All Posts By

Eigenbouwer bij btw-verleggingsregeling in de bouw

By nieuws

Volgens een gerechtshof kon een bv als zogenoemde eigenbouwer kwalificeren, omdat de algehele leiding van de renovaties bij haar berustte. Wat speelde hier en wat waren de consequenties voor de bv? 

Renovatie 200 gedateerde woningen 

Een bv verworf in de periode 2008 tot en met 2016 ongeveer 200 gedateerde woningen. Deze woningen liet de bv renoveren volgens een standaardconcept. Daarna verkocht de bv de gerenoveerde woningen. 

Renovatiediensten feitelijk uitgevoerd door aannemers 

De bv besteedde alle werkzaamheden feitelijk uit aan een vaste aannemer. In de genoemde jaren waren dat achtereenvolgens onder meer een CV, een Ltd. en een bv geweest. Deze aannemers zijn in 2014, 2016 en 2018 ontbonden of failliet verklaard. Zij hadden grote btw-bedragen niet aangegeven, ten onrechte in aftrek gebracht en onbetaald gelaten. 

Belastingdienst: bv is eigenbouwer 

Tijdens een boekenonderzoek nam de Belastingdienst het standpunt in dat de bv een zogenoemde eigenbouwer was. Voor de btw-verleggingsregeling in de bouw werd de bv daarom gelijkgesteld met een aannemer.  

Dat betekende dat de aannemers de btw op de renovatiediensten hadden moeten verleggen naar de bv. Nu dit niet gebeurd was, legde de Belastingdienst btw-naheffingsaanslagen op aan de bv. Bij de berekening van de btw-naheffingen, bracht de Belastingdienst de btw die de CV, Ltd en bv wel hadden betaald aan de Belastingdienst in mindering op de btw die de bv  verschuldigd was als eigenbouwer.  

Rechtbank: bv is geen eigenbouwer 

De bv was het niet mee eens met de btw-naheffingsaanslagen en ging in beroep. Volgens de rechtbank was de bv geen eigenbouwer, omdat de Belastingdienst niet aannemelijk maakte dat de betrokkenheid van de bv bij de bouw in betekende mate verder ging dan die van een gewone opdrachtgever.  

Gerechtshof: bv is wel eigenbouwer 

De Belastingdienst ging in hoger beroep. Het gerechtshof was van mening dat de Belastingdienst wel aannemelijk maakte dat de algehele leiding van de renovaties bij de bv berustte. De betrokkenheid van de bv bij de bouw ging verder dan een gewone opdrachtgever, omdat de bv haar eigen technische en organisatorische kennis inzette om de renovaties tot het naar haar gewenste resultaat te brengen. Bovendien behoorden de renovaties, gelet op de regelmaat waarmee de bv de 200 renovaties liet uitvoeren, tot de normale bedrijfshandelingen van de bv. Dit betekende dat de bv kwalificeerde als eigenbouwer en de btw-naheffingsaanslag terecht waren opgelegd. 

Let op!Ga altijd goed na of niet onverhoopt een btw-verleggingsregeling van toepassing is. Als de aannemer/onderaannemer de btw ten onrechte niet verlegt, kan dat een dure vergissing voor je worden. Als de Belastingdienst stelt en aannemelijk kan maken dat je een eigenbouwer bent, kan de door de aannemer/onderaannemer niet afgedragen btw namelijk op jou verhaald worden.

 

Sportschool en personal trainer voor dga onbelast?

By nieuws

Gerichte vrijstelling arbovoorziening tot 2022 

De casus voor de rechtbank ging over jaren vóór 2022. De bv betaalde de kosten van de sportschool en een personal trainer voor de dga. De bv vond dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing was, omdat de bv als werkgever zo zorgdroeg voor de gezondheid van de werknemer(s). De rechtbank was het met de werkgever eens en paste de vrijstelling toe. 

Let op! De bv vergoedde ook de kosten van de partner van de dga. Nu de partner geen werknemer was van de bv, was dat niet mogelijk volgens de rechtbank

Gebruikelijkheidstoets 

De vergoeding van de kosten van de sportschool en de personal trainer was ongebruikelijk volgens de Belastingdienst. Om die reden zou de gerichte vrijstelling niet toegepast kunnen worden. De bewijslast dat iets ongebruikelijk is, ligt bij de Belastingdienst. Die kon het standpunt niet onderbouwen met data. De rechtbank ging daarom niet mee in het standpunt van de Belastingdienst. 

Let op!Dat de rechtbank in deze casus de vergoeding van de sportschool en de personal trainer niet ongebruikelijk vond, wil niet zeggen dat dit in andere casussen ook zo is. De rechtbank deed een uitspraak in deze specifieke casus en heeft niet in zijn algemeenheid geoordeeld dat de vergoeding van de sportschool en een personal trainer gebruikelijk is. 

Wat betekent de uitspraak van de rechtbank nu? 

Kan nu iedere dga de kosten van de sportschool en een personal trainer onbelast door de bv laten vergoeden? Nee, helaas niet. 

Allereerst is het nog niet bekend of de Belastingdienst hoger beroep instelt tegen deze uitspraak. Het zou dus nog kunnen dat een gerechtshof in hoger beroep tot een ander oordeel komt. 

Bovendien zijn de regels voor de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen met ingang van 2022 gewijzigd. Om die reden is het nog maar de vraag of de rechtbank voor de jaren vanaf 2022 tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen in deze casus. Het is dus niet zo dat elke dga nu de kosten van de sportschool en de personal trainer onbelast door zijn bv kan laten vergoeden. 

Gerichte vrijstelling arbovoorziening vanaf 2022 

Tot 2022 gold de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbobeleid dat de werkgever voert op grond van de Arbowet. Vanaf 2022 geldt de gerichte vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbowet. Ofwel, de niet-verplichte arbovoorzieningen vallen niet meer onder de gerichte vrijstelling vanaf 2022. 

Sportschool en personal trainer vanaf 2022 

Het is de vraag of het vergoeden van de kosten van de sportschool en een personal trainer een verplichting van de werkgever is op grond van de Arbowet. Als dat zo is, kan de arbovrijstelling worden toegepast. 

De Belastingdienst is in ieder geval van mening dat de arbovrijstelling niet aan de orde is bij voorzieningen die evident gericht zijn op de bevordering van de algemene gezondheid van werknemers. De Belastingdienst zal toepassing van de arbovrijstelling op de vergoeding van de sportschool en personal trainer vanaf 2022 daarom zeer waarschijnlijk afwijzen. 

Let op!De Belastingdienst heeft ook aangegeven dat een voorziening die gericht is op de algemene gezondheid van de werknemer, in een individueel geval toch een verplichte arbovoorziening kan zijn. Hiervoor moet de werknemer in ieder geval een gezondheidsrisico lopen vanwege de arbeid die hij verricht. Er gelden nog meer voorwaarden. Neem hiervoor, en voor de beoordeling van je eigen specifieke situatie contact op met onze adviseurs. 

Aanpassingen 12% pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s

By nieuws

12% pseudo-eindheffing 

Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. 

Let op!Deze heffing geldt ook voor de dga die een fossiele personenauto van de zaak rijdt. Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet door de heffing geraakt worden, maar mogelijk krijgt hij wel te maken met de pseudo-eindheffing voor zijn personeel. 

Voorwaarden 

Voorwaarden voor de pseudo-eindheffing zijn dat de werkgever: 

  • een personenauto ter beschikking stelt aan een werknemer, 
  • die de werknemer ook privé mag gebruiken, en 
  • die een CO2-uitstoot heeft groter dan nul. 

Let op! Auto’s die geen personenauto zijn, bijvoorbeeld bestelbusjes, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Datzelfde geldt voor volledig elektrische en waterstof aangedreven personenauto’s. 

Uitsluitend zakelijk gebruik? 

Ook personenauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Uitsluitend zakelijk gebruik zal echter niet snel voorkomen, omdat het woon-werkverkeer voor de pseudo-eindheffing niet zakelijk, maar privé is. 

Al pseudo-eindheffing vanaf één dag! 

De pseudo-eindheffing geldt voor de hele kalendermaand, ook als in die kalendermaand maar een of enkele dagen een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing geldt dan dus niet voor die ene of enkele dag(en), maar voor de hele maand! 

Aanpassingen

De praktijk heeft overlegd met het Ministerie van Financiën over knelpunten in de pseudo-eindheffing. Voor een aantal hiervan heeft de staatssecretaris aanpassingen aangekondigd

  • Zo geldt bij tijdelijke vervanging van een ‘vaste’ auto bij schade, reparatie, onderhoud of bandenwissel de pseudo-eindheffing straks niet voor de vervangende auto. Deze uitzondering geldt maximaal voor een periode van veertien aaneengesloten kalenderdagen. 
  • Verder komt er een vrijstelling van de pseudo-eindheffing voor de terbeschikkingstelling van een fossiele auto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten dagen per kalenderjaar. Deze vrijstelling vervalt per 1 januari 2031. 
  • Tot slot geldt de pseudo-eindheffing straks niet voor lesauto’s. 

Let op! Bij de evaluatie van de pseudo-eindheffing in 2030 zal beoordeeld worden of deze aanpassingen effectief en nog nodig zijn.  

Overgangsregeling verlengd naar 1 januari 2031 

Personenauto’s die al voor 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling. Deze zou oorspronkelijk lopen tot 17 september 2030, maar de staatssecretaris heeft aangekondigd deze te willen verlengen naar 1 januari 2031. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen. 

Geen oplossing voor pseudo-eindheffing bij wisseling werkgever 

De pseudo-eindheffing zal er waarschijnlijk voor zorgen dat werkgevers vanaf 2027 de oude fossiele brandstofauto van nieuwe werknemers niet willen overnemen van de vorige werkgever. Op dat moment eindigt namelijk het overgangsrecht, omdat de auto door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking wordt gesteld.  

Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt, maar wil hier geen aanpassingen op doen. Dit betekent dat de werknemer bij wisseling van werkgever waarschijnlijk vaak geconfronteerd zal worden met een afkoopsom van de leaseauto. 

Let op! Het overgangsrecht blijft wel van toepassing als de auto gedurende de overgangstermijn aan een andere werknemer ter beschikking wordt gesteld. 

Wel een oplossing bij fusies en overnames 

De staatssecretaris heeft aangegeven dat bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, wel een uitzondering mogelijk is. Hier is geen wettelijke aanpassing voor nodig, dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft. 

Heffingsrecht in ander land 

Tot slot heeft de staatssecretaris nog uitleg gegeven over berekening van de pseudo-eindheffing als het heffingsrecht van een ter beschikking gestelde fossiele personenauto op grond van een belastingverdrag deels is toegewezen aan een ander land. In dat geval mag deze verdeling ook worden toegepast op de pseudo-eindheffing. 

Wet werkelijk rendement box 3 (voorlopig) nog niet aangenomen

By nieuws

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 

De Tweede Kamer stemde op 12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan. 

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Hiervoor geldt een vermogenswinstbelasting, waardoor (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement behoort. 

Opties wijzigingen wetsvoorstel 

Het leek erop dat er in de Eerste Kamer geen meerderheid zou komen voor het wetsvoorstel. De Minister van Financiën liet eind februari 2026 al weten dat hij het wetsvoorstel daarom wilde aanpassen. In een Kamerbrief van 19 juni 2026 heeft de Staatssecretaris van Financiën vervolgens laten weten de volgende opties te overwegen voor wijziging van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3: 

  • de mogelijkheid om één jaar achterwaartse verlies te verrekenen, 
  • de mogelijkheid om de vermogenswinst op onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups door te schuiven bij huwen en scheiden, 
  • introductie van een heffingskorting op inkomen uit groen beleggen, 
  • het verlagen van het box 3-tarief van 36 naar 35%, 
  • het verhogen van het heffingsvrije resultaat van € 1.800 naar € 1.900, 
  • het aanpassen van de vermogenswinstbelasting die zou gaan gelden voor startende ondernemingen, naar een vermogenswinstbelasting voor gedefinieerde startups en scale-ups, 
  • uitbreiden van de huidige vrijstelling voor NSW-landgoederen door de uitzondering voor gebouwde eigendommen te laten vervallen of het introduceren van een doorschuifregeling voor de vermogenswinst op NSW-landgoederen bij erven en schenken, 
  • herinvoering van de partiële buitenlandse belastingplicht, waardoor buitenlandse werknemers onder voorwaarden gedurende de eerste jaren in Nederland geen belasting betalen over hun (buitenlandse) box 2 en box 3-inkomen, 
  • introductie van een box 3-vrijstelling voor leningen van particulieren aan MKB-ondernemingen (de win-winlening). 

Let op! In augustus 2026 beslist het kabinet over deze opties. Een en ander zal mede afhangen van de budgettaire dekking en voorstellen op andere wetsvoorstellen/wetten waarover nog beslist moet worden. Op Prinsjesdag 2026 zal in een novelle op het wetsvoorstel een en ander bekendgemaakt worden. 

Uitstel stemming in Eerste Kamer 

De novelle wordt op Prinsjesdag 2026 aan de Tweede Kamer aangeboden. Deze moet de novelle daarna nog behandelen en daarover stemmen. 

De Eerste Kamer heeft de stemming over het wetsvoorstel Wet Werkelijk rendement box 3 daarom uitgesteld tot na de behandeling van de novelle in de Eerste Kamer. De verwachting is dat de behandeling van die novelle in de Eerste Kamer in januari 2027 pas kan starten. 

Nog geen volledige vermogenswinstbelasting 

Vooralsnog lijkt het erop dat het kabinet er nog niet voor kiest om per 2028 al een vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen te introduceren. Het plan daarvoor blijft wel bestaan, maar het kabinet heeft aangegeven meer tijd daarvoor nodig te hebben. 

Moties Eerste Kamer

Tijdens het debat op 30 juni 2026 in de Eerste Kamer zijn nog wel de volgende moties ingediend waarin de regering verzocht wordt om:

  • het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 in te trekken en te vervangen door een wetsvoorstel volledig gebaseerd op de vermogenswinstbelasting,
  • een rapport met de verwachte langetermijnopbrengsten uit de vermogenswinstbelasting op box 3-vastgoed met een onderzoek naar de mogelijkheden om de step-up op 1 januari 2028 te corrigeren voor inflatie en andere faire aanpassingen,
  • over te gaan tot een eenmalige verlaging van de box 2-belasting met 5% om zo de tijdelijke budgettaire tekorten in box 3 te dekken.

Let op! De Eerste Kamer stemt op dinsdag 7 juli 2026 over deze moties, die overigens allemaal door de staatssecretaris ontraden worden.

Bijtelling ook 7% bij meerdere fietsen van de zaak?

By nieuws

Fiets van de zaak

Voor een fiets die je aan een werknemer ter beschikking stelt, moet je een bijtelling toepassen van 7% als de werknemer de fiets ook privé mag gebruiken. De bijtelling van 7% bereken je over de consumentenadviesprijs van de fiets.

Meerdere fietsen

De vraag is gesteld of het bijtellingspercentage 7% blijft als je niet een maar meerdere fietsen aan je werknemer ter beschikking stelt. Uit de wijze waarop de bijtelling in de wet is opgenomen zou opgemaakt kunnen worden dat het bijtellingspercentage ook voor elke tweede of volgende fiets 7% is. Lease-a-Bike vermeldt op hun website dat de Belastingdienst dit aan hen heeft bevestigd.

Aanwijzen in vrije ruimte?

Over de bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.

Als voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets, kun je de fiets ook aanwijzen in de vrije ruimte. Het ter beschikking stellen van een fiets zal door de Belastingdienst waarschijnlijk wel als gebruikelijk worden aangemerkt, mits het een gebruikelijk exemplaar is. Het is echter de vraag of de Belastingdienst ook een tweede of volgende fiets als gebruikelijk aanmerkt.

Let op! Je kunt uiteraard altijd gebruikmaken van de doelmatigheidsmarge in de gebruikelijkheidstoets. Als de bijtelling tezamen met andere vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen in een jaar, maximaal € 2.400 per werknemer per jaar bedraagt, neemt de Belastingdienst aan dat dit gebruikelijk is.

 

Milieuprestatie-eisen nieuwe gebouwen vernieuwd en verscherpt

By nieuws

Milieuprestatie-eisen

Aan de hand van milieuprestatie-eisen kan de duurzaamheid van een gebouw worden bepaald. Milieuprestatie-eisen zijn de minimale eisen waaraan een nieuw gebouw met betrekking tot het milieu moet voldoen. Onder meer de uitstoot van CO2 en waterverbruik zijn onderdeel van de milieuprestatie-eisen. De eisen waaraan gebouwen moeten voldoen zijn in het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl)vastgelegd. Het berekenen van de milieuprestatie van een gebouw is verplicht voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning.

Eisen aangescherpt en uitgebreid

De milieuprestatie-eisen voor kantoren worden per 1 juli met 15% aangescherpt, wat betekent dat kantoren milieuvriendelijker moeten worden. Voor woningen blijven de eisen gelijk, maar verandert wel de berekeningsmethode. Vanaf 1 juli 2026 gaan er daarnaast ook milieuprestatie-eisen gelden voor gebouwen zoals scholen, winkels, zorginstellingen en bedrijfshallen. Dat is op dit moment nog niet het geval. 

Berekening met Nationale Milieudatabase

Voor de berekening van de milieuprestatie wordt gebruikgemaakt van cijfers uit de Nationale Milieudatabase. De invoering van de kenmerken van een gebouw, zoals de omvang, de gebruikte bouwproducten en de hoeveelheid ervan, levert uiteindelijk de milieuprestatie op. Om hierover inzicht te krijgen zijn speciale informatiebladen beschikbaar op het Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl).

Keuzes belangrijk

De milieuprestatie-eisen zorgen er ook voor dat bij de bouw weloverwogen keuzes gemaakt moeten worden. Zo zijn onder andere de vorm van het gebouw, het gebruikte materiaal en de geleverde installaties bepalend voor de milieuprestatie. Daarbij is ook het verband tussen energie- en milieuprestatie van belang, aangezien het energievriendelijk maken van een gebouw kan leiden tot extra materiaalgebruik. 

Bredere toepassing

De milieuprestatie van een gebouw kent ook een bredere toepassing. Zo wordt de prestatie onder meer gebruikt binnen de fiscale wetgeving op het gebied van de milieu-investeringsaftrek en bij de certificering van duurzaam vastgoed.

Tip! Meer informatie over de technische kant inzake de milieuprestatie-eisen tref je aan op iplo.nl zoekterm ‘milieuprestatie’. 

Vraag buitenlandse btw uiterlijk 30 september 2026 terug

By nieuws

Procedure teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen

Je kunt de buitenlandse btw terugvragen via de speciale teruggaafprocedure buitenlandse btw. Daarvoor moet je de volgende stappen doorlopen:

  1. Allereerst vraag je inloggegevens aan voor het verzoek om teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen. Dit kun je hier doen. Het kan vier weken duren voordat je deze inloggegevens ontvangt, dus vraag deze gegevens ruim op tijd aan.
  2. Vervolgens kun je met de ontvangen inloggegevens inloggen op de speciale internetsite voor teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen. 
  3. Nadat je bent ingelogd op de speciale internetsite, kun je het verzoek om teruggaaf buitenlandse btw invullen en digitaal versturen.
  4. De Nederlandse Belastingdienst stuurt het verzoek om teruggaaf buitenlandse btw door naar de buitenlandse Belastingdienst.

Let op! Moet je in een ander EU-land btw afdragen en daarom btw-aangifte doen? Dan vraag je de in rekening gebrachte btw van dit EU-land terug in die btw-aangifte. Je gebruikt dan niet voorgaande procedure.

Vereisten verzoek teruggaaf buitenlandse btw

Voor het verzoek om teruggaaf buitenlandse btw uit andere EU-landen gelden per EU-land verschillende regels. Bijvoorbeeld voor de taal waarin je het verzoek moet doen en welke facturen je moet bijvoegen.

Tip! Op de website van de Belastingdienst kun je de vereisten per EU-land downloaden.

Controle

Voordat de buitenlandse Belastingdienst de buitenlandse btw terugbetaalt, controleert die Belastingdienst of je op grond van de buitenlandse btw-regels recht hebt op aftrek van voorbelasting. Heeft je leverancier uit een ander EU-land bijvoorbeeld btw in rekening gebracht, terwijl de verleggingsregeling van toepassing is? Dan heeft je leverancier ten onrechte btw op de factuur vermeldt, waardoor jij geen recht hebt op aftrek van die btw. De buitenlandse Belastingdienst zal het verzoek om teruggaaf van die buitenlandse btw dan weigeren.

De teruggaafprocedure gaat wijzigen

De Belastingdienst is bezig om het IT-systeem voor de btw te wijzigen. In verband daarmee wijzigt straks ook de manier waarop je buitenlandse btw terugvraagt. Zodra de nieuwe procedure geldt, moet je het teruggaafverzoek digitaal doen via Mijn Belastingdienst Zakelijk. Dit houdt in dat je DigiD of eHerkenning nodig hebt om de buitenlandse btw te kunnen terugvragen. De exacte ingangsdatum publiceert de Belastingdienst op haar website, zodra de overgang naar het nieuwe IT-systeem is afgerond.

Geen andere partnerverdeling box 3 na verliesverrekening

By nieuws

Andere partnerverdeling box 3

Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan.

Let op! Een aanslag staat onherroepelijk vast als de definitieve aanslag is opgelegd en er geen tijdig bezwaar of beroep meer loopt.

Verliesverrekening

In een casus die voorlag bij de Hoge Raad stonden de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vast. Een van de partners leed in 2018 een ondernemersverlies dat verrekend werd met de aanslag IB 2015. De partners wilden daarna box 3 anders tussen elkaar verdelen. De reden was dat met die andere verdeling de heffingskortingen volledig benut konden worden.

Hoge Raad: geen nieuwe verdeling mogelijk

De Belastingdienst stond de andere verdeling niet toe omdat de aanslagen IB 2015 al onherroepelijk vaststonden. De rechtbank was het daar mee eens, maar het gerechtshof niet.

Het gerechtshof oordeelde dat de wetgever niet voorzien en gewild had dat de heffingskortingen niet volledig benut konden worden. Het gerechtshof verminderde daarom de aanslag van een van de partners.

De Hoge Raad was het daar niet mee eens. Naar het oordeel van de Hoge Raad doet zich hier niet een bijzondere omstandigheid voor die de wetgever niet heeft voorzien en gewild. Na de achterwaartse verliesverrekening was dan ook geen nieuwe verdeling van box 3 mogelijk omdat de aanslagen al onherroepelijk vaststonden.

Voorlopig geen dwangsom bij te laat besluit in toeslagenaffaire

By nieuws

Compensatie werkelijke schade

Gedupeerden van de toeslagenaffaire hadden in beginsel recht op compensatie waarbij werd uitgegaan van standaard berekeningen en bedragen. Wie kan aantonen dat de werkelijke schade voor hem of haar groter was, kan een verzoek indienen om de Commissie Werkelijke Schade te laten beoordelen of recht bestaat op meer compensatie. De Dienst Toeslagen neemt hierover een besluit na een wettelijk verplicht advies van deze commissie.

Wat bij niet tijdig beslissen?

De uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft betrekking op het niet tijdig nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de werkelijke schade. Zijn dwangsommen van toepassing als een dergelijk besluit niet tijdig genomen wordt?

De Afdeling bestuursrechtspraak besliste dat de normale wettelijke termijn geldt: ofwel de Dienst Toeslagen moet alsnog een besluit nemen binnen twee weken nadat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak op het verzoek is verzonden. De uitspraak stelt echter ook dat wanneer deze termijn wordt overschreden er tot 3 juni 2027 geen dwangsom betaald hoeft worden.

Dwangsom heeft geen effect

Als reden voor het niet hoeven te betalen van een dwangsom stelt de afdeling bestuursrechtspraak dat hiervan geen effect hoeft te worden verwacht. Het toekennen van een dwangsom, leidt er namelijk niet toe dat daardoor eerder op het verzoek om vergoeding van de werkelijke schade beslist zal worden. De besluitvorming van de Dienst Toeslagen hierover is namelijk volledig vastgelopen en de capaciteit om dit te veranderen schiet enorm tekort, aldus de afdeling bestuursrechtspraak.

Alleen voor compensatie werkelijke schade

De uitspraak heeft alleen betrekking op zaken waarbij de Dienst Toeslagen niet op tijd besluit op een verzoek om compensatie van de werkelijk geleden schade. Voor andere besluiten gelden andere termijnen. Zo heeft de Dienst Toeslagen vanaf 26 maart 2025 60 weken langer de tijd om te beslissen op bezwaarschriften tegen de geboden compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen. Die termijn blijft dus in stand.

Let op! De Afdeling bestuursrechtspraak gaat ook nog in op alternatieve hersteltrajecten. Lees hierover meer in het persbericht over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Inmiddels heeft de staatssecretaris in een voortgangsbrief ook laten weten dat gedupeerde ouders met aanvullende schade steeds sneller kunnen worden geholpen via MijnHerstel. Lees meer hierover in het nieuwsbericht op Rijksoverheid.nl.

 

Fiscaal aantrekkelijk obligatieplan voor (sport)vereniging

By nieuws

Obligatieplan 

In de casus die voorgelegd is bij de Belastingdienst wilde een sportvereniging geld ophalen voor de realisatie van een aantal sportfaciliteiten. Het obligatieplan dat daarvoor bedacht was, werkte als volgt: 

  • Een lid van de vereniging leent via een obligatielening geld uit aan de vereniging. 
  • Deze obligatielening wordt in een bepaald aantal jaren afgelost door de vereniging. 
  • Op de obligatielening wordt door de vereniging een zakelijke rente vergoed. 
  • Het lid maakt met de vereniging een akte van schenking op, waarbij het lid jaarlijks gedurende minimaal vijf jaar een vast bedrag aan de vereniging schenkt. 
  • De door de vereniging te betalen aflossing en rente op de obligatielening worden verrekend met deze jaarlijkse schenking. 
  • Het verstrekken van een obligatielening door een lid gaat altijd gepaard met de periodieke schenking zoals hiervoor beschreven. 

Let op! De sportvereniging in deze casus voldeed aan de definitie die geldt voor het aftrekbaar zijn van een periodieke gift aan een vereniging. Een vereniging voldoet hieraan als ze niet aan de vennootschapsbelasting is onderworpen of daarvan is vrijgesteld. Daarnaast moet de vereniging volledige rechtsbevoegdheid en minimaal 25 leden hebben. 

Periodieke gift aftrekbaar? 

De vraag aan de Belastingdienst was of de periodieke gift die het lid aan de sportvereniging doet, aftrekbaar is als periodieke gift. De Belastingdienst heeft hierop geantwoord dat sprake is van een aftrekbare periodieke gift als het een reële geldlening betreft met een zakelijk rentepercentage. Uiteraard moet ook aan de overige voorwaarden voor de periodieke giftenaftrek worden voldaan. 

Let op! De overige voorwaarden voor periodieke giftenaftrek zijn opgenomen op de website van de Belastingdienst. 

Reële geldlening 

Voor een reële geldlening is volgens de Belastingdienst in ieder geval een terugbetalingsverplichting nodig. Verder moet de geldlening voldoende realiteitswaarde hebben. Dit betekent dat: 

  • het bedrag van de geldlening door het lid daadwerkelijk moet worden overgemaakt naar de vereniging,  
  • in de overeenkomst de duur van de geldlening is opgenomen; 
  • de vereniging ook over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen. 

Zakelijke rente 

De Belastingdienst geeft aan dat het niet mogelijk is om op voorhand een vast zakelijk rentepercentage te benoemen. Dit is namelijk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Desondanks geeft de Belastingdienst aan dat onder de feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven aangesloten kan worden bij de rente op Nederlandse staatsobligaties met een vergelijkbare looptijd vermeerderd met een beperkte risico-opslag. 

Overleg met adviseur 

Overweeg je met je vereniging een vergelijkbaar fiscaal aantrekkelijk obligatieplan? Overleg dan met onze adviseurs. De uitspraak van de Belastingdienst betekent namelijk niet dat elke obligatieplan zonder meer aan de voorwaarden voldoet. Zo kan er onder meer discussie ontstaan over de vraag of de vereniging over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen of over de zakelijkheid van het rentepercentage.