Category

nieuws

Schenking onder schuldigerkenning en box 3

By nieuws

Schenking onder schuldigerkenning

Een schenking onder schuldigerkenning wordt ook wel een schenking op papier genoemd. De schenker keert het geschonken bedrag dan niet uit, maar blijft dit schuldig.

Om te voorkomen dat de papieren schenking bij de berekening van de erfbelasting alsnog meetelt, is het verstandig om de schenking bij een notaris vast te leggen. Als de ontvanger van de schenker je partner is of een bloed- of aanverwant tot de vierde graad, dan dien je ook een rente af te spreken en te vergoeden van minimaal 6%. Meestal bedraagt de rente bij een schenking op papier daarom 6%.

Herroepen

In de schenkingsovereenkomst kan zijn opgenomen dat je de schenking kan herroepen.

De Belastingdienst heeft al eerder aangegeven dat het recht op herroepen op zich geen waarde heeft voor box 3. Maar let op, dit kan anders zijn als je van plan bent om te gaan herroepen.

Werkelijke rendement

Wil je box 3 berekenen op basis van je werkelijke rendement, dan is de vraag hoe je dit berekent in het jaar van de schenking en de herroeping. De Belastingdienst heeft aangegeven dat er in beide jaren geen vermogensaanwas is voor de schenker en de ontvanger.

Bij de schenker wordt alleen de betaalde rente als negatief regulier voordeel in aanmerking genomen bij de berekening van het werkelijke rendement. Bij de ontvanger van de schenking wordt alleen de ontvangen rente in aanmerking genomen als regulier voordeel.

Let op! De Belastingdienst vindt in dit geval een rentepercentage van 6% zakelijk. Daarom hoef je bij de berekening van het werkelijke rendement geen zakelijkheidscorrectie toe te passen.

Nominale waarde

De wet bepaalt dat vorderingen en schulden in box 3 normaal gesproken gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer. 

Is sprake van een vordering of schuld met een vaste rente, zoals bij een schenking onder schuldigerkenning? Dan is de waarde in het economische verkeer gelijk aan de contante waarde als de marktrente op enig moment gedurende de looptijd hoger of lager is dan de vaste rente van in dit geval 6%.

De Belastingdienst heeft echter goedgekeurd dat je in box 3 uitgaat van de nominale waarde in plaats van deze waarde in het economische verkeer. Deze goedkeuring geldt echter alleen als je consistent kiest voor de nominale waarde. Doe je dat niet, dan moet je de contante waarde berekenen. In dat geval zal er in het jaar van schenken en/of herroepen mogelijk toch sprake kunnen zijn van vermogensaanwas. 

Let op! Deze goedkeuring geldt totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Dit is voorzien per 1 januari 2028, maar het is nog de vraag of deze datum gehaald wordt.

Overdrachtsbelasting tweede eigen woning in 2027 7%

By nieuws

Woning of niet

Voor de hoogte van de overdrachtsbelasting is het allereerst van belang om vast te stellen of je een woning of een niet-woning (bijvoorbeeld een bedrijfspand) verkrijgt. In het laatste geval is de overdrachtsbelasting 10,4%.

Woning hoofdverblijf of niet

Verkrijg je een woning, dan kunnen twee tarieven gelden en eventueel de startersvrijstelling. Daarbij is van belang of je de woning zelf anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. In dat geval bedraagt het tarief, onder voorwaarden, 2% of kan je, onder voorwaarden, de startersvrijstelling toepassen.

Ga je de verkregen woning niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gebruiken, dan geldt een hoger tarief van op dit moment 8%. De startersvrijstelling is dan niet van toepassing.

Let op! Voor het 2% tarief en de startersvrijstelling gelden voorwaarden. Laat je daarover goed informeren. Meer informatie vind je ook op de website van de Belastingdienst.

Verlaging tarief

In de Prinsjesdagstukken 2026 is opgenomen dat het tarief voor woningen die je niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gaat gebruiken in 2027 geen 8 maar 7% bedraagt. Op een woning van € 550.000 scheelt dat dus € 5.500! Reden genoeg om te beoordelen of de levering bij de notaris niet in 2026 maar in 2027 kan plaatsvinden.

Let op! Bij die beoordeling moet je uiteraard ook de andere omstandigheden meenemen. Wil de verkoper hier bijvoorbeeld wel aan meewerken, wat is de invloed van latere levering op je financiering et cetera.

Overige tarieven gelijk

De overige tarieven blijven gelijk. Voor een niet-woning geldt ook in 2027 een tarief van 10,4%. De woning die je zelf — anders dan tijdelijk — als hoofdverblijf gaat gebruiken geldt een tarief van 2% of de startersvrijstelling. Allemaal onder dezelfde voorwaarden zoals die ook in 2026 gelden.

Let op! De Tweede en Eerste Kamer moeten het Belastingplan 2027 nog aannemen. Gezien de minderheid van de coalitie in de Tweede én Eerste Kamer is nog niet zeker of dit zonder nadere wijzigingen zal gebeuren. De ervaringen uit de afgelopen jaren leren ons dat op de valreep, bij stemming in de Tweede Kamer en Eerste Kamer, er nog aanpassingen kunnen komen. Het is daarom nog niet zeker dat het algemene woningtarief volgende jaar 7% bedraagt. Houd daar rekening mee!

Vanaf 2027 geen vrijstelling meer voor personeelskortingen

By nieuws

Vrijstelling voor branche-eigen producten

Op dit moment geldt er nog een gerichte vrijstelling als je jouw personeel een vergoeding geeft voor of een korting verleend op de aankoop van branche-eigen producten uit jouw bedrijf. Over die vergoeding of korting is geen loonbelasting verschuldigd als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • de vergoeding of korting is maximaal 20% van de waarde in het economische verkeer van het product, én
  • de kortingen en vergoedingen bedragen voor een werknemer in het kalenderjaar niet meer dan € 500.

Let op! De vrijstelling geldt niet als je een vergoeding of korting geeft voor branchevreemd product.

Meer dan 20% of € 500?

Is de vergoeding of korting hoger dan 20% of bedragen deze in een kalenderjaar meer dan € 500? Voor het meerdere geldt de vrijstelling niet. Dit is loon voor je werknemer. Je kunt dit meerdere ook ten laste brengen van de vrije ruimte in de werkkostenregeling, als de hogere vergoedingen en kortingen voldoen aan het gebruikelijkheidscriterium.

Niet meer vanaf 2027

Het kabinet schaft de vrijstelling vanaf 2027 af. Dat betekent dat in principe elke korting of vergoeding die je op branche-eigen producten vanaf 2027 geeft, loon is voor je werknemer. 

Je werknemer betaalt hier loonbelasting over, tenzij jij de korting of vergoeding ten laste brengt van je vrije ruimte in de werkkostenregeling.

Let op! De vrije ruimte gaat in 2027 iets omhoog. Over de eerste € 400.000 loonsom bedraagt deze in 2027 2,16% (2026: 2%), daarboven 1,18% (zowel in 2027 als in 2026).

Vergoeding of korting voor oud-werknemer

De vrijstelling geldt nu ook als je vergoeding of korting geeft aan een oud-werknemer. Maar ook voor die oud-werknemer is de vrijstelling vanaf 2027 niet meer mogelijk.

Geef je de oud-werknemer in 2027 nog een vergoeding of korting voor de aankoop van een branche-eigen product, dan ben je verplicht om dit ten laste van je vrije ruimte te brengen in de werkkostenregeling. Je mag dit dus niet individueel belasten bij de oud-werknemer. Deze regel is gemaakt om te voorkomen dat een werkgever loonbelasting moet verhalen op een oud-werknemer.

Let op! Het voorstel om de vrijstelling af te schaffen is opgenomen in de belastingplannen voor 2027. De Tweede én Eerste Kamer moeten hier nog mee instemmen. Het is daarom nog niet definitief.

Subsidie praktijkleren loopbaanbegeleidende leerweg 2026

By nieuws

De subsidie praktijkleren in de derde leerweg heet in 2026 de subsidie praktijkleren in de loonbaanbegeleidende leerweg. Deze subsidie kun je aanvragen van maandag 2 november 2026 9.00 uur tot vrijdag 27 november 2026 17.00 uur.

Voor wie?

De subsidie is bedoeld voor erkende leerbedrijven die een student begeleiden bij een mbo-opleiding in de loopbaanbegeleidende leerweg. Die student moet betaalde arbeid verrichten of werkzoekende zijn.

Let op! De subsidie is niet bedoeld voor mbo-studenten in de beroepsopleidende leerweg (bol) of de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Voor deze studenten kun je misschien wel een beroep doen op de subsidie praktijkleren.

Loopbaangeleidende leerweg

Onder de loopbaanbegeleidende leerweg valt een volledige opleiding (lbv), een deel van een opleiding (lbd), overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen in deeltijd (odt). De opleiding moet gericht zijn op het behalen van een diploma, een certificaat of een praktijkverklaring.

Overige voorwaarden

Voor de subsidie gelden nog meer voorwaarden. Zo moet je de subsidie uiterlijk een jaar na afloop van de praktijkleerplaats aanvragen. Daarnaast moet de student voor de opleiding ingeschreven staan in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Je moet ook voldoen aan allerlei administratieve voorwaarden zoals een ondertekende praktijkovereenkomst en een aanwezigheidsadministratie per student.

Let op! Kijk voor alle voorwaarden met betrekking tot student, het erkende leerbedrijf, de opleiding en de administratie op de website van RVO.

Hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 2.700 bij een praktijkleerplaats van minimaal 40 weken in een aaneengesloten periode van 52 weken. Zijn er meer aanvragen dan het beschikbare budget, dan wordt de subsidie evenredig over de ingediende aanvragen verdeeld en kan de subsidie dus lager dan € 2.700 zijn.

Let op! Behalve de naamswijziging is de regeling in 2026 grotendeels gelijk aan de regeling in 2025.

Volgende jaren

De subsidie is ook beschikbaar in 2027, 2028, 2029 en 2030.

2% overdrachtsbelasting bij sloop en herbouw woning?

By nieuws

Woning hoofdverblijf of niet

Bij verkrijging van een woning bedraagt het tarief overdrachtsbelasting in 2026 8%, 2% of is de startersvrijstelling van toepassing. Van belang voor de hoogte van het tarief en de startersvrijstelling is onder meer of je de woning zelf anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken (hierna: het hoofdverblijf criterium). In dat geval bedraagt het tarief, onder voorwaarden, 2% of kan je, onder voorwaarden, de startersvrijstelling toepassen.

Ga je de verkregen woning niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gebruiken, dan geldt een hoger tarief van op dit moment 8%. De startersvrijstelling is dan niet van toepassing. In de belastingplannen voor 2027 is overigens opgenomen dat het hogere tarief van 8% vanaf 2027 7% bedraagt.

Let op! Voor het 2%-tarief en de startersvrijstelling gelden voorwaarden. Laat je daarover goed informeren. Meer informatie vind je ook op de website van de Belastingdienst.

Sloop en herbouw

De vraag die voorlag bij gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was of voldaan is aan het hoofdverblijf criterium als een woning wordt verkregen die daarna volledig wordt gesloopt, waarna op hetzelfde perceel weer een woning wordt gebouwd.

De Belastingdienst vond dat niet aan het criterium was voldaan, omdat de kopers van de verkregen te slopen woning daar nooit hebben gewoond en ook daar geen intentie toe hadden.
De kopers vonden dat zij wel aan het criterium voldeden omdat zij van meet af aan de intentie hebben gehad om in de nieuw te bouwen woning te gaan wonen.

Gerechtshof: 2% overdrachtsbelasting

Het gerechtshof oordeelt dat 2% overdrachtsbelasting van toepassing is. Het gerechtshof vindt dat de strikte grammaticale uitleg van de Belastingdienst van het hoofdcriterium de doelstelling van de differentiatie in de overdrachtsbelasting miskent. De kopers laten een woning achter en zijn de nieuwe woning die is ontstaan na sloop en herbouw als hoofdverblijf gaan gebruiken. Het is volgens het gerechtshof dan in strijd met doel en strekking van de wet om dan 8% overdrachtsbelasting toe te passen.

Beroep in cassatie

Eerder in 2026 oordeelde gerechtshof Amsterdam dat niet aan het hoofdverblijf criterium was voldaan in een casus waarin een echtpaar een woning kocht, deze helemaal liet slopen (inclusief fundering) en op dezelfde plaats een nieuwe woning liet bouwen. De oude woning was volledig opgehouden te bestaan en kon dus niet meer worden bewoond. Daarom kon aan niet voldaan worden aan het hoofdverblijfcriterium, aldus gerechtshof Amsterdam. Tegen deze beslissing is beroep in cassatie ingesteld.

Let op! Gelet op de uitspraak van gerechtshof Amsterdam valt nog te bezien of de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden standhoudt. De kans is groot dat tegen de uitspraak beroep in cassatie wordt ingesteld. Het is afwachten wat de Hoge Raad in cassatie oordeelt over de uitspraak van gerechtshof Amsterdam en mogelijk ook over de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

 

Val jij onder het nieuwe toelatingsstelsel van de Wtta?

By nieuws

Per 1 januari 2027 treedt de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) in werking. Is de Wtta op jou van toepassing en val jij daarmee onder het toelatingsstelsel? Dan moet je waarschijnlijk voor 31 december 2026 nog in actie komen!

Wtta

De Wtta wijzigt met name regels in een ander al langer bestaande wet: de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). In de Waadi is nu al onder meer een gelijke behandeling van werknemers en uitzendkrachten en een verplichte registratie van uitleners in het handelsregister van de KVK opgenomen.

De wijzing van de Waadi door de Wtta ziet met name op het toelatingsstelsel voor uitleners.

Toelatingsstelsel

Het toelatingsstelsel betekent dat alleen ondernemingen die zijn opgenomen in het openbare register van toegelaten uitleners straks nog arbeidskrachten mogen uitlenen.

Let op! Voor inleners betekent het toelatingsstelsel dat zij straks alleen nog maar arbeidskrachten mogen inlenen van uitleners die zijn opgenomen in het openbare register.

Op wie is het toelatingsstelsel van toepassing?

Het toelatingsstelsel geldt als sprake is van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten bij een ander:

  • tegen een vergoeding,
  • voor het verrichten van arbeid,
  • onder leiding én toezicht van die ander.

Uitzenders, detacheerders en uitleners van zzp’ers zullen over het algemeen aan deze voorwaarden voldoen en daarmee onder het toelatingsstelsel vallen.

Let op! Ook een dga die door zijn bv te werk gesteld wordt bij een ander kan mogelijk onder het toelatingsstelsel vallen als voldaan wordt aan de hiervoor beschreven voorwaarden. Met name het criterium onder leiding én toezicht zal bij deze beoordeling van belang zijn.

Uitzondering

Er geldt een aantal uitzonderingen. Zo valt collegiale uitleen waarbij geen winst wordt gemaakt niet onder het toelatingsstelsel. Ook uitleen binnen concernverband is uitgezonderd van het toelatingsstelsel.

Let op! Bij aanneming van werk of uitbesteden van werk is geen sprake van uitlenen omdat de werknemers onder leiding en toezicht van hun eigen werkgever blijven. Dit valt dus ook niet onder het toelatingsstelsel.

Ontheffing

Ondernemingen die in zeer beperkte mate arbeidskrachten ter beschikking stellen, kunnen vanaf 1 mei 2027 om ontheffing van het toelatingsstelsel vragen. Dat kan alleen als onder meer:

  • de inkomsten uit het uitlenen minder dan 10% van de totale inkomsten in een jaar zijn, én
  • die inkomsten niet hoger dan € 5 miljoen per jaar zijn.

Aanmelden overgangsregeling uiterlijk 31 december 2026

Val jij onder het toelatingsstelsel, dan is het verstandig om je tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 aan te melden voor de overgangsregeling. Die aanmelding moet je overigens ook doen als je een ontheffing wilt aanvragen.

Let op! Heb je op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk, dan is aanmelding voor de overgangsregeling niet nodig. Het is echter wel raadzaam om die aanmelding te doen voor het geval je op 30 juni 2027 onverhoopt geen SNA-keurmerk meer hebt.

Aanvragen toelating uiterlijk 30 juni 2027

Aanvragen van de toelating moet tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027. Ook als je een aanmelding voor de overgangsregeling hebt gedaan, moet je die toelating uiterlijk 30 juni 2027 aanvragen. Een aanmelding voor de overgangsregeling is dus niet automatisch ook een aanvraag tot toelating.

Let op! Heb je geen aanmelding voor de overgangsregeling gedaan omdat je op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk hebt, dan moet je ook een aanvraag van de toelating doen. De uitzondering met een SNA-keurmerk die geldt voor de overgangsregeling, geldt dus niet voor de aanvraag tot toelating.

Uitlenen tijdens overgangsregeling

Vanaf 1 juli 2027 begint de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) met het beoordelen van de aanvragen tot toelating. Met een tijdige aanmelding voor de overgangsregeling of een SNA-keurmerk op 30 juni 2027 én een tijdige aanvraag tot toelating mag je personeel blijven uitlenen zolang de NAU je aanvraag nog niet beoordeeld heeft.

Let op! Zonder tijdige aanmelding voor de overgangsregeling of een SNA-keurmerk op 30 juni 2027 én een tijdige aanvraag tot toelating mag dat niet. Zorg daarom voor een tijdige aanmelding en aanvraag.

Voorwaarden

Om toegelaten te worden, moeten uitleners overigens aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten zij beschikken over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag, moeten zij aantonen dat zij voldoen aan relevante wetgeving (zoals het wettelijk minimumloon) en moeten zij een waarborgsom van € 100.000 storten (voor startende bedrijven geldt in eerste instantie een waarborgsom van € 50.000 en na zes maanden nogmaals € 50.000).

Handhaving vanaf 2028

Handhaving door de Nederlandse Arbeidsinspectie op het uitleen- en inleenverbod start pas op 1 januari 2028. Uitleners die werknemers uitlenen zonder toelating of ontheffing en inleners die werknemers inlenen van dergelijke uitleners riskeren vanaf dat moment een boete.

Tip! Meer informatie is te vinden op: www.toelatinguitleenmarkt.nl.

Vereenvoudiging inlenersaansprakelijkheid vanaf 2027

By nieuws

Vanaf 2027 kan de Belastingdienst eenvoudiger een inlener aansprakelijk stellen. De Belastingdienst krijgt dan de mogelijkheid om twee wettelijke vermoedens in te zetten.

Inlenersaansprakelijkheid

Een uitlener van arbeidskrachten moet loonbelasting, sociale verzekeringspremies en btw betalen over het uitlenen van die arbeidskrachten. Betaalt de uitlener niet, dan kan de Belastingdienst de inlener of doorlener aansprakelijk stellen.

Wettelijk vermoeden omvang aansprakelijkheid

Het eerste wettelijke vermoeden waar de Belastingdienst zich vanaf 2027 op kan beroepen, is het wettelijk vermoeden van de omvang van de aansprakelijkheidsschuld van de inlener of doorlener. Deze bedraagt 35% van het door de uitlener gefactureerde bedrag.

De Belastingdienst kan zich beroepen op deze omvang van de aansprakelijkheidsschuld zonder verder onderzoek te doen naar de werkelijke omvang.

Vermindering wettelijk vermoeden

Als inlener of doorlener kun je deze omvang van de aansprakelijkheidsschuld verminderen. Het bedrag dat je op de g-rekening van de uitlener stort, wordt namelijk in mindering gebracht op het wettelijke vermoeden van 35% van het gefactureerde bedrag. Als je dus 35% op de g-rekening van de uitlener stort, zou je in principe niet meer op grond van het wettelijke vermoeden aansprakelijk kunnen worden gesteld.

Let op! Er moet wel voldaan zijn alle vereiste administratieve voorwaarden voor het gebruik van de g-rekening. Is daar niet aan voldaan, dan kan de Belastingdienst de storting op de G-rekening negeren!

Wettelijk vermoeden uitlener

Op dit moment moet de Belastingdienst eerst stellen en bewijzen dat sprake is van inlening (en dus niet van aanneming van werk) voordat de inlener aansprakelijk kan worden gesteld.

Vanaf 2027 krijgt de Belastingdienst de mogelijkheid om zich te beroepen op het wettelijke vermoeden dat iedereen die is ingeschreven in het openbaar register van toegelaten uitzendondernemingen een uitlener is.

Belastingschuld hoger dan 35%

Als de Belastingdienst gebruikmaakt van het wettelijke vermoeden dat de aansprakelijkheidsschuld 35% van het gefactureerde bedrag is, kan de Belastingdienst je niet later alsnog voor een hoger bedrag aansprakelijk stellen. Ook niet als later blijkt dat de belastingschuld van de uitlener feitelijk hoger is dan 35% van het gefactureerde bedrag.

Let op! Beroept de Belastingdienst zich niet op het wettelijke vermoeden, dan kan de Belastingdienst je wel aansprakelijk stellen voor een hoger bedrag dan 35% van het gefactureerde bedrag als blijkt dat de belastingschuld hoger is. Aansprakelijk stellen voor een hoger bedrag kan ook als geen sprake blijkt te zijn van inlening maar van aanneming van werk.

Alleen voor schulden van tijdvakken vanaf 2027

De Belastingdienst kan de wettelijke vermoedens overigens pas inzetten voor belastingschulden die zien op tijdvakken vanaf 1 januari 2027.

Wijziging btw-teruggaaf voor niet-EU ondernemers

By nieuws

OSS

De OSS staat voor One Stop Shop, het Europese éénloketsysteem. Door middel van de OSS kunnen ondernemers in één EU-land de btw aangeven die in één of meer EU-landen is verschuldigd. De zogenoemde OSS-aangifte doet de ondernemer één keer per kwartaal. De lokale Belastingdienst stuurt de melding en de betaling door naar de Belastingdiensten van de andere EU-landen.

Drie verschillende OSS-regelingen

Afhankelijk van de situatie kan een niet in de EU gevestigde ondernemer zonder vaste inrichting in de EU (hierna: niet-EU ondernemer) gebruik maken van één of meer van de volgende drie OSS-regelingen:

  • Niet-Unieregeling 
  • Unieregeling
  • Invoerregeling 

Geen btw-teruggaaf via OSS

Een ondernemer die de OSS toepast, mag de eventuele buitenlandse btw op kosten en investeringen niet in aftrek brengen via de OSS. Deze buitenlandse btw moet de ondernemer als volgt terugvragen:

Vanaf 1 januari 2027 mogelijk fiscaal vertegenwoordiger nodig

Vanaf 1 januari 2027 worden de btw-regels voor niet-EU ondernemers die de OSS toepassen, zodanig gewijzigd dat een EU-land de niet-EU ondernemer kan verplichten om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen voor de teruggaaf van de in dat EU-land betaalde btw. Dit wordt toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld.

Voorbeeld

Een in Groot-Brittannië gevestigde ondernemer, zonder vaste inrichting in Europa, verricht zogenoemde afstandsverkopen in verschillende EU-landen. Vanwege deze afstandsverkopen maakt de Britse ondernemer in Nederland gebruik van de OSS (Unieregeling), waarmee hij de in de verschillende EU-landen verschuldigde btw aangeeft en afdraagt.

Daarnaast maakt de Britse ondernemer in België kosten waar btw op drukt. De in België betaalde btw kan de Britse ondernemer niet terugvragen in de OSS-aangifte. De Britse ondernemer kan de Belgische btw alleen terugvragen bij de Belgische Belastingdienst, op grond van 13e Richtlijn procedure.

Vanaf 1 januari 2027 kan België voor het effectueren van de btw-teruggaaf voor goederenleveringen en diensten die onder de OSS vallen, de Britse ondernemer verplichten om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen in België.

Let op! Op dit moment is bij ons niet bekend welke EU-landen gebruik gaan maken van deze mogelijkheid om een fiscaal vertegenwoordiger verplicht te stellen.

Implementatie onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese VIDA-richtlijn

Deze wijziging voor btw-teruggaafverzoeken van niet-EU ondernemers maakt onderdeel uit van de implementatie van het onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese richtlijn “VAT In the Digital Age” (hierna: VIDA-richtlijn). Het wetsvoorstel, waarin dit onderdeel wordt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, is op 19 oktober 2026 in het Staatsblad gepubliceerd en treedt in werking op 1 januari 2027.

Wijziging btw-teruggaaf voor niet-EU-ondernemers

By nieuws

Vanaf 1 januari 2027 worden de btw-regels van de OSS aangepast. Een EU-land kan dan een niet in de EU gevestigde ondernemer, die EU-btw wil terugvragen en geen vaste inrichting in de EU heeft, verplichten om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen.

OSS

De OSS staat voor One Stop Shop, het Europese éénloketsysteem. Door middel van de OSS kunnen ondernemers in één EU-land de btw aangeven die in één of meer EU-landen is verschuldigd. De zogenoemde OSS-aangifte doet de ondernemer één keer per kwartaal. De lokale Belastingdienst stuurt de melding en de betaling door naar de Belastingdiensten van de andere EU-landen.

Drie verschillende OSS-regelingen

Afhankelijk van de situatie kan een niet in de EU gevestigde ondernemer zonder vaste inrichting in de EU (hierna: niet-EU ondernemer) gebruikmaken van één of meer van de volgende drie OSS-regelingen:

  • Niet-Unieregeling 
  • Unieregeling
  • Invoerregeling 

Geen btw-teruggaaf via OSS

Een ondernemer die de OSS toepast, mag de eventuele buitenlandse btw op kosten en investeringen niet in aftrek brengen via de OSS. Deze buitenlandse btw moet de ondernemer als volgt terugvragen:

Vanaf 1 januari 2027 mogelijk fiscaal vertegenwoordiger nodig

Vanaf 1 januari 2027 worden de btw-regels voor niet-EU ondernemers die de OSS toepassen zodanig gewijzigd dat een EU-land de niet-EU ondernemer kan verplichten om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen voor de teruggaaf van de in dat EU-land betaalde btw. Dit wordt toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld.

Voorbeeld

Een in Groot-Brittannië gevestigde ondernemer zonder vaste inrichting in Europa, verricht zogenoemde afstandsverkopen in verschillende EU-landen. Vanwege deze afstandsverkopen maakt de Britse ondernemer in Nederland gebruik van de OSS (Unieregeling) waarmee hij de in de verschillende EU-landen verschuldigde btw aangeeft en afdraagt.

Daarnaast maakt de Britse ondernemer in België kosten waar btw op drukt. De in België betaalde btw kan de Britse ondernemer niet terugvragen in de OSS-aangifte. De Britse ondernemer kan de Belgische btw alleen terugvragen bij de Belgische Belastingdienst, op grond van 13e Richtlijn procedure.

Vanaf 1 januari 2027 kan België voor het effectueren van de btw-teruggaaf voor goederenleveringen en diensten die onder de OSS vallen, de Britse ondernemer verplichten om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen in België.

Let op! Op dit moment is bij ons niet bekend welke EU-landen gebruik gaan maken van deze mogelijkheid om een fiscaal vertegenwoordiger verplicht te stellen.

Implementatie onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese VIDA-richtlijn

Deze wijziging voor btw-teruggaafverzoeken van niet-EU ondernemers maakt onderdeel uit van de implementatie van het onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese richtlijn ‘VAT In the Digital Age’. Het wetsvoorstel, waarin dit onderdeel wordt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, is op 19 oktober 2026 in het Staatsblad gepubliceerd en treedt in werking op 1 januari 2027.

Geen landbouwvrijstelling voor melkveehouders tijdens vruchtwisseling

By nieuws

Melkveehouders verliezen de landbouwvrijstelling over de periode dat hun grond tijdelijk ter beschikking staat aan akkerbouwers of bollentelers voor vruchtwisseling. De staatssecretaris van Financiën geeft aan dat aanpassen of verruimen van de landbouwvrijstelling op dit punt niet voor de hand ligt, gezien de uitkomst van de evaluatie van de landbouwvrijstelling.

Landbouwvrijstelling

De landbouwvrijstelling is een vrijstelling in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting voor positieve en negatieve waardeveranderingen van landbouwgronden. Die waardeveranderingen moeten zijn ontstaan door aanwending van de grond in het kader van het landbouwbedrijf van de belastingplichtige.

Let op! In dit artikel wordt verder niet uitgebreid ingegaan op uitzonderingen op de landbouwvrijstelling zoals waardeveranderingen die ontstaan door de bedrijfsvoering of door bestemmingswijziging. Het artikel concentreert zich alleen op de vruchtwisseling.

Noodzakelijke vruchtwisseling

In principe valt een waardeverandering van de grond die ontstaat in een periode dat de grond in gebruik is gegeven aan een ander, niet onder de landbouwvrijstelling. Deze waardeverandering is immers niet ontstaan in het kader van het landbouwbedrijf van de belastingplichtige.

Uit een gerechtelijke uitspraak uit 1968 volgde echter al dat de waardestijging van de landbouwgrond in de periode dat de grond verpacht werd ook onder de landbouwvrijstelling viel. Die verpachting gebeurde in die casus om voor de teelt noodzakelijke vruchtwisseling mogelijk te maken. Om die reden was de verpachte grond ook tijdens de verpachting mede dienstbaar aan de bedrijfsuitoefening door de eigenaar en bleef daarom tot zijn landbouwbedrijf behoren.

In het landbouwbesluit van 15 november 2025 sluit de staatssecretaris van Financiën aan bij deze rechtspraak, maar voegt daaraan wel meer voorwaarden toe. Ook formuleert de staatssecretaris drie uitzonderingen op een aantal voorwaarden (zie paragraaf 6 van het landbouwbesluit).

Let op! De voorwaarden lijken verder te gaan dan uit de gerechtelijke uitspraak van 1968 volgde. Vanaf 2014 bestonden ook praktische werkafspraken tussen LTO Nederland en de Belastingdienst die minder vergaand waren. De staatssecretaris van Financiën heeft in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer echter laten weten niet van plan te zijn om het landbouwbesluit aan te passen op dit punt. Of de voorwaarden voor een rechter stand houden is nog niet bekend. Gerechtelijke procedures hierover zijn op dit moment ook nog niet bekend.

Geen landbouwvrijstelling voor melkveehouder bij vruchtwisseling

De staatssecretaris van Financiën heeft in antwoord op Kamervragen aangegeven dat de noodzaak van vruchtwisseling moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de grondeigenaar bij de uitoefening van zijn landbouwbedrijf.

Voor melkveehouders met grasland is vruchtwisseling niet noodzakelijk. Om die reden is de landbouwvrijstelling volgens de staatssecretaris niet van toepassing over de periode dat zij hun grond tijdelijk ter beschikking stellen aan akkerbouwers of bollentelers voor vruchtwisseling. Dat die vruchtwisseling voor de akkerbouwers en bollentelers wel noodzakelijk is doet voor de toepassing van de landbouwvrijstelling van de melkveehouder niet ter zake, aldus de staatssecretaris.

Let op! Voor de tijd dat de melkveehouder het grasland in zijn eigen landbouwbedrijf gebruikt, blijft de landbouwvrijstelling wel van toepassing.

De staatssecretaris van Financiën geeft in de antwoorden ook aan dat aanpassen of verruimen van de landbouwvrijstelling op dit punt niet voor de hand ligt, gezien de uitkomst van de evaluatie van de landbouwvrijstelling.

Toekomst landbouwvrijstelling?

Hoewel onderzoeksbureau SEO de landbouwvrijstelling negatief beoordeeld heeft op doeltreffendheid en doelmatigheid, lijkt het er op dit moment niet op dat de landbouwvrijstelling in de nabije toekomst afgeschaft wordt. De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat het kabinet het nu niet het geschikte moment vindt om te overwegen om de landbouwvrijstelling af te schaffen. Dit gezien de grote veranderingen voor de landbouw die voortvloeien uit het maatregelenpakket voor landbouw, natuur en stikstof.