All Posts By

In 2026 nog compensatie transitievergoeding langdurig zieke

By nieuws

Regeling compensatie transitievergoeding

Je kunt bij het UWV ontslag aanvragen voor een werknemer die meer dan twee jaar ziek is. Deze werknemer heeft dan wel recht op een transitievergoeding. Voor deze transitievergoeding kun je compensatie vragen bij het UWV via de regeling compensatie transitievergoeding.

Alleen nog voor kleine werkgevers?

Het vorige kabinet was van plan om de compensatie te beperken tot kleine werkgevers. Een kleine werkgever is in dit verband een werkgever met een loonsom tot en met 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per kalenderjaar. Daarbij wordt gekeken naar het totaal van het premieplichtige loon van de werkgever twee jaar eerder. Dit gebeurt nu ook al voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds. In 2026 is een werkgever klein voor deze premie als het totale premieplichtige loon over 2024 niet hoger was dan € 1.082.500.

Uitstel tot 1 januari 2027

Het plan was om de beperking tot kleine werkgevers in te voeren per 1 juli 2026. Het wetsvoorstel moet echter nog door de Tweede en Eerste Kamer. Gezien de krappe tijd is de beoogde inwerkingtreding verschoven naar 1 januari 2027.

Let op! Het huidige kabinet heeft het plan om de compensatie van de transitievergoeding van een langdurig zieke per 1 januari 2028 voor alle werkgevers af te schaffen. Ook een kleine werkgevers heeft dus, als dit plan doorgaat, vanaf 1 januari 2028 geen recht meer op compensatie.

Geen teruggaaf box 3 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers?

By nieuws

MB+-procedure

Het advies van de AG is gegeven in twee proefprocedures die onderdeel zijn van de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure). In de MB+-procedure staat de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement.

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NBA, NOB, RB en SRA) menen dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening is gehouden. Daar gaat de MB+-procedure over.

Vier proefprocedures

In de MB+-procedure zijn proefprocedures gevoerd voor vier rechtbanken. De rechtbanken hebben inmiddels allemaal de Hoge Raad gevolgd. De groep niet (of te laat) bezwaarmakers heeft dus ook volgens de rechtbanken geen recht op berekening van het box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 op basis van werkelijk rendement.

Advies AG

Twee procedures zijn inmiddels in behandeling bij de Hoge Raad. Een AG heeft hierover op 8 mei 2026 advies uitgebracht aan de Hoge Raad. Het advies is om niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 te geven.

Let op! Het is niet gezegd dat de Hoge Raad dit advies van de AG opvolgt. Het wachten is daarom op het oordeel van de Hoge Raad. Wanneer de Hoge Raad zich hierover uitspreekt, is nog niet bekend. In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad hoef je geen nadere actie te ondernemen.

Hof: verdubbeling bijtelling elektrische auto in 2020 aanvaardbaar

By nieuws

Bijtelling

Als een auto van de zaak ter beschikking staat, moet bij privégebruik van meer dan 500 kilometer per jaar een percentage van de cataloguswaarde bij het loon/inkomen worden geteld. Over deze bijtelling betaalt de berijder loonbelasting of belasting in box 1. In bovengenoemde zaak was sprake van een verdubbeling van dit percentage als gevolg van een wetswijziging begin 2020.

Korting elektrische auto’s

Auto’s zonder CO2-uitstoot, meestal elektrische auto’s, krijgen al jaren een korting op het standaard bijtellingspercentage. Dit was om milieuvriendelijk autorijden te bevorderen. Om oversubsidiëring te voorkomen, is deze korting in de loop der jaren geleidelijk afgebouwd.

Let op! De korting bedraagt voor auto’s die in 2026 voor het eerst tot de weg worden of zijn toegelaten 4% tot en met een cataloguswaarde van € 30.000. Dit betekent een bijtelling van 18% tot en met een cataloguswaarde van € 30.000 en 22% over het meerdere.

Bijtelling verdubbeld begin 2020

In 2019 bedroeg de korting nog 18% (en de bijtelling 4%) over een cataloguswaarde tot en met € 50.000. Via een wetswijziging werd vanaf 1 januari 2020 de korting verlaagd naar 14% en daarmee de bijtelling verhoogd naar 8% tot en met een cataloguswaarde van € 45.000. Een werknemer die in 2019 al een elektrische auto bestelde welke pas in 2020 aan hem ter beschikking werd gesteld, was van mening dat deze plotselinge forse verhoging in strijd was met Europees recht en stapte naar de rechter.

Gevolgen voldoende overdacht

Rechtbank Noord-Nederland oordeelde dat de wetgever bij de verlaging van de korting voorbij was gegaan aan de belangen van de werknemer. Er was geen sprake meer van ‘fair balance’ en daarom strijd met Europees recht. De rechtbank verhoogde voor deze werknemer daarom de korting naar 18% (de korting die in 2019 gold).

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in hoger beroep echter dat de wetgever de wetswijziging goed had overdacht en ook voldoende rekening had gehouden met de gevolgen. Uit de parlementaire behandeling bleek ook volgens het gerechtshof dat daarbij wel degelijk aandacht was besteed aan de positie van onder andere de belanghebbende, waarvoor al in 2019 een elektrische auto besteld was die pas in 2020 geleverd werd. Gevolg is dat de werknemer niet de korting van 18% (korting 2019) maar van 14% (korting 2020) moet toepassen. De verdubbeling van de bijtelling van 4% naar 8% blijft dus in stand.

Let op! De bijtelling zou eventueel nog verlaagd kunnen worden als sprake is van een individuele en buitensporige last bij de werknemers. Daar is niet snel sprake van. Zo ook niet in het geval van de werknemer waar de extra heffing over (ten hoogste) € 76 plaatsvond.

Berekenen transitievergoeding bij loonstop

By nieuws

Een casus

Een werknemer kreeg kort nadat hij in dienst is getreden een fietsongeluk en viel langdurig ziek uit. Hij werkte onvoldoende mee aan zijn re-integratie met als gevolg dat de werkgever de loonbetaling stopzet. Uiteindelijk ging de werknemer na afloop van zijn jaarcontract ziek uit dienst. 

Transitievergoeding

Er is vervolgens discussie ontstaan over de hoogte van de uit te betalen transitievergoeding. De vraag is of de periode waarin het loon is stopgezet, wel of niet moet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding.

Berekenen transitievergoeding 

Als een werkgever een werknemer een transitievergoeding moet betalen, dan is de werkgever deze ook verschuldigd over de periode dat er door de werkgever een (terechte) loonstop is toegepast.

Deze werknemer had dan ook nog recht op de transitievergoeding over een periode van 21 mei 2025 tot 12 oktober 2025, het moment waarop het dienstverband eindigde.

Hoogte transitievergoeding

Voor de bepaling van de hoogte van deze transitievergoeding is van belang wat de arbeidsomvang van de werknemer is geweest. Partijen verschilden van mening over de grootte van deze arbeidsomvang. Volgens de werknemer moest worden uitgegaan van 29,4 uur per week, terwijl er volgens de werkgever sprake was van een arbeidsomvang van 14,5 uur per week.

De kantonrechter stelt de arbeidsomvang vast op 27,6 uur per week. Uit de in het geding gebrachte loonstroken volgt dat in de zes weken voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid op 23 november 2024 de werknemer gemiddeld 27,6 uur per week werkte. De werknemer heeft dan ook recht op een transitievergoeding berekend over de gehele duur van het dienstverband, uitgaande van een gemiddelde arbeidsomvang van 27,6 uur tegen een brutouurloon van € 14,77.

Slotsom

Voor de bepaling van de hoogte van de transitievergoeding is dus de gemiddelde arbeidsomvang van belang vóór de uitval wegens ziekte.

Nieuwe wet biedt Belastingdienst meer grip op cryptodiensten

By nieuws

Identiteit verifiëren

Verrichters van cryptodiensten moeten de identiteit van hun klanten verifiëren. Ook de woonplaats van de klant moet worden vastgesteld. Dit mag onder andere met behulp van de zogenaamde eigen verklaring.

Transacties

De gegevens die aan de Belastingdienst verstrekt moeten worden, hebben voornamelijk betrekking op de identiteit van de klanten en op de verrichte transacties. Bij de identiteit gaat het onder meer om de naw-gegevens en het bsn-nummer. De transactiegegevens moeten vergaand worden gespecificeerd, zodat per transactie is te achterhalen wat de omvang ervan was en of deze al dan niet winstgevend is geweest.

Let op! De cryptodienstverleners moeten deze gegevens vanaf 1 januari 2026 bijhouden en uiterlijk 31 januari 2027 aan de Belastingdienst doorgeven.

Onderlinge uitwisseling

De EU-lid staten zullen de opgevraagde gegevens onderling uitwisselen, zodat het ontgaan van belastingheffing zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Een Europese organisatie zorgt voor uitwisseling van de gegevens met landen die niet tot de EU behoren, voor zover er met deze landen een verdrag aanwezig is. 

Informatieplicht

Aanbieders van cryptodiensten zijn verplicht hun klanten te informeren over de door hen aan de Belastingdienst verstrekte gegevens. Met betrekking tot het jaar 2026 moet dat uiterlijk op 31 januari 2027.

Let op! Vermogen in de vorm van cryptovaluta valt in de regel in box 3, tenzij het vermogen behoort tot het vermogen van een onderneming. Door de nieuwe wet krijgt de Belastingdienst dan ook meer grip op vermogen dat is belegd in cryptovaluta zoals de bitcoin, en wordt belastingontduiking tegengegaan.

Advieswijzer Btw en buitenland

By nieuws

In deze advieswijzer wordt op hoofdlijnen nader ingegaan op btw-verplichtingen waarmee je te maken kunt krijgen als je zaken doet met het buitenland.

Waar en door wie is btw verschuldigd?

Om te bepalen waar – in Nederland of in het buitenland – btw verschuldigd is, is het essentieel om eerst vast te stellen in welk land de prestatie voor de btw plaatsvindt. Is dit in Nederland, dan heb je te maken met Nederlandse btw-verplichtingen. Is dit in het buitenland, dan heb je te maken met btw-verplichtingen in het buitenland.

 

Let op! De plaats waar je bent op het moment dat je een prestatie verricht, is lang niet altijd de plaats waar de prestatie voor de btw plaatsvindt. Maak daarom niet de vergissing om automatisch aan te nemen dat bijvoorbeeld een dienst die je in Nederland verricht, ook daadwerkelijk in Nederland belast is met btw.

 

De btw-regels om vast te stellen waar de prestatie plaatsvindt, zijn niet eenvoudig. Van belang is om in ieder geval onderscheid te maken tussen de levering van goederen en het verrichten van diensten. Voor beide categorieën gelden namelijk andere regels.

 

Bepalen de btw-regels dat je prestatie voor de btw in het buitenland plaatsvindt, dan hoef je lang niet altijd in het buitenland ook daadwerkelijk btw te betalen. Als je afnemer een btw-ondernemer is, kun je in veel gevallen binnen de EU een zogenoemde verleggingsregeling toepassen. Je kunt dan verschuldigde buitenlandse btw verleggen naar je afnemer. Je afnemer moet dan zorgdragen voor de afdracht van de buitenlandse btw.

 

Levering van goederen

Levering van goederen aan een ondernemer in de EU

Bij levering van goederen aan een ondernemer in de EU zal over het algemeen sprake zijn van een intracommunautaire levering (ICL) tegen het 0% btw-tarief. Voorwaarde is dat de goederen vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd en dat je over het btw-identificatienummer beschikt van de in die EU-lidstaat gevestigde ondernemer. Hierbij is belangrijk dat je met documentatie kunt aantonen dat de goederen zijn vervoerd vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat.

 

Tip! Je kunt het btw-identificatienummer van je afnemer checken op een website van de EU

 

Je berekent 0% btw, maar geeft deze ICL wel aan (tegen 0% btw) in je btw-aangifte en in je opgaaf intracommunautaire prestaties. Je buitenlandse afnemer verricht in de andere EU-lidstaat een intracommunautaire verwerving (ICV) en draagt daar de btw af tegen het daar geldende btw-tarief (maar kan deze btw over het algemeen in zijn btw-aangifte ook weer in aftrek brengen).

Voorbeeld
Je levert goederen aan een ondernemer in Frankrijk met een Frans btw-identificatienummer. De goederen worden in verband met de levering vanuit Nederland naar Frankrijk vervoerd. Deze levering betreft een ICL. Voor de btw vindt de levering plaats in Nederland tegen het 0% btw-tarief. Je Franse afnemer verricht in Frankrijk een ICV. Hij draagt de btw hierover in Frankrijk af tegen het daar geldende btw-tarief.

Levering van goederen aan particulieren in de EU

Voor de levering van goederen aan consumenten en ondernemers die niet btw-plichtig zijn (hierna: consumenten) en die in andere EU-lidstaten wonen, gelden ander btw-regels. Dit zijn de zogenoemde afstandsverkopen. Volgens de hoofdregel zijn de afstandsverkopen binnen de EU belast in de EU-lidstaat waar de consument woont.

 

Let op! Voor 1 juli 2021 golden andere regels voor afstandsverkopen.

 

Uniform drempelbedrag

Op de hiervoor vermelde hoofdregel geldt een uitzondering als de totale omzet van de afstandsverkopen plus de omzet van eventuele digitale diensten op jaarbasis niet hoger is dan het drempelbedrag van € 10.000. Blijft de ondernemer onder dit drempelbedrag en is die ondernemer alleen in Nederland gevestigd, dan berekent hij het Nederlandse btw-tarief en doet hij in Nederland btw-aangifte. Het transport van de afstandsverkopen moet dan wel in Nederland beginnen. Dit is gebaseerd op de Vereenvoudigde regeling voor kleine ondernemers. Deze vereenvoudiging geldt voor afstandsverkopen en/of digitale diensten aan consumenten in de EU buiten Nederland.  

 

Let op! Zowel de omzet van de afstandsverkopen als de omzet van digitale diensten telt mee voor de drempel van € 10.000. Als deze drempel in enig jaar wordt overschreden, moet direct worden gestart met de berekening van buitenlandse btw voor de afstandsverkopen, alsmede voor de digitale diensten, en mag de drempel van € 10.000 niet langer worden gebruikt, ook niet in het volgende kalenderjaar.

 

Het drempelbedrag van € 10.000 geldt niet per EU-lidstaat, maar voor alle EU-lidstaten tezamen. Alleen als het totaal van alle afstandsverkopen aan consumenten in alle andere lidstaten en digitale diensten niet meer dan € 10.000 bedraagt, is de uitzondering van toepassing.

Keuze om drempelbedrag niet toe te passen

Het is ondernemers toegestaan om voor afstandsverkopen en/of digitale diensten te kiezen voor btw-heffing in het buitenland en dus geen gebruik te maken van het drempelbedrag van € 10.000. Deze keuze moet de ondernemer op tijd melden bij de Belastingdienst. De keuze gaat namelijk pas in op de eerste dag van het op de melding volgende kalenderkwartaal. Wil de ondernemer de keuze in laten gaan met ingang van de datum van de eerste digitale dienst of afstandsverkoop, dan moet de melding uiterlijk de 10e van de daaropvolgende maand bij de Belastingdienst binnen zijn. Keuze voor btw-heffing in het buitenland kan voordelig zijn als het btw-tarief in de EU-lidstaat waar de consument woont lager is dan in Nederland en met de klant een prijs inclusief btw is afgesproken. Ook kan via de buitenlandse btw-aangifte de buitenlandse voorbelasting van dat land worden teruggevraagd. Uiteraard brengt het wel extra administratieve lasten met zich mee.

 

Let op! Voorgaande btw-regels gelden alleen als de goederen worden verzonden of vervoerd door de leverancier of door indirecte tussenkomst van de leverancier of voor rekening komen van de leverancier. Is jouw situatie anders, dan kunnen andere btw-regels gelden. Neem bij twijfel over je specifieke situatie contact met ons op.

 

Eénloketsysteem

Komen de afstandsverkopen boven het drempelbedrag uit of is vrijwillig gekozen om het drempelbedrag niet toe te passen, dan berekent de ondernemer de btw van de EU-lidstaat waar de goederen heengaan. De ondernemer moet in die EU-lidstaat de btw afdragen en btw-aangifte doen. Hij kan ook kiezen voor een eenvoudig éénloketsysteem, ook wel OSS (One Stop Shop) genoemd.

In dit éénloketsysteem kan de ondernemer de in andere EU-lidstaten verschuldigde btw aangeven en afdragen bij de Nederlandse Belastingdienst. Hij moet zijn bedrijf dan aanmelden voor de ‘Unieregeling’ binnen het éénloketsysteem van de Belastingdienst. Zij zorgen dan dat de verschuldigde btw aan de diverse EU-lidstaten wordt doorbetaald. Aanmelding kan via Mijn Belastingdienst Zakelijk.

 

Tip! Bij toepassing van de Unieregeling gelden voor facturering de Nederlandse btw-regels. Dit betekent dat je voor de afstandsverkopen niet verplicht bent om een factuur uit te reiken.

 

Via het éénloketsysteem kan geen voorbelasting worden teruggevraagd. Als er buitenlandse btw in rekening is gebracht, moet die worden teruggevraagd via een teruggaafverzoek buitenlandse btw. Het rechtstreeks terugvragen van buitenlandse btw kan wel als je ervoor kiest om in het buitenland btw-aangifte te doen.

Ook niet-EU-ondernemers kunnen zich aanmelden voor het éénloketsysteem. Hiervoor is een tussenpersoon verplicht. Die moet gevestigd zijn in de EU-lidstaat waar de niet-EU-ondernemer zich wil aanmelden.

Levering van goederen aan een ondernemer of een particulier buiten de EU

Bij levering van goederen aan een ondernemer of een particulier buiten de EU is sprake van de uitvoer van goederen als de goederen naar een land buiten de EU worden vervoerd. Over de uitvoer van goederen ben je 0% btw verschuldigd. Voorwaarde hiervoor is dat je kunt aantonen dat de goederen de EU hebben verlaten. Je berekent 0% btw, maar geeft deze export wel aan (tegen 0% btw) in je btw-aangifte.

Overige leveringen

Hiervoor zijn de hoofdregels voor de levering van goederen beschreven. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij de regels anders uitwerken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de levering van nieuwe (of bijna nieuwe) vervoermiddelen of aan ABC-leveringen. Bij ABC-leveringen worden de goederen door A aan B verkocht en vervolgens doorverkocht door B aan C. De goederen worden echter rechtstreeks van A naar C vervoerd. Denk ook aan dropshipping (webshop koopt en verkoopt door, maar de leverancier van de webshop vervoert of verzendt de goederen rechtstreeks naar de particulier die op de webshop bestelde). Voor deze situaties kunnen andere btw-regels gelden. 

 

Tip! Overleg altijd met onze adviseurs over de btw-regels die in jouw specifieke situatie van toepassing zijn.

 

Verrichten van diensten

Diensten aan een ondernemer in de EU

Volgens de hoofdregel is de dienst aan een ondernemer uit een andere EU-lidstaat belast in de EU-lidstaat van de afnemer. Je berekent dan geen Nederlandse, maar ook geen buitenlandse btw. Je verlegt de btw namelijk naar je afnemer en je afnemer geeft de btw aan in zijn eigen land (tegen het daar geldende btw-tarief). Je geeft de dienst wel aan in je eigen btw-aangifte en je opgaaf intracommunautaire prestaties.

 

Let op! Op deze hoofdregel gelden uitzonderingen. Bijvoorbeeld als de dienst betrekking heeft op onroerende zaken, het verlenen van toegang tot bepaalde evenementen, verhuur van een vervoermiddel voor een korte periode, personenvervoer of restaurant- of cateringdiensten. Laat je daarom altijd vooraf goed informeren door onze adviseurs over de btw-regels in je eigen situatie.

 

Diensten aan een ondernemer buiten de EU

Diensten aan een ondernemer buiten de EU zijn op grond van de hoofdregel belast in het land van de afnemer. In de Nederlandse btw-aangifte geef je hiervan niets aan. Informeer in het land van je afnemer aan welke btw-verplichtingen je daar moet voldoen.

 

Let op! Op deze hoofdregel gelden ook uitzonderingen. Laat je daarom goed informeren over de btw-regels in je eigen situatie.

 

Diensten aan een particulier

Volgens de hoofdregel is de dienst aan een particulier in het buitenland belast in Nederland. Je berekent hierover Nederlandse btw. Ook hier zijn echter vele uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld bij een dienst met betrekking tot een onroerende zaak, bij vervoersdiensten, restaurantdiensten, bemiddelingsdiensten etc.

Voor digitale diensten aan een particulier in een andere EU-lidstaat geldt de hiervoor beschreven Vereenvoudigde regeling voor kleine ondernemers of je kunt kiezen voor btw-heffing in de EU-lidstaat waar de consument woont.

Ook voor bepaalde andere diensten, zoals reclame- of adviesdiensten die je verricht aan een particulier buiten de EU, gelden andere regels. Deze diensten zijn over het algemeen belast in het land waar uw particuliere afnemer zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft.

Kleineondernemersregeling (KOR)

De Nederlandse kleineondernemersregeling (KOR) geldt voor ondernemers met een omzet tot € 20.000 per jaar die belast is met Nederlandse btw. Als je deelneemt aan de KOR, hoef je aan je afnemers geen btw in rekening te brengen. Je kunt echter de door jou betaalde btw ook niet aftrekken. De KOR is daarom niet in alle situaties voordelig.

Europese kleineondernemersregeling (EU-KOR)

Sinds 1 januari 2025 is het mogelijk om de KOR aan te vragen in andere EU-lidstaten waar je btw bent verschuldigd. Je bepaalt zelf voor welke EU-lidstaten je de KOR aanvraagt. Je hoeft in die EU-lidstaat dan geen btw-aangiftes te doen, maar hebt dan ook geen recht op aftrek van door jou betaalde btw. Wel moet je ieder kwartaal aan de Nederlandse belastingdienst een overzicht verschaffen van de omzet die je in het kwartaal in de andere EU-lidstaten hebt behaald.

Eisen EU-KOR

Voor de EU-KOR is vereist dat je hoofdvestiging in Nederland ligt. Je omzet mag in alle EU-lidstaten, inclusief Nederland, maximaal € 100.000 bedragen. Ook geldt voor de deelnemers de nationale omzetgrens van de EU-lidstaat waar ze de EU-KOR willen toepassen. In Nederland bedraagt deze dus € 20.000 op jaarbasis.

Teruggaaf van in EU betaalde btw

Als je in 2025 als ondernemer ergens in de EU goederen en diensten hebt gekocht, kun je de buitenlandse btw via de Nederlandse Belastingdienst terugvragen. Je moet aan speciale formaliteiten voldoen en de in een andere EU-lidstaat betaalde btw vóór 1 oktober 2026 terugvragen. Te laat teruggevraagde btw wordt niet terugbetaald. Bij in de EU betaalde btw kun je denken aan btw op getankte brandstof of bijvoorbeeld aan btw op een taxirit of een hotelovernachting tijdens een congres. Het gaat dus om alle buitenlandse btw op zakelijk aangeschafte goederen en diensten.

 

Let op! Btw terugvragen moet digitaal via de volgende site: https://eubtw.belastingdienst.nl/netp/. Daarvoor dien je over inloggegevens te beschikken. Vraagt je adviseur de btw voor je terug, dan heb je allebei inloggegevens nodig.

Let op! Het verzoek om teruggave van in 2025 betaalde btw moet per EU-lidstaat minstens € 50 aan btw betreffen en moet vóór 1 oktober 2026 ingediend worden. Onder deze drempel beslist het betreffende land zelf of het je btw terugbetaalt. Grotere bedragen kun je al in de loop van het kalenderjaar terugvragen, als het bedrag minstens € 400 per drie maanden is.

Tot slot

De btw-wetgeving is niet eenvoudig. Er gelden hoofdregels, maar het zijn met name de uitzonderingen hierop die het ingewikkeld maken. Bijna geen enkele situatie is echt standaard. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-regels voor je eigen, specifieke situatie.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Rechters over belastingrente bij IB en erfbelasting

By nieuws

Belastingrente Vpb

Op 16 januari 2026 oordeelde de Hoge Raad dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend werd op een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) te hoog was. Er was strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel omdat er geen goede rechtvaardiging was om bij de Vpb een hogere rente te berekenen dan bij andere belastingen, waaronder de IB.

Let op! Inmiddels berekent de Belastingdienst, conform het oordeel van de Hoge Raad, over aanslagen Vpb hetzelfde rentepercentage als over aanslagen IB.

Belastingrente IB

In de uitspraak van 16 januari 2026 gaf de Hoge Raad al aan dat bij de belastingrente op een aanslag IB geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of Europees recht. Die rente is dus niet te hoog volgens de Hoge Raad.

Op 10 april 2026 verwees de Hoge Raad nogmaals naar de uitspraak van 16 januari 2026 en oordeelde dat de belastingrente op een aanslag IB van minimaal 4% niet onevenredig is.

De belastingplichtige in deze casus kreeg op een ander punt wel gelijk van de Hoge Raad. De belastingrente bedroeg een tijdje 0,01% in verband met de coronacrisis, maar was per 1 oktober 2020 weer verhoogd naar 4%. De belastingrente was bij beschikking van 26 september 2020 in rekening gebracht, waarbij over de periode van 1 tot en met 20 oktober 2020 4% was berekend. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet mocht omdat de regeling waarop die hogere rente berustte nog niet in werking was getreden op 26 september 2020. Dit gebeurde immers pas op 1 oktober 2020. De belastingrente voor de periode 1 tot en met 20 oktober 2020 moest daarom berekend worden tegen 0,01%.

Belastingrente erfbelasting

Rechtbank Den Haag boog zich over de vraag wanneer een verzoek om een voorlopige aanslag bij de Belastingdienst binnen moet zijn om belastingrente over de aanslag erfbelasting te voorkomen.
De Belastingdienst vond dat dit moest binnen acht maanden na de overlijdensdatum. De rechtbank oordeelde echter dat dit moest vóór de eerste dag van de negende maand na de overlijdensmaand.

Voorbeeld
Het overlijden vond plaats op 13 mei 2023. Het verzoek om een voorlopige aanslag erfbelasting van de erfgenamen kwam bij de Belastingdienst binnen op 31 januari 2024. De Belastingdienst bracht belastingrente in rekening, omdat het verzoek naar het oordeel van de Belastingdienst binnen moest zijn uiterlijk 12 januari 2024. De rechtbank vond dat de erfgenamen wel op tijd waren en vernietigde daarom de beschikking belastingrente.

Tijdelijke werkwijze Eerstejaars ZW-beoordelingen eigenrisicodragers

By nieuws

De Wajong- en WIA-claimbeoordelingen hebben prioriteit, maar een deel van de resterende beoordelingscapaciteit wordt ingezet voor de EZWb voor ERD ZW.

Achtergrond tijdelijke werkwijze

Het UWV kan als gevolg van onder meer een tekort aan verzekeringsartsen en de gestegen aanvragen de sociaal-medische beoordelingen niet meer op tijd verrichten. Om die reden heeft het UWV besloten om voorrang te geven aan de Wajong- en de WIA-claimbeoordelingen. Het gaat in die gevallen om het vaststellen van het recht op uitkering en dus om duidelijkheid over een stuk inkomenszekerheid.

Het UWV zet de resterende capaciteit zo efficiënt mogelijk in door onder andere samen te werken met private partijen bij de EZWb voor ERD ZW. 

Private partijen

Dit voorjaar zijn afspraken gemaakt met het Platform Private Uitvoerders Sociale Zekerheid (PPUSZ), de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) en de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU). Afgesproken is dat het UWV in de periode van 1 mei tot en met 31 december 2026 3.400 EZWb’s uitvoert voor ERD ZW-werkgevers.

Aan de proef werken Acture, HCS en Robidus mee. Deze partijen leveren het UWV gericht dossiers aan van werknemers van ERD ZW-werkgevers, waarbij de indruk bestaat dat er een grote kans is dat de werknemer uit de Ziektewet stroomt. Op deze wijze kan zowel de instroom in de WIA worden beperkt (wat weer capaciteit scheelt) als ook aan schadebeperking worden gedaan voor de ERD ZW-werkgever.

Evaluatie

In september 2026 vindt er een evaluatie plaats. Daarna wil het UWV de beproefde werkwijze ook inzetten voor andere partijen. De verdere uitwerking daarvan zal worden afgestemd met de PPUSZ, de ABU en de NBBU.

 

Waarde geschonken woning blijft WOZ vanaf 2027!

By nieuws

WOZ-waarde

Als je iets erft of geschonken krijgt, wordt de waarde over het algemeen berekend naar de WEV. Alleen voor woningen geldt een afwijkende waardering. Daarbij mag de verkrijger kiezen voor de WOZ-waarde van het jaar waarin de verkrijging plaatsvindt of de WOZ-waarde van het jaar erna.

Medio 2025 was in een internetconsultatie een voorstel opgenomen om vanaf 2027 de waardering van woningen bij schenkingen te laten plaatsvinden tegen de WEV. In de Voorjaarsnota 2026 is echter bekendgemaakt dat dit voorstel niet doorgaat.

 

Let op! Voor woningen die je erft, waren geen aanpassingen voorgesteld en zou de waardering, ook vanaf 2027, gebaseerd blijven op de WOZ-waarde.

 

Voordelen van de WOZ-waarde

Nu de wet niet gewijzigd wordt, blijven bij schenken en erven de voordelen bestaan van een verschil tussen de WOZ-waarde en de WEV van een woning. Welke voordelen dat zijn wordt duidelijk aan de hand van de volgende voorbeelden.

WOZ lager dan WEV: schenking woning tegen WOZ-waarde

Stel, de WOZ-waarde van een woning is € 300.000 en de WEV € 350.000. Bij schenking van de woning wordt schenkbelasting berekend op basis van € 300.000. Als de verkrijger de woning daarna meteen doorverkoopt tegen de WEV, ontvangt hij effectief € 350.000, maar betaalt hij maar schenkbelasting op basis van € 300.000.

WOZ lager dan WEV: verkoop woning tegen WOZ-waarde

Stel dat de woning in het vorige voorbeeld niet geschonken wordt, maar verkocht tegen de WOZ-waarde van € 300.000. Economisch vindt er dan een schenking plaats van € 50.000 (€ 350.000 WEV minus € 300.000 verkoopprijs). De waarde van de schenking voor de schenkbelasting is echter nihil, omdat de waarde van de woning wordt bepaald op de WOZ-waarde.

Let op! Neem voor uw eigen situatie altijd contact op met onze adviseurs.

Base fine of €10,000 for cash payments of €3,000 or more

By nieuws

Cash payments of €3,000 or more

For businesses that buy or sell goods, cash payments of €3,000 or more will no longer be permitted starting January 1, 2026. It does not matter whether the business is buying from or selling to another business or to a private individual. In all cases, cash payments of €3,000 or more are prohibited.

Please note! A private individual may accept a cash payment exceeding €3,000 from another private individual, for example, when selling on a marketplace.

The €3,000 limit is intended to make it more difficult to launder cash derived from illegal transactions and thereby also combat terrorism. The limit is also intended to ensure that payment transactions remain accessible.

Base fine amount: €10,000

The fine for violating the ban is set at a fixed base amount of €10,000. The Financial and Economic Integrity Service (DFEI), part of the Ministry of Finance, oversees compliance with the ban.

Lower or higher fine

Special circumstances, such as financial capacity, may justify reducing the fine. On the other hand, repeated violations of the prohibition may justify increasing the fine. For example, a fine of €20,000 may be imposed if the prohibition is violated again within five years of a previous fine.

Please note! Criminal proceedings may also be initiated under the Economic Offenses Act.