All Posts By

Extra aandacht voor voorlopige aanslag 2026

By nieuws

Veel belastingplichtigen, zo ook ondernemers in de inkomstenbelasting, kunnen al in december 2025 de voorlopige aanslag voor 2026 ontvangen. De Belastingdienst wijst erop dat u deze voorlopige aanslag pas ná de dagtekening moet betalen.

Berichtenbox

Overheid

De voorlopige aanslag(en) voor 2026 kunt u vanaf eind december terugvinden in uw Berichtenbox in Mijn Belastingdienst. De papieren versie van de aanslag wordt in januari 2026 ook per post bezorgd. 

Let op! Betaalt u vóór de dagtekening, dan kunnen de systemen van de Belastingdienst dit mogelijk niet correct verwerken en worden de bedragen teruggestort.

Uiterste betaaldatum

De datum waarop de betaling bij de Belastingdienst binnen moet zijn, is afhankelijk van de wijze van betaling. U kunt ineens betalen, maar ook in termijnen. De uiterste datum van de betaling ineens of in termijnen, staat vermeld op de voorlopige aanslag.

Tip! U kunt ook voor een automatische betaling kiezen, waardoor een betaling bij voldoende saldo op uw rekening nooit te laat wordt gedaan.

Controleren

De Belastingdienst baseert uw voorlopige aanslag op gegevens uit het verleden, de laatste definitieve aanslag of voorlopige aanslag van het voorgaande jaar. Controleer of de gebruikte gegevens niet te veel afwijken van uw huidige situatie. Is dit wel zo, dan is het verstandig de voorlopige aanslag (online) te wijzigen, zeker als u verwacht bij te moeten betalen.

Wijzigen

U kunt uw voorlopige aanslag wijzigen in Mijn Belastingdienst. Als u bent ingelogd kunt u de betreffende gegevens vervangen door de juiste. 

Tip! Ontvangt u de voorlopige aanslag 2026, dan kijken wij graag voor u of alles nog klopt.

Tijdelijke beslistermijnverlenging WIA-uitkering en herbeoordeling

By nieuws

Het UWV heeft aangekondigd vanaf januari 2026 ‘tijdelijk’ de beslistermijn voor werknemers die een WIA-uitkering of een herbeoordeling aanvragen te verdubbelen van acht naar zestien weken.

Wettelijke beslistermijn

Overheid

De wettelijke beslistermijn bedraagt acht weken. Dit heeft de wetgever een redelijke termijn gevonden. Als de beslissing niet binnen acht weken kan worden afgegeven, moet het UWV daarover berichten en moet daarbij vermelden wanneer zij de beslissing dan wel kunnen nemen. Het UWV streeft er met ingang van 1 januari 2026 dus naar om mensen binnen zestien weken een beoordeling en duidelijkheid te geven. Dit betekent dat werknemers pas later dwangsommen kunnen gaan verbeuren.

Wettelijk afwijken

In individuele situaties mag van de beslistermijn worden afgeweken en wel in de volgende gevallen:

  • gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd;
  • zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend; of
  • zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven.

Mag dit wel?

De vraag is wel wat de juridische grondslag is voor de voorgenomen generieke verdubbeling. Bij overmacht moet het gaan om “een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van het bestuursorgaan zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen.” 

De bestaande tekorten aan verzekeringsartsen zijn niet nieuw en waren voorzienbaar. Deze gang van zaken biedt geen oplossing voor de bestaande problemen bij het UWV waarvan mensen de dupe worden. De vraag is dan ook of deze beslissing dan ook juridisch standhoudt.

Te korte termijn voor hoorgesprek onacceptabel

By nieuws

Als u het met een belastingaanslag niet eens bent, kunt u bezwaar aantekenen. Voordat de inspecteur op uw bezwaar beslist, stelt hij u in de gelegenheid over uw bezwaar te worden gehoord. De inspecteur dient u van deze mogelijkheid op de hoogte te stellen. De termijn hiervoor moet redelijk zijn en niet te kort. Wanneer is sprake van ‘te kort’? Een casus.

Let op!Een hoorgesprek hoeft niet plaats te vinden als u verklaart ervan af te willen zien of als u niet binnen een redelijke termijn verklaart ervan gebruik te willen maken.

Inspecteur stelt te korte termijn

Juridisch

In een zaak die onlangs tot aan de Hoge Raad werd uitgevochten, ging het om de vraag of de door de inspecteur gestelde termijn voor het hoorgesprek te kort was. In deze zaak hadden eerst de belastingplichtige en daarna de inspecteur een eerdere afspraak over het hoorgesprek geannuleerd. 

De inspecteur stelde daarop een nieuwe termijn voor een hoorgesprek vast, maar het hoorgesprek moest dan al vier of vijf dagen later plaatsvinden. Tussen de verzenddatum van de uitnodigingbrief en de genoemde termijnen lag bovendien een weekend. Omdat hierop niet werd gereageerd, werd het bezwaar door de inspecteur afgewezen.

Hoge Raad: termijn onaanvaardbaar kort

De belastingplichtige stelde dat de termijn voor het hoorgesprek te kort was. Hij kreeg van de rechtbank en het gerechtshof geen gelijk, maar in cassatie van de Hoge Raad wel. Die noemde de door de inspecteur gestelde termijn onaanvaardbaar kort. 

Redenen niet van belang

De inspecteur had gesteld dat hij de eerdere afspraak voor het hoorgesprek had geannuleerd, omdat hij in afwachting was van nadere informatie over het geschil. De Hoge Raad vond dit niet van belang. Dat de zaak al langere tijd speelde en dat de belastingplichtige dus genoeg tijd had gehad zich op het hoorgesprek voor te bereiden, was in de ogen van de Hoge Raad evenmin een argument een dermate korte termijn te stellen. Dat gold ook voor het feit dat de inspecteur gedwongen was op korte termijn op het bezwaar te beslissen, omdat anders een dwangsom verschuldigd zou zijn.

De Hoge Raad besliste dan ook dat de inspecteur opnieuw uitspraak moest doen op het bezwaar.

Hoger griffierecht per 1 januari 2026

By nieuws

Het griffierecht wordt per 1 januari 2026 verhoogd met 2,94%. De verhoging wordt op hele euro’s afgerond. De verhoging vloeit voort uit de jaarlijkse indexatie met de consumentenprijsindex.

Griffierecht

Juridisch

Wie in belastingzaken een beschikking van de inspecteur bij de rechter wil aanvechten, is in beginsel griffierecht verschuldigd. Dit is onder meer het geval als u in beroep gaat tegen een afgewezen bezwaarschrift, of bij hoger beroep bij het gerechtshof of cassatie bij de Hoge Raad. 

Let op! Voor het aantekenen van bezwaar hoeft geen griffierecht betaald te worden.

Nieuwe tarieven voor instellen beroep

Natuurlijke personen die beroep aantekenen, moeten voor de meeste belastingen vanaf 1 januari 2026 € 54 griffierecht betalen, ofwel € 1 meer dan nu. Voor sommige belastingen, waaronder de btw en mrb, wordt het tarief € 200 in plaats van € 194 nu. Voor rechtspersonen, zoals een bv of stichting, geldt voor alle belastingsoorten een tarief van € 397, ofwel € 12 meer dan nu.

Nieuwe tarieven voor hoger beroep en cassatie

Natuurlijke personen die hoger beroep instellen bij een gerechtshof of in cassatie gaan bij de Hoge Raad, betalen vanaf 1 januari 2026 voor de meeste belastingen een griffierecht van € 147, ofwel € 4 meer dan nu. Voor enkele belastingen geldt voor hen vanaf 2026 een hoger griffierecht van € 297, ofwel € 8 meer dan in 2025. Voor rechtspersonen geldt bij alle belastingen bij hoger beroep en cassatie vanaf 2026 een griffierecht van € 596, € 17 meer dan nu.

Let op! Voor onvermogenden geldt een vrijstelling van de betaling van griffierecht.

Restitutie indien gelijk

U krijgt het betaalde griffierecht terug als u de zaak wint. Ook krijgt u dan in de regel een vergoeding voor gemaakte proceskosten, zoals de kosten van een adviseur. Deze vergoeding is gebaseerd op forfaitaire bedragen. Deze zijn afhankelijk van de verrichte inspanningen en de zwaarte van de zaak. Een vergoeding dekt meestal maar een deel van de kosten. Ook deze vergoedingen worden per 1 januari 2026 met 2,94% verhoogd.

Vanaf 2026 btw-vrijstelling maatschappelijk werk en schuldhulpverlening

By nieuws

Vanaf 1 januari 2026 geldt er een verplichte btw-vrijstelling voor verschillende leveringen en diensten van sociale en culturele aard.

Diensten van sociale en culturele aard

Medisch

In de wet is voor instellingen die leveringen en diensten van sociale en culturele aard aanbieden én die geen winst beogen een btw-vrijstelling opgenomen. In lagere regelgeving was voor de volgende instellingen ook een btw-vrijstelling opgenomen, ook als zij wel winst beoogden:

  1. instellingen van wijkverpleging, voor zover zij niet onder een andere btw-vrijstelling vallen;
  2. dagverblijven voor gehandicapten die beschikken over een indicatiebesluit;
  3. aanbieders van preventie gericht op jeugd (als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet), mede voor het ter beschikking stellen van personeel;
  4. samenwerkingsverbanden op het gebied van multidisciplinaire eerstelijns- en geboortezorg bekostigd door de Zorgverzekeringswet;
  5. instellingen voor algemeen maatschappelijk en bedrijfsmaatschappelijk werk;
  6. jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, mede voor het verstrekken van spijzen en dranken en het ter beschikking stellen van personeel;
  7. instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling, voor zover zij niet onder een andere btw-vrijstelling vallen.

Tot 1 januari 2026: keuze tussen btw of vrijstelling

Op 14 april 2023 oordeelde de Hoge Raad dat voornoemde lagere regelgeving in strijd was met de wet. Dit betekende dat de hiervoor beschreven instelling, als zij winst beoogde, 21% btw zouden moeten berekenen en afdragen over hun diensten. In een besluit werd echter goedgekeurd dat de instellingen ook konden kiezen om de btw-vrijstelling toe te passen.

Let op!Die keuze is alleen mogelijk als de instellingen voldoen aan de voorwaarden zoals die ook in de lagere regelgeving waren opgenomen. Het beleidsbesluit betekende dus geen uitbreiding van de btw-vrijstelling

Vanaf 1 januari 2026: verplichte btw-vrijstelling

In de Fiscale Verzamelwet 2026 wordt de wet per 1 januari 2026 zo aangepast dat de lagere regelgeving niet meer in strijd is met de wet. Dit wetsvoorstel is al door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. Vanaf 1 januari is er daarom geen keuze meer. Alle hiervoor genoemde instellingen vallen dan verplicht weer onder de btw-vrijstelling.

Let op! Instellingen die ervoor gekozen hebben om 21% btw te berekenen en af te dragen, moeten dus vanaf 1 januari 2026 weer verplicht de btw-vrijstelling toepassen. Zij krijgen mogelijk wel te maken met herzienings-btw. Daarbij moeten zij dan eerder in aftrek gebrachte btw op investeringsgoederen weer deels terugbetalen. Neem voor meer informatie hierover contact op met een van onze adviseurs.

Investeringsaftrek voor vergunning?

By nieuws

Vergunningen zijn wettelijk uitdrukkelijk uitgesloten voor de investeringsaftrekken. Toch zijn er situaties mogelijk waarbij u voor een vergunning toch voor de investeringsaftrekken in aanmerking komt.

Zelfstandig bedrijfsmiddel?

Typen

De Belastingdienst is van mening dat uitsluiting van investeringsaftrekken zoals de milieu-investeringsaftrek (MIA) alleen geldt als het gaat om een aanvraag voor een zelfstandig bedrijfsmiddel. Dit betekent dat wanneer een vergunning opgaat in een bedrijfsmiddel waarvoor investeringsaftrek gekregen kan worden en de vergunning dus geen zelfstandig bedrijfsmiddel is, de investeringsaftrek ook geldt ten aanzien van de vergunning.

Omgevingsvergunning gebouw

De Belastingdienst geeft als voorbeeld een duurzaam gebouw waarvoor de MIA verkregen kan worden. Als voor het gebouw een omgevingsvergunning nodig is, kan over de hiermee gepaard gaande kosten ook de MIA worden verkregen.

Feiten en omstandigheden

De Belastingdienst wijst erop dat de feiten en omstandigheden beslissend zijn voor de vraag of een vergunning opgaat in een bedrijfsmiddel waarvoor een of meer investeringsaftrekken verkregen kunnen worden. De weging hiervan is voorbehouden aan de inspecteur, maar bij verschil van mening kan de vraag altijd worden voorgelegd aan de rechter.

Tip! Als u bezig bent met een vergunningsaanvraag voor een bedrijfsmiddel, overleg dan eventueel met een van onze adviseurs of een investeringsaftrek mogelijk is.

Acceptatieplicht contant geld en de uitzonderingen

By nieuws

Onlangs is wettelijk vastgelegd dat consumenten kleinere betalingen, dat wil zeggen bedragen onder de € 3000, contant moeten kunnen voldoen aan niet-consumenten. Hiervoor gaat een aantal uitzonderingen gelden. Welke zijn dit?

Wettelijke acceptatieplicht contante betalingen

Geld

De wettelijke acceptatieplicht betekent dat consumenten contant moeten kunnen betalen aan niet-consumenten. In onder meer winkels en horecagelegenheden wordt het wettelijk verplicht deze contante betalingen door consumenten te accepteren. Het gaat hierbij om contante betalingen tot € 3.000.

Uitzonderingen

Voor bepaalde activiteiten of vanwege de veiligheid komen er uitzonderingen op de wettelijke acceptatieplicht. In het zogenaamde ‘Besluit uitzonderingen acceptatie contant geld’ zijn deze uitzonderingen opgenomen.

Niet gelijktijdig persoonlijk aanwezig

Zo wordt er een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld voor situaties waarbij degene die moet betalen en degene aan wie wordt betaald niet allebei tegelijk persoonlijk aanwezig zijn. Denk hierbij aan verkoop via een onbemande verkoopautomaat, betalingen bij een parkeerautomaat, bij een onbemand tankstation of een onbemande tolpoort.

Let op! Deze uitzondering geldt niet als er een natuurlijke persoon aanwezig is die werkzaamheden verricht voor degene aan wie betaald wordt. Als er bijvoorbeeld in een supermarkt een beveiliger of vakkenvuller aanwezig is, maar er zijn alleen maar zelfscankassa’s, moet er minimaal één zelfscankassa toch contant geld accepteren.

Overeenkomst op afstand

Verder wordt een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld bij aankopen op afstand, denk aan online, per postorder of telefonisch.

Periodieke betalingen

Ook periodieke betalingen, zoals de betaling van huur, energie, abonnementen of een verzekeringspremie, vallen erbuiten.

Buiten de verkoopruimte

Vanwege de veiligheid wordt voorgesteld om betalingen die plaatsvinden buiten een verkoopruimte, bijvoorbeeld wanneer er moet worden afgerekend aan de deur aan een maaltijdbezorger, uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht.

Let op! Een mobiele verkoopruimte, zoals een marktkraam, valt niet onder deze uitzondering.

In het openbaar vervoer

Ook de verkoop van vervoersbewijzen in het openbaar vervoer wordt, vanwege de veiligheid, uitgezonderd van de wettelijke acceptatieplicht.

Niet van 22.00 uur tot 6.00 uur

Om veiligheidsredenen wordt verder voorgesteld om betalingen tussen 22.00 uur en 6.00 uur uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht. Dit is uiteraard voor horecaondernemers van belang.

Uitzondering bij wezenlijk veiligheidsbelang

De ontvanger van contant geld mag vanwege een wezenlijk veiligheidsbelang ook tijdelijk contant geld weigeren. 

Let op! Deze uitzondering geldt dan echt tijdelijk. Alleen bij ondernemingen met minder dan vier werkzame personen kan hiervoor een permanente uitzondering gelden.

Ook geen wettelijke acceptatieplicht

In onder meer de volgende situaties geldt er (nu ook al) geen acceptatieplicht van contant geld:

  • Betalingen tussen privépersonen.
  • Betalingen tussen niet-consumenten.
  • Betalingen met meer dan 50 muntstukken.

Let op! Het Besluit waar de bovengenoemde uitzonderingen zijn opgenomen ligt van 14 november 2025 tot en met 2 januari 2026 ter internetconsultatie. Wilt u hierop reageren, dan kan dit via deze link.

Ingangsdatum nog onbekend

Het is nog onbekend vanaf wanneer de wettelijke acceptatieplicht en de uitzonderingen daarop ingaan. De ingangsdatum zal per koninklijk besluit bekendgemaakt worden.

Wijzigingen van de BOR en DSR gaan niet door

By nieuws

Een eerder aangenomen beperking van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en doorschuifregeling voor aandelen (DSR ab) tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%, gaat niet door. Ook wijzigingen van de BOR inzake de familietoets bij aandelen en de verwateringsregeling treden niet in werking.

Beperking tot gewone aandelen

Handen schudden

Eind 2024 is een wetsvoorstel aangenomen waarin de BOR en de DSR ab beperkt worden tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%. Door deze wijziging zouden alleen nog gewone aandelen kwalificeren. Winstbewijzen, opties op aandelen en zogenaamde trackingstocks zouden dan niet meer voor de BOR en DSR ab in aanmerking komen.

Deze wijziging zou in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. De staatssecretaris heeft echter onlangs laten weten dat het huidige kabinet niet van plan is om die datum bekend te maken. Dit betekent dat de beperking tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5% niet in werking treedt.

Wijzigingen in familietoets en verwateringsregeling

Eind 2023 zijn wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. Hierdoor zouden kleine aandeelbelangen  ̶  ongeacht de grootte, dus ook aandelen in box 3  ̶   in aanmerking komen voor de BOR als een familiegroep een belang heeft van minimaal 25%. Ook zou de verwateringsregeling worden verruimd door de toegang tot de BOR en DSR ab te behouden, ook als de aandelenbelangen verwateren over familieleden onder het huidig toegestane percentage van 0,5%.

Deze wijziging zou ook in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. Net als de beperking tot gewone aandelen, is het huidige (demissionaire) kabinet ook hiervoor niet van plan om die datum bekend te maken. Ook de wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling treden daarom niet in werking.

Later alsnog?

De inwerkingtreding van deze wijzigingen in de toegang tot de BOR en DSR ab, de familietoets en de verwateringsregeling waren aan elkaar gekoppeld. Voor al deze wijzigingen geldt dat het demissionaire kabinet niet van plan is om hier uitvoering aan te geven. Het is echter niet uit te sluiten dat een volgend kabinet hier nog een ander besluit over neemt.

Verbetering koopkracht deeltijd-minimumloners

By nieuws

De negatieve inkomensgevolgen in 2025 voor bepaalde deeltijdwerkers worden vanaf 2026 gecompenseerd. Dit is het gevolg van een aanpassing van het Belastingplan 2026 op verzoek van de Tweede Kamer.

Motie

Grafiek

Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder verdienen dan het minimumloon en een loonsverhoging hebben die lager is dan de algemene loonontwikkeling, hebben in 2025 te maken met negatieve inkomensgevolgen. Dit wordt veroorzaakt door koopkrachtmaatregelen uit het Belastingplan 2025. In een aangenomen motie verzocht de Tweede Kamer het kabinet om deze negatieve inkomensgevolgen vanaf 2026 ongedaan te maken.

Aanpassing arbeidskorting

Het kabinet vindt het zelf ook belangrijk dat de koopkracht van iedereen, dus ook de laagste inkomens, zowel in 2025 als in 2026 positief is. Het kabinet voert de aangenomen motie daarom uit door in het Belastingplan 2026 de indexatie van de eerste twee inkomensgrenzen in de arbeidskorting zo aan te passen dat lage inkomens in 2026 meer recht op arbeidskorting krijgen. Vooral deeltijdwerkers met een uurloon op of rond het minimumloon gaan er hierdoor iets op vooruit.

Financiering aanpassing

Om de aanpassing in de arbeidskorting voor lage inkomens te financieren, wordt het Belastingplan 2026 ook op de volgende punten aangepast:

  • de verhogingen van de arbeidskorting van € 25 en € 27 gaan niet door,
  • het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting wordt 0,05% minder verlaagd (de eerste schijf komt daarmee in 2026 uit op 35,75%),
  • de komende jaren wordt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in geleidelijke stapjes nog minder verlaagd (tot 0,09% minder in 2035), en
  • het hoogste tarief in de inkomstenbelasting (49,5%) is verschuldigd vanaf een lager inkomen dan eerder in het Belastingplan 2026 opgenomen.

Onbelaste vergoeding internetabonnement mogelijk?

By nieuws

Als uw werknemer ook thuiswerkt, kunt u dan de kosten van het volledige internetabonnement onbelast vergoeden?

Noodzakelijke voorziening

Typen

Als de vergoeding van het internetabonnement gezien kan worden als een noodzakelijke voorziening, kunt u deze onbelast vergoeden. U kunt dan namelijk de gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen toepassen.

Er is sprake van een noodzakelijke voorziening als uw werknemer het internet nodig heeft voor zijn werk en ook gebruikt voor zijn werk. Daarvan zal bij een werknemer die thuiswerkt en daarbij internet nodig heeft dus sprake zijn. Het is dan niet van belang hoe veel de werknemer thuiswerkt.

Let op! Zelfs als uw werknemer in theorie zijn werk ook zou kunnen doen zonder internet, kunt u het internet toch onbelast vergoeden als u kunt aantonen dat de werknemer zijn werk met internet bijvoorbeeld beter kan doen dan zonder internet. Het gaat erom dat u kunt laten zien dat het internet naar uw redelijke oordeel noodzakelijk is voor het behoorlijk doen van het werk.

Volledige vergoeding?

De vraag is of u het volledige internetabonnement van de werknemer onbelast mag vergoeden. Veelal zal de werknemer immers ook privé gebruikmaken van het internet. Daar hoeft u echter geen rekening mee te houden. U mag dus de volledige kosten van het internet onbelast vergoeden.

Of een deel?

U hoeft uiteraard niet het volledige internet aan uw werknemer te vergoeden. Die keuze is aan u. Als u bijvoorbeeld het internet slechts vergoedt naar rato van het aantal thuiswerkdagen, kan die vergoeding ook gewoon onbelast. Datzelfde geldt als u aan uw werknemer een eigen bijdrage vraagt. Ook dan kan de vergoeding onbelast. Uiteraard moet het in beide situaties wel zo zijn dat uw werknemer het internet nodig heeft voor zijn werk en daarvoor ook gebruikt. 

Tv en vaste telefoon

De meeste providers bieden naast internet ook een abonnement aan met internet, tv en vaste telefoon. De kosten van deze zogenaamde 3-in-1 pakketten mag u niet volledig onbelast vergoeden. De onbelaste vergoeding geldt alleen voor het internetdeel.

Dga

De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen geldt in principe niet voor een werknemer met de functie bestuurder of commissaris. In principe kunt u het internet dus niet onbelast vergoeden aan de dga onder deze gerichte vrijstelling.

Let op! In de wet is hiervoor wel een achterdeurtje opgenomen. Als u aannemelijk maakt dat het vergoeden van het internetabonnement gebruikelijk is voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, kunt u de gerichte vrijstelling toch toepassen. Wordt over het algemeen aan werknemers met een vergelijkbaar functieprofiel ook het internet vergoed, dan zal de vergoeding al snel gebruikelijk zijn.