All Posts By

Advieswijzer Kantoor aan huis

By nieuws

Het lijkt aantrekkelijk: wonen en werken in één pand. Maar een kantoor aan huis is lang niet altijd ook fiscaal aantrekkelijk. Wanneer is uw werkplek ook voor de fiscus een werkruimte? Waar moeten u, uw bedrijf en uw werkruimte dan aan voldoen?

Er is onder meer een verschil in de behandeling van een zogeheten kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte. Daarnaast gelden er voor een ondernemer met een eenmanszaak, vof of maatschap andere regels dan voor een ondernemer met een bv. En hoe zit het eigenlijk met de btw? In deze advieswijzer komen de verschillende regels aan de orde.

Kwalificerende werkruimte

Belastingdienst

Als eerste is het van belang om vast te stellen of sprake is van een fiscaal kwalificerende ruimte. Hiervoor moet uw werkruimte voldoen aan het zelfstandigheids- en het inkomenscriterium.

Zelfstandigheidscriterium

Uw werkruimte voldoet aan het zelfstandigheidscriterium als deze een zodanige zelfstandigheid bezit dat deze duidelijk te herkennen is. De werkruimte moet in ieder geval over een eigen ingang en over eigen sanitair beschikken. Dit komt erop neer dat de werkruimte ook aan een derde verhuurd zou kunnen worden.

Let op! Een werkplek in een woon-, slaap- of zolderkamer wordt in ieder geval niet als kwalificerende werkruimte aangemerkt. Een tot kantoor verbouwde garage met eigen ingang en sanitair kan dat wel zijn.

Inkomenscriterium

Uw werkruimte voldoet aan het inkomenscriterium als u uw inkomen voor een groot gedeelte in of vanuit deze ruimte verdient. Is dit uw enige werkruimte, dan moet u uw inkomen voor ten minste 30% in de ruimte én voor ten minste 70% in of vanuit de ruimte verdienen. Heeft u nog een andere werkruimte buiten uw woning, dan moet u uw inkomen voor ten minste 70% in de werkruimte verdienen.

Ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Omdat de werkruimte eigendom is van de eigenaar (natuurlijk persoon) en niet van de eenmanszaak, vof of maatschap, is het voor het bepalen van de fiscale winst noodzakelijk om onderscheid te maken tussen zaken die wel en zaken die niet voor de onderneming worden gebruikt. Dit noemen we vermogensetikettering.

Let op! De werkruimte kan worden aangemerkt als ondernemingsvermogen als deze juridisch of bouwkundig splitsbaar is van de woning. Indien dit niet het geval is, kunt u ervoor kiezen om de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen aan te merken, als ten tijde van verwerving van de woning ten minste 10% van de woning bestemd was om te worden gebruikt ten behoeve van de onderneming. In de overige gevallen vormt de werkruimte privévermogen. De fiscale behandeling van uw werkruimte is afhankelijk van de wijze waarop deze geëtiketteerd is: als privévermogen of als ondernemingsvermogen.

Ook als minder dan 10% van de woning ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt, kunt u de woning als ondernemingsvermogen aanmerken als u aannemelijk kunt maken dat de woning mede dienstbaar is aan het bedrijf. Bijvoorbeeld omdat er bij de aankoop sprake was van een koppelaankoop van het bedrijf en de woning, er vanuit de woning toezicht mogelijk is op het bedrijf, er een gemeenschappelijke toegangsweg is en dergelijke.

Een woning behoort verplicht tot het ondernemingsvermogen als u deze voor 90% of meer zakelijk gebruikt. 

Woning is privévermogen

De kosten van een niet-kwalificerende werkruimte kunt u niet van uw winst aftrekken. Op deze werkruimte is gewoon de eigenwoningregeling van toepassing.

Let op! De inrichtingskosten, zoals een bureau, zijn ook niet aftrekbaar van de winst. Maar indien er sprake is van zakelijk gebruik, kunt u hiervoor wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen als u zelf btw-belaste prestaties verricht.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven als bezitting en schuld in box 3. De kosten van de werkruimte mag u van uw winst aftrekken. Deze aftrekpost is echter gemaximeerd op het voordeel dat u ten aanzien van de werkruimte in box 3 moet aangeven. Deze aftrek is een percentage van de WOZ-waarde van uw werkruimte. Dit percentage is voor het jaar 2025 vastgesteld op 5,88%.

Daarnaast mag u ook de kosten die normaal gesproken voor rekening van een huurder (de huurderslasten) zouden komen, in aftrek brengen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld energiekosten, kosten van de inboedelverzekering en kosten van klein onderhoud. Ook nu zijn de inrichtingskosten niet aftrekbaar, maar kunt u hiervoor wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen.

Woning is ondernemingsvermogen

Indien de werkruimte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd, kunt u de kosten aftrekken van uw winst. De werkruimte valt dan niet onder de eigenwoningregeling, maar wordt belast als onderdeel van uw winst uit onderneming. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt en dat bijvoorbeeld een eventuele boekwinst bij verkoop belast is.

Indien u de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen heeft geëtiketteerd, kunt u alle kosten (met uitzondering van huurderslasten met betrekking tot het woondeel) aftrekken van uw winst. Voor het privégebruik van uw woning moet u wel een bijtelling ter grootte van een bepaald percentage van de WOZ-waarde in aanmerking nemen.

Voor de meeste woningen is dit in 2025 1,2%. Bij een niet-kwalificerende werkruimte moet u daarbij uitgaan van de WOZ-waarde van de gehele woning. Bij een kwalificerende werkruimte moet u uitgaan van de WOZ-waarde van de woning exclusief de werkruimte. Bij gesplitste vermogensetikettering (woondeel privévermogen/bedrijfsdeel ondernemingsvermogen) blijft de bijtelling bij een kwalificerende werkruimte achterwege.

Werkruimte in huurwoning

Indien sprake is van een werkruimte in een huurwoning, kunt u een evenredig deel van de huur en de huurderslasten in aftrek brengen als sprake is van een kwalificerende werkruimte.

Niet-kwalificerende werkruimte
Door een wetswijziging is het met ingang van 1 januari 2017 niet meer mogelijk om aftrek te krijgen voor een niet-kwalificerende werkruimte als u het huurrecht als ondernemingsvermogen etiketteert.

Dit geldt ook voor bestaande gevallen die al vóór 1 januari 2017 het huurrecht als ondernemingsvermogen hebben geëtiketteerd. Is sprake van een kwalificerende werkruimte, dan blijft ook vanaf 2017 aftrek mogelijk.

Ondernemers met een bv

Onderneemt u vanuit een bv, dan geldt ook het onderscheid tussen een kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte.

Kwalificerende werkruimte

De werkruimte valt voor u, als dga, in box I (de tbs-regeling). Dit betekent dat de vergoeding op zakelijke gronden moet worden vastgesteld. De vergoeding is voor de bv aftrekbaar van de winst en vormt voor de dga, na aftrek van alle aan de werkruimte toe te rekenen kosten, inkomen in box 1. Op dit belaste inkomen mag u nog wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12% in aftrek brengen.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat u voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven op de balans van uw werkzaamheid in box 1. U heeft ook geen last van de aftrekbeperkingen inzake hypotheekrente, zoals de maximering van de aftrek tot een tarief van 37,48% (2025).

Niet-kwalificerende werkruimte

Een niet-kwalificerende werkruimte valt onder de eigenwoningregeling: het eigenwoningforfait wordt berekend over de woning inclusief de werkruimte. Een eventuele vergoeding voor de werkruimte wordt voor de dga behandeld als loon. Het is echter mogelijk om de vergoeding als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Uw bv betaalt dan geen belasting, zolang het totaal van aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet hoger is dan de vrije ruimte. Wordt deze vrije ruimte overschreden, dan betaalt uw bv 80% eindheffing over de overschrijding. De loonkosten zijn voor de bv aftrekbaar van de winst.

Btw en ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Voor de btw is van belang of de zaken, zoals een werkruimte, zijn gebruikt ten behoeve van uw onderneming en of u hiermee btw-belaste omzet behaalt. Als dat het geval is, kunt u deze zaken voor de btw zakelijk etiketteren en de voorbelasting met betrekking tot het zakelijke gebruik in aftrek brengen. U kunt hierbij denken aan btw op energie, onderhoud en inrichting.

Btw en ondernemers met een bv

Indien u, als dga, de werkruimte aan uw bv verhuurt, is onzeker of u de btw met betrekking tot deze werkruimte in aftrek kunt brengen. De Belastingdienst gaat er tegenwoordig vanuit dat dit in ieder geval voor wat betreft een onzelfstandige werkruimte niet mogelijk is. Dit standpunt is aan kritiek onderhevig. Zo is door het gerechtshof in Amsterdam beslist dat de verhuur op zakelijke voorwaarden van een onzelfstandige werkruimte door een dga en zijn echtgenote aan de bv aangemerkt moest worden als een economische activiteit, en dat dus de btw aftrekbaar was voor de dga en zijn vrouw. Daarbij was van belang dat de dga niet alleen handelde, maar samen met zijn echtgenote. Beiden waren gerechtigd tot de woning, ze verhuurden de woning samen aan de bv en de vrouw was niet in dienst bij de bv. Dat de bv ook gebruik mocht maken van onder andere de toiletruimte, maakte de beslissing niet anders.

Tip! Overleg met onze adviseurs over de vraag of u in een soortgelijke situatie recht op aftrek van de btw kunt hebben.

Tot slot

De fiscale regels met betrekking tot de werkruimte zijn erg ingewikkeld. Neem voor uw specifieke situatie daarom contact met ons op.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Uitzendregeling: wie mogen wel in uw woning wonen?

By nieuws

Als u tijdelijk niet in uw eigen woning woont, blijft uw aftrek hypotheekrente in stand als u gebruik kunt maken van de uitzendregeling. Hiervoor geldt, buiten de wet om, een goedkeuring. Deze goedkeuring wordt nu in de wet opgenomen. Daarnaast vindt er een uitbreiding van de goedkeuring plaats.

Uitzendregeling

Bedrijfspand

De uitzendregeling is van toepassing als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • U of uw fiscale partner is al minimaal één jaar eigenaar van de woning. Deze woning vormt ook al minimaal één jaar uw hoofdverblijf op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen in verband met een uitzending of overplaatsing.
  • Na afloop van de uitzending of overplaatsing gaat u weer in de woning wonen.
  • U gaat tijdens de uitzending of overplaatsing niet in een andere eigen woning als hoofdverblijf wonen.
  • Er mogen in principe geen anderen in uw woning wonen in de periode dat u elders woont.

Let op! Om gebruik te kunnen maken van de uitzendregeling, moet u een verzoek doen om deze toe te passen.

Personen die wel in uw woning mogen wonen

Buiten de wet om is goedgekeurd dat bepaalde personen toch in uw woning mogen wonen, zonder dat dit in de weg staat aan toepassing van de uitzendregeling. Voorwaarde is dat zij geen huur of een andere vergoeding aan u betalen. Het gaat om de volgende personen:

  • De kinderen van u, uw fiscale partner of een persoon die direct voorafgaand aan uw uitzending of overplaatsing uw fiscale partner is.
  • Uw fiscale partner of een persoon die door uw uitzending of overplaatsing niet meer kwalificeert als uw fiscale partner.
  • Personen die al minimaal één jaar tot uw huishouden horen op het moment dat u tijdelijk ergens anders gaat wonen (bijvoorbeeld een hulpbehoevende ouder).

Opname in wet en uitbreiding

De goedkeuring dat deze personen toch in uw woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling, wordt opgenomen in de wet. Daarbij vindt een uitbreiding van de goedkeuring plaats. Naast kinderen, wordt in de wet opgenomen dat ook andere bloed- en aanverwanten in de rechte neergaande lijn in de woning mogen wonen tijdens toepassing van de uitzendregeling. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook uw kleinkind of achterkleinkind in uw woning kan wonen tijdens uw uitzending.

Fiscale verzamelwet 2026

De aanpassingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026, welke onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met dit wetsvoorstel. De aanpassingen zijn daarom nog niet definitief.

Introductie vereenvoudigde inlenersaansprakelijkstelling

By nieuws

Het kabinet wil de inlenersaansprakelijkheid vereenvoudigen door de introductie van twee bewijsvermoedens. Welke zijn dit?

Inlenersaansprakelijkheid

Bouw

Als een uitlener de loonbelasting, sociale verzekeringspremies en omzetbelasting niet betaalt die verschuldigd zijn vanwege het uitlenen van arbeidskrachten, kan de Belastingdienst de inlener of doorlener aansprakelijk stellen. De inlener of doorlener kan het risico op aansprakelijkstelling beperken door een deel van de facturen van de uitlener of doorlener op een g-rekening te betalen. Voldoet de inlener of doorlener aan de daarvoor verplichte administratie, dan geldt er een vrijwaring tot het op de g-rekening betaalde bedrag.

Voorstel vereenvoudigde inlenersaansprakelijkstelling

Het kabinet introduceert twee bewijsvermoedens om de aansprakelijkstelling te vereenvoudigen. Op grond van deze bewijsvermoedens wordt het voor de Belastingdienst eenvoudiger om een inlener en doorlener aansprakelijk te stellen.

Vermoeden aansprakelijkheidsschuld

Als eerste kan de Belastingdienst straks een beroep doen op een vermoeden over de omvang van de aansprakelijkheidsschuld. Deze bedraagt 35% van de factuursom. De Belastingdienst kan de inlener en doorlener aansprakelijk stellen voor maximaal 35% van de factuursom, zonder verder onderzoek te doen naar de daadwerkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld.

Er komt een tegenbewijsmogelijkheid voor de inlener of doorlener over de werkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld. Zo kan deze bijvoorbeeld tegenbewijs leveren op basis van stukken uit zijn eigen administratie.

Tip! Deze aansprakelijkstelling is alleen mogelijk als de inlener of doorlener minder dan 35% van de factuursom op de g-rekening betaalt. De inlener of doorlener is immers gevrijwaard tot het op de g-rekening gestorte bedrag.

Vermoeden uitlener

Het tweede bewijsvermoeden dat geïntroduceerd wordt, is dat een onderneming die ingeschreven is in het openbaar register als toegelaten uitzendonderneming, een uitlener is. De Belastingdienst hoeft dan dus niet te onderzoeken of sprake is van inlening of aanneming van werk, maar kan de fiscale inlenersaansprakelijkheid toepassen.

Ook voor dit bewijsvermoeden komt een tegenbewijsmogelijkheid. De inlener of doorlener kan, ondanks de inschrijving de uitlener in het openbaar register, proberen aannemelijk te maken dat sprake was van aanneming van werk.

Let op! Het openbaar register is onderdeel van het nog niet in werking getreden wetsvoorstel Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten. Als deze wet in werking treedt, zal een toelatingsstelsel gaan gelden binnen de uitzendsector.

Beleidsmatige vrijwaring

Naast deze twee bewijsvermoedens wordt ook een beleidsmatige vrijwaring geïntroduceerd voor inleners die arbeidskrachten inhuren van uitleners of doorleners met een toelating. Voorwaarde is dat de inlener 35% van de factuursom betaalt op de g-rekening en voldoet aan de administratieve verplichtingen.

Fiscale verzamelwet 2026

Het voorstel is opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026 welke onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met dit wetsvoorstel. De wetswijzigingen zijn daarom nog niet definitief.

Let op! Als de wetswijzigingen door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, treden de voorgestelde wijzigingen gelijktijdig met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in werking. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027.

Aftrek btw op verhuur werkkamer aan eigen bv?

By nieuws

Als u als dga een werkkamer in uw woning verhuurt aan uw bv, is het de vraag of u als verhuurder de btw op dit deel van de woning in aftrek kunt brengen. Ook is het dan de vraag of het verschil maakt of een werkkamer al dan niet zelfstandig is.

Echtpaar verhuurt werkkamer aan bv

Bedrijfspand

In een arrest van het gerechtshof Amsterdam werd deze vraag beantwoord. In de betreffende zaak verhuurde een echtpaar een werkkamer van 9,8 m2 aan de bv, waarvan de man enig aandeelhouder en dga was. De werkkamer is alleen te betreden via de hal in de woning. De werkkamer beschikt niet over eigen sanitaire voorzieningen. 

Het echtpaar had schriftelijk vastgelegd dat de werkkamer voor een periode van vijf jaar werd verhuurd, met de optie om dit na ommekomst van deze periode steeds voor dezelfde termijn te verlengen. Het paar trekt 7,15% van de btw af op de bouw van de woning.

Economische activiteit

De huurprijs van de kamer van € 200 per maand is niet dermate laag dat er geen sprake is van een symbolische vergoeding. Er is sprake van een duurzame verhuur tegen een reële vergoeding, volgens het Hof. Dat de gehanteerde voorwaarden niet marktconform zijn, is volgens het Hof niet van belang.

Dga handelt niet alleen

Het Hof vindt ook van belang dat de dga in deze zaak niet alleen handelt, maar samen met zijn echtgenote. Beiden zijn gerechtigd tot de woning, ze verhuren de woning samen aan de bv en de vrouw is niet in dienst bij de bv.

Ook medegebruik niet van belang

Tenslotte acht het Hof ook niet van belang dat de bv de werkkamer huurt en daarbij gebruik mag maken van onder andere de toiletruimte van de woning. Er is sprake van een reële verhuur van de werkkamer. De conclusie luidt dan ook dat er een rechtstreeks verband is tussen de kosten van de woning en de btw-belaste verhuur van de werkkamer. Het echtpaar heeft daarmee recht op de btw-aftrek.  

Aanpassingen lijfrenteregels vanaf 2026

By nieuws

Het kabinet stelt voor om vanaf 2026 twee regels met betrekking tot lijfrenten aan te passen. Welke regels worden aangepast?

Aanpassing uiterste ingangsdatum lijfrenteverzekering, -rekening en -beleggingsrecht

Pensioen

Een voorwaarde voor een aftrekbare lijfrente is dat de lijfrenteverzekering uiterlijk ingaat in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De lijfrente kan worden uitgekeerd met een jaarbetaling achteraf, waardoor de eerste termijn uiterlijk in het jaar van de AOW plus zes jaar kan geschieden.

Dit is voor een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht anders. Voor deze lijfrenten moet de eerste termijn uiterlijk worden uitgekeerd in het jaar van AOW plus vijf jaar.

Het kabinet wil deze ongelijkheid wegnemen. In de wet wordt daarom vanaf 1 januari 2026 opgenomen dat ook de eerste termijn van een lijfrenteverzekering vanaf 1 januari 2026 uiterlijk moet worden uitgekeerd in het jaar van AOW plus vijf jaar.

Aanpassing termijn ingaan lijfrente ter voorkoming van afkoop

Een lijfrente die op de in de overeenkomst overeengekomen einddatum nog niet tot uitkering komt, omdat de omvang van de termijnen nog moet worden vastgesteld, wordt na verloop van een bepaalde tijd geacht te zijn afgekocht. Nu is dat wettelijk:

  • op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de in de overeenkomst overeengekomen datum bij leven, en
  • op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de in de overeenkomst overeengekomen datum bij overlijden.

De Belastingdienst kan deze termijn verlengen als door bijzondere omstandigheden de omvang van de termijnen nog niet is vastgesteld of omzetting van de lijfrente nog niet heeft plaatsgevonden. De Belastingdienst ontvangt per jaar zo’n 4.000 verzoeken voor termijnverlenging.

Mede daarom wil het kabinet vanaf 1 januari 2026 niet langer aansluiten bij de in overeenkomst overeengekomen einddatum. Vanaf 1 januari 2026 wordt daarom in de wet opgenomen dat de uiterste termijn van uitkering van de eerste lijfrentetermijn:

  • bij leven is 31 december van het jaar na het jaar van AOW plus vijf jaar, en
  • bij overlijden is 31 december van het tweede jaar na overlijden.

In de wet wordt vanaf 1 januari 2026 ook opgenomen dat de Belastingdienst de termijnen kan verlengen als door bijzondere omstandigheden geen termijnen zijn uitgekeerd.

Fiscale verzamelwet 2026

De aanpassingen zijn opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026 welke onlangs aan de Tweede Kamer is aangeboden. De Tweede en Eerste Kamer moeten nog instemmen met dit wetsvoorstel. De wetswijzigingen zijn daarom nog niet definitief.

Weer subsidie begeleiding statushouders op werkvloer

By nieuws

Werkgevers die statushouders in dienst nemen, lopen soms tegen verschillende problemen aan. Ook in 2025 is er weer subsidie beschikbaar, gericht op activiteiten om de taal- en cultuurverschillen op de werkvloer te verkleinen.

SOWIS

Bouw

De Subsidieregeling Ondersteuning Werkgevers Inzet Statushouders (SOWIS) is bedoeld voor extra begeleiding van statushouders op de werkvloer. De subsidie kan worden aangevraagd voor activiteiten die zijn gericht op het leren van de vaktaal en het bijbrengen van de cultuur van de organisatie.

Voorwaarden subsidieregeling

De statushouders moeten een arbeidsovereenkomst van minimaal 20 uur per week voor de duur van ten minste 12 maanden hebben. Of zij een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd hebben, maakt niet uit.

Handreiking

Het Ministerie van SZW heeft een handreiking ontwikkeld voor een te hanteren activiteitenplan. Werkgevers moeten daarbij gebruikmaken van verplichte formats, die eveneens op de website beschikbaar zijn.

Tip! Regionale verbinders voor statushouders vervullen een spilfunctie binnen arbeidsmarktregio’s bij de  integratie van statushouders naar werk. Zij kunnen ook adviseren en ondersteunen bij een subsidieaanvraag.

Maximale subsidie

Werkgevers kunnen voor maximaal vier statushouders subsidie krijgen. De SOWIS bedraagt voor de eerste statushouder € 8.000, voor de tweede € 6.000 en voor de derde en vierde ieder € 5.000. De totale subsidie kan dus maximaal € 24.000 bedragen. De subsidie kan worden aangevraagd voor hen die nog niet langer dan zes maanden in dienst zijn. Gebleken is dat het eerste jaar van indiensttreding essentieel is om iemand goed te laten integreren op de werkvloer.

Aanvraagperiode

De SOWIS kan van 2 juni 2025 9.00 uur tot en met 30 september 2025 17.00 uur hier worden aangevraagd. Het is zaak de subsidie tijdig aan te vragen, omdat anders de subsidiepot leeg kan zijn. Activiteiten in het kader van deze regeling worden uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de initiële subsidieverlening afgerond.

Verblijf in hospice btw-belast of -vrijgesteld?

By nieuws

De afgelopen jaren zijn verschillende gerechtelijke uitspraken gedaan over de btw-positie van een hospice. Deze uitspraken geven niet altijd dezelfde uitkomsten.

Btw-vrijgesteld?

Portemonnee

In de praktijk wordt over het algemeen aangenomen dat de vergoeding die betaald wordt voor het verblijf in een hospice onder een medische btw-vrijstelling valt. Er mag dan geen btw berekend worden over de vergoeding. Als de hospice kosten maakt met btw, kan de hospice deze btw ook niet in aftrek brengen.

Btw-belast?

Voor hospices die veel kosten met btw maken, bijvoorbeeld door het bouwen van een nieuwe hospice, kan het fiscaal aantrekkelijker zijn om over de vergoeding voor het verblijf toch btw te moeten berekenen. In zo’n geval kan de hospice immers ook de grote bedragen aan btw in aftrek brengen.

Let op! De btw die berekend moet worden bedraagt in 2025 nog 9%.

De laatste jaren is een aantal gerechtelijke uitspraken gedaan over hospices die nieuwbouw hadden gepleegd en de btw die daarop drukte in aftrek wilden brengen. De hospices stelden dat de vergoeding die zij ontvingen met 9% btw belast moest worden, zodat zij ook de btw op de nieuwbouw in aftrek konden brengen.

Verschillende uitkomsten

De diverse rechtszaken leiden tot nu toe tot verschillende uitkomsten. Voor bepaalde hospices luidt het oordeel dat de vergoeding btw-belast is, voor andere hospices luidt het oordeel weer dat de vergoeding btw-vrijgesteld is. Uit de feiten en omstandigheden uit de diverse zaken is niet altijd af te leiden waarom in het ene geval de conclusie btw-belast luidt en in het andere geval btw-vrijgesteld.

Zo oordeelde rechtbank Den Haag onlangs voor een low-care hospice dat de vergoeding btw-belast was. In een andere vergelijkbare casus oordeelde gerechtshof Den Haag al eerder dat de vergoeding btw-vrijgesteld was.

En nu?

De zaak van de hospice waarover gerechtshof Den Haag oordeelde, ligt inmiddels bij de Hoge Raad. Het wachten is nu daarom of de Hoge Raad duidelijkheid hierin verschaft. Het is goed om te weten dat de Belastingdienst in ieder geval meent dat de btw-vrijstelling van toepassing is. Of de Hoge Raad die mening in alle gevallen volgt, moet dus nog duidelijk worden. Voor hospices met weinig kosten die geen btw willen berekenen, zou dat een gunstige uitkomst zijn. Voor hospices met veel kosten – bijvoorbeeld bij nieuwbouw of verbouwing – die wel btw willen berekenen, uiteraard niet.

Vergrijpboete voor partner dga bij verzwegen inkomsten?

By nieuws

Als u inkomsten verzwijgt voor de fiscus, kan dit navorderingsaanslagen opleveren met (vergrijp)boetes. Maar kan dit ook als uw partner inkomsten voor u heeft verzwegen en u dus niet op de hoogte was?

Winst nertsenhandel verzwegen

Juridisch

In een zaak die speelde voor rechtbank Zeeland-West-Brabant, had de dga van een bv – die handelde in nertsenvellen – een deel van de winst verzwegen. Dit deel was op een buitenlandse bankrekening gestort en ook het saldo op deze bankrekening was verzwegen voor de fiscus. Na ontdekking hiervan leverde dit navorderingsaanslagen op, voor zowel voor de dga als voor zijn partner. Ook werden aan beiden vergrijpboetes opgelegd wegens opzet.

Navorderingsaanslagen partner terecht

De rechtbank stelde vast dat de navorderingsaanslagen voor zowel de dga als zijn partner terecht waren opgelegd. De partner stelde weliswaar dat ze niet van de verzwegen inkomsten op de hoogte was, maar dat is volgens de rechtbank niet van belang. Indien belastingplichtigen niet anders kiezen, wordt dit volgens de wet voor de helft aan beide partners toegerekend.

Boete partner dga onterecht

De rechtbank stelde echter ook vast dat de vergrijpboetes voor de partner van de dga wel onterecht was opgelegd. De inspecteur kon namelijk niet hard maken dat de partner op de hoogte was geweest van het bestaan van de buitenlandse bankrekening. Deze bankrekening stond ook alleen op naam van haar partner. Bovendien hield ze zich niet bezig met de feitelijke bedrijfsvoering of de administratie, noch met haar aangifte. 

Pas na brief inspecteur

Ze gaf aan pas op de hoogte te zijn gekomen van de verzwegen bankrekening, nadat ze hierover van de inspecteur een brief had ontvangen. De inspecteur had dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de partner al eerder dan het moment van correspondentie op de hoogte was en de inkomsten dus bewust verzwegen had. Voor de dga zelf stond wel vast dat deze op de hoogte was. 

Boetes geschrapt

De rechtbank schrapte voor de partner van de dga dan ook de opgelegde vergrijpboetes.

Vergoeding voor verhuiskosten bij renovatie activeren?

By nieuws

Als woningen gerenoveerd worden, moeten de huurders deze veelal tijdelijk verlaten. De vraag is of een vergoeding van de hiermee gepaard gaande kosten door de verhuurder geactiveerd moeten worden, of dat deze ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Vergoeding verhuiskosten

Bouw

Als een verhuurder een woning renoveert, is hij wettelijk verplicht de huurder een vergoeding te geven voor de hiermee samenhangende verhuiskosten. De Belastingdienst is van mening dat deze kostenvergoeding niet in een keer ten laste van de winst kan worden gebracht, maar dat deze kosten dienen te worden geactiveerd.

Aanschaffings- of voortbrengingskosten

De rechter heeft in het verleden bepaald dat tot de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel ook bijkomende kosten behoren die gemaakt moesten worden om een bedrijfsmiddel in de voor de onderneming gewenste staat te brengen. Omdat verhuurders wettelijk verplicht zijn de verhuiskosten te vergoeden bij renovatie, zijn deze kosten onlosmakelijk met de renovatie verbonden. 

Activeren

Omdat de kosten van renovatie geactiveerd moeten worden, geldt dit ook voor de hiermee samenhangende bijkomende kosten in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Deze vergoeding kan dus niet ineens ten laste van de winst worden gebracht, maar er dient op te worden afgeschreven.

Het belasten van inkomsten uit daytrading

By nieuws

Daytrading is een vorm van beleggen waarbij aandelen of andere beleggingsproducten veelal binnen een dag worden gekocht en weer doorverkocht. Door te profiteren van snelle koersbewegingen hoopt een daytrader een positief resultaat te behalen. Hoe dienen de resultaten te worden belast?

Winst of resultaat uit overige werkzaamheden?

Bril

Onlangs werd voor de rechtbank Noord-Holland een procedure gevoerd over de vraag of positief behaalde resultaten met daytrading belast zijn in box 1. In de betreffende zaak ging het om een daytrader die met zijn voormalige werkgever een samenwerkingsovereenkomst inzake daytrading was aangegaan. Hiermee behaalde hij positieve resultaten die varieerden van € 137.000 tot meer dan € 800.000 per jaar. 

Volgens de inspecteur diende dit resultaat te worden aangemerkt en belast als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden (row). Volgens de daytrader diende het vermogen belast te worden in box 3.

Bron van inkomen

De rechtbank stelde dat het resultaat belast zou zijn als winst of row als er sprake zou zijn van een bron van inkomen. Hiervoor is vereist dat er deelname is aan het economische verkeer, gericht op het behalen van voordeel en dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten is. Partijen verschilden van mening over de vraag of aan de laatste eis, dus dat een voordeel redelijker wijs te verwachten is, werd voldaan.

Voordeel redelijkerwijs te verwachten?

Ondanks de forse positieve resultaten gedurende vele jaren, komt de rechtbank tot de conclusie dat niet redelijkerwijs te verwachten was dat de daytrader voordeel zou behalen met zijn handelen. De rechtbank acht daytrading speculatief van aard, in een open markt, waarbij koersbewegingen niet te voorspellen zijn. De verrichte hoeveelheid arbeid is bovendien niet van invloed op het resultaat.

Resultaat staat los van speculatieve karakter

De positieve resultaten staan volgens de rechtbank ook los van het speculatieve karakter van daytrading. Ook het samenwerkingsverband met zijn ex-werkgever maken niet dat koersen beter voorspeld kunnen worden, aldus de rechtbank. Ook was er hierdoor geen sprake van lagere transactiekosten.

Collega’s minder succesrijk

De daytrader voerde tevens aan dat enkele collega’s een stuk minder succesvol waren geweest en enkelen zelfs een resultaat hadden behaald van enkele tonnen negatief. De rechtbank was het dan ook met hem eens dat het resultaat onbelast diende te blijven en er belastingheffing in box 3 diende te volgen.