkneemster zegde op 29 mei 2024 de arbeidsovereenkomst op per 1 juli 2024. De werkgever betaalde in augustus 2024 een bonus ter hoogte van een brutomaandsalaris uit aan de werknemers die nog in dienst waren. De vertrokken werkneemster viste dus achter het net. 

Standpunt werkneemster

De werkneemster was het niet eens met deze gang van zaken en stapte naar de kantonrechter. Ze gaf daarbij aan dat er tijdens een personeelsbijeenkomst op 3 juni 2024 een onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging zou zijn gedaan wat betreft de uitbetaling van de bonus in augustus.

Standpunt werkgever

De werkgever was een andere mening toegedaan. Hij gaf aan dat er pas recht zou bestaan op de bonus als de transactie waaraan op 3 juni 2024 werd gerefereerd was gesloten. Tevens gold dat medewerkers die aanspraak maken op de bonusregeling in augustus nog in dienst moeten zijn, omdat de bonus gelijktijdig met het loon van augustus wordt betaald. Ook wees de werkgever nog op het Personeelshandboek, waaruit ook volgt dat de werknemer niet binnen de werkingssfeer van de bonusregeling viel.

Onvoldoende duidelijkheid 

De werkneemster vond de kantonrechter aan haar zijde met als argument dat ze mocht  begrijpen dat haar een onvoorwaardelijke toezegging was gedaan. Tevens was in zijn optiek de werkgever onvoldoende duidelijk geweest over de gestelde ontbindende voorwaarden. De kantonrechter stelde ook dat de verwijzing naar het uitbetaalmoment eerder een toelichting lijkt te zijn op de wijze waarop hij uitvoering zou gaan geven aan de bonustoezegging, dan een (harde) voorwaarde om voor de eenmalige succesbeloning in aanmerking te komen. 

Conclusie

De werkgever moet daarom de bonus aan haar uit betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten.

Tip! Wees duidelijk naar uw personeel over de eventuele voorwaarden bij de toekenning van een bonus. Neem deze bijvoorbeeld duidelijk op in uw personeelsreglement en wijs uw personeel (regelmatig) op het reglement.

Afkoop saldolijfrente slechts deels belast

By nieuws

Een rechtbank heeft de afkoop van een saldolijfrente van € 608.091 slechts voor € 69.882 belast. Dit omdat volgens de rechtbank sprake was van een individuele en buitensporige last voor de belastingplichtige.

Saldolijfrente

Sparen

Een saldolijfrente is een lijfrente waarvoor in het verleden premies zijn betaald die niet aftrekbaar waren. De uitkeringen uit deze lijfrente waren in box 1 belast zodra het totaalbedrag van de uitkeringen hoger was dan de betaalde premies. Voor saldolijfrentes die vóór 14 september 1999 waren afgesloten, kon tot eind 2020 nog gebruikgemaakt worden van een overgangsregeling. 

Eind 2020 volgde na toepassing van de overgangsregeling een afrekening over de waarde in het economische verkeer van de saldolijfrente, eventueel gecorrigeerd voor de betaalde premies (voor zover die bij een eventuele eerder lijfrente-uitkering niet al verrekend waren).

De casus

Een belastingplichtige had zo’n saldolijfrente. De verzekeraar stuurde in 2020 drie brieven over de saldolijfrente en de afrekenverplichting, echter allemaal naar een oud adres waar hij niet meer woonde. De waarde in het economische verkeer van de saldolijfrente bedroeg € 608.091. De betaalde premies waren allemaal al verrekend bij eerdere uitkeringen uit de saldolijfrente.

In 2021 ontving de belastingplichtige nog € 69.882 aan uitkeringen uit de saldolijfrente. In 2022 overleed de belastingplichtige. 

De Belastingdienst corrigeerde de door de belastingplichtige ingediende aangifte IB 2020 en telde de verplichte afrekening van de saldolijfrente tot een bedrag van € 608.091 bij het inkomen.

Hardheidsclausule afgewezen

De erfgenamen verzochten op toepassing van de hardheidsclausule. Zij moesten immers afrekenen over een bedrag van € 608.091, terwijl er uiteindelijk slechts € 69.882 was ontvangen. Het beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen.

Individuele en buitensporige last toegewezen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde echter dat in het geval van de belastingplichtige sprake was van een individuele en buitensporige last. Van belang daarbij was onder meer:

  • De saldolijfrente werd in 2020 belast naar een waarde van € 608.091, terwijl uiteindelijk slechts € 69.882 aan uitkeringen zijn genoten tot het overlijden van de belastingplichtige. De waarde waarover afgerekend is, is daarmee bijna negen keer zo hoog als de daadwerkelijk ontvangen uitkeringen. Bij overlijden van de belastingplichtige is de waarde van de saldolijfrente meteen verminderd naar nihil.
  • In de nalatenschap van de belastingplichtige waren onvoldoende middelen aanwezig om de gehele aanslag IB te betalen.
  • De belastingplichtige heeft de brieven over de verplichte afrekening in 2020 niet in 2020 ontvangen en kon zich daardoor niet goed voorbereiden op de afrekenverplichting. Hij had er anders bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de saldolijfrente in 2020 af te kopen, waardoor er wel voldoende middelen zouden zijn om de gehele aanslag IB te betalen.

De rechtbank bood rechtsherstel voor deze individuele en buitensporige last door niet een bedrag van € 608.091 in de heffing te betrekken, maar slechts het bedrag van de in 2021 ontvangen uitkeringen ter grootte van € 69.882.

Let op! De rechtbank oordeelde dat in dit specifieke geval sprake was van een individuele en buitensporige last. Dat betekent niet dat dit in zijn algemeenheid kan worden doorgetrokken naar alle gevallen. Meent u dat in uw situatie ook sprake is van een individuele en buitensporige last, overleg dat dan met een van onze adviseurs. Zij helpen u graag verder.

Is de werkgever inhoudingsplichtig voor fooien?

By nieuws

In een aantal branches, zoals de horeca, zijn fooien een regulier onderdeel van de beloning voor de werkzaamheden van de werknemers. Is een werkgever ook inhoudingsplichtig voor de ontvangen fooien?

Verdeling fooien via werknemer

Horeca

De Belastingdienst legt dit uit aan de hand van een casus. Daarbij wordt uitgegaan van een restaurant waar de fooien door het personeel moeten worden afgedragen en een werknemer de ontvangen fooien wekelijks verdeelt. Fooien die niet contant zijn betaald, worden door de werkgever cash aan deze werknemer doorgegeven, zodat ook deze fooien onder het personeel kunnen worden verdeeld. Daarbij delen alle werknemers mee in de fooien, ook het niet bedienend personeel. Verder betaalt de werkgever het loon conform de cao en heeft hij bij het loon ook geen rekening gehouden met de te ontvangen fooien.

Werkgeversloon?

Voor het antwoord op de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de werkgever, is om te beginnen van belang of er sprake is van werkgeversloon. Dit blijkt niet zo te zijn, omdat de werknemers zelf recht hebben op de fooien. Daarom is er op deze grond geen inhoudingsplicht.

Loon van derden?

Er kan ook sprake zijn van inhoudingsplicht voor de werkgever, als het om loon van derden gaat. Daarvan is in deze casus wel sprake. De fooien zijn immers ontvangen als tegenprestatie voor de verrichte werkzaamheden. Toch is er in dit geval geen inhoudingsplicht voor de werkgever. Dit hangt samen met het feit dat het loon conform de cao is betaald en dat er bij het bepalen van dat loon met fooien geen rekening is gehouden.

Let op! Wordt er niet conform cao betaald of wordt bij het vaststellen van het loon rekening gehouden met fooien? Dan kan er wel sprake zijn van inhoudingsplicht.

Wel belast voor de werknemer!

Dat de werkgever in de voorbeeldsituatie geen inhoudingsplichtige is, betekent niet dat de fooien onbelast zijn. De Belastingdienst merkt hierover op dat de werknemer het ontvangen bedrag aan fooien zelf moet aangeven in zijn aangifte inkomstenbelasting.

Aanvraag subsidie praktijkleren tot 17 september

By nieuws

Tot 17 september 2025 17.00 uur is het mogelijk om een aanvraag subsidie praktijkleren te doen voor het studiejaar 2024/2025. Deze subsidie is bedoeld om werkgevers tegemoet te komen in de kosten die zij maken voor de loon- of begeleidingskosten van een leerling, student, promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio).

Voor wie

Boeken

Om in aanmerking te komen voor de subsidie moet een bedrijf of instelling een praktijk- of werkleerplaats aanbieden voor het vmbo, mbo of hbo. Daarnaast is de subsidie beschikbaar voor promovendi en toio’s, praktijkonderwijs en VSO. Per onderwijscategorie gelden andere voorwaarden. Het is belangrijk dat u voldoet aan deze voorwaarden en de administratie die daarbij hoort. De voorwaarden voor de verschillende onderwijscategorieën vindt u hier.

Let op! Een inschrijving in het Register Onderwijs Deelnemers (ROD) voor de leerlingen/studenten waarvoor u subsidie aanvraagt is een van de voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen.

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats. Zijn er meer goedgekeurde aanvragen dan het beschikbaar budget, dan kan de subsidie lager zijn dan € 2.700.

Zo is de verwachting dat het bedrag voor mbo-studenten tussen de € 2.600 en € 2.700 zal liggen en voor hbo studenten tussen de € 600 en € 650. Voor leerbedrijven die vo-leerlingen en wo-studenten begeleiden, verwacht het ministerie dat het beschikbare budget voldoende is en het dus mogelijk is om het maximale bedrag van € 2.700 uit te keren.

Let op! Vanaf het studiejaar 2024-2025 geldt er voor praktijkplaatsen in de sectoren landbouw, horeca en recreatie geen aanvullende subsidie meer. Deze sectoren kregen vanaf studiejaar 2019-2020 tot en met studiejaar 2023-2024 nog wel een aanvullende subsidie.

Aanvraag

De aanvraag voor het studiejaar 2024/2025 is in 2025 weer mogelijk vanaf maandag 2 juni 2025 tot dinsdag 17 september 2025 17.00 uur.

Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie komt voor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Aanvragen van deze subsidie wordt onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren.

Controle lage Awf-premie door Belastingdienst

By nieuws

De Belastingdienst heeft brieven verzonden over het mogelijk moeten herzien van de lage Awf-premie naar de hoge Awf-premie. Heeft u zo’n brief ontvangen, controleer dan of u de lage Awf-premie moet herzien.

Awf-premie

Belastingdienst

De gedifferentieerde premie voor het Algemeen Werkeloosheidsfonds (Awf) bestaat uit een hoge en lage Awf-premie. U mag als werkgever een lage Awf-premie toepassen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Voldoet u daar niet aan, dan betaalt u een hoge Awf-premie. De voorwaarden hebben betrekking op de arbeidsovereenkomsten van uw werknemers en zijn bedoeld om vergaande flexibele contracten tegen te gaan en vaste contracten te beschermen.

Let op! Tussen de hoge en de lage Awf-premie zit een verschil van 5%. Zo bedraagt de lage Awf-premie in 2025 2,74% en de hoge Awf-premie 7,74%.

Lage Awf-premie herzien naar hoge Awf-premie

U moet de lage Awf-premie herzien naar de hoge Awf-premie als de dienstbetrekking van een werknemer al binnen 2 maanden na de start van de dienstbetrekking eindigt.

U moet ook herzien naar de hoge Awf-premie als een werknemer in een kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond krijgt dan in zijn arbeidsovereenkomst afgesproken, bijvoorbeeld door overwerk. Dit geldt tot en met 2024 echter niet als de contracturen van de werknemer 35 of meer uren per week zijn. Vanaf 2025 geldt dit niet als de contracturen van de werknemer meer dan 30 uren per week zijn.

Brief Belastingdienst

De Belastingdienst heeft met dagtekening 5 juni 2025 aan een aantal werkgevers een brief gestuurd waarin staat dat de Belastingdienst denkt dat de lage Awf-premie voor één of meer werknemers moet worden herzien naar de hoge Awf-premie.

Let op! Er zijn twee soorten brieven. Een voor de situatie waarin binnen 2 maanden na start van de dienstbetrekking deze al weer beëindigd is en een voor de situatie waarin in een kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond zijn.

Actie?

Heeft u zo’n brief ontvangen en de lage Awf-premie al herzien voor de werknemer(s), dan hoeft u niets te doen.

Als u vaststelt dat u de lage Awf-premie wel moet herzien, dan moet u de aangiftetijdvakken corrigeren waarin u de lage Awf-premie moet herzien.

Tip! In de brief is een stappenplan opgenomen waarmee u kunt beoordelen of u de lage Awf-premie moet herzien. Daarnaast is uitgelegd hoe u de aangiftetijdvakken kunt corrigeren.

Bent u van mening dat u de lage Awf-premie niet hoeft te herzien, stuur dan binnen 3 weken na 5 juni 2025 een mail met uitleg waarom u de lage Awf-premie niet hoeft te herzien. Stuur de e-mail naar . U kunt er ook voor kiezen om een brief te sturen naar Belastingdienst, Postbus 8738, 4820 BA Breda.

Vragen?

Heeft u een brief over de herziening van de lage Awf-premie van de Belastingdienst ontvangen, neem dan voor meer informatie en advies contact op met een van onze adviseurs.

Aanvraag SLIM voor samenwerkingsverband tot 30 juni 2025

By nieuws

Voor samenwerkingsverbanden is het mogelijk om van 2 juni 2025 9.00 uur tot en met 30 juni 2025 17.00 uur een aanvraag te doen voor de SLIM-subsidie. Deze SLIM-regeling (de Stimuleringsregeling Leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen) kan samenwerkingsverbanden helpen personeel gemotiveerd én gekwalificeerd te houden.

Waarvoor?

Typen

Slim-subsidie is mogelijk voor:

a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming;

b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen;

c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode.

Let op! Activiteiten die alleen ten goede komen aan bestuurders of eigenaren van een onderneming, komen niet voor SLIM-subsidie in aanmerking. De bestuurder of eigenaar mag wel deelnemen aan de activiteit, maar niet de enige doelgroep zijn.

Kijk voor een overzicht van alle aanvraagcriteria op de website uitvoering van beleid SZW.

Looptijd

De SLIM-regeling blijft bestaan tot en met 2029 en kent vanaf 2025 nog maar twee regelingen: een voor individuele mkb-ondernemingen en een voor samenwerkingsverbanden in het mkb. Voor grootbedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie is het vanaf 2025 niet meer mogelijk om een beroep te doen op de SLIM-regeling.

Aanvraagtijdvakken

Voor mkb-ondernemingen zijn in 2025 twee aanvraagtijdvakken (van 3 maart 2025 9.00 uur tot en met 31 maart 2025 17.00 uur én van 1 september 2025 9.00 uur tot en met 30 september 2025 17.00 uur). Voor samenwerkingsverbanden is er maar een tijdvak (van 2 juni 2025 9.00 uur tot en met 30 juni 2025 17.00 uur).

Hoogte subsidie

Een samenwerkingsverband moet uit minimaal twee mkb-ondernemingen bestaan. Het subsidiepercentage voor een samenwerkingsverband bedraagt 60% van de subsidiabele kosten. Per aanvraag kan maximaal € 500.000 subsidie worden aangevraagd (maximaal € 200.000 per samenwerkingspartner).

Let op! Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenvervoer over de weg € 100.000.

De subsidiabele kosten moeten minimaal € 210.000 bedragen. Voor de SLIM-regeling voor samenwerkingsverbanden is in 2025 € 20 miljoen budget beschikbaar.

Voorschot

Vanaf 2025 kunnen samenwerkingsverbanden een voorschot krijgen van 25% van het verleende subsidiebedrag. Als het initiatief langer dan 12 maanden duurt, kan aanvullend nog een voorschot van 50% van het subsidiebedrag aangevraagd worden als in de eerste 12 maanden minimaal 50% van de projectkosten gemaakt zijn.

Vergoeding voor controleverklaring

Voor het opstellen van een controleverklaring door een accountant – dit is bij subsidies van € 125.000 of meer verplicht –, wordt vanaf 2025 een vaste vergoeding van € 3.000 verstrekt.

Let op! Deze vaste vergoeding van € 3.000 geldt ook voor SLIM-subsidies die vóór 2025 zijn verkregen. Als de subsidie echter al is verleend, wordt die verleende subsidie niet verhoogd met dit bedrag. Het is wel mogelijk om de begroting te herverdelen en het bedrag van € 3.000 daarin op te nemen.

Uitstel

Vanaf 2025 kan een subsidieaanvrager maximaal drie maanden uitstel aanvragen als de subsidiabele activiteiten niet op tijd zijn afgerond door omstandigheden die hem niet zijn aan te rekenen. Deze uitstelaanvraag is ook mogelijk voor SLIM-subsidies die vóór 2025 zijn verkregen.