All Posts By

Vanaf dit najaar vergoeding UWV voor te lage WIA

By nieuws

Fouten UWV 

Uit onderzoek is gebleken dat de onjuiste uitkeringen onder meer veroorzaakt werden door een foute vaststelling van het dagloon in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024.

Een andere oorzaak is gelegen in het niet indexeren van het dagloon tussen 1 juli 2006 en 31 december 2022.

Tenslotte wordt ook compensatie geboden naar aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep voor WIA-uitkeringen waarvan het recht inging op of na 1 juli 2015 met een uiterste datum van dagloonvaststelling op 4 augustus 2025. Deze uitspraak betrof de vaststelling van het dagloon in situaties waarin een werknemer in de WIA-referteperiode (dit is het jaar voordat iemand ziek werd) in een kalendermaand geen inkomen heeft genoten.

Netto uitkering

Uitkeringsgerechtigden die te weinig uitkering hebben gekregen, ontvangen een eenmalige netto vergoeding. Hierover hoeft geen loon- en inkomstenbelasting betaald te worden en de uitkering telt ook niet mee voor het verzamelinkomen. Dit betekent dat de uitkering geen invloed heeft op inkomensafhankelijke uitkeringen, zoals huur- of zorgtoeslag.

Tijdpad

Vanaf deze zomer horen de eerste uitkeringsgerechtigden of hun uitkering te hoog is, te laag, of gelijk blijft. Een te lage uitkering wordt direct aangepast, een te hoge pas na twee maanden. Degenen met een te lage uitkering horen ook welke eenmalige vergoeding zij ontvangen. Vanaf oktober 2026 worden de eerste vergoedingen uitbetaald.

Let op! Als blijkt dat de WIA-uitkering te hoog is vastgesteld, dan wordt het te veel ontvangen bedrag niet teruggevorderd.

Informatie

Uitkeringsgerechtigden worden door UWV op de hoogte gehouden over het verloop van de gang van zaken met betrekking tot de eenmalige netto vergoeding. Een wijziging van het dagloon wordt ook doorgegeven aan een eventuele pensioenuitvoerder. Bij eventuele vragen biedt UWV onafhankelijk financieel advies.

Let op! UWV start deze zomer met de hersteloperatie, maar deze duurt waarschijnlijk tot eind 2027. Het kan dus nog even duren voordat je bericht krijgt.

Belastingrente bij trage behandeling btw-teruggaaf

By nieuws

Acht weken

De Belastingdienst heeft in principe acht weken de tijd om je verzoek om btw-teruggaaf af te handelen. Duurt dit langer, dan heb je recht op vergoeding van belastingrente als de btw-teruggaaf betrekking heeft op een voorgaand jaar én het al 1 april is geweest.

Voorbeeld
De Belastingdienst ontvangt je verzoek om btw-teruggaaf over het vierde kwartaal 2025 op 20 januari 2026. Als je op 1 april 2026 nog geen teruggaafbeschikking van de Belastingdienst ontvangen hebt, heb je vanaf 1 april 2026 recht op vergoeding van belastingrente.

Berekening belastingrente

Het tijdvak waarover de belastingrente berekend wordt, vangt aan op 1 april of acht weken na ontvangst van je verzoek (als dit later is dan 1 april). Het tijdvak loopt tot veertien dagen na de dagtekening van de teruggaafbeschikking..

Vervolg voorbeeld
Als de Belastingdienst een teruggaafbeschikking afgeeft met dagtekening 15 juni 2026, dan moet de Belastingdienst 5% belastingrente vergoeden over de periode 1 april 2026 tot en met 29 juni 2026.

Tijdig bezwaar bij afwijzing verzoek om btw-teruggaaf

Wijst de Belastingdienst je verzoek om btw-teruggaaf ten onrechte af? Kom dan op tijd, dat wil zeggen binnen zes weken na de dagtekening van de afwijzende beschikking, in bezwaar. Als de Belastingdienst dan alsnog de btw-teruggaaf verleent, heb je ook recht op vergoeding van belastingrente.

Let op! De Belastingdienst heeft op vragen daarover laten weten dat geen recht bestaat op vergoeding van de belastingrente als het oorspronkelijk verzoek om btw-teruggaaf te laat is ingediend en/of als het bezwaar tegen de afwijzende beschikking te laat is ingediend.

Let op de overdrachtsbelasting bij sloop aangekochte woning

By nieuws

Startersvrijstelling

Bij de koop van een woning is de koper in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Het normale tarief bij verkrijging van een woning bedraagt op dit moment 8%. Wordt de woning door de koper na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt, dan geldt een tarief van 2%. Er bestaat dan ook een eenmalige startersvrijstelling voor kopers die minstens 18 jaar oud zijn en jonger zijn dan 35 jaar, als de woning een maximale waarde heeft van €555.000 (cijfer 2026).

Sloop gevolgd door nieuwbouw

In een rechtszaak bij gerechtshof Amsterdam had een echtpaar een woning gekocht, deze vervolgens helemaal laten slopen (inclusief de fundering) en op dezelfde plaats een nieuwe woning laten bouwen. Het echtpaar had geen overdrachtsbelasting afgedragen, ervan uitgaande dat er recht bestond op de startersvrijstelling. De Belastingdienst was het hiermee niet eens en had een naheffingsaanslag opgelegd naar het normale tarief.

Nieuwe woning in aanbouw

Bij het tot stand komen van het lage tarief en de vrijstelling overdrachtsbelasting is bepaald dat deze ook gelden voor de verkrijging van een nieuwe woning in aanbouw. Van dit laatste is sprake vanaf het moment dat de fundering van een woning is aangebracht.

Woning opgehouden te bestaan

Het gerechtshof kwam in het geval van het echtpaar tot de conclusie dat er geen recht bestond op de startersvrijstelling, omdat de verkochte woning volledig gesloopt was, inclusief fundering. De oude woning was volledig opgehouden te bestaan en kon dus niet meer worden bewoond. Daarom werd niet voldaan aan de eis dat de verkregen woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gebruikt zou gaan worden.

Had de fundering verschil gemaakt?

Als de fundering niet was gesloopt, had dit in deze casus verschil gemaakt. De Belastingdienst had namelijk bij de rechtbank verklaard dat wel aan het hoofdverblijfcriterium was voldaan als de fundering was gebleven en gebruikt was voor de nieuwe woning.

Het echtpaar vond hun situatie vergelijkbaar met situaties waarin de fundering wel behouden was, maar het gerechtshof ging daar niet in mee. De Hoge Raad heeft eerder namelijk beslist dat er voor de overdrachtsbelasting geen sprake is van discriminatie als bouwgrond mét fundering wel als een woning wordt aangemerkt en bouwgrond zonder fundering niet. Het echtpaar deed dan ook tevergeefs een beroep op het gelijkheidsbeginsel om alsnog de startersvrijstelling te kunnen claimen.

Let op! Het is niet helemaal duidelijk of het funderingscriterium ook betrekking heeft op sloopwoningen. Het gerechtshof geeft in de uitspraak aan dat uit de wetsgeschiedenis zou kunnen worden afgeleid dat dit criterium alleen geldt voor woningen in aanbouw. In dat geval is de verklaring van de Belastingdienst bij de rechtbank begunstigend beleid geweest, waarvan het niet helemaal duidelijk is of dit door de Belastingdienst breed gedragen wordt. Overleg over uw eigen situatie daarom altijd met onze adviseurs.

 

Hogere premies Whk (WGA en ZW) in 2027

By nieuws

WGA

Het gemiddelde premieniveau van de WGA bedraagt in 2027 1,07% (2026: 0,96%). De maximum WGA-premie is 4,28% en de minimumpremie 0,26% (in 2026: 3,84 respectievelijk 0,24%).

ZW

De gemiddelde premie voor de ZW bedraagt in 2027 0,60% (2026: 0,56%). De maximum ZW premie is 2,40% en de minimumpremie 0,15% (in 2026:2,24% respectievelijk 0,14%).

Let op! Voor werkgevers in sector 52 (Uitzendbedrijven) geldt een afwijkende maximumpremie van 5,96%.

Premieplichtig loon

De gedifferentieerde premie Whk is afhankelijk van de grootte van je onderneming. Bij middelgrote en grote werkgevers telt de eigen instroom van zieken in het publieke stelsel mee voor de hoogte van de premie.

De loonsom over 2025 bepaalt in welke categorie je in 2027 valt. De basis hiervoor is het gemiddelde premieplichtige loon. Dit bedraagt in 2026 nog € 43.300 en stijgt in 2027 naar € 45.400.

Kleine, middelgrote of grote werkgever

De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt in 2027 bij een loonsom van maximaal € 1.135.000 (in 2026 € 1.082.500). Bij een loonsom van meer dan € 4.540.000 is in 2027 sprake van een grote werkgever (in 2026 € 4.330.000).

Let op! Alle grote en middelgrote werkgevers ontvangen tegen het einde van 2026 een beschikking van de Belastingdienst met de hoogte van de premie. Kleine werkgevers ontvangen geen beschikking, maar een mededeling.

Eigenrisicodrager?

Ben je eigenrisicodrager, maar wil je dat niet meer zijn vanaf 1 januari 2027? Meld je dan vóór 1 oktober 2026 af. Ben je geen eigenrisicodrager, dan kun je dat worden vanaf 1 januari 2027 door je vóór 1 oktober 2026 aan te melden. Je betaalt dan niet langer de premies WGA en ZW.

Let op! Of het zinvol is om te wisselen is van diverse omstandigheden afhankelijk. Denk aan (de wijziging van) de instroom van zieken in het publieke stelsel, hoeveel zieken buiten het publieke stelsel zitten bij terugkeer naar dit stelsel en de kosten van een private verzekering et cetera. Overleg daarom met onze adviseur of wisselen raadzaam is. Aan- of aanmelden kan voor de WGA vervolgens met dit formulier en voor de ZW met dit formulier

De Cyberbeveiligingswet raakt meer organisaties dan je denkt

By nieuws

Wat is de Cbw?

De Cbw is de Nederlandse uitwerking van een Europese richtlijn (NIS2) en vervangt de bestaande Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen. Het doel is simpel: organisaties die belangrijk zijn voor de samenleving moeten hun digitale beveiliging op orde hebben. Een cyberincident bij hen kan namelijk grote gevolgen hebben voor anderen. Denk aan uitval van energie, zorg of digitale dienstverlening. Vanaf 15 augustus 2026 gelden er nieuwe verplichtingen voor ruim 8.000 organisaties in Nederland.

Deze aanpak is er niet zomaar gekomen. Onze economie en samenleving zijn steeds afhankelijker van digitale systemen. Die systemen zijn vaak ook met elkaar verweven. Een storing of hack bij een organisatie kan zich zo razendsnel verspreiden naar klanten, leveranciers en ketenpartners.

Wanneer loop jij risico om onder de Cbw te vallen?

De Cbw geldt voor organisaties in 18 aangewezen sectoren, zoals energie, digitale infrastructuur, gezondheidszorg, vervoer, drinkwater en overheid. Ook sectoren die dichter bij het mkb liggen vallen eronder, denk aan afvalwaterbeheer, voedselproductie en -distributie, de maakindustrie voor bepaalde producten, en post- en koeriersdiensten. De volledige lijst met sectoren en de bijbehorende soorten organisaties vind je op de website van de NCTV.

Belangrijke of essentiële entiteit

Val je onder een van de aangewezen sectoren en heb je 50 of meer medewerkers, of een jaaromzet en een balanstotaal van beide meer dan t miljoen euro, dan kwalificeert je organisatie als belangrijke entiteit. Heb je 250 of meer medewerkers, of een jaaromzet van meer dan 50 miljoen euro en een balanstotaal van meer dan 43 miljoen euro, dan word je aangemerkt als essentiële entiteit. 

Het verschil zit vooral in het toezicht. Als essentiële entiteit controleert de toezichthouder actief of je aan de wet voldoet, ook zonder aanleiding. Bij een belangrijke entiteit wordt daarentegen meestal pas gecontroleerd na een concreet signaal of incident.

Let op! Ook als je organisatie op het eerste gezicht niet in een van deze sectoren lijkt te vallen, of klein van omvang is, kan de Cbw toch van toepassing zijn. De minister kan een organisatie namelijk alsnog aanwijzen als essentiële of belangrijke entiteit. Dit kan ook als de organisatie niet aan de gebruikelijke voorwaarden voldoet, bijvoorbeeld omdat zij een grote maatschappelijke impact kan hebben bij uitval. Ga er dus niet te snel vanuit dat de wet je niet raakt.

Tip! Wil je snel weten of jouw organisatie onder de Cbw valt? Met deze zelfevaluatie kan je dat nagaan.

Wat betekent het als je onder de Cbw valt?

Val je onder de Cbw, dan krijg je te maken met:

  • een registratieplicht bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), waardoor de overheid weet welke organisaties onder de wet vallen en je sneller kan bereiken bij een dreiging,
  • een zorgplicht om passende beveiligingsmaatregelen te treffen, zoals het up-to-date houden van je toegangsbeheer en systemen, en
  • een meldplicht bij ernstige cyberincidenten, waarbij je een eerste melding al binnen 24 uur moet doen.

Ook wordt de verantwoordelijkheid voor cyberbeveiliging expliciet bij je bestuur gelegd. Je bestuur moet de genomen maatregelen goedkeuren en er toezicht op houden. Onderdeel hiervan is de plicht om bestuursleden hierin op te leiden, zodat zij cyberrisico’s kunnen herkennen en beoordelen.

Val je niet onder de Cbw?

Val je niet onder de Cbw, dan is dit ook een goed moment om je beveiliging eens tegen het licht te houden. Werk je voor of met organisaties die wel onder de wet vallen, dan is de kans groot dat zij ook van jou passende beveiligingsmaatregelen gaan verwachten, simpelweg omdat jij onderdeel bent van hun keten.

Let op! Alle informatie over de Cbw staat op de website van het NCSC. Heb je meer, of specifieke vragen over de Cbw en wat dit concreet voor je betekent? Neem contact met ons op, we denken graag met je mee.

Vanaf 2027 btw over mrb in de lease

By nieuws

Oude goedkeuring

In beginsel is over het hele leasebedrag dat een leasemaatschappij in rekening brengt voor de lease van een auto, btw verschuldigd. Door een hele oude goedkeuring van 18 juli 1995 hoefde over de doorberekende mrb echter geen btw berekend te worden. Deze doorberekende mrb werd in die goedkeuring namelijk aangemerkt als quasi doorlopende post.

Ingetrokken per 25 januari 2007?

Het was de bedoeling dat de goedkeuring van 18 juli 1995 met een besluit van 25 januari 2007 werd ingetrokken. Vanaf dat moment had daarom btw berekend moeten worden over de doorberekende mrb. De goedkeuring van 18 juli 1995 is in de praktijk echter nog steeds toegepast, omdat het besluit van 25 januari 2007 niet helemaal helder was over de intrekking. De staatssecretaris heeft bij besluit van 2 juli 2026 ook bevestigd dat de goedkeuring daarom zijn werking heeft behouden.

Alsnog ingetrokken per 1 januari 2027

Tegelijkertijd heeft de staatssecretaris echter aangekondigd dat de goedkeuring definitief per 1 januari 2027 eindigt. Vanaf dat moment moet ook over de doorberekende mrb btw berekend worden.

Let op! Lease je een auto en heb je geen (volledig) recht op aftrek van btw, omdat je bijvoorbeeld (deels) btw-vrijgestelde prestaties verricht? Dan betekent de intrekking van de goedkeuring voor jou waarschijnlijk dat je leasekosten stijgen. Als de leasemaatschappij namelijk vanaf 1 januari 2027 btw berekend over doorberekende mrb, dan kun jij die btw niet (geheel) in aftrek brengen.

Belasting over studietoelage kind van werknemer

By nieuws

Zelfstandig recht

Ken je een zelfstandig recht op een studietoelage toe aan een kind van je werknemer en betaal je deze studietoelage ook rechtstreeks aan het kind? Dan geniet het kind loon uit een bestaande dienstbetrekking van een ander, namelijk de dienstbetrekking van de ouder. Het kind wordt voor de belasting over de studietoelage dan werknemer van jouw bedrijf. Dit betekent dat ook de werkgeversverplichtingen gelden, zoals de identificatieplicht.

Let op!Tegenover deze administratieve lasten staat dat het vaak wel financieel aantrekkelijk is om de studietoelage aan het kind toe te kennen in plaats van aan de ouder. Het kind zal over het algemeen weinig inkomen hebben. Het kan dan waarschijnlijk gebruik maken van een lager progressief belastingtarief of het hoeft zelfs uiteindelijk helemaal geen belasting te betalen vanwege de heffingskortingen.

Belasting of gerichte vrijstelling?

Voor scholingskosten geldt, onder voorwaarden, een gerichte vrijstelling. Deze vrijstelling is, naar het oordeel van de Belastingdienst, echter niet van toepassing op de hiervoor beschreven studietoelage. Dat betekent dat over de studietoelage loonbelasting moet worden afgedragen.

Let op! Het is ook niet mogelijk om de studietoelage aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (wkr).

Werkgeversheffing Zvw

Betreft het een eenmalige studietoelage, dan hoef je als werkgever hierover geen werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (Zvw) te betalen. Dit is anders als het een periodieke studietoelage is.

Studietoelage aan werknemer

Je kunt de studietoelage ook aan je werknemer geven. In principe vormt dit dan loon voor je werknemer. Je kunt er echter ook voor kiezen om dit aan te wijzen in de vrije ruimte van de wkr. De gerichte vrijstelling voor scholingskosten is hier niet van toepassing.

Let op! Het aanwijzen van de studietoelage in de vrije ruimte kan alleen als dat gebruikelijk is.

Studiefonds

Je kunt de studietoelage ook betalen uit een fonds. Als dit fonds voldoet aan alle voorwaarden die hiervoor gelden, dan vormt de studietoelage geen loon voor het kind en ook geen loon voor de werknemer.

Let op! Neem voor meer informatie over zo’n fonds contact op met onze adviseurs.

Wat is er fiscaal te verwachten op Prinsjesdag 2026?

By nieuws

Verhoging eerste schijf vrije ruimte WKR of afschaffing?

Eind 2024 is al in de wet opgenomen dat de eerste schijf in de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR) per 1 januari 2027 omhooggaat van 2 naar 2,16%. SEO Economisch Onderzoek (SEO) heeft, na een evaluatie van de WKR over de jaren 2019-2024, echter aanbevolen om de eerste schijf in de vrije ruimte helemaal af te schaffen. Op Prinsjesdag 2026 wordt waarschijnlijk duidelijk of het kabinet deze aanbeveling overneemt.

Andere aanpassingen WKR

Ook wordt dan duidelijk of het kabinet de volgende aanbevelingen van SEO overneemt:

  • het mogelijk maken van samenloop van de onbelaste thuiswerkvergoeding en reiskostenvergoeding op één dag;
  • de verhoging van de 80%-eindheffing die verschuldigd is bij overschrijding van de vrije ruimte;
  • het afschaffen van de diensttijdvrijstelling van een maandloon bij een werkjubileum van 25 of 40 jaar;
  • de introductie van een gerichte vrijstelling voor de premie van een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering;
  • het wettelijk vastleggen en indexeren van de doelmatigheidsgrens van € 2.400.

De verwachting is dat in ieder geval de gerichte vrijstelling voor kortingen en vergoedingen voor producten uit eigen bedrijf wordt afgeschaft.

Aanpassingen expatregeling

Het vergoedingspercentage in de expatregeling (voorheen: 30%-regeling) gaat per 1 januari 2027 omlaag van 30 naar 27%. Tegelijkertijd gaan er ook hogere salarisnormen gelden. Deze aanpassingen zijn al eerder in de wet opgenomen. Het kabinet heeft aangegeven niet van plan te zijn de expatregeling nog verder te versoberen.

Verhoging belastingvrij bedrag reiskosten

Al eerder bekendgemaakt – en ook al in werking getreden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 –, is de verhoging van het belastingvrije bedrag voor reiskosten van € 0,23 naar € 0,25. Deze verhoging geldt voor de onbelaste reiskostenvergoeding die een werkgever aan zijn werknemer geeft, en voor de aftrekbare zakelijke reiskosten van een ondernemer of resultaatgenieter in de inkomstenbelasting. Je mag vanaf de aangifte IB 2026 ook rekening houden met dit hogere bedrag bij het berekenen van de aftrekbare ziektekosten.

Let op!De verhoging naar € 0,25 is nu nog in een besluit opgenomen, maar wordt in het belastingpakket van Prinsjesdag 2026 ook in de wet opgenomen.

Pseudo-eindheffing fossiele personenauto

Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. Dit voorstel is vorig jaar al aangenomen, maar op Prinsjesdag 2026 worden aanpassingen verwacht, zoals een uitzondering op de pseudo-eindheffing voor vervangende auto’s bij schade, reparatie en onderhoud, en een uitzondering op de heffing voor lesauto’s.

Youngtimerregeling

Het kabinet denkt erover om de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling niet ineens per 1 januari 2027 te verhogen van 16 naar 25 jaar. Een auto van de zaak die onder de youngtimerregeling valt, kent een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer in plaats van de reguliere bijtelling die geldt voor jongere auto’s. Het kabinet denkt nog na over een ander afbouwpad in plaats van de verhoging naar 25 jaar per 1 januari 2027.

Greentimerregeling

Het kabinet heeft de gedachte om een nieuwe bijtellingskorting te introduceren voor elektrische auto’s tussen de vijf en acht jaar oud. Deze regeling zou de naam Greentimerregeling moeten krijgen.

Fiscale regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups

Er ligt een plan om een belastingkorting in de loonbelasting te introduceren voor voordelen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De belastingkorting wordt vormgegeven door de grondslag van de voordelen uit aandelenopties te beperken tot 65%, zodat over een lager voordeel belasting wordt geheven. Het effectieve loonheffingentarief wordt dan afgerond 32%, waarmee het ongeveer gelijk is aan de belastingheffing over aandelenopties in box 2.

Het kabinet heeft eerder aangegeven het wetsvoorstel hiervoor in september 2026 aan de Tweede Kamer te willen aanbieden. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1 januari 2027 in werking te laten treden.

Ondernemersaftrek

Wat betreft aftrekmogelijkheden voor ondernemers worden de volgende wijzigingen in het belastingpakket verwacht:

  • verhoging van het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) van 40 naar 45,5% per 2027;
  • verlaging van de stakingsaftrek en meewerkaftrek met 75% per 1 januari 2027 en afschaffing hiervan per 1 januari 2030;
  • verlaging van de startersaftrek per 1 januari 2027 en afschaffing van deze aftrek per 1 januari 2028.

Particulieren

Voor de particulier wordt waarschijnlijk de aftrek van specifieke zorgkosten afgeschaft per 1 januari 2028. Verder worden op Prinsjesdag diverse aanpassingen op het nog bij de Eerste Kamer in behandeling zijnde wetsvoorstel Werkelijk rendement box 3 verwacht. Hiervoor liggen verschillende opties, waarover het kabinet in augustus nog een besluit neemt.

Overdrachtsbelasting

Waarschijnlijk gaat het algemene woningtarief in de overdrachtsbelasting omlaag van 8 naar 7% per 1 januari 2027. Dit tarief geldt voor de verkrijging van woningen die de verkrijger niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken.

Voor overdrachten van woningen tussen woningcorporaties binnen de sociale huisvestingstaak komt er waarschijnlijk een vrijstelling overdrachtsbelasting.

Btw

Het plan om per 1 januari 2028 het btw-tarief op sierteeltproducten te verhogen van 9 naar 21% btw wordt ook in de belastingpakketten op Prinsjesdag 2026 verwacht.

What tax changes can we expect on Prinsjesdag 2026?

By nieuws

Increase in the first bracket of the WKR discretionary allowance or its abolition?

Legislation passed at the end of 2024 already stipulates that the first bracket of the WKR’s discretionary allowance will rise from 2% to 2.16% with effect from 1 January 2027. However, following an evaluation of the WKR covering the years 2019–2024, SEO Economic Research (SEO) has recommended that the first bracket of the discretionary allowance should be abolished altogether. It is likely to become clear on Prinsjesdag 2026 whether the government will adopt this recommendation.

Other changes to the WKR

It will also become clear then whether the government will adopt the following recommendations from SEO:

  • allowing the tax-free home-working allowance and travel allowance to be claimed on the same day;
  • increasing the 80% final levy payable when the tax-free allowance is exceeded;
  • abolishing the service-time exemption of one month’s salary on the occasion of a 25- or 40-year service anniversary;
  • introducing a targeted exemption for directors’ and officers’ liability insurance premiums;
  • the statutory establishment and indexation of the efficiency threshold of €2,400.

It is expected that, at the very least, the targeted exemption for discounts and allowances on products from the company’s own business will be abolished.

Changes to the expat scheme

The reimbursement rate under the expat scheme (formerly the 30% scheme) will be reduced from 30% to 27% with effect from 1 January 2027. At the same time, higher salary thresholds will also apply. These changes have already been incorporated into the legislation. The government has indicated that it does not intend to make the expat scheme any more restrictive.

Increase in the tax-free allowance for travel expenses

As previously announced – and having already come into force with retroactive effect from 1 January 2026 – the tax-free allowance for travel expenses has been increased from €0.23 to €0.25. This increase applies to the tax-free travel allowance that an employer pays to their employee, and to the deductible business travel expenses of a self-employed person or a person receiving income from a business for income tax purposes. From the 2026 income tax return onwards, you may also take this higher amount into account when calculating deductible medical expenses.

Please note! The increase to €0.25 is currently set out in a decree, but will also be incorporated into law as part of the 2026 Prinsjesdag tax package.

Pseudo-final levy on fossil-fuelled passenger cars

From 2027, an employer who makes a passenger car available to an employee – i.e. a company car – will be required to pay a 12% pseudo-final levy to the Tax and Customs Administration on the list price of the passenger car, including VAT and BPM. This proposal was already adopted last year, but amendments are expected on Prinsjesdag 2026, such as an exemption from the pseudo-final levy for replacement cars in the event of damage, repairs and maintenance, and an exemption from the levy for driving school cars.

Youngtimer scheme

The government is considering not raising the age limit under the youngtimer scheme from 16 to 25 years in one go on 1 January 2027. A company car covered by the youngtimer scheme is subject to an additional tax liability of 35 per cent of its market value, rather than the standard additional tax liability that applies to newer cars. The government is considering an alternative phasing-out approach instead of the increase to 25 years with effect from 1 January 2027.

Greentimer scheme

The government is considering introducing a new tax relief scheme for electric cars between five and eight years old. This scheme is expected to be named the ‘Greentimer’ scheme.

Tax scheme for share options at start-ups and scale-ups

There is a plan to introduce a tax relief on payroll tax for benefits arising from share options for employees of start-ups and scale-ups. The tax relief will take the form of limiting the tax base for benefits from share options to 65 per cent, so that tax is levied on a lower benefit amount. The effective payroll tax rate will then be approximately 32 per cent, which is roughly equivalent to the tax rate on share options in box 2.

The government has previously indicated its intention to present the relevant bill to the House of Representatives in September 2026. The aim is for the reduced payroll tax on share options to come into force on 1 January 2027.

Entrepreneur’s allowance

With regard to tax relief options for entrepreneurs, the following changes are expected in the tax package:

  • an increase in the energy investment allowance (EIA) rate from 40% to 45.5% from 2027;
  • a reduction in the cessation allowance and the co-worker allowance by 75 per cent with effect from 1 January 2027, and their abolition with effect from 1 January 2030;
  • a reduction in the start-up allowance from 1 January 2027 and its abolition from 1 January 2028.

Private individuals

For private individuals, the deduction for specific healthcare costs is likely to be abolished with effect from 1 January 2028. Furthermore, on Prinsjesdag, various amendments are expected to the ‘Actual return on investment in Box 3’ bill, which is still under consideration by the Senate. There are several options for this, on which the government will take a decision in August.

Transfer tax

The general residential rate for transfer tax is likely to be reduced from 8% to 7% with effect from 1 January 2027. This rate applies to the acquisition of residential properties which the purchaser does not intend to use as their main residence.

For transfers of residential properties between housing associations within the social housing sector, there is likely to be an exemption from transfer tax.

VAT

The plan to increase the VAT rate on floricultural products from 9% to 21% with effect from 1 January 2028 is also expected to feature in the tax packages announced on Prinsjesdag 2026.

Onbelast arbobudget voor thuiswerkplek werknemer?

By nieuws

Gerichte vrijstelling arbovoorzieningen

Voor het onbelast vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen van een arbovoorziening aan een werknemer bestaat een gerichte vrijstelling. Als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden, kan dit onbelast zonder dat je vrije ruimte in de werkkostenregeling (wkr) wordt aangetast:

  1. De voorziening wordt (geheel of gedeeltelijk) ge- of verbruikt op de werkplek. Dit kan een werkplek op kantoor zijn maar ook een werkplek thuis.
  2. De voorziening is aangewezen in de wkr en voldoet aan de gebruikelijkheidstoets.
  3. De voorziening hangt direct samen met de arboverplichtingen van de werkgever.
  4. De kosten van de voorziening worden geheel door de werkgever gedragen. De kosten mogen niet ten laste van de werknemer komen.

Budget arbovoorzieningen

Een werkgever heeft aan de Belastingdienst gevraag of hij aan zijn werknemers onbelast een budget van € 500 mag geven voor de aanschaf van arbovoorzieningen voor de thuiswerkplek. De kosten van deze arbovoorzieningen mag de werknemer op declaratiebasis bij de werkgever indienen. De werknemer toont dus aan wat hij aanschaft ten laste van het budget van € 500.

De Belastingdienst heeft geantwoord dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing is als:

  • de door de werknemer gekochte voorziening volgt uit de arboverplichtingen van de werkgever, én
  • de vergoeding kostendekkend is.

Eigen bijdrage

De kosten van een arbovoorziening moeten geheel door de werkgever gedragen worden. De werknemer mag dus geen eigen bijdrage betalen. Betaalt de werknemer wel een eigen bijdrage dan is de gerichte vrijstelling niet van toepassing. Een uitzondering geldt voor een eigen bijdrage die een werknemer betaalt omdat hij voor een luxere arbovoorziening wil kiezen dan noodzakelijk is. In zo’n geval geldt de gerichte vrijstelling wel, ondanks de eigen bijdrage.

Kostendekkend?

Als de arbovoorzieningen die de werknemer declareert het budget van € 500 overschrijdt, kan het zijn dat de vergoeding voor een bepaalde arbovoorziening niet meer kostendekkend is. De werknemer betaalt dan als het ware een eigen bijdrage omdat hij niet de volledige kosten van de arbovoorziening vergoed krijgt. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen mag voor die voorziening dan niet worden toegepast.

Voorbeeld

Een werknemer schaft een bureaustoel (€ 300), een beeldscherm (€ 150) en een noise-cancelling koptelefoon (€ 100) aan. Deze voorzieningen voldoen aan alle voorwaarden. Alleen de vraag of de vergoeding kostendekkend en er geen eigen bijdrage betaald is, staat nog open. Hiervoor zijn drie scenario’s denkbaar:

  1. De werknemer declareert alle arbovoorzieningen in één keer. De totale declaratie is € 550, maar het budget is maar € 500. Er is dus sprake van een overschrijding van € 50 en dus van een eigen bijdrage van de werknemer van € 50. De werkgever mag zelf kiezen aan welke arbovoorziening hij deze eigen bijdrage toerekent. Dat zal in dit geval de noise-cancelling koptelefoon zijn, omdat die het minste kost. Voor deze arbovoorziening geldt de gerichte vrijstelling niet.
  2. De werknemer declareert eerst de bureaustoel, op een later moment het beeldscherm en weer later de noise-cancelling koptelefoon. De vergoeding voor de noise-cancelling koptelefoon is dan niet gericht vrijgesteld omdat de koptelefoon € 100 kost en de vergoeding € 50 bedraagt. De werknemer betaalt dan dus een eigen bijdrage van € 50.
  3. Als de werkgever aannemelijk kan maken dat voor een bedrag van € 50 ook een noise-cancelling koptelefoon kan worden aangeschaft die voldoet aan de arbowet, is niet sprake van een eigen bijdrage. Het bedrag van € 50 is dan aan te merken als een bijdrage voor een duurdere voorziening dan nodig is. De gerichte vrijstelling kan dan wel worden toegepast.

Let op!De vraag of de voorziening direct samenhangt met de arboverplichtingen van de werkgever is niet voor elke voorziening meteen zonder meer duidelijk, maar afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Overleg hierover met onze adviseurs