All Posts By

Nog voldoende subsidie DUMAVA voor maatschappelijk vastgoed

By nieuws

Maatschappelijk vastgoed

Bij maatschappelijk vastgoed moet je denken aan scholen, overheidsgebouwen, zorginstellingen, sportaccommodaties en monumenten. De subsidie DUMAVA is beschikbaar voor maatschappelijke instellingen in de sectoren decentrale overheid, onderwijs, zorg, cultuur en religieuze instellingen.

De subsidie kan verder aangevraagd worden door stichtingen en verenigingen voor gebouwen met een publieksfunctie. Ook eigenaren van een geregistreerd rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument kunnen DUMAVA aanvragen. Hetzelfde geldt voor veiligheidsregio’s met maatschappelijk vastgoed.

Voorwaarden

Er gelden verschillende voorwaarden voor het aanvragen van de subsidie. Belangrijk is dat je eerst een verduurzamingsadvies laat opstellen voordat je DUMAVA aanvraagt. Verder dien je eerst DUMAVA aan te vragen en pas na toekenning van de subsidie een contract aan te gaan met een aannemer of te starten met de verduurzaming. Doe je dat niet, dan loop je het risico geen subsidie te krijgen.

Let op! Kijk voor alle voorwaarden hier.

Geen DUMAVA bij BOSA

DUMAVA is ook beschikbaar voor amateursportverenigingen, mits voor de sportaccommodatie niet al eerder BOSA-subsidie is ontvangen. 

Let op! Voor amateurverenigingen gelden wel extra voorwaarden. 

Hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het aantal verduurzamingsmaatregelen:

  • Bij losse verduurzamingsmaatregelen bedraagt de subsidie 20% van de projectkosten, het energieadvies en het energielabel samen. Het minimale subsidiebedrag is € 2.500 en het maximale € 1,5 miljoen. Je kunt voor maximaal drie losse verduurzamingsmaatregelen een aanvraag doen.
  • Bij een integraal verduurzamingsproject bedraagt de subsidie 30% (in bepaalde gevallen tot 40%) van de projectkosten, het energieadvies en het energielabel samen. Het minimale subsidiebedrag is € 25.000 en het maximale € 1,5 miljoen.

Aanvraagperiode en budget

De aanvraagperiode startte op 1 juni 2026 9.00 uur en loopt tot en met vrijdag 16 oktober 2026 17.00 uur. Er is € 405 miljoen budget beschikbaar gesteld. Op 3 augustus 2026 was hier nog ruim 283 miljoen (70%) van over. Er is dus nog voldoende budget beschikbaar.

Advieswijzer Auto: zakelijk of privé?

By nieuws

Rekensom is niet eenvoudig

Het is niet eenvoudig om te beoordelen wat voordeliger is: een auto op de zaak of in privé rijden. De beoordeling is namelijk afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals de hoogte van de afschrijvingen, de onderhoudskosten, de verzekeringskosten, de motorrijtuigenbelasting, eventuele financieringskosten, de CO2-uitstoot van de auto, het aantal in een jaar te rijden privé- en zakelijke kilometers, de btw-gevolgen, de bijtelling en vanaf 2027 de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.

Als je deze gegevens helder voor ogen zou hebben, kun je berekenen wat het voordeligst is. Over het algemeen zijn deze gegevens echter niet volledig bekend en zal van schattingen moeten worden uitgegaan. De werkelijkheid kan dan afwijken van de berekeningen. Vervolgens moet je ook nog rekening houden met belastingtarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en andere fiscale regelingen, die regelmatig wijzigen.

Let op! Ben je ondernemer in de inkomstenbelasting, dan mag je bij de aanschaf doorgaans kiezen of je de auto tot je ondernemingsvermogen rekent of tot je privévermogen. Die keuze heb je echter niet als je maar maximaal 500 kilometer per jaar privé met de auto rijdt. Je moet de auto dan verplicht tot het ondernemingsvermogen rekenen. Rijd je minder dan 10% van het aantal kilometers zakelijk, dan moet je de auto verplicht tot het privévermogen rekenen.

Auto van de zaak

De auto van de zaak heeft een aantal voordelen:

  • Als je de auto tot het ondernemingsvermogen rekent, worden de aanschaf- en alle overige (auto)kosten betaald door je onderneming.
  • Je kunt de overige autokosten – denk aan bijvoorbeeld onderhoud, brandstof, verzekering, motorrijtuigenbelasting, maar ook financierings-, parkeer- en waskosten – aftrekken van de winst van je onderneming en bovendien jaarlijks de afschrijving op de auto ten laste van de winst brengen.
  • Voor auto’s zonder CO2-uitstoot op waterstof of zonnecellen heb je recht op milieu-investeringsaftrek (zie hierna). Dat geldt niet voor de eventuele laadpaal.
    Schaf je in 2026 een milieuvriendelijke auto aan en reken je deze tot het ondernemingsvermogen, dan kom je mogelijk in aanmerking voor de milieu-investeringsaftrek (MIA). De MIA geldt in 2026 alleen nog voor een waterstofpersonenauto en voor een personenauto op zonnecellen met een CO2-uitstoot van 0 gr/km. Er gelden verschillende aftrekpercentages en er zijn maxima gesteld aan de in aanmerking te nemen investeringsbedragen.
Soort auto MIA % Maximaal in aanmerking te nemen investeringsbedrag
 Waterstofpersonenauto 45% over 90% van investeringsbedrag  € 75.000
Zonnecel-personenauto 36% over 90% van investeringsbedrag  € 100.000

De auto van de zaak brengt ook een aantal nadelen met zich mee:

  • Bij verkoop van de auto realiseert jouw onderneming mogelijk een belaste winst. Het kan echter ook dat je een aftrekbaar verlies realiseert.
  • Als je de auto van de zaak ook privé gebruikt, krijg je in de meeste gevallen te maken met een bijtelling privégebruik auto.
  • Vanaf 2027 moet de bv van een dga rekening houden met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (daarover straks meer).
  • Jouw onderneming moet btw betalen over de waarde van het privégebruik auto. Kun je dit privégebruik niet bepalen, dan geldt in de regel dat de te betalen btw 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) bedraagt. Na het vierde jaar van aanschaf of ingeval bij de aanschaf geen recht op aftrek van btw bestond, is dit 1,5%.

Let op! Verricht jouw onderneming ook btw-vrijgestelde prestaties, dan kan sowieso een deel van de btw niet in aftrek worden gebracht. Verricht je bijvoorbeeld voor 40% vrijgestelde prestaties, dan kan ook 40% van de btw niet in aftrek worden gebracht. Ook de niet-aftrekbare btw vanwege het privégebruik wordt dan naar rato verminderd. Bij 40% vrijgestelde prestaties is de correctie dan niet 2,7%, maar 60% (100% -/- 40%) x 2,7%. Je kunt immers ook maar 60% van alle btw aftrekken.

Bijtelling privégebruik auto

De fiscale spelregels voor de bijtelling privégebruik auto zijn afhankelijk van jouw ondernemingsvorm. Ben je directeur-grootaandeelhouder (dga) en opereer je vanuit een bv, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de loonbelasting. Vanaf 2027 moet de bv van een dga ook rekening houden met de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s.

Ben je echter een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak, vof, cv of maatschap, dan word je voor het privégebruik van de auto belast in de inkomstenbelasting. Voor de laatste categorie kan de bijtelling nooit méér bedragen dan de werkelijke kosten van de auto in dat jaar (inclusief afschrijving). Een ondernemer die opereert vanuit een eenmanszaak krijgt voor zichzelf niet te maken met de peudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (mogelijk wel voor zijn personeel).

Voor de meeste auto’s die vanaf 2017 op kenteken zijn gezet, geldt een standaardbijtelling van 22% van de cataloguswaarde (inclusief btw en bpm). Alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt nog een lagere bijtelling. De lage bijtelling is beperkt tot een deel van de cataloguswaarde (met uitzondering van auto’s op waterstof en op zonnecellen). Over het meerdere geldt de normale bijtelling van 22%.

Voor een nieuwe auto gelden in 2026 de volgende bijtellingspercentages en CO2-grenzen:

CO2-uitstoot Bijtelling
 0 (op batterij)  18% tot € 30.000, daarboven 22%
 0 (op waterstof of op zonnecellen)  18% onbeperkt
 Meer dan 0  22%

Je wordt in beginsel niet elk jaar met een nieuw bijtellingspercentage geconfronteerd. Een vastgesteld percentage blijft voor alle auto’s gedurende 60 maanden geldig. Pas na deze periode wordt de bijtelling vastgesteld aan de hand van de dan geldende percentages.

Let op! Voor een in 2027 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt in 2027 een bijtellingspercentage van 20% tot € 30.000 en 22% daarboven. Voor auto’s op waterstof of zonnecellen is dat 20% over de gehele cataloguswaarde. Voor een in 2028 nieuw aangeschafte auto zonder CO2-uitstoot geldt geen lagere bijtelling meer.

Let op! Een auto met datum eerste toelating tot de weg van uiterlijk 31 december 2016 krijgt na 60 maanden geen bijtelling van 22%, maar van 25%. Dit is alleen anders als het een elektrische auto betreft met een CO2-uitstoot van nul. Hiervoor wordt de bijtelling in 2026 21% tot een cataloguswaarde van € 30.000 en 25% over het meerdere.

Een bijtelling kan achterwege blijven als je kunt bewijzen dat je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé met de auto hebt gereden. Woon-werkkilometers worden voor de inkomstenbelasting gezien als zakelijk, ook als je thuis gaat lunchen. Voor de btw gelden die kilometers echter als privé.

Let op! Is jouw auto ouder dan 16 jaar? Dan bedraagt de standaardbijtelling in 2026 geen 22% van de cataloguswaarde, maar 35% van de waarde van de auto in het economisch verkeer. Eind 2025 is een wetswijziging aangenomen waarin de leeftijdsgrens per 2027 verhoogd wordt naar 25 jaar en ouder.. Het kabinet denkt nog na over een ander afbouwpad waarbij bijvoorbeeld de verhoging naar 25 jaar niet in een keer maar geleidelijk gebeurd of alleen voor auto’s die in 2026 jonger dan 16 jaar zijn.

Let op! Het kabinet denkt na over een regeling om gebruikte, elektrische auto’s aantrekkelijker te maken voor zakelijke rijders. Gedacht wordt aan een vermindering van de bijtelling voor elektrische auto van vijf tot acht jaar oud. In de augustusbesluitvorming 2026 beslist het kabinet over de invoering van deze greentimerregeling.

Pseudo-eindheffing per 2027

Er wordt per 2027 een pseudo-eindheffing ingevoerd voor werkgevers die hun personeel een personenauto ter beschikking stellen die CO2 uitstoot. Ook voor een dga die in dienst is bij zijn eigen bv en over een personenauto van de zaak beschikt die CO2 uitstoot, is de pseudo-eindheffing van toepassing. De pseudo-eindheffing geldt echter niet voor een ondernemer in de inkomstenbelasting die over een personenauto van de zaak beschikt, maar wel voor de personenauto’s die hij aan zijn werknemers ter beschikking stelt. De pseudo-eindheffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde per jaar en komt voor rekening van de werkgever.

Wanneer geen pseudo-eindheffing?

De pseudo-eindheffing geldt niet:

  • Voor de personenauto die niet privé mag worden gebruikt. Voor deze regeling wordt woon-werkverkeer echter als privé aangemerkt.
  • Tot 17 september 2030 voor personenauto’s die de werkgever vóór 1 januari 2027 al ter beschikking stelt. Vanaf die datum geldt de pseudo-eindheffing wel voor alle ter beschikking gestelde personenauto’s die CO2 uitstoten. Het kabinet heeft aangekondigd de termijn te willen verlengen van 17 september 2030 naar 1 januari 2031.
  • Voor personenauto’s die geen CO2 uitstoten, zoals een elektrische personenauto.
  • Voor auto’s die geen personenauto zijn, zoals een bestelbus.

Het kabinet heeft aangekondigd ook nog uitzonderingen te willen invoeren:

  • voor de vervangende personenauto’s die maximaal veertien kalenderdagen (aaneengesloten) ter beschikking worden gesteld ter vervangging van de vaste auto bij bijvoorbeeld schade of reparatie,
  • tot 1 januari 2031 voor fossiele de ter beschikking stelling van een fossiele personenauto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten kalenderjaar, en
  • voor lesauto’s.

Privéauto

De auto die je in privé aanschaft, heeft een aantal voordelen:

  • De auto blijft jouw privé-eigendom.
  • Bij verkoop van de auto realiseer je in privé mogelijk een onbelaste winst. Het is echter ook mogelijk dat je een niet-aftrekbaar verlies lijdt. 
  • Je krijgt niet te maken met een bijtelling privégebruik auto.
  • Je bv krijgt vanaf 2027 niet te maken met de pseudo-eindheffing voor personenauto’s die CO2 uitstoten.
  • Jouw onderneming hoeft ook geen btw te betalen over de waarde van het privégebruik van de auto. De ondernemer in de inkomstenbelasting kan de auto voor de omzetbelasting overigens tot het ondernemingsvermogen rekenen, ook als de auto voor de winstberekening tot het privévermogen is gerekend. Andersom kan dit ook. De keuze voor de omzetbelasting staat dus los van de keuze voor de inkomstenbelasting. Bij keuze voor ondernemingsvermogen geldt de btw over het privégebruik wel.
  • Je kunt van je bv een belastingvrije onkostenvergoeding ontvangen van € 0,25 per zakelijke kilometer, (tot 1 januari 2026 was dit € 0,23 perkm) (of ten laste van jouw winst brengen als je ondernemer in de inkomstenbelasting bent).
  • Ben je dga, dan kun je mogelijk ten laste van jouw vrije ruimte nog een hogere onkostenvergoeding belastingvrij ontvangen. Deze mogelijkheid is afhankelijk van de hoogte van jouw vrije ruimte en uw andere vergoedingen en verstrekkingen die zijn toegewezen aan de vrije ruimte.
  • Je kunt een deel van de btw op gebruik en onderhoud van de auto in aftrek brengen. Dit kan alleen als jouw onderneming btw-belaste prestaties verricht. Verricht jouw onderneming ook btw-vrijgestelde prestaties, dan zal geen aftrek van btw mogelijk zijn voor de verhouding vrijgestelde prestaties-totale prestaties.

De auto in privé brengt ook een aantal nadelen met zich mee:

  • Je moet zelf in privé de aanschafkosten en alle overige autokosten betalen.
  • Je kunt de gemaakte autokosten niet aftrekken van de winst van jouw onderneming (met uitzondering van de onkostenvergoeding van €0,25/km die jouw onderneming ten laste van de winst mag brengen voor jouw zakelijke kilometers) en je kunt ook de afschrijving op de auto niet ten laste van de winst van jouw onderneming brengen.
  • De btw die je betaalt bij aanschaf van de auto kun je niet in aftrek brengen, tenzij je de auto voor de btw als zakelijk aanmerkt. Je kunt hiervoor kiezen, ook als je de auto voor de inkomstenbelasting als privé aanmerkt.

Let op! Als jouw onderneming nagenoeg alle kosten van jouw privéauto aan je vergoedt, kan jouw privéauto door de Belastingdienst alsnog als auto van de zaak worden aangemerkt.

De keuze: zakelijk of privé?

Het antwoord op de vraag wat voordeliger is, de auto zakelijk of privé, is afhankelijk van allerlei, vaak niet precies bekende omstandigheden en factoren. Dit maakt het lastig om exact te berekenen wat voordeliger is. Toch is er wel een aantal grove vuistregels te geven. Zo is bij lage afschrijvingskosten of bij veel zakelijke kilometers een privéauto over het algemeen voordeliger. Maak echter geen ondoordachte keuze. Wij kunnen aan de hand van alle gegevens een berekening voor jou maken.

Overbrengen naar privé: ondernemer in de inkomstenbelasting?

Staat een auto eenmaal op de zaak, dan kun je als ondernemer in de inkomstenbelasting deze in beginsel niet overbrengen naar privé. Overbrengen naar privé kan alleenals er fiscaal sprake is van een zogenaamde bijzondere omstandigheid. Daarvan is niet vaak sprake. Een bijzondere omstandigheid is bijvoorbeeld een wetswijziging of rechterlijke uitspraak waardoor je een andere keuze gemaakt zou hebben als je dit zou hebben geweten voordat je besliste de auto op de zaak te zetten. Of als je de auto helemaal niet meer zakelijk zou gebruiken (bijvoorbeeld omdat je een nieuwe auto koopt). Dan ben je zelfs verplicht de auto voortaan tot het privévermogen te rekenen. Deze overgang moet plaatsvinden voor de werkelijke waarde, waardoor je – afhankelijk van de fiscale boekwaarde – een boekwinst of -verlies realiseert. Ook voor de btw kan dit gevolgen hebben.

Overbrengen naar privé: ondernemers met een bv

Een auto op naam van uw bv is in beginsel altijd zakelijk. Bij een bv is overbrengen naar privé wel mogelijk, zelfs als er geen bijzondere omstandigheden zijn. Je kunt namelijk de auto altijd van jouw bv aan jezelf als dga verkopen. Vervolgens kun je zakelijke ritten voor de bv maken tegen een vergoeding van € 0,25 per kilometer. 

Let op! Er is onduidelijkheid over de vraag over welk bedrag btw verschuldigd is als een dga de auto overneemt van de bv tegen een lagere prijs dan de marktwaarde. Moet de btw dan berekend worden over deze lagere prijs of over de werkelijke waarde? Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseerde eind 2025 de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde. In een soortgelijke situatie kun je de btw over de marktwaarde van de auto afdragen en bezwaar maken tegen jouw eigen aangifte. Op die manier stel je jouw rechten zeker als de Hoge Raad duidelijk heeft gemaakt welke visie de juiste is. Bovendien voorkom je op deze manier een boete.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Ook expatregeling als looneis naar verwachting gehaald wordt?

By nieuws

Expatregeling 

De expatregeling komt er in het kort op neer dat werkgevers een buitenlandse werknemer met een specifieke deskundigheid een percentage van het salaris netto mogen uitbetalen als kostenvergoeding. Het gebruik van de regeling is optioneel. Men mag er dus ook voor kiezen de extra kosten van de werknemer belastingvrij te vergoeden, als dit mogelijk is op basis van de bestaande regelgeving. Je moet deze extra kosten dan wel aannemelijk kunnen maken.

Regeling kent voorwaarden

De expatregeling kent een aantal voorwaarden. Een belangrijke is de deskundigheidseis. In de wettelijke bepalingen is opgenomen dat aan die deskundigheidseis wordt voldaan als de werknemer tenminste een bepaald salaris verdient (de looneis). Voor 2026 is dit €48.013, in bepaalde gevallen is dit € 36.497. In bovengenoemde rechtszaak ging het erom of een helikopterpilote aan de gestelde looneis voldeed.

Wijziging salaris

Bij indiensttreding moest de pilote eerst een opleiding volgen en met succes afronden. Tijdens de opleiding verdiende ze een lager salaris, dat na voltooiing van de opleiding wijzigde in een hoger salaris. Op basis van het lagere salaris voldeed de pilote niet aan de looneis De centrale vraag was of voor de expatregeling ook al van het hogere afgesproken salaris mocht worden uitgegaan.

Zo goed als zeker

Rechtbank Noord-Holland vond dat dit inderdaad is toegestaan. Het hogere loon was immers al afgesproken bij het afsluiten van de arbeidsovereenkomst. Verder bleek uit de feiten onder meer dat de slagingskans voor de pilote vrijwel 100% bedroeg, onder andere als gevolg van haar ervaring. Volgens de rechtbank was dit zo goed als zeker en was daardoor te verwachten dat ze aan de looneis zou voldoen. De rechtbank stond het gebruik van de expatregeling dan ook toe.

Let op!De rechtbank gaf in de uitspraak ook aan dat een en ander getoetst moet worden bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Als dan niet voldaan wordt aan de looneis, kan een latere wijziging van de arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat alsnog met terugwerkende kracht of vanaf dat moment, voldaan wordt aan de looneis.

Begrip ‘stage’

Voor de expatregeling is ook van belang wat onder een stage moet worden verstaan. De werknemer die van de regeling gebruik wil maken moeten namelijk uit een ander land aangeworven zijn. Bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst mag de werknemer nog niet in Nederland werkzaam zijn. Werkzaamheden in het kader van een stage in Nederland worden daarbij niet aangemerkt als werkzaamheden in Nederland. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat het begrip stage ruim moet worden opgevat. 

In kader van opleiding?

In deze zaak stelde de Belastingdienst dat de gevolgde stage niet aan de eisen voor een stage voldeed, omdat deze niet was gevolgd in het kader van een opleiding. De rechtbank was van mening dat om van een stage te kunnen spreken niet vereist is dat dit in het kader van een opleiding is. Verder is naar het oordeel van de rechtbank ook niet vereist dat sprake is van een opleiding aan een erkende onderwijsinstelling. De gevolgde stage stond in dit geval dan ook niet aan toepassing van de expatregeling in de weg.

Geen strijd Europees recht voor Wet excessief lenen

By nieuws

Wet excessief lenen

De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, ook wel de dga-taks genoemd, regelt grofweg dat de dga die te veel heeft geleend bij de eigen bv, hierover belasting betaalt in box 2. In 2026 geldt er een drempel van € 500.000 en bedraagt het tarief 24,5% over de eerste € 68.843 inkomen in box 2 (bij fiscale partners het dubbele) en 31% daarboven.

Let op! Voor toepassing van deze drempel van € 500.000 kan meer meetellen dan alleen een lening aan de dga. Verder zijn ook uitzonderingen op de regel mogelijk. Laat je goed informeren over de toepassing van de wet.

Geen strijd Europees recht op stelselniveau

Een belastingplichtige die in 2023 een te grote schuld had aan zijn eigen bv, werd geconfronteerd met de heffing in box 2 over het bedrag van de schuld op 31 december 2023 boven de drempel. De belastingplichtige vond deze heffing in box 2 op stelselniveau in strijd met Europees recht (artikel 1 Eerste Protocol (EP) bij het EVRM en artikel 6 en 7 van het EVRM). De Belastingdienst vond dat er geen strijd was en zo kwam deze zaak voor rechtbank Den Haag.

De rechtbank vond ook dat de heffing op stelselniveau niet in strijd was met Europees recht. De rechtbank onderbouwde dit met onder meer de volgende argumenten. De wet kent volgens de rechtbank een legitiem doel in het algemeen belang, namelijk het voorkomen van uitstel en afstel van belastingheffing. De wetgever heeft ook voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van de wet omdat de heffing in september 2018 al is aangekondigd en uiteindelijk pas vanaf 31 december 2023 effectief was, aldus de rechtbank.

Let op! Mogelijk volgt nog een hoger beroep of legt een andere belastingplichtige dezelfde vraag nog voor aan een andere rechtbank of gerechtshof. Hoewel nooit met zekerheid de kans van slagen voorspeld kan worden, is de kans dat een rechter gaat oordelen dat sprake is van strijd met Europees recht waarschijnlijk klein.

Arbeidskorting op (aanvulling) zwangerschaps- en bevallingsuitkering?

By nieuws

WAZO-uitkering

Een werkneemster die met zwangerschaps- en bevallingsverlof is, heeft recht op een uitkering op basis van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Betaalt het UWV die uitkering aan jou als werkgever en betaal jij die door? Dan vormt dit loon uit tegenwoordige arbeid waarop je de witte tabel toepast. Dit betekent dat op deze WAZO-uitkering de arbeidskorting van toepassing is. De Belastingdienst is het met deze wetsuitleg eens.

Aanvulling op WAZO-uitkering

Betaal je de werkneemster ook een aanvulling op de WAZO-uitkering, dan geldt voor die aanvulling hetzelfde. De Belastingdienst geeft aan dat ook de aanvulling loon uit tegenwoordige arbeid vormt, waarop je de witte tabel toepast en waarop dus de arbeidskorting van toepassing is.

Werkneemster uit dienst

Als de dienstbetrekking van de werkneemster tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof eindigt, kan het zijn dat je nog een WAZO-uitkering en een aanvulling daarop betaalt na het einde van de dienstbetrekking. Vormt dit dan nog steeds loon uit tegenwoordige dienstbetrekking waarop je de witte tabel en de arbeidskorting toepast?

De Belastingdienst geeft aan dat dit wel geldt voor de WAZO-uitkering die je betaalt na het einde van de dienstbetrekking, maar niet voor de aanvulling op de WAZO-uitkering. Op de aanvulling op de WAZO-uitkering kan de arbeidskorting dus niet worden toegepast.

UWV betaalt WAZO-uitkering

Betaalt het UWV de WAZO-uitkering dan mag ook het UWV de uitkering behandelen als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en de witte tabel toepassen.

Gewijzigde regels voor werken met asielzoekers

By nieuws

Werken asielzoeker

Een asielzoeker kan alleen bij je werken als je een tewerkstellingsvergunning (TWV) voor deze asielzoeker hebt. Er gelden dan geen beperkingen in het aantal weken per jaar dat de asielzoeker bij je mag werken. De asielaanvraag moet wel minimaal zes maanden in behandeling zijn voordat de asielzoeker bij je mag werken. Verder moet de asielzoeker een geldig Vreemdelingen Identiteitsbewijs (W-document) hebben.

Let op! Voor statushouders (asielzoekers met een asielvergunning) is geen TWV nodig. Datzelfde geldt voor asielzoekers die stage gaan lopen én een opleiding volgen in Nederland. Een asielzoeker die vrijwilligerswerk doet, heeft ook geen TWV nodig. De werkgever heeft dan wel een vrijwilligersverklaring nodig. Die kan de werkgever aanvragen bij het UWV.

Tewerkstellingsvergunning (TWV)

De TWV vraag je als werkgever aan bij het UWV. Het UWV geeft de TWV af en controleert daarbij ook of je als werkgever genoeg loon betaalt. Het loon moet namelijk marktconform zijn.

Wijzigingen per 12 juni 2026

Vanaf 12 juni 2026 mogen asielzoekers uit veilige landen niet meer werken in Nederland, dus ook niet als hun asielaanvraag al minimaal zes maanden in behandeling is. Hetzelfde geldt voor asielzoekers die liegen bij hun asielaanvraag of die een overdrachtsbesluit hebben. Een overdrachtsbesluit betekent dat een andere EU-lidstaat beslist over de asielaanvraag.

Let op! Deze regels gelden voor asielzoekers met een asielaanvraag vanaf 12 juni 2026.

De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bepaalt tot welke categorie een asielzoeker hoort (wel toegestaan om te werken of niet toegestaan om te werken).

Aangekondigde wijziging

De regels voor asielzoekers om te mogen werken, gaan nog verder veranderen. Nu mogen asielzoekers die in de asielprocedure zitten na zes maanden gaan werken, straks mag dat al na drie maanden nadat hun asielprocedure is gaan lopen.

Let op! Het is nog niet bekend vanaf wanneer deze verandering ingaat.

Gefaseerde inwerkingtreding Wet toelating ter beschikking stelling arbeidskrachten (Wtta)

By nieuws

Toelatingsstelsel

De wet en het toelatingsstelsel gaan op 1 januari 2027 in. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten zich in beginsel vóór die datum bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) melden. Bedrijven die een SNA-keurmerk hebben kunnen later een aanvraag doen.

Let op! De wetsartikelen die nodig zijn voor een goede uitvoering en implementatie van het toelatingsstelsel zijn op 1 juli 2026 als in werking getreden.

Wie vallen er onder uitleners?

De wet richt zich op partijen die arbeidskrachten – dus ook zzp’ers – ter beschikking stellen aan derden (zoals bedoeld in de WAADI). Onder uitleners vallen onder meer:

  • Uitzenders
  • Detacheerders
  • Uitleners van zzp’ers

Let op! Collegiale uitleen, waarbij geen winst wordt gemaakt of in- en uitleen binnen concernverband valt straks niet onder het toelatingsstelsel.

Vrijstelling

Betreft het bedrijven die in zeer beperkte mate arbeidskrachten ter beschikking stellen, dan kunnen ze om ontheffing verzoeken waarbij de volgende voorwaarden gelden:

  • de inkomsten uit het uitlenen zijn minder dan 10% van de totale inkomsten in een jaar, én;
  • die inkomsten zijn niet hoger dan € 5 miljoen per jaar.

Voorwaarden

Om toegelaten te worden, moeten uitleners aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten zij beschikken over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag voor rechtspersonen (VOG RP), moeten zij aantonen dat zij voldoen aan relevante wetgeving (zoals het wettelijk minimumloon) en moeten zij een waarborgsom van € 100.000 storten (voor startende bedrijven geldt in eerste instantie een waarborgsom van € 50.000 en na zes maanden nogmaals € 50.000). Bedrijven die zich aan de regels houden, krijgen de waarborgsom na vier jaar teruggestort.

Aanvraagloket

Het toelatingsstelsel treedt op 1 januari 2027 in werking. Alhoewel het aanvraagproces dan in werking treedt, gaat het aanvraagloket later open. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een toelating aanvragen. Het beoordelen van de bedrijven begint vanaf 1 juli 2027.

Overgangsregeling

Er geldt een overgangsregeling voor bestaande uitleners die zich tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 hebben aangemeld voor die overgangsregeling. Als zij van 1 mei 2027 tot en met 30 juni 2027 een aanvraag tot toelating doen, kunnen zij personeel blijven uitlenen gedurende de tijd dat de NAU hun aanvraag beoordeelt.

Let op! Uitleners die op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk hebben, hoeven geen aanmelding te doen voor de overgangsregeling. Zij moet wel een aanvraag tot toelating doen.

Vergoeding

De uitlener betaalt een eenmalige vergoeding (leges) voor een aanvraag tot toelating of ontheffing aan de NAU, maar daarnaast ook een jaarlijkse vergoeding. De hoogte van de jaarlijkse vergoeding is afhankelijk van de grootte van de uitlener in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de toelating is aangevraagd.

Uitleen- en inleenverbod

Ook inleners moeten rekening houden met de Wtta. Zij mogen alleen zaken doen met toegelaten uitleners op straffe van een boete. Het uitleen- en inleenverbod treedt pas met ingang van 2028 in werking. Dit geeft uitleners en inleners de tijd hun bedrijfsvoering aan te passen en zich voor te bereiden op de toelatingsplicht.

In 2027 ligt de nadruk op voorlichting en ondersteuning, waarna de formele handhaving door de Nederlandse Arbeidsinspectie start op 1 januari 2028.

Tip! Meer informatie is te vinden op: www.toelatinguitleenmarkt.nl.

Voorgenomen wijzigingen voor (verhuurde) woningen

By nieuws

Internetconsultatie wetsvoorstel Passende huurcontracten

Zo loopt er van 2 juli tot en met 28 augustus 2026 een internetconsultatie over het wetsvoorstel Passende huurcontracten. De bedoeling is om aan de ene kant huurders sneller huurbescherming te bieden en aan de andere kant voor studenten en arbeidsmigranten de mogelijkheid te bieden om een tijdelijk huurcontract af te sluiten.

Zo wordt verhuur voor korte duur (short stay) in het wetsvoorstel beperkt tot maximaal 30 dagen. Daarmee kan de short stay zonder huurbescherming eigenlijk alleen nog gebruikt worden voor vakantieverhuur.

Voor studenten komt er wel de mogelijkheid om een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar af te sluiten. Nu kan dat al als een student voor de studie verhuist naar een andere gemeente. Als het wetsvoorstel ongewijzigd wordt aangenomen kan dat straks ook voor een student die al binnen de gemeente woont. Het wordt daarnaast ook mogelijk om met een arbeidsmigrant een tijdelijk huurcontract van maximaal twee jaar af te sluiten.

Let op! Het kabinet staat open om ook andere knelpunten op te lossen die zijn ontstaan na inwerkingtreding van de Wet vaste huurcontracten op 1 juli 2024. In reactie op de internetconsultatie kan iedereen ideeën daarvoor aandragen.

Wetswijziging stimulering hospitaverhuur

Om hospitaverhuur aantrekkelijker te maken is bij de Tweede Kamer een wetswijziging ingediend om hospitaverhuur te stimuleren. Het streven is om met ingang van 1 januari 2027 het mogelijk te maken om:

  • Een tijdelijk hospitaverhuurcontract te sluiten van maximaal vijf jaar met een proeftijd van negen maanden.  De opzegtermijn binnen die proeftijd wordt drie maanden.
  • Het hospitaverhuurcontract te beëindigen bij (gedwongen) verkoop van de woning, bij overlijden van de hospita of bij verhuizing van een hospita die in een huurwoning woont.
  • Op verzoek van de hospita het inkomen van de kamerhuurder niet mee te tellen voor de inkomensafhankelijke huurverhoging.

Huurwoningen verplicht minimaal energielabel D vanaf 2029

Eigenaren van huurwoningen zijn verplicht om hun woningen dusdanig te verduurzamen dat deze uiterlijk op 1 januari 2029 minimaal het energielabel D hebben. Huurwoningen mogen dan niet meer de energielabels E, F of G hebben. Het ontwerpbesluit voor deze wettelijke minimumenergieprestatie-eisen voor huurwoningen is op 10 juli 2026 naar de Tweede en Eerste Kamer gezonden.

Let op! Voor het verduurzamen van je huurwoning kun je als private verhuurder een beroep doen op de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH).

Eenvoudiger optoppen, splitsen en woningdelen

Het kabinet gaat het juridisch makkelijker maken voor gemeenten om het optoppen, splitsen en woningdelen in bestaande gebouwen te faciliteren en belemmeringen weg te nemen. Hierdoor moeten de vergunningstrajecten minder complex en langdurig worden.

Let op!Het kabinet geeft aan dat gemeenten niet hoeven te wachten op de juridische uitwerking van dit voornemen. Via het Nationaal Expertisecentrum Woningbouw (NEW) kunnen gemeenten ook nu al ondersteuning krijgen. 

Ook gebruikelijk loon bij ziekte

By nieuws

Gebruikelijk loon

Het gebruikelijk loon moet in 2026 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  • Het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, of
  • het loon van de meest verdienende werknemer in je bv of verbonden bv’s, of
  • € 58.000.

Let op! Kun je aannemelijk maken dat het berekende gebruikelijk loon hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag je het gebruikelijk loon vaststellen op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.

Aanmerkelijk belang én werkzaamheden

De bv moet een gebruikelijk loon aan jou uitbetalen als je een aanmerkelijk belang hebt in de bv (je hebt bijvoorbeeld minimaal 5% van de aandelen) én je ook werkzaamheden voor de bv verricht.

Ziekte

Een dga die in een jaar hartfalen had, liet de bv geen loon aan hem uitbetalen. De Belastingdienst was het daar niet mee eens en stelde het gebruikelijk loon vast op het loon van de meest verdiende werknemer, in casu € 26.470.

Geen werkzaamheden?

De dga stelde dat hij vanwege zijn ziekte geen werkzaamheden had verricht voor de bv en dat de gebruikelijkloonregeling daarom niet van toepassing was. De Belastingdienst gaf echter aan dat de dga administratieve werkzaamheden voor de bv had verricht. De Belastingdienst kon dat ook bewijzen omdat de dga had in het jaar diverse contactmomenten met de Belastingdienst gehad over de bv. De rechter vond dan ook dat was bewezen dat de dga werkzaamheden had verricht voor de bv.

Lager loon niet bewezen

De dga moest daarom een gebruikelijk loon in aanmerking nemen. De rechter stelde dit vast op het loon van de meest verdiende werknemer. De rechter gaf daarbij aan dat de dga niet bewezen had dat het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking tot een lager loon zou leiden.

Lager loon bij ziekte onder voorwaarden mogelijk

Ziekte betekent dus niet automatisch dat je geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te nemen. Dat is alleen het geval als je echt geen werkzaamheden meer hebt verricht voor de bv of dusdanig weinig werkzaamheden dat daarvoor een loon van maximaal € 5.000 per jaar gebruikelijk is.

Een lager loon is mogelijk als je kan bewijzen dat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking dat hoort bij de werkzaamheden die je tijdens je ziekte nog kan verrichten, lager is.

Let op! Een en ander is afhankelijk van de feiten en omstandigheden in je eigen specifieke situatie. Wil je geen of een lager gebruikelijk loon in aanmerking nemen omdat je werkzaamheden sterk zijn verminderd? Overleg dan met onze adviseurs of dit tot de mogelijkheden behoort en hoe je dat kunt onderbouwen richting de Belastingdienst.

Proposed changes for (rented) homes

By nieuws

Online consultation on the ‘Appropriate Tenancy Agreements’ Bill 

For example, an online consultation on the ‘Appropriate Tenancy Agreements’ (in Dutch: Passende huurcontracten) Bill is running from 2 July to 28 August 2026. The aim is, on the one hand, to offer tenants rent protection more quickly, whilst, on the other hand, to provide students and migrant workers with the option of entering into a temporary tenancy agreement. 

Under the bill, short-stay lettings are limited to a maximum of 30 days. This means that short-stay lettings without rent protection can effectively only be used for holiday lettings. 

Students, however, will be given the option to enter into a temporary tenancy agreement for a maximum of two years. This is already possible if a student moves to another municipality to study. If the bill is passed without amendment, this will also apply to students who already live within the municipality. It will also become possible to enter into a temporary tenancy agreement of up to two years with a migrant worker. 

Please note! The government is open to resolving other issues that have arisen following the entry into force of the Fixed-Term Tenancy Agreements Act (in Dutch: Wet vaste huurcontracten) on 1 July 2024. In response to the online consultation, anyone can submit ideas on this matter. 

Legislative amendment to encourage subletting 

To make letting rooms more attractive, a legislative amendment has been tabled in the House of Representatives to encourage the letting of rooms (in Dutch: hospitaverhuur). The aim is to make it possible, with effect from 1 January 2027, to: 

  • Enter into a temporary room-let tenancy agreement for a maximum of five years, with a nine-month trial period. The notice period during that trial period will be three months. 
  • Terminate the room rental contract in the event of the (forced) sale of the property, the death of the landlady, or the relocation of a landlady who lives in a rented property. 
  • At the landlady’s request, not to include the room tenant’s income when calculating the income-related rent increase. 

Rented properties must have at least energy label D from 2029 

Owners of rental properties are obliged to improve the sustainability of their properties so that, by 1 January 2029 at the latest, they have at least energy label D. Rental properties may then no longer have energy labels E, F or G. The draft decree setting out these statutory minimum energy performance requirements for rental properties was sent to the House of Representatives and the Senate on 10 July 2026. 

Please note! As a private landlord, you can apply for the Subsidy Scheme for the Sustainability and Maintenance of Rental Properties (SVOH) (in Dutch: Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen) to make your rental property more sustainable. 

Simpler procedures for adding storeys, subdividing and sharing homes 

The government intends to make it legally easier for local authorities to facilitate the addition of extra storeys, the subdivision of properties and shared accommodation in existing buildings, and to remove obstacles. This should make the planning permission processes less complex and time-consuming. 

Please note!The government has stated that local authorities do not need to wait for the legal implementation of this proposal. Local authorities can already obtain support through the National Centre of Expertise for Housing Construction (NEW) (in Dutch: Nationaal Expertisecentrum Woningbouw).