All Posts By

Toeslag Belgische belastingheffing discriminerend

By nieuws

Samengestelde heffing

Belgische werknemers betalen een bepaald percentage belasting over hun inkomen aan de nationale overheid. Daarnaast betalen ze extra percentages over hun inkomen aan stedelijke agglomeraties en gemeenten. Niet in België woonachtige belastingplichtigen betalen in plaats van deze extra percentages, een toeslag (opcentiemen genoemd) aan de nationale overheid. Deze toeslag ligt tussen de 6% en 7%.

Verboden discriminatie

Uit antwoorden van het Hof van Justitie op door een Belgische rechter gestelde vragen komt naar voren dat deze toeslag misschien in strijd is met EU-recht.

Die strijd met EU-recht is er als de belastingdruk op een niet in België woonachtige belastingplichtige zwaarder is dan de belastingdruk op een wel in België woonachtige belastingplichtige. Dit zou het geval kunnen zijn omdat de stedelijke agglomeraties en gemeenten zelf kunnen bepalen of ze extra percentages willen rekenen en zo ja, hoe hoog die zijn. Als gevolg daarvan kan het zijn dat de belastingdruk (inclusief de opcentiemen) voor buitenlandse belastingplichtigen hoger is dan de belastingdruk (inclusief de extra percentages voor gemeenten) voor inwoners van België. Of zo’n situatie zich voor doet, moet de Belgische rechter nog onderzoeken.

Met succes aanslag aanvechten

Het voorgaande betekent dat niet in België wonende belastingplichtigen, zoals veel grensarbeiders, hun Belgische belastingaanslag voor wat betreft de toeslag misschien met succes kunnen aanvechten. Een en ander is nog wel afhankelijk van het onderzoek van de Belgische rechter. Zijn er situaties in België waarin de belastingdruk van een Belgische inwoner lager is dan de belastingdruk van een niet in België wonende belastingplichtige? Dan is er sprake van discriminatie en strijd met EU-recht voor alle niet in België wonende belastingplichtigen.

Let op!De toekomstige uitspraak van de Belgische rechter zal meer duidelijkheid geven. In verband met het verlopen van termijnen, is het wel verstandig om nu al in actie te komen. Neem hiervoor contact op met uw (Belgische) adviseur.

Banken beperken mogelijkheid aflossingsvrije hypotheek

By nieuws

De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft hierover informatie op de website geplaatst.

Aflossingsvrije hypotheek

Bij een aflossingsvrije hypotheek lost de geldlener (over het algemeen de eigenaar van de woning waarop de hypotheek gevestigd is) de hypotheek niet af. Hij betaalt dus alleen de rente.

Voordeel

Een voordeel is dat hierdoor de maandelijkse lasten minder groot zijn dan bij een niet-aflossingsvrije hypotheek. In de huidige woningmarkt is een woning dan eerder betaalbaar.

Risico’s

Een nadeel van een aflossingsvrije hypohteek is dat de hypothecaire schuld niet afneemt en dus bestaan. Dit brengt een risico met zich mee als de huizenprijzen dalen en de woning verkocht wordt. Het kan zijn dat er dan een restschuld bij de bank overblijft. Bovendien brengt dit het risico met zich mee dat er mogelijk geen nieuwe hypothecaire geldlening verstrekt wordt als de hypotheek afloopt. Dit kan zich voordoen als er op dat moment onvoldoende inkomen is om een nieuwe hypotheek af te sluiten.

Renteaftrek beperkt

Een ander belangrijk nadeel is dat de rente van aflossingsvrije hypotheken die vanaf 1 januari 2013 zijn afgesloten, niet fiscaal aftrekbaar is. Daardoor kunnen de lasten van een dergelijke hypotheek een stuk hoger zijn dan die van niet-aflossingsvrije hypotheken.

Let op!Aflossingsvrije hypotheken komen naar verwachting dan ook vooral voor bij hypotheken van vóór 2013.

Waarschuwing toezichthouders

Toezichthouders waarschuwen dat er in Nederland te veel aflossingsvrije hypotheken worden verstrekt. Men is bang dat bij dalende huizenprijzen de bezitters van een aflossingsvrije hypotheek met een hoge schuld blijven zitten. Daarom hebben de banken de opdracht gekregen minder aflossingsvrije hypotheken te verkopen en bij hypotheken uitgebreider aandacht te besteden aan de financiële draagkracht van de geldlener.

Wat verandert er?

Een drietal banken heeft inmiddels besloten dat klanten nog maar maximaal 30% van hun hypothecaire geldlening aflossingsvrij mogen lenen. Bij de meeste andere banken is dit maximaal 50%. Ook moeten woningbezitters er rekening mee houden dat de banken meer informatie vragen over hun financiële positie. Banken zijn hiertoe verplicht.

Gevolgen voor personen met aflossingsvrije hypotheek

Voor degenen die nu al een aflossingsvrije hypotheek bezitten, verandert er in eerste instantie niets. Deze hypotheken worden gewoon voortgezet onder de afgesproken voorwaarden. Bij het aflopen van de hypotheek of bij het afsluiten van een nieuwe hypotheek (bijvoorbeeld bij een verhuizing), moet men er rekening mee houden dat wellicht een geringer deel van de hypotheek aflossingsvrije gefinancierd kan worden.

Tip! Maakt u zich nu al zorgen over uw aflossingsvrije hypotheek of toekomstige situatie, neem dan contact op met uw financiële adviseur of met uw bank.

Steunpakket van 1 miljard voor kosten auto en energie

By nieuws

Geen accijnsverlaging

Het steunpakket lijkt geen accijnsverlaging te bevatten. Dat is te duur en bovendien niet doelmatig. Het is onvoldoende gericht op huishoudens en bedrijven die het hardst geraakt worden door de hoge brandstofprijzen.

Onbelaste reiskostenvergoeding naar 25 cent

Het lijkt erop dat het verhogen van de onbelaste reiskostenvergoeding van 23 naar 25 cent wel tot de steunmaatregelen gaat behoren. Die verhoging zou dan mogelijk tot eind 2026 gelden.

Halvering mrb bestelbus ondernemer

Voor dezelfde periode zou het kabinet de motorrijtuigenbelasting (mrb) voor bestelbussen van ondernemers – de zogenaamde grijze kentekens – willen halveren.

Extra geld voor energienoodfonds en isolatie

De bronnen bevestigen aan NOS ook dat er 50 miljoen extra beschikbaar komt voor het energienoodfonds. Verder zou er extra geld komen voor het isoleren van huizen.

Groene subsidies

De NOS meldt ook nog dat budgetten voor groene subsidies voor bedrijven voor de jaren na 2026 eerder beschikbaar komen.

Vrijdag in ministerraad

Het steunpakket wordt vrijdag 17 april a.s. in de ministerraad besproken en waarschijnlijk na het weekend gepresenteerd. Daarna moet het kabinet ook nog voldoende steun voor het pakket zien te vinden bij de oppositiepartijen in zowel Tweede als Eerste Kamer. De Tweede Kamer debatteert volgende week over het steunpakket.

Let op!De NOS meldt dit alles op basis van bronnen. Een officiële bevestiging of vastlegging is nog niet verschenen.

Brief Belastingdienst voortzettingseis bij schenking onderneming

By nieuws

Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)

De BOR kan – grofweg omschreven – van toepassing zijn bij het schenken van het vermogen van een persoonlijke onderneming (denk aan eenmanszaak of aandeel in een firma) en bij het schenken van aandelen in een bv die een onderneming drijft.

Let op!De vrijstelling bedraagt in 2026 100% van de goingconcernwaarde tot een bedrag van € 1.543.500 en 75% daarboven.

Voorzettingseis

De vrijstelling is een voorwaardelijke vrijstelling. Een van de voorwaarden voor deze vrijstelling is dat de onderneming door ontvanger van de schenking een aantal jaren wordt voortgezet. Bij schenkingen vóór 1 januari 2025 bedroeg deze voortzettingstermijn nog minimaal vijf jaar.

Let op!Bij schenkingen vanaf 1 januari 2025 bedraagt de voortzettingstermijn minimaal drie jaar.

Als de ontvanger van de schenking de onderneming niet minimaal zolang voortzet, vervalt de vrijstelling en moet alsnog schenkbelasting betaald worden over de verkregen onderneming.

Brief Belastingdienst

In een brief die de Belastingdienst in de week van 23 april 2026 stuurt, wijst de Belastingdienst op deze voortzettingseis voor schenkingen die gedaan zijn in het jaar 2022. Ontvangt u zo’n brief en heeft u niet voldaan aan de voortzettingseis of twijfelt u daaraan? Neem dan contact op met één van onze adviseurs. Zij kunnen dan samen met u beoordelen of u nog voldoet aan de voorwaarden, zo nodig na overleg met de Belastingdienst.

Let op!U voldoet bijvoorbeeld niet meer (geheel) aan de voorzettingseis als u binnen de voortzettingstermijn de onderneming (deels) verkoopt, uw aandelen (deels verkoopt), uw onderneming of de bv failliet wordt verklaard, de onderneming wordt beëindigd, de activiteiten van de onderneming wijzigen et cetera.

Aangifte

Voldoet u niet meer aan de voorzettingseis, dan moet u daarvan aangifte doen. Dit moet uiterlijk binnen acht maanden nadat u niet meer voldeed aan de voorzettingeis met het formulier Aangifte niet voldoen aan het voortzettingsvereiste.

Let op!Als u via een erfenis een onderneming verkreeg en daarbij de BOR toepaste, moet u ook voldoen aan de voortzettingseis. Doet u dat niet meer, dan vervalt de vrijstelling en moet u daarvan ook aangifte doen.

Schenking bij borg lening aan bv kind

By nieuws

Borgstelling

Uw kind heeft een bv. Die bv wil een lening afsluiten bij een bank, maar de bank wil de lening alleen verstrekken als er een borgstelling is. U besluit persoonlijk borg te staan voor de lening. U berekent daarvoor geen vergoeding (borgstellingsprovisie) aan de bv van uw kind. Is hier sprake van een schenking?

Schenking

De Belastingdienst geeft aan dat hier sprake is van een schenking, omdat u uit vrijgevigheid genoegen neemt met een lagere vergoeding voor de borgstelling dan wat een zakelijke vergoeding is. De schenking wordt toegerekend aan degene die voordeel heeft van die vrijgevigheid, in dat geval uw kind die de aandeelhouder is van de bv.

Let op!De schenking vindt plaats op het moment dat u de borgstelling verstrekt en dus niet pas op het moment dat u zou worden aangesproken als borg, aldus de Belastingdienst.

Hoogte schenking

Door het borgstaan voor een lagere dan een zakelijke vergoeding, worden de aandelen van de bv van uw kind meer waard volgens de Belastingdienst. De bv kan immers onder aantrekkelijke voorwaarden geld lenen bij de bank zonder (of tegen een lagere) vergoeding dan in zakelijke verhoudingen. De hoogte van de schenking is daarom gelijk aan de waardestijging van de aandelen als gevolg van die borgstelling tegen een lagere vergoeding dan zakelijk.

Tarief

Voor de schenkbelasting wordt gerekend met de tarieven en vrijstelling die gelden voor een kind. De schenking wordt immers toegerekend aan uw kind.

Let op!Het standpunt van de Belastingdienst wordt in de fiscale vakliteratuur bekritiseerd. Neem voor uw eigen situatie daarom contact op met onze adviseurs.

Gemeente kan leegstandsheffing invoeren

By nieuws

Gemeentewet

In de Gemeentewet is sinds eind 2025 opgenomen dat een gemeente een leegstandsheffing kan opleggen aan eigenaren van woningen die langer dan twaalf maanden leegstaan. Het betreffende artikel is per 21 maart 2026 in werking getreden.

Leegstandsheffing

Nu de wettelijke bepaling in de Gemeentewet in werking is getreden, kunnen gemeenten ervoor kiezen om de leegstandsheffing op te nemen in een lokale belastingverordening. Pas nadat de leegstandsheffing is opgenomen in zo’n lokale belastingverordening, gaan de twaalf maanden voor leegstand lopen. De gemeente kan dus niet meteen na de lokale belastingverordening de heffing opleggen.

Let op!De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werkt aan een modelverordening die gemeenten zouden kunnen gebruiken.

De hoogte van de heffing en de beslissing om een leegstandsheffing in te voeren wordt overigens bepaald door de gemeente. Het is dus een keuze en geen verplichting.

Wijzigingen Leegstandswet

Wijzigingen in de Leegstandswet gaan binnenkort voor advies naar de Raad van State. Als deze wijzigingen door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, krijgen gemeenten effectievere bevoegdheden om leegstand tegen te gaan. Dit zijn onder meer:

  • de mogelijkheid om een collectieve vergunning af te geven voor tijdelijke verhuur van woonruimtes in een gebouw of bij sloop en (ver)nieuwbouw’,
  • het opvragen van het elektriciteitsverbruik van een pand om te controleren of het leegstaat,
  • het opleggen van de verplichting om een langdurig leegstaand pand weer in gebruik te nemen of geven.

Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen

By nieuws

Voor de ondernemer die na 1 januari 2018 is getrouwd zonder huwelijkse voorwaarden, geldt de beperkte gemeenschap van goederen. Een ondernemer doet er wel verstandig aan om huwelijkse voorwaarden overeen te komen met zijn of haar aanstaande echtgenoot of geregistreerd partner.

Bent u voor 1 januari 2018 getrouwd en heeft u geen huwelijkse voorwaarden opgesteld? Dan blijft voor u de oude wettelijke regeling gewoon gelden, de algehele gemeenschap van goederen.

De beperkte gemeenschap van goederen

Huwelijk

Vanaf 1 januari 2018 kunt u nog alleen in algehele gemeenschap van goederen trouwen als u dit afspreekt bij huwelijkse voorwaarden. Als u niets met elkaar regelt, krijgt u automatisch te maken met de beperkte gemeenschap van goederen.

geldt op voorwaarde dat het Nederlands recht op u van toepassing is. Als u bijvoorbeeld meerdere of een andere nationaliteit(en) heeft of als u direct na uw huwelijk in het buitenland bent gaan wonen, kan het zijn dat Nederlands recht in uw geval helemaal niet van toepassing is. U dient zich in dat geval goed te laten voorlichten over de vraag of het Nederlands huwelijksvermogensrecht in uw geval wel geldt.

Tip! Ook in zo’n geval kunnen huwelijkse voorwaarden overigens uitkomst bieden, doordat u hierin expliciet kunt kiezen voor de toepassing van bijvoorbeeld het Nederlands huwelijksvermogensrecht. Dit voorkomt een hoop discussies of onduidelijkheid achteraf.

Let op! Raadpleeg tijdig een deskundige die de gevolgen kan overzien als uw situatie ‘iets internationaals’ heeft.

Drie vermogens

Uitgangspunt van de huidige wettelijke regeling van de beperkte gemeenschap van goederen is dat er drie vermogens zijn in plaats van één gemeenschapsvermogen, namelijk: het privévermogen van de één, het privévermogen van de ander en het gemeenschappelijke vermogen. De gemeenschap omvat alle gezamenlijke goederen en gezamenlijke schulden die echtgenoten voor het huwelijk al hadden en alle goederen en schulden die zij vanaf aanvang van de gemeenschap tot aan de ontbinding van de gemeenschap verkrijgen of maken, met uitzondering van erfenissen, schenkingen of verknochte goederen, zoals een letselschade-uitkering. Het privévermogen en de privéschulden van voor het huwelijk vallen buiten de gemeenschap.

Privé

Het feit dat er standaard drie vermogens zijn, maakt dat u al snel te maken kunt krijgen met de zogenaamde vergoedingsrechten. Hiermee wordt bijvoorbeeld de situatie bedoeld dat privégeld, zoals een ontvangen erfenis, is geïnvesteerd in een gemeenschappelijk goed, zoals de echtelijke woning, en dit bedrag vergoed dient te worden door de gemeenschap. Onder de wetgeving tot 1 januari 2018 was dit voorbeeld alleen aan de orde voor zover er sprake was van een erfenis die verkregen is onder een uitsluitingsclausule. Dat wil zeggen: de overledene heeft in een testament uitdrukkelijk bepaald dat de erfenis niet in enige gemeenschap zal vallen.

Let op! Bij de beperkte gemeenschap van goederen is het maken van een uitsluitingsclausule door een erflater niet meer nodig. Er kan wel een insluitingsclausule of gemeenschapsclausule worden gemaakt als iemand wil dat de partner van de erfgenaam ook erft.

Onderneming

Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de gemeenschap. Als u als ondernemer in het huwelijk treedt, valt de onderneming dus niet in de beperkte gemeenschap. Punt van discussie kan de redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid zijn, in het kader van die voorhuwelijkse onderneming. De vergoeding dient voldaan te worden aan de gemeenschap.

De redelijke vergoeding is aan de orde voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen. Inmiddels zijn hier gerechtelijke uitspraken over te vinden. Lastig is en blijft echter in hoeverre aan de rechter voorgelegde gevallen vergelijkbaar met elkaar zullen zijn, wat ‘een redelijke vergoeding’ is en hoe dit precies bepaald dient te worden.

Gerechtshof Den Haag heeft eind 2023 aangegeven dat de gedachte achter deze bepaling is dat bij ondernemers met een privéonderneming de gemeenschap op een gelijke wijze zou moeten meeprofiteren als wanneer de echtgenoot zou werken voor een salaris. In deze casus constateerde het Gerechtshof dat op basis van de stukken en de standpunten van partijen de met de onderneming gegenereerde inkomsten tijdens het huwelijk al volledig ten bate van beide echtgenoten zijn gekomen en de inkomsten zijn aangewend voor het betalen van de kosten van de huishouding. Aan een redelijke vergoeding kom je dan niet meer toe.

In een beslissing van de rechtbank Amsterdam uit april 2023 werd wel een redelijke vergoeding toegekend. De rechtbank overwoog dat de redelijke vergoeding aan de hand van concrete omstandigheden moet worden vastgesteld. Dergelijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de volledige waardestijging ten bate van de gemeenschap komt. De vrouw had in deze zaak echter onvoldoende gesteld en zodoende niet voldaan aan haar stelplicht. Dit betekent volgens de rechtbank echter niet dat de vrouw geen deel van de vermogenstoename van de onderneming toekomt. Dit had ermee te maken dat de man had erkend dat twee derde deel van de waardestijging van de onderneming aan de gemeenschap toekomt. De vrouw ontving dus de helft hiervan.

In 2024 is een belangrijke uitspraak gedaan over de redelijke vergoeding door de rechtbank Gelderland. In die zaak had de man een voorhuwelijkse onderneming.  De vrouw maakte aanspraak op de redelijke vergoeding. De rechtbank hield rekening met de omstandigheid dat de man zijn eigen inkomen kon bepalen en het eigen vermogen van de vennootschap steeg. De man zocht aansluiting bij het minimale gebruikelijk loon van een dga, de vrouw ging uit van de helft van de behaalde winst. De rechter ging hier allebei niet in mee. De rechtbank overwoog dat het om een open norm gaat en de winst uit onderneming van invloed kan zijn bij het bepalen van de hoogte van de redelijke vergoeding. De winst is echter niet maatgevend.  De rechtbank vond een vergoeding van € 140.000,00 per huwelijksjaar redelijk. De rechtbank heeft aangesloten bij een beloning die de man in een gelijksoortige onderneming of omstandigheden zou ontvangen als ondernemer, hierbij werd wel rekening gehouden met hetgeen al ten goede was gekomen aan de gemeenschap en met de latente belastingclaim.

Tip! Maak voorafgaand aan het huwelijk afspraken over de invulling van het begrip ‘redelijke vergoeding’ of wijk af van de wettelijke regeling in huwelijkse voorwaarden.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit vergoedingsrecht kan worden vastgesteld aan de hand van de toegenomen waarde van het privévermogen. Ook dient het vertrekpunt in kaart te worden gebracht: wat was de waarde van de voorhuwelijkse onderneming ten tijde van de huwelijksvoltrekking? Op welke grondslag heeft deze waardering plaatsgevonden? Heeft deze waardering plaatsgevonden door een professional waar beide echtgenoten vertrouwen in hebben?

Tip! Wanneer u de rechtsonzekerheid die de beperkte gemeenschap van goederen op dit punt met zich meebrengt zo veel mogelijk wilt voorkomen, doet u er verstandig aan huwelijkse voorwaarden te laten opstellen.

Tip! Leg het vermogen of de waarde van de onderneming en het privévermogen van partijen voor het huwelijk nauwkeurig vast.

Ongelijke verdeling huwelijkse goederengemeenschap en verrekenbeding is aangepakt

Per 1 januari 2026 is de Successiewet aangepast. Aanleiding is de uitkomst van een arrest van de Hoge Raad van begin 2024 waarbij twee echtgenoten huwelijkse voorwaarden aangingen in het zicht van overlijden van een van hen. De Hoge Raad oordeelde dat de ongelijke verdeling – waarbij de langstlevende 90% kreeg toebedeeld – niet in strijd was met de wet. Het voordeel in deze casus bestond eruit dat de achterblijvende partner minder erfde en er dus minder erfbelasting hoefde te betalen dan bij een gelijke verdeling (50%-50%).

Het kabinet wilde deze constructie bestrijden. De wijziging van de Successiewet gaat echter veel verder. Vanaf 1 januari 2026 wordt namelijk schenk- of erfbelasting geheven bij elke ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap en bij elk toegepast verrekenbeding waarbij aan een partner meer toekomt dan de helft van de gemeenschap of de te verrekenen som. Hiermee worden dus niet alleen huwelijkse voorwaarden getroffen die gewijzigd zijn in het zicht van overlijden, maar alle huwelijkse voorwaarden waarvan het effect is dat er een ongelijke verdeling ontstaat.

De wijziging van de Successiewet betekent vanaf 1 januari 2026:

  • Bij overlijden: als een partner bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap of bij uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als verkrijging op grond van erfrecht. Afhankelijk van de hoogte en andere verkrijgingen, is de langstlevende partner hierover erfbelasting verschuldigd.
  • Bij echtscheiding: als een partner door ontbinding van de huwelijksgemeenschap of uitvoering van een verrekenbeding meer krijgt toebedeeld dan de helft, wordt het meerdere gezien als schenking. Afhankelijk van de hoogte en andere schenkingen is hierover schenkbelasting verschuldigd.

Let op! Er geldt overgangsrecht. Huwelijkse voorwaarden waarin al een ongelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur en huwelijkse voorwaarden waarin al een finaal verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen vóór 16 september 2025 16.00 uur worden niet getroffen door de wetswijziging.

Alle huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur zijn aangegaan, worden wel volledig door de wetswijziging getroffen. Ook huwelijkse voorwaarden die vanaf 16 september 2025 16.00 uur worden gewijzigd, waarbij aanpassingen in het gemeenschappelijke vermogen naar ongelijke breukdelen plaatsvindt, worden vanaf 1 januari 2026 volledig door de wetswijziging getroffen. Dit geldt ook als ongelijke verdeling op dat moment iets minder ongelijk wordt (bijvoorbeeld van 90:10 naar 60:40). Het is wel mogelijk om andere wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden aan te brengen zonder het overgangsrecht te verliezen.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 

Advieswijzer Echtscheiding en uw bedrijf

By nieuws

Wanneer u als ondernemer gaat scheiden, heeft dit in de meeste gevallen ook gevolgen voor de onderneming. Of dit nu een eenmanszaak is of een bv. Een eigen bedrijf maakt een scheiding vele malen lastiger.

Er komen vragen op u af als:

  • Kan de onderneming worden voortgezet?
  • Maakt uw partner aanspraak op een deel van (de waarde van) het bedrijf?
  • Wat gebeurt er met het pensioen?
  • Van welke financiële gegevens moet worden uitgegaan bij het berekenen van alimentatie?

Deze advieswijzer bevat een overzicht van enkele belangrijke zaken waarmee u als ondernemer te maken kunt krijgen bij een echtscheiding. Het zijn complexe zaken, die om deskundige begeleiding vragen. Met behulp van deze advieswijzer inventariseert u uw persoonlijke situatie en komen er zaken aan de orde als:

  • Huwelijksvermogensregime: is er een algehele gemeenschap van goederen (vóór 2018), een beperkte gemeenschap van goederen (vanaf 2018) of heeft u huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden gesloten?
  • Is het Nederlands recht wel van toepassing? Dit kan een rol spelen als u in het buitenland heeft gewoond na uw huwelijk of als u en uw partner (ook) een andere nationaliteit hebben.
  • Rechtsvorm van uw bedrijf: is er sprake van een eenmanszaak, vof, maatschap, bv of andere vorm? Staat het bedrijf op uw naam en/of op uw partners naam? Werkt u beiden in het bedrijf? Is er een regeling getroffen over de eigendom van en/of het recht op een deel van de waarde van de onderneming?
  • Vermogens- en inkomenspositie: wat behoort tot uw privé- en zakelijk vermogen? Waaruit bestaat het gezinsinkomen? Heeft u kinderen?
  • Pensioenen: welke regelingen hebben u en uw partner gesloten? Welke aanspraken heeft u beiden opgebouwd voor en tijdens het huwelijk?
  • Fiscaliteit: wat zijn de fiscale gevolgen van de scheiding? Moet u fiscaal afrekenen over de waarde van het bedrijf? Op welke fiscale valkuilen moet u alert zijn?

Tip! Ga regelmatig na of uw huwelijksvermogensregime nog wel past bij uw zakelijke en privébelangen. Laat u daarbij ook goed informeren over actuele wet- en regelgeving.

Let op!Sinds 1 januari 2018 is voor vanaf dat moment te sluiten huwelijken de beperkte gemeenschap van goederen de standaard. In plaats van één gemeenschappelijk vermogen is sprake van drie vermogens: een huwelijksvermogen en een afzonderlijk vermogen voor ieder van de echtgenoten. Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de beperkte gemeenschap (vraag ook naar de Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen).

Wel geldt dat een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid voldaan dient te worden aan de gemeenschap, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van de echtgenoten komt of is gekomen. Dit vereist een nauwkeurige administratie tijdens het huwelijk. Het is verstandig om de waarde van de voorhuwelijkse onderneming goed vast te stellen en hierbij op te nemen op basis van welke grondslag dit is gebeurd.

Door de wettelijke regeling die geldt vanaf 1 januari 2018 is het overeenkomen van huwelijkse voorwaarden over het algemeen van nog groter belang dan voor die tijd.

Verdeling

Strategie

Bij een algehele of beperkte gemeenschap vindt bij echtscheiding verdeling plaats van het vermogen dat in de gemeenschap is gevallen. Beide partijen zijn gerechtigd tot hun aandeel in de gemeenschap. In het kader van de verdeling dient waardering van het ondernemingsvermogen dan wel van de aandelen plaats te vinden, op voorwaarde dat deze tot de gemeenschap behoren.

Huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden

Zonder huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden valt de (waarde van de) onderneming in de te verdelen gemeenschap; met uitzondering van het voorhuwelijks ondernemingsvermogen bij een beperkte gemeenschap van goederen. In dat geval kan wel sprake zijn van een redelijke vergoeding aan de gemeenschap voor kennis, vaardigheden en arbeid, die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

Wellicht heeft u in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden wel specifieke bepalingen opgenomen over de gerechtigdheid tot het eigen bedrijf. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een verrekenbeding, waarbij de waarde van het geheel of van een gedeelte van de onderneming moet worden verrekend.

Ook kan het zijn dat u een zogenaamd jaarlijks verrekenbeding in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden heeft staan waar u nooit uitvoering aan heeft gegeven. De wet gaat er bij een echtscheiding dan in beginsel van uit dat uw totale vermogen gelijk met elkaar verrekend dient te worden.

Tegenbewijs is weliswaar mogelijk, maar de praktijk leert dat dit vaak erg lastig is. Ook kan het zijn dat er wel jaarlijkse berekeningen zijn gemaakt, maar dat die niet goed blijken te zijn; bijvoorbeeld omdat opgepotte winsten in de bv niet meegerekend zijn, terwijl dat wel had gemoeten. Het gevolg is dan dat of de berekeningen opnieuw gemaakt moeten worden (hetgeen vaak complex blijkt te zijn), of dat het totale vermogen toch verrekend dient te worden.

In het kader van een echtscheiding kan om afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden worden gevraagd. Het kan dan gaan om verdeling van een eenvoudige gemeenschap of een verrekening in het kader van een verrekenbeding.  Ook is het vaak lastig om achteraf nog vast te stellen wat er precies tussen de partijen verrekend moet worden.

Let op!Als u voor het huwelijk een eenmanszaak had die u tijdens het huwelijk met beperkte gemeenschap van goederen (dus alleen bij huwelijken gesloten na 1 januari 2018) in een besloten vennootschap heeft ingebracht, dan wordt deze besloten vennootschap niet zonder meer beschouwd als een voorhuwelijkse onderneming. Dit kan betekenen dat de vennootschap gemeenschappelijk is geworden en uw partner recht heeft op de helft van de waarde van de aandelen in de vennootschap.

Het kan dus zomaar zijn dat u als ondernemer de waarde van uw onderneming moet delen met uw (ex-)partner. De activa/passiva van het bedrijf dienen hiervoor reëel te worden gewaardeerd. De scheiding brengt het risico met zich mee dat het uitkopen van de ex-partner ten koste kan gaan van de continuïteit van het bedrijf. Als het bedrijf dan ook de belangrijkste inkomensbron is, is het zaak te zoeken naar passende oplossingen. Denk hierbij ook aan het (tijdelijk) aanhouden van een belang in de onderneming door uw ex-partner. Maar ook aan het verrekenen met andere bezittingen of het overnemen van schulden.

Let op!Ga na of bij een bedrijfsfinanciering ook privézekerheden, bijvoorbeeld een hypotheek op de woning, zijn verstrekt. Dit vraagt dan om extra aandacht bij de afwikkeling van de scheiding.

Verevening van pensioenrechten

Bij een echtscheiding heeft de ex-partner in principe recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dit wordt pensioenverevening genoemd. De ex-partner krijgt dan een voorwaardelijk recht. Daarnaast heeft de ex-partner recht op een bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen.

Tip! U bent vrij om samen met uw (ex-)partner een andere verdeling af te spreken of zelfs te besluiten niet tot verevening van het ouderdomspensioen over te gaan. Let wel, in maart 2026 heeft een Kennisgroep van de Belastingdienst laten weten dat het afzien van verevening van pensioen beschouwd kan worden als een schenking, als de echtgenoot die hiervan afziet hier niet voor gecompenseerd wordt en als de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding wel van toepassing is.

Ook conversie van pensioen is mogelijk. Dan zet u de rechten voor uw ex-partner om in een eigen pensioen en u bent niet meer ‘verbonden’ aan elkaar. Wijkt u af van de wettelijke regeling, dan moet dit wel zijn vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant. Als u wenst af te wijken van de wet is het van belang om advies in te winnen bij een fiscalist en/of pensioendeskundige.

Let op!Van het bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen moet u expliciet afzien als dat gewenst is.

Fiscale gevolgen afspraken pensioen in eigen beheer

Over pensioen in eigen beheer heeft u voor 1 januari 2020 moeten beslissen, opbouw is sinds 1 juli 2017 al niet meer mogelijk. Koos u ervoor om het pensioen in eigen beheer ongewijzigd te laten (zonder verdere opbouw) en gaat u scheiden, dan blijft uw ex-partner voor zijn of haar deel van het reeds opgebouwde pensioen in eigen beheer afhankelijk van het reilen of zeilen van uw bv. De bv is en blijft immers in dit geval de pensioenuitvoerder. Omdat dit nadelig kan zijn voor uw ex-partner, kan deze eisen dat het pensioenaandeel elders wordt ondergebracht. U en uw bv moeten hieraan meewerken. Dit is alleen anders als door afstorting van het pensioen de continuïteit van uw onderneming aantoonbaar in gevaar komt. Bovendien mag het afstorten er niet voor zorgen dat uw eigen pensioen in gevaar komt. Komt het in gevaar, dan moet er sprake zijn van post-relationele solidariteit, en moet de ex-partner ‘meedelen’ in het eventuele tekort, en krijg dus minder afgestort pensioen mee, maar houdt wel het volledige recht op dan een deel in de eigen bv.

Tip! Het staat u en uw (ex-)partner te allen tijde vrij om te kiezen voor een alternatieve financiële oplossing.

Koos u ervoor om de pensioenaanspraak in eigen beheer af te kopen met een belastingkorting of om te zetten in een oudedagsverplichting, dan verliest uw partner zijn of haar rechten op een deel van het in eigen beheer opgebouwde ouderdomspensioen (partnerpensioen). Uw partner dient daarvoor wellicht ‘passend’ te worden gecompenseerd. ‘Passend’ kan ook betekenen dat u samen met uw partner schriftelijk vastlegt dat compensatie (uitsluitend) plaatsvindt wanneer u overlijdt of bij echtscheiding. Ook hier geldt dat iedere keuze mogelijk fiscale voordelen biedt, maar ook tot ongewenste fiscale complicaties kan leiden en dus moeten deze vooraf goed in beeld gebracht worden.

Let op!In bepaalde situaties is de partnercompensatie belast als periodieke uitkering en/of aftrekbaar als onderhoudsverplichting.

Alimentatie

Ook na een echtscheiding hebben uw ex-partner en u de plicht voor elkaar en de kinderen te zorgen door bij te dragen in de kosten van levensonderhoud (alimentatie). Voor het berekenen van de alimentatie gelden de zogenaamde ‘Tremanormen’. Bij de ondernemer is het van groot belang om niet alleen naar de jaarstukken uit het verleden te kijken, maar ook naar de kasstroom van de ondernemer, prognoses en informatie over de onderneming en de branche.

Partneralimentatie

Wanneer een van de ex-partners niet genoeg inkomsten heeft om van te leven, heeft de ander de plicht om bij te dragen in de kosten. Bij verzoekschriften tot echtscheiding die na 1 januari 2020 zijn ingediend, geldt dat de partneralimentatie beperkt is in duur. Hoe lang alimentatie betaald dient te worden, hangt af van verschillende factoren, zoals de duur van het huwelijk, leeftijd van betrokkenen, leeftijd van eventuele kinderen en het moment van het ontvangen van AOW. Een veel gehoorde misvatting is dat de duur van partneralimentatie standaard vijf jaar zou zijn.

In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Let op!Partneralimentatie is bij de betaler ervan aftrekbaar en bij de ontvanger belast.

Voor de verkrijger van alimentatie zijn de hiermee samenhangende advocaatkosten aftrekbaar als de procedure ter verkrijging van alimentatie voor hem of haar succesvol verloopt. Dit is ook het geval als de verkrijger geen succes heeft, maar er een redelijke kans op succes is geweest. Degene die alimentatie moet betalen, kan de kosten van de advocaat niet aftrekken. Dit staat los van de vraag of de procedure voor degene van wie de betaling geëist werd, al dan niet succesvol is verlopen.

Over de hoogte en de duur van de alimentatie kunt u met elkaar naar eigen inzicht en mogelijkheden afspraken maken. Neem de afspraken volledig en duidelijk op in een echtscheidingsconvenant. Voorkom discussie over het ondernemersinkomen en de onderlinge draagkrachtverdeling. Daarnaast is het bij een ondernemer van groot belang dat een dubbeltelling voorkomen wordt. Toekomstige geldstromen van de onderneming moeten niet twee keer worden meegenomen, dat wil zeggen zowel bij de waardering van de aandelen als bij de alimentatie.

Kinderalimentatie

De kosten van de kinderen (ook wel behoefte genoemd) worden in beginsel berekend aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen in een gezin en de leeftijd van de kinderen. Ook kan rekening worden gehouden met hoge (netto) oppaskosten voor en na de scheiding.

Bij het bepalen van draagkracht van ouders voor kinderalimentatie wordt gebruikgemaakt van een formule die is opgenomen in de Tremanormen. Aan de hand van het netto besteedbaar inkomen wordt dan berekend wat een ouder redelijkerwijs kan bijdragen in de kosten van de kinderen. In de formule wordt rekening gehouden met de bijstandsnorm, alsook een component voor woonlasten.

Worden er schulden afgelost of heeft iemand bijzondere verplichtingen, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan kan de formule hierop worden aangepast. Ouders die gaan scheiden, hoeven minder kinderalimentatie te betalen naarmate zij meer voor de kinderen zorgen (zorgkorting).

Indien de ouders samen een tekort hebben aan draagkracht voor de kinderalimentatie, dan dient onderzocht te worden of de draagkracht niet hoger is, wanneer gerekend wordt met de daadwerkelijke woonlast van de ouders in plaats van met het forfaitaire bedrag.

Let op!Er kan bij kinderalimentatie sprake zijn van samenloop van onderhoudsverplichtingen. Dit is aan de orde als er sprake is van bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige stiefouder of wanneer de ouders kinderen hebben bij verschillende partners. Ook dit heeft gevolgen voor de berekening.

Let op!In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Fiscaal partnerschap

Een echtscheiding kan voor de scheidende partners uiteenlopende fiscale consequenties hebben. Op het moment dat u het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed heeft ingediend en u ook niet meer op hetzelfde adres ingeschreven staat, bent u geen fiscaal partner meer. Wel mag u in dat jaar nog kiezen om als fiscale partners de belastingaangifte in te vullen. Dit kan het jaar daarop niet meer. Bent u geen fiscaal partner meer, dan heeft dit vooral direct gevolgen voor een aantal regelingen in de inkomstenbelasting en voor eventuele toeslagen. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende regelingen.

Doorschuiffaciliteit

Behoort het ondernemingsvermogen tot de te ontbinden gemeenschap van de (huwelijks)partners? Dan wordt het deel van uw onderneming, dat volgens het huwelijksvermogensrecht toekomt aan uw partner, bij ontbinding van de gemeenschap geacht te zijn overgedragen tegen reële waarde. Over de fiscale meerwaarde (goodwill, reserves en stille reserves) van dit deel van de onderneming moet u als ondernemer dan afrekenen. Onder voorwaarden hoeft er echter niet te worden afgerekend en geldt er een belastingvrije doorschuiffaciliteit.

Terbeschikkingstelling (TBS)

Als u een vermogensbestanddeel (zoals een pand) ter beschikking stelt aan de onderneming, aanmerkelijk belang vennootschap of werkzaamheid van een verbonden persoon, dan is op dit vermogensbestanddeel de TBS-regeling van toepassing. Partners gelden voor de TBS-regeling als verbonden personen. De positieve en negatieve voordelen behaald met dit vermogensbestanddeel vormen dan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheid (box 1). Met de echtscheiding eindigt de verbondenheid en de terbeschikkingstelling en vindt over het betreffende (aandeel in het) TBS-vermogen een fiscale afrekening plaats, tenzij er een doorschuiffaciliteit (fiscale begeleiding) van toepassing is. Bij huwelijkse voorwaarden speelt dit vaak niet. Het vermogensbestanddeel behoort tot uw vermogen en alleen u heeft te maken met de TBS-regeling.

Aanmerkelijk belang

Hebben uw partner en u een aanmerkelijk belang (AB), dan kan de scheiding tot gevolg hebben dat bij een of beide partners niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang. Op dat moment is sprake van een fictieve vervreemding in de zin van de AB-heffing met een fiscale afrekening tot gevolg. Onder voorwaarden geldt ook hier een doorschuiffaciliteit.

Eigen woning

Bij een echtscheiding verlaat doorgaans een van de partners de woning. Op dat moment is deze woning voor de vertrekkende partner geen hoofdverblijf meer en daarmee zou voor dit aandeel in de woning de eigenwoningregeling en bijbehorende hypotheekrenteaftrek komen te vervallen. Maar, op voorwaarde dat de ex-partner in de woning blijft wonen, blijft de eigenwoningregeling op grond van de scheidingsregeling nog maximaal twee jaar na vertrek gelden. Naast de scheidingsregeling zijn er ook nog vele fiscale valkuilen als er een eigen woning in het spel is. Zo kan de aftrekbaarheid van de eigenwoningrente (deels) in gevaar komen als hierover geen goede afspraken zijn gemaakt.

Tot slot

Een echtscheiding vraagt om goede (fiscale) begeleiding. Er zijn veel regels om rekening mee te houden. Denk hierbij ook aan de verdeling van lijfrenten en kapitaalverzekeringen. Wij kunnen u begeleiden bij dit complexe proces.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Advieswijzer Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ)

By nieuws

Het wetsvoorstel voor de BAZ is naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze verplichte basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid raakt straks zo’n 1,2 miljoen IB-ondernemers. De verwachting is dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd. Het zal daarom waarschijnlijk nog jaren duren voordat zelfstandigen van deze verzekering gebruik kunnen gaan maken.

Wat is de BAZ?

Medisch

De BAZ betreft een verplichte publieke verzekering tegen inkomensverlies bij langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Het gaat dus nadrukkelijk om een publieke regeling, niet om een private of commerciële verzekering. De BAZ is bedoeld als basisvoorziening. Wie door ziekte, een gebrek, een zwangerschap of bevalling langdurig niet meer kan werken, kan straks onder voorwaarden een uitkering krijgen.

Let op!De BAZ wordt om een aantal redenen ingevoerd. Zo zijn er op dit moment te weinig zelfstandigen adequaat verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, is er sprake van een ongelijk speelveld en vallen onverzekerde zelfstandigen uiteindelijk terug op de bijstand.

Voor wie geldt de BAZ?

De BAZ geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting (IB-ondernemers), met of zonder personeel, die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Het gaat dan concreet om ondernemers die werken vanuit een eenmanszaak, vof of maatschap.

Voor wie geldt de BAZ niet?

De volgende groepen vallen niet onder de BAZ. Dat betekent dat ze geen premie betalen, maar ook dat ze geen aanspraak kunnen maken op een uitkering.

Directeur-grootaandeelhouders (dga’s) van een bv

Volgens de regering hebben dga’s gemiddeld een hoger inkomen en meer vermogen dan IB-ondernemers, waardoor de noodzaak voor overheidsingrijpen minder groot is. Bovendien zou het toevoegen van deze groep aan de BAZ voor problemen in de uitvoering kunnen zorgen.

Meewerkende partners

Ook meewerkende partners zijn om uitvoeringstechnische redenen uitgezonderd. Deze groep is namelijk vooraf niet te identificeren voor de premieheffing.

Resultaatgenieters

Mensen die resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) genieten, vallen ook niet onder de BAZ. Bij ROW gaat het vaak om bijverdiensten.

Gemoedsbezwaarden

Mensen met principiële bezwaren (vaak van godsdienstige aard) tegen elke vorm van verzekering kunnen ontheffing krijgen.

Combinatieverdieners met voldoende WIA-dekking

Sommige zelfstandigen combineren het zelfstandig ondernemerschap met een baan in loondienst. Zij zijn voor de werkzaamheden in loondienst via hun werkgever verzekerd voor de WIA. Daarom vallen ze, afhankelijk van de hoogte van hun loon, niet of slechts gedeeltelijk onder de BAZ. Bedraagt het SV-loon (het loon waarover premies werknemersverzekeringen worden betaald) minimaal 142,86% van het minimumloon, dan is de zelfstandige niet premieplichtig voor de BAZ. Het gaat hier naar verwachting om ongeveer 600.000 combinatieverdieners.

Medegerechtigden

Commanditaire vennoten en anderen die winst uit onderneming genieten zonder daarvoor arbeid te verrichten (bijvoorbeeld na een bedrijfsoverdracht), vallen niet onder de BAZ.

AOW-gerechtigden

Zelfstandigen boven de AOW-gerechtigde leeftijd betalen geen premie, maar hebben ook geen recht op een uitkering.

Kiezen voor private verzekering: opt-out

Zelfstandigen hoeven niet deel te nemen aan de BAZ. Ze kunnen namelijk kiezen voor een opt-out. Ze moeten dan wel een private (commerciële) verzekering hebben die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Dat betekent dat een private verzekering onder meer:

  • een dekking moet bieden tot de AOW-leeftijd;
  • een uitkering van minimaal 70% van de winst (waarbij de winst maximaal 42,86% van het wettelijk minimumloon bedraagt) moet geven;
  • een wachttijd moet hebben van maximaal 104 weken;
  • periodiek uitkeert (geen eenmalige uitkering);
  • een premie moet hebben die minimaal gelijk is aan de publieke premie.

De verzekeraar kan dan voor de verzekerde een opt-out aanvragen bij het UWV. Deze opt-out kan alleen ingaan per 1 januari of bij de start van de onderneming.

Stabiliteitsbijdrage

Als een zelfstandige kiest voor een private verzekering via de zogenaamde opt-out, moet hij toch nog een premie betalen, de zogenaamde stabiliteitsbijdrage. Dit betreft een vast bedrag per privaat verzekerde. De gedachte hierbij is dat zo wordt voorkomen dat de publieke verzekering vooral de zwaardere risico’s overhoudt en daardoor snel duurder wordt. Deze bijdrage wordt afgedragen door de verzekeraar, maar zal naar verwachting in de premie voor de verzekerde worden verwerkt. De verwachting is dat deze stabiliteitsbijdrage uit zal komen op een bedrag tussen de € 25 en € 35 per maand bij volledige risicoverevening.

Overgangsrecht voor zelfstandige met private AOV

Voor zelfstandigen die al een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, gaat er overgangsrecht gelden. Om onder het overgangsrecht te vallen, moet de verzekering:

  • tot stand zijn gekomen vóór de peildatum;
  • een wachttijd hebben van maximaal 104 weken;
  • een eindleeftijd hebben van minimaal 55 jaar;
  • periodiek uitkeren;
  • geen ongevallenverzekering of woonlastenbeschermer zijn.

Voldoet de verzekering aan genoemde voorwaarden, dan hoeft de zelfstandige niet verplicht aan de BAZ deel te nemen. De verzekerde hoeft dan ook niet opnieuw medisch gekeurd te worden. De stabiliteitsbijdrage blijft wel van toepassing.

Als de verzekering niet aan de voorwaarden voldoet, kan de zelfstandige deze aanpassen, kan hij een nieuwe verzekering afsluiten die wel aan de eisen voldoet of toch instromen in de publieke BAZ.

Let op!De verzekeraar moet binnen dertien weken na inwerkingtreding van de wet een aanvraag doen bij het UWV voor toepassing van het overgangsrecht.

Let op!Alleen wie voor de peildatum een verzekering heeft, kan gebruikmaken van dit overgangsrecht. Op dit moment is nog onduidelijk wanneer die peildatum bekend wordt gemaakt. Vaak gaat deze direct na de bekendmaking in, dus wacht niet te lang met actie ondernemen.

Hoe hoog is de premie voor de BAZ?

De premie voor de BAZ bedraagt 5,4% van de winst uit onderneming. Er geldt een maximum van circa € 171 bruto aan te betalen premie per maand.

Let op!De maximale premie van € 171 is gebaseerd op 142,86% van het minimumloon in 2025. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De maximale premie van € 171 bruto per maand is verschuldigd vanaf een winst uit onderneming van € 38.000 (5,4% van € 38.000 gedeeld door 12).

Door de koppeling van de BAZ-premie aan de winst uit onderneming, betaalt een zelfstandige met een winst van nul of lager geen BAZ-premie.

Tip! De BAZ-premie is fiscaal aftrekbaar in de aangifte IB als uitgave voor inkomensvoorzieningen.

De zelfstandige ontvangt voor de BAZ-premie een aparte aanslag, naast de aanslag IB en de aanslag Zvw.

Hoe hoog is de BAZ-uitkering?

De hoogte van de BAZ-uitkering is ook afhankelijk van de winst uit onderneming en bedraagt 70% van de gemiddelde winst, maar maximaal het wettelijk minimumloon. Bij de eerdergenoemde winst van € 38.000 of meer is de uitkering dus het minimumloon. Bij een lagere winst bedraagt de uitkering 70% van de gemiddelde winst.

Let op!Bij winst uit onderneming gaat het om de belastbare winst voor belastingen, vermeerderd met ondernemersaftrekken (zoals de zelfstandigenaftrek, meewerkaftrek, aftrek speur- en ontwikkelingswerk en de stakingsaftrek) en vermeerderd met de mkb-winstvrijstelling.

De uitkering is dus erg laag. Reden waarom gesproken wordt van een basisverzekering. Wie meer uitgekeerd wil krijgen, zal zich aanvullend moeten verzekeren.

Het is verder een alles-of-nietsverhaal. Dat betekent dat er wel of geen recht op uitkering bestaat. Er is geen mogelijkheid van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zoals bij de WIA. Eventuele inkomsten naast de uitkering worden voor 70% gekort. Werken loont dus wel.

Arbeidsongeschikt in de zin van de BAZ

De BAZ hanteert een absoluut criterium. Iemand is arbeidsongeschikt als hij of zij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet meer in staat is om met arbeid ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen. Het feitelijk verdiende inkomen is dus niet van belang. Het UWV gaat kijken of iemand zogeheten basisfuncties kan uitvoeren. Het gaat dan om functies die op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkomen met een relatief lage belasting, op of rond minimumloonniveau. Denk hierbij aan eenvoudig administratief werk of lichte productiewerkzaamheden.

Lukt het om zo’n functie uit te voeren, dan is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid.

Let op!Het gegeven dat iemand als zelfstandige zijn eigen werk niet meer kan uitvoeren, is dus niet van belang.

Wachttijd

Er geldt een wachttijd van twee jaar voordat eventueel tot uitkering wordt overgegaan. Dit heeft als voordelen dat de premie lager uitvalt en de druk op de uitvoering voor het UWV afneemt. Deze wachttijd kan de zelfstandige op verschillende manier overbruggen, zoals door eigen vermogen, een broodfonds of een private verzekering. Wel kan er gedurende de wachttijd een beroep worden gedaan op de re-integratiedienstverlening door het UWV.

Behandeling wetsvoorstel

Het kabinet wil de BAZ snel door het parlement loodsen. Dit hangt samen met de deadline van 31 augustus 2026 in verband met het EU Herstel- en Veerkrachtplan en de samenhang met de Zelfstandigenwet, waarin een arbeidsongeschiktheidsverzekering een voorwaarde wordt voor het werken als zelfstandige. Het is de verwachting echter dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Advieswijzer Zakendoen met uw eigen bv

By nieuws

Als directeur-grootaandeelhouder (dga) bent u in de unieke positie om zaken te doen met uw eigen bv. Partijen moeten dan wel zakelijk met elkaar omgaan en afspraken moeten goed zijn vastgelegd. Wie de regels in acht neemt, kan goed zakendoen met zijn eigen bv.

Rekening-courant

Geld

In de praktijk hebben veel dga’s een rekening-courantverhouding met de bv. Bij een rekening-courant met afwisselende debet- en creditstanden heeft de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat er – onder voorwaarden – geen rente in box 1 in aanmerking hoeft te worden genomen als het saldo van de rekening-courantverhouding gedurende het kalenderjaar niet hoger is dan € 17.500 positief en niet lager is dan € 17.500 negatief. De bv mag in dat geval de rente ook niet in aanmerking nemen. U mag een eventuele rekening-courantschuld in dat geval ook niet in box 3 opnemen. Een eventuele rekening-courantvordering valt in box 1 en dus ook niet in box 3.

Let op! Zodra het saldo op de rekening-courant hoger is dan € 17.500, moet over het hele jaar over het hele bedrag rente worden berekend.

De goedkeuring van de staatssecretaris geldt niet voor leningen, dus ook niet voor leningen waarvan het saldo niet hoger is dan € 17.500.

Dga-tax

Sinds 1 januari 2023 bestaat een maatregel om excessief lenen van de dga bij de eigen bv te ontmoedigen, in de volksmond de ‘dga-tax’ genoemd. De maatregel houdt in 2026 kort gezegd in dat het bedrag dat boven € 500.000 van de bv is geleend, bij de dga als inkomen uit aanmerkelijk belang wordt gerekend. De drempel van € 500.000 geldt voor de dga en zijn partner gezamenlijk, en ook voor alle bv’s tezamen waarin de dga en de partner een aanmerkelijk belang houden. Deze maatregel geldt voor alle directe en indirecte schulden, ongeacht waarvoor deze zijn aangegaan.. Alleen eigenwoningschulden die voldoen aan de wettelijke bepalingen om renteaftrek te krijgen in de inkomstenbelasting zijn uitgezonderd. Er moet wel ook een recht van hypotheek verstrekt zijn aan de bv, tenzij de eigenwoningschuld op 31 december 2022 al aan de bv verschuldigd was.

Als uw bloed- en aanverwanten in de rechte lijn (groot)ouders en (klein)kinderen) ook schulden hebben aan uw bv, dan tellen deze schulden over het algemeen ook mee voor het deel dat boven de € 500.000 uitkomt. Wel heeft iedere bloed- of aanverwant nog een ‘eigen’ drempel van € 500.000. Slechts het meerdere is dan belast, maar wel bij de dga en dus niet bij de betreffende bloed- of aanverwant. Maar let op, dat is anders als de bloed- en aanverwanten zelf een aanmerkelijk belang hebben in uw bv.

Let op! De peildatum voor dit jaar is 31 december 2026. Heeft u dus voor meer dan € 500.000 aan schulden bij uw eigen bv, dan kunt u belastingheffing in box 2 nog voorkomen door het meerdere boven € 500.000 uiterlijk op 31 december 2026 af te lossen. Overleg met onze adviseurs wat u eventueel kunt doen.

Sparen en beleggen in de bv

U kunt ook sparen en beleggen in uw bv en privékapitaal als vermogen in de bv brengen. Het werkelijke rendement is dan bij de bv belast, in plaats van een forfaitair of werkelijk rendement dat bij u in box 3 belast is.

Tip! In box 3 kan het werkelijk rendement belast zijn als dit lager is dan het forfaitair rendement. Het werkelijk rendement in box 3 kan, door de spelregels die de Hoge Raad hierover gaf, anders zijn dan het werkelijk rendement in de bv. Of het fiscaal voordeliger is om privékapitaal in de bv in te brengen of te (blijven) sparen en beleggen in privé zal van geval tot geval verschillen. Overleg over uw eigen situatie met onze adviseurs. 

Let op!Sparen of beleggen in de bv kan misschien ook aantrekkelijk zijn als u toeslagen krijgt. Vermogen in uw bv telt niet mee voor de vermogenstoets die bij toeslagen geldt en die als gevolg heeft dat u vanaf een bepaald vermogen geen recht meer heeft op de meeste toeslagen.

Geldleningen

Iedere transactie tussen u en de bv moet zakelijk verlopen. Dat geldt ook voor de geldverstrekking tussen de dga en de bv. Denk hierbij aan een schriftelijke leningsovereenkomst met daarin in ieder geval een aflossingsschema en een zakelijk rentepercentage. Bovendien zal het over het algemeen zakelijk zijn om zekerheden te stellen. Om te beoordelen of de overeenkomst zakelijk is, moet u zichzelf onder meer afvragen of u of de bv een dergelijke leningsovereenkomst tegen dezelfde voorwaarden ook zou zijn aangegaan met een onafhankelijke derde.

Borgstelling

Als dga kunt u zich ook borg stellen voor schulden van uw bv. Soms is dit vereist om voor de bv een lening van de bank te verkrijgen. Zorg ervoor dat wanneer u zich borg stelt, u dit doet op zakelijke voorwaarden. 

Let op! Houd er rekening mee dat wanneer u als borg wordt aangesproken voor een lening van uw bv, dit verlies voor u meestal niet aftrekbaar is volgens de Belastingdienst. Het verlies is namelijk niet aftrekbaar als u het risico van de borgstelling aanvaard vanuit uw rol als aandeelhouder van de bv. De Belastingdienst vindt dat hier bijna altijd sprake van is.

Zorg er in ieder geval voor dat u zakelijke voorwaarden hanteert. Ook hierbij geldt dat dit voorwaarden moeten zijn, waaronder u zich ook voor de schuld van een willekeurige derde borg bij de bank zou willen stellen. De vergoeding die u van uw bv ontvangt voor de borgstelling, is bij u belast in box 1 en is voor de bv aftrekbaar.

Tip! Heeft u al een lenings- of borgstellingsovereenkomst, laat deze dan regelmatig door ons checken. Zo bent u er zeker van dat alles nog steeds in orde is.

Lenen aan de bv

Leent u geld aan uw bv, dan is de zakelijke rente die de bv aan u betaalt als bedrijfslast aftrekbaar in de vennootschapsbelasting. Uzelf krijgt te maken met de regeling omtrent het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen (hierna: TBS-regeling). Dat betekent dat de rente op de geldlening in box 1 progressief is belast. Hiervoor geldt de TBS-vrijstelling van 12% tegen maximaal een tarief van 37,56%. Wordt er een onzakelijk hoge rente afgesproken? Dan wordt voor de aftrekbare rente (bij de bv) en de belastbare rente (bij de dga) uitgegaan van een normale, zakelijke rente. Het meerdere, niet-zakelijke voordeel wordt mogelijk gezien als een vermomde winstuitdeling en is bij u belast in box 2 (aanmerkelijk belang) en bij de bv (als verkapt dividend) niet aftrekbaar.

Lenen van de bv

Leent u geld van uw bv, dan kunt u dit doen in uw hoedanigheid als werknemer of als aandeelhouder. Het is belangrijk om dit van tevoren vast te stellen, omdat de fiscale gevolgen in beide situaties anders (kunnen) zijn.

Let op! Voorkom bij het lenen dat de bv in financiële problemen kan komen. De bv moet aan haar (betalings)verplichtingen kunnen blijven voldoen. Dit is van nog groter belang als de bv ook een pensioen of stamrecht in eigen beheer heeft.

Bij een personeelslening – u leent in uw hoedanigheid als werknemer – kan sprake zijn van een rentevoordeel. Dat is het geval als u geen of minder rente betaalt over de lening dan bij een kredietverlener. Het rentevoordeel vormt voor de waarde in het economisch verkeer belastbaar loon. Deze waarde kunt u bepalen door de rente van verschillende banken te vergelijken. Het belaste rentevoordeel kan worden aangewezen als eindheffingsloon en eventueel opgenomen in de ‘vrije ruimte’ van de werkkostenregeling. Die bedraagt in 2026 2% van de loonsom tot € 400.000 en 1,18% over het meerdere daarvan. Voor zover de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen meer bedragen dan de vrije ruimte, is de werkgever 80% heffing verschuldigd.

Let op! Als u niet aanwijst als eindheffingsloon, is het rentevoordeel individueel bij u belast in de loonheffing.  Houd er rekening mee dat het totaal van alle aangewezen vergoedingen en verstrekkingen aan een werknemer gebruikelijk moet zijn.. Als de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen maximaal € 2.400 per persoon per jaar bedragen, zal de Belastingdienst  ̶  met uitzondering van bijzondere gevallen  ̶  de gebruikelijkheid niet ter discussie stellen.

Er is een uitzondering als u de personeelslening gebruikt voor de eigen woning. Het rentevoordeel van een dergelijke lening moet tot uw belastbaar loon worden gerekend. Het voordeel is loon in natura, waarover uw bv als werkgever verplicht loonheffingen moet berekenen. Het belaste rentevoordeel mag dus niet worden opgenomen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Wel mag u het belastbare eigenwoningrentevoordeel in aftrek brengen binnen de eigenwoningregeling in uw aangifte inkomstenbelasting. Het maximum aftrekpercentage is voor 2025 bepaald op 37,56%.

Tip! Gebruikt u de lening voor het kopen van een (elektrische) fiets of elektrische scooter, dan is het mogelijk om geen of een lagere rente te rekenen. Het rentevoordeel blijft dan onbelast.

Let op! Soms kan de Belastingdienst zich op het standpunt stellen dat een personeelslening voor een dga niet mogelijk is. Dit is met name het geval als de mogelijkheid van een personeelslening alleen openstaat voor de dga zelf en niet voor andere werknemers van de bv.

Als u als aandeelhouder leent, staat ook hier het zakelijk handelen voorop. Leent u voor consumptieve doeleinden of bijvoorbeeld om hiermee in privé te beleggen, dan valt de lening als schuld bij u in box 3. De door u aan de bv betaalde rente is bij u niet aftrekbaar als u in box 3 belast wordt volgens de forfaitaire regeling, maar bij de bv als ontvangen rente wel belast. Deze lening telt dan uiteraard ook mee voor de regeling van de dga-tax (zie hiervoor).

Let op!Geld lenen van de bv voor beleggingen in privé is in 2026 waarschijnlijk niet  aantrekkelijk als u in box 3 belast wordt volgens de forfaitaire regeling. Voor de beleggingen geldt in 2026 in box 3 namelijk een forfaitair rendement van 6,00%, terwijl de schulden maar aftrekbaar zijn tegen waarschijnlijk 2,70% (het percentage van 2,70% is voorlopig, het definitieve percentage is pas begin 2027 bekend).

Let op! In box 3 mag u volgens de tegenbewijsregeling ook uitgaan van uw werkelijk behaalde rendement, als dit lager is dan het forfaitaire rendement. Dit werkelijke rendement is niet altijd wat u zelf als werkelijk rendement ervaart omdat dit berekend wordt volgens de spelregels die de Hoge Raad daarover gaf. Onze adviseurs kunnen u daar voor uw eigen situatie meer over vertellen.

Lenen voor de eigen woning

De bv kan u ook een lening verstrekken voor de aanschaf, verbouwing of het onderhoud van een eigen woning. Uitgaande van een zakelijke leningsovereenkomst is de rente voor u als eigenwoningrente aftrekbaar in box 1  en bij de bv belast. Met ingang van 2013 moet een nieuwe eigenwoninglening aan aflossingseisen voldoen om voor renteaftrek in aanmerking te komen. Heeft u uw op 31 december 2022 bestaande eigenwoninglening bij de bv sindsdien verhoogd, dan moet u voor deze verhoging ook rekening houden met deze aflossingseisen. Voor het nieuwe deel van de lening is de rente dan alleen nog aftrekbaar als de lening in maximaal dertig jaar en ten minste volgens een annuïtair schema volledig wordt afgelost.

Let op! Heeft u sinds 1 januari 2013 geld geleend voor de eigen woning bij de bv, dan geldt voor u een informatieplicht. U moet de Belastingdienst informeren over deze hypothecaire geldlening in uw jaarlijkse aangifte inkomstenbelasting.

Let op!De hypotheekrente is in 2026 maximaal aftrekbaar tegen 37,56%

Investeren in eigen bedrijfspand

 Mocht u willen en kunnen  investeren in een eigen bedrijfsruimte, dan is de vraag wie gaat investeren. U als dga? Het bedrijfspand komt dan op uw naam te staan. Of kunt u beter kiezen voor een investering vanuit de bv?

Let op! Investeren vanuit privé of vanuit de bv wordt fiscaal verschillend behandeld. Wat in uw situatie de mogelijkheden zijn, kunnen wij met u bespreken.

Op naam van de bv

De keuze om het eigen bedrijfspand vanuit de bv aan te houden, wordt – naast de fiscaliteit – ook bepaald door de aanwezige bedrijfsrisico’s en uw toekomstplannen. We zien vaak dat het bedrijfspand wordt afgezonderd van de risico’s van de onderneming. Zeker als het pand tevens dient als beleggingsobject. Vanuit de bv wordt het pand vervolgens verhuurd aan de werkmaatschappij. De huuropbrengsten – na aftrek van onder meer afschrijvingen en (financierings)kosten – zijn als winst onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting. Een latere winst of verlies bij verkoop behoort eveneens tot de fiscale winst.

Tip! Het onderbrengen van het bedrijfspand in een aparte bv maakt een toekomstige bedrijfsoverdracht gemakkelijker te structureren en te financieren.

Op naam van de dga

Kiest u ervoor om vanuit privé te investeren in een pand en verhuurt u dit privépand aan uw bv, dan valt het pand onder de terbeschikkingstellingsregeling (TBS-regeling). De huurinkomsten, afschrijvingen, exploitatielasten alsmede boekwinsten en verliezen op het pand behoren tot uw box 1-inkomen. Let wel: bent u gehuwd en behoort het pand tot de algehele of beperkte gemeenschap van goederen, dan wordt dit box 1-inkomen voor 50/50 aan u en uw echtgeno(o)t(e) toegerekend.

Voor de hoogte van de fiscaal aftrekbare afschrijvingslasten moet u rekening houden met een beperking. Dat geldt ook als de bv het bedrijfspand aanhoudt. Afschrijving is niet meer mogelijk als de boekwaarde van het pand de bodemwaarde heeft bereikt. Deze bodemwaarde is sinds 1 januari 2024 zowel in de vennootschapsbelasting als in de inkomstenbelasting beperkt tot 100% van de WOZ-waarde van het pand. Voor bedrijfspanden waarop vóór 1 januari 2024 al is afgeschreven, maar waarop nog geen drie volledige jaren zijn afgeschreven, geldt overgangsrecht. In die gevallen is de bodemwaarde, onder voorwaarden, nog niet beperkt tot 100% van de WOZ-waarde, maar tot 50% van die waarde.

Tip! Onder de TBS-regeling worden de opbrengsten weliswaar belast tegen het progressieve IB-tarief tot maximaal 49,5%, maar door toepassing van de TBS-vrijstelling is het effectieve tarief voor de dga lager. Door de TBS-vrijstelling is namelijk 12% van het resultaat vrijgesteld. Let wel dat deze 12% vrijstelling geldt tegen maximaal een tarief van 37,56%.

Belastingtarief in box 2

Als uw bv dividend aan u uitkeert, bent u belasting verschuldigd in box 2. Dat kan ook het geval zijn in andere situaties, waarvan er een aantal hiervoor beschreven staan.  In 2026 gelden twee tarieven in box 2. Over de eerste € 68.843 aan box 2-inkomen (voor fiscale partners geldt het dubbele bedrag) bent u 24,5% belasting verschuldigd in box 2. Over het meerdere bedraagt de belasting 31%.

Bv studiekosten laten betalen

De bv kan voor u als werknemer, net als voor ‘gewone’ werknemers, onbelast studiekosten vergoeden. Het gaat om kosten voor het onderhoud en verbetering van kennis en vaardigheden voor  uw huidige werk of om een opleiding of studie voor toekomstig werk. In dat laatste geval is het wel belangrijk dat het gaat om realiseerbaar inkomen. Loopt u bijvoorbeeld tegen pensioenleeftijd en duurt de opleiding lang? Dan is het de vraag of u daadwerkelijk inkomen gaat realiseren.

Naast voor uzelf, kunt u bijvoorbeeld ook uw kinderen in dienst nemen en hun opleidingskosten betalen. Let hierbij wel op dat het een zakelijke uitgave moet zijn voor uw onderneming. Als u uw eigen kind hierbij heel anders behandelt dan andere werknemers of de opleiding heeft geen verband met de (toekomstige) werkzaamheden van het kind , dan zal de Belastingdienst de kosten al gauw onzakelijk vinden. De kosten zijn dan niet meer aftrekbaar bij de bv en de Belastingdienst zal dit als een uitdeling beschouwen.

Kopen van en verkopen aan de bv

Regelmatig komt het voor dat een dga spullen koopt van of verkoopt aan zijn bv. Denk aan een auto, beleggingen of onroerende zaken. Dergelijke transacties zullen altijd kritisch bekeken worden om te zien of u wel zakelijk handelt. In een dergelijk geval is het handig om de waarde te kunnen bewijzen, denk bijvoorbeeld aan een taxatie door een onafhankelijke partij of een aanbieding voor een vergelijkbaar bedrag. Zorg dat u deze bewijsmiddelen goed bewaard en voorkom dat u bijvoorbeeld een uitdeling in aanmerking moet nemen (geen aftrek van Vpb en wel belasting over de uitkering).

Tot slot

U kunt voordelig uit zijn als u zakendoet met uw eigen bv, maar moet daarbij goed de (fiscale) regels in het oog houden. In deze advieswijzer staan slechts enkele voorbeeldengenoemd. Wij vertellen u er graag meer over.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.