Category

nieuws

Ook parkeerbelasting voor bemande auto met alarmlichten

By nieuws

Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat je ook parkeerbelasting moet betalen als je kort op een parkeerplaats voor betaald parkeren staat terwijl je in de auto blijft zitten en je alarmlichten aan hebt. Hoe zit dat?

Parkeerbelasting

Je moet parkeerbelasting betalen als je op een parkeerplaats voor betaald parkeren je auto parkeert. Heb je geen parkeerbelasting betaald, dan kan een naheffingsaanslag parkeerbelasting worden opgelegd.

Wat is parkeren?

In de gemeentewet is opgenomen wat onder parkeren wordt verstaan. Dit is het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig. Er is geen sprake van parkeren gedurende de tijd dat je onmiddellijk:

  • personen in- en uit laat stappen, en
  • zaken laadt en lost.

Laden en lossen?

Een automobilist stond met zijn auto stil op een parkeerplaats voor betaald parkeren zonder parkeerbelasting te betalen. Hij vond dat de door een ambtenaar opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting ten onrechte was, omdat de auto daar stond om zaken te laden en te lossen. Hij zat namelijk nog in zijn auto met de alarmlichten aan, terwijl zijn dochter een pakketje ophaalde bij een winkel vlakbij.

Of toch parkeren?

Rechtbank Noord-Holland was het niet met de automobilist eens. Van onmiddellijk laden en lossen is volgens de rechtbank alleen sprake bij het daadwerkelijk plaatsen in of nemen van goederen uit de auto. Als de auto stilstaat terwijl iemand bezig is met het ophalen of afleveren van zaken, is sprake van parkeren, ongeacht de tijd dat de auto stilstaat.

Let op! Er geldt een uitzondering als de te laden of te lossen zaken van een zodanige omvang of gewicht zijn dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan met de auto kunnen worden opgehaald of gebracht. In het geval van de automobilist ging het echter om een klein pakketje, waardoor deze uitzondering niet van toepassing was.

Bemande auto met alarmlichten

De rechtbank merkte nog op dat het niet uitmaakte dat de automobilist in zijn auto was blijven zitten met de alarmlichten aan. Ook dan kan gewoon sprake zijn van parkeren.
De rechtbank oordeelde daarom dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht was opgelegd.

Verlies op borg aftrekbaar?

By nieuws

Is het mogelijk om fiscaal een verlies te nemen als je als dga hiervoor wordt aangesproken omdat je borg staat voor een schuld van je bv? Het antwoord op die vraag is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. In een casus bij rechtbank Zeeland-West-Brabant kon een dga wel een verlies in aftrek brengen. Wat speelde daar?

Borg

Wanneer je bv een schuld aangaat bij de bank, eist de bank zeer regelmatig dat jij als dga borg gaat staan voor (een deel van) die schuld. Als je bv de schuld niet meer kan aflossen aan de bank, kan de bank jou als borg aanspreken om de schuld te voldoen. Jij kunt de door jouw betaalde aflossing van de schuld weer verhalen op de bv. Jij krijgt dan een zogenaamde regresvordering.

Verlies op regresvordering

Jouw regresvordering op de bv valt onder de tbs-regeling in box 1. Over het algemeen zal je bv geen geld meer hebben om jouw regresvordering te voldoen. De waarde van de regresvordering is daarom vaak lager dan de nominale waarde of is zelfs nul. Kun je dan een verlies nemen in box 1 vanwege de gedaalde waarde van de regresvordering?

De Belastingdienst vindt bijna altijd dat dit niet kan, omdat de borgstelling onzakelijk zou zijn. Een borgstelling is onzakelijk als die is aangegaan vanuit aandeelhoudersmotieven. Er kan dan geen (niet van de winstafhankelijke) vergoeding worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde ook bereid zou zijn om borg te staan onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden.

In principe wel tenzij onzakelijk borgstelling

In een casus die voorlag bij rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde de rechtbank dat verliesneming op een regresvordering in principe mogelijk is, tenzij sprake is van een onzakelijke borgstelling.

Het is aan de Belastingdienst om te bewijzen dat de borgstelling onzakelijk is. De Belastingdienst moet dan aannemelijk maken dat er geen onafhankelijke derde is die onder dezelfde omstandigheden bereid zou zijn borg te gaan staan. 

Bij aangaan borg

In deze casus slaagde de Belastingdienst niet in dat bewijs. De Belastingdienst had volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de financiële situatie en toekomstperspectieven bij het aangaan van borg zodanig slecht waren dat de borg van € 37.500 uit aandeelhoudersmotief was aangegaan. 

Zo was onder meer een nieuwe aandeelhouder bereid fors te investeren (€ 500.000), verstrekte een bank een krediet van € 200.000 en een borgstellingskrediet van € 225.000 waarvoor de Nederlandse Staat borg stond. De rechtbank ging er daarom vanuit dat de borg op het moment van aangaan zakelijk was.

Gedurende de looptijd

De rechtbank oordeelde dat de borgstelling gedurende de looptijd ook niet onzakelijk was geworden. Voor een borgstelling kunnen niet zonder meer acties worden ondernomen om rechten veilig te stellen, aldus de rechtbank. Zo kan een zakelijk borgtocht in principe niet worden opgezegd. Als de borgtocht wel kan worden opgezegd, blijft de borg bovendien bestaan voor de bestaande schulden. De rechtbank kwam dan ook tot het oordeel dat de belanghebbende ook gedurende de looptijd zakelijk handelde.

Gevolg was dat het verlies op de regresvordering aftrekbaar was.

Niet elke borg hetzelfde

Houd er rekening mee dat elke casus op zichzelf staat. De uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant betekent niet dat elke borgstelling zakelijk is en een eventueel verlies op de borg aftrekbaar is. Dit is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Uitbreiding niet-Unieregeling per 1 januari 2027

By nieuws

Vanaf 1 januari 2027 wordt de zogenoemde niet-Unieregeling uitgebreid voor een specifieke situatie.

Wat is de niet-Unieregeling?

De niet-Unieregeling is een van de drie regelingen binnen het Europese éénloketsysteem dat ook wel OSS wordt genoemd. De niet-Unieregeling geldt voor ondernemers die niet in de EU zijn gevestigd en ook geen vaste inrichting in de EU hebben (hierna: niet-EU ondernemers). Als deze niet-EU ondernemers aan particulieren diensten verrichten die op grond van de btw-regels zijn belast in één of meerdere EU-landen, kunnen deze ondernemers de in die EU-landen verschuldigde btw aangeven en afdragen via de niet-Unieregeling. 

Tot 1 januari 2027 kan een niet-EU ondernemer de niet-Unieregeling alleen toepassen voor diensten die de niet-EU ondernemer verricht aan particulieren die in de EU wonen. Op dit moment geldt de niet-Unieregeling dus niet voor diensten aan een particulier die buiten de EU woont.

Wijziging per 1 januari 2027

Vanaf 1 januari 2027 wordt de niet-Unieregeling uitgebreid, waardoor de regeling vanaf die datum ook geldt voor diensten aan particulieren die buiten de EU wonen. Dit wordt toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld. 

Voorbeeld

Stel dat in Groot-Brittanië een ondernemer is gevestigd, die gespecialiseerd is het renoveren van monumentale panden. Vervolgens schakelt een in Zwitserland woonachtige particulier deze Britse ondernemer in voor de renovatie van een monumentaal pand in Nederland. Omdat de renovatiedienst van de Britse ondernemer kwalificeert als een ‘dienst met betrekking tot een onroerende zaak’ is deze dienst belast in het land van de onroerende zaak is gelegen, dus in Nederland.

Tot 1 januari 2027 kan de Britse ondernemer de verschuldigde Nederlandse btw niet aangeven via de niet-Unieregeling, omdat de afnemer van de dienst een particulier is die niet in de EU woont. Daarom moet de Britse ondernemer zich op dit moment in Nederland registreren voor de btw en de verschuldigde btw bij aangifte voldoen. 

Vanwege de uitbreiding van de niet-Unieregeling, maakt het vanaf 1 januari 2027 niet meer uit waar de particuliere afnemer woont. De Britse ondernemer kan de verschuldigde Nederlandse btw vanaf 1 januari 2027 aangeven en afdragen via de niet-Unieregeling. 

Implementatie onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese VIDA-richtlijn

De uitbreiding van de niet-Unieregeling maakt onderdeel uit van de implementatie van het onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese richtlijn ‘VAT In the Digital Age’. Het wetsvoorstel, waarin dit onderdeel wordt geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving, is op 19 oktober 2026 in het Staatsblad gepubliceerd en treedt in werking op 1 januari 2027.

Toch 2% overdrachtsbelasting bij sloop en herbouw woning?

By nieuws

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vindt dat ook de verkrijging van een woning die daarna volledig wordt gesloopt, waarna er herbouw plaatsvindt, onder de 2% overdrachtsbelasting of de startersvrijstelling kan vallen. Wat besliste het gerechtshof hierover?

Woning hoofdverblijf of niet

Bij verkrijging van een woning bedraagt het tarief overdrachtsbelasting in 2026 8%, 2% of is de startersvrijstelling van toepassing. Van belang voor de hoogte van het tarief en de startersvrijstelling is onder meer of je de woning zelf anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken (hierna: het hoofdverblijf criterium). In dat geval bedraagt het tarief, onder voorwaarden, 2% of kan je, onder voorwaarden, de startersvrijstelling toepassen.

Ga je de verkregen woning niet zelf (anders dan tijdelijk) als hoofdverblijf gebruiken, dan geldt een hoger tarief van op dit moment 8%. De startersvrijstelling is dan niet van toepassing. In de belastingplannen voor 2027 is overigens opgenomen dat het hogere tarief van 8% vanaf 2027 7% bedraagt.

Let op! Voor het 2%-tarief en de startersvrijstelling gelden voorwaarden. Laat je daarover goed informeren. Meer informatie vind je ook op de website van de Belastingdienst.

Sloop en herbouw

De vraag die voorlag bij gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was of voldaan is aan het hoofdverblijf criterium als een woning wordt verkregen die daarna volledig wordt gesloopt, waarna op hetzelfde perceel weer een woning wordt gebouwd.

De Belastingdienst vond dat niet aan het criterium was voldaan, omdat de kopers van de verkregen te slopen woning daar nooit hebben gewoond en ook daar geen intentie toe hadden.
De kopers vonden dat zij wel aan het criterium voldeden omdat zij van meet af aan de intentie hebben gehad om in de nieuw te bouwen woning te gaan wonen.

Gerechtshof: 2% overdrachtsbelasting

Het gerechtshof oordeelt dat 2% overdrachtsbelasting van toepassing is. Het gerechtshof vindt dat de strikte grammaticale uitleg van de Belastingdienst van het hoofdcriterium de doelstelling van de differentiatie in de overdrachtsbelasting miskent. De kopers laten een woning achter en zijn de nieuwe woning die is ontstaan na sloop en herbouw als hoofdverblijf gaan gebruiken. Het is volgens het gerechtshof dan in strijd met doel en strekking van de wet om dan 8% overdrachtsbelasting toe te passen.

Beroep in cassatie

Eerder in 2026 oordeelde gerechtshof Amsterdam dat niet aan het hoofdverblijf criterium was voldaan in een casus waarin een echtpaar een woning kocht, deze helemaal liet slopen (inclusief fundering) en op dezelfde plaats een nieuwe woning liet bouwen. De oude woning was volledig opgehouden te bestaan en kon dus niet meer worden bewoond. Daarom kon aan niet voldaan worden aan het hoofdverblijfcriterium, aldus gerechtshof Amsterdam. Tegen deze beslissing is beroep in cassatie ingesteld.

Let op! Gelet op de uitspraak van gerechtshof Amsterdam valt nog te bezien of de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden standhoudt. De kans is groot dat tegen de uitspraak beroep in cassatie wordt ingesteld. Het is afwachten wat de Hoge Raad in cassatie oordeelt over de uitspraak van gerechtshof Amsterdam en mogelijk ook over de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

 

Dutch Prince’s Day 2026: Ten key tax changes for entrepreneurs

By nieuws

Please note! Not all the points listed below are taken from the 2027 Tax Plan. Some changes had already been decided upon, but adjustments have since been made to them.

1. Fewer tax benefits for entrepreneurs

From 2027, the government will be scaling back various tax benefits for entrepreneurs.

The entrepreneur’s allowance reduces the profit on which an entrepreneur pays income tax. From 2027, further cuts will apply to various components of this allowance.

  • The self-employed person’s allowance will fall from €1,200 (2026) to €900. As a result, the taxable profit of entrepreneurs who meet the hours criterion will increase.
  • The start-up allowance will also be significantly reduced. This top-up to the self-employed person’s allowance for start-up entrepreneurs will fall from €2,123 (2026) to €10 with effect from 1 January 2027 and will be completely abolished with effect from 1 January 2028.
  • The start-up allowance will remain in place in 2027 and 2028, but will be abolished from 1 January 2029. The current maximum amounts are €12,000 in the first year, €8,000 in the second year and €4,000 in the third year.

Please note! This scheme applies to self-employed people who do not meet the 1,225-hour criterion but do meet the reduced 800-hour criterion and are entitled to incapacity benefit.

  • The cessation allowance will be reduced in one go from a maximum of €3,630 to €908.
  • The co-worker allowance will be reduced from 1.25%, 2%, 3% and 4% to 0.32%, 0.5%, 0.75% and 1% respectively.

The cessation allowance and the rates for the co-worker allowance will cease to apply at the start of the third calendar year following the year in which the reduction takes effect. As the changes come into force in 2027, the schemes will therefore cease to apply on 1 January 2030.

As of 1 January 2028, another tax benefit for business owners will be abolished: the discretionary depreciation scheme for start-ups.

Start-up business owners, those planning to cease trading within a few years, and business owners with a co-working partner will be particularly affected. The choice between a sole trader, a general partnership (VOF) or a private limited company (BV) therefore once again requires a calculation based on actual profits and personal circumstances.

Please note!If there are significant changes to your profits, business partnerships or business succession, have a fresh assessment carried out to determine which legal form is best suited to your business.

Tip! Due to the higher aggregate income, benefits may also change. You should therefore check your estimated income for benefit purposes in good time for 2027 and 2028.

2. Greater scope for travel expenses; tightening of the WKR

Employers may, with retroactive effect up to and including 1 January 2026, reimburse a maximum of €0.25 per business kilometre tax-free. This was previously €0.23. The increase also applies to commuting. The government is now enshrining this increase in law with retroactive effect.

Please note!The increase does not automatically mean that every employee is entitled to €0.25 per kilometre. This depends on the employment contract, the collective labour agreement and the employer’s own mobility policy. For employers, a higher allowance may lead to higher wage costs.

This relaxation is offset by a tightening of the work-related expenses scheme (WKR). The targeted exemption for sector-specific products is being abolished. Until now, employers were permitted to grant employees a 20 per cent staff discount, tax-free, on the market value of the product, up to a maximum of €500 per year. This exemption is being abolished. From 2027, however, the discount may still be charged to the ‘free space’. If you exceed the free space, you will pay 80 per cent final levy on the amount above that threshold.

The discretionary allowance on the first €400,000 of the taxable wage bill will increase from 2% to 2.16% with effect from 1 January 2027. This will give you a maximum of €640 extra discretionary allowance per year. This increase was adopted earlier and is therefore not part of the 2027 Tax Plan.

Tip! Update your staff handbook, expense claim policy and payroll administration in good time, and assess whether a higher mileage allowance is desirable from both a financial and employment conditions perspective. Does your organisation offer staff discounts on sector-specific products? If so, consider what the end of this exemption will mean. This will mainly affect the retail and manufacturing sectors.

3. Driving fossil-fuelled vehicles to become more expensive; ‘youngtimer’ scheme limit extended to 20 years

If, as an employer, you make a passenger car with emissions available to an employee for private use from 2027 onwards, you will be subject to a pseudo-final levy of 12 per cent of the list price. This levy is in addition to the employee’s additional tax liability and must not be passed on to the employee. Transitional provisions apply to cars made available before 1 January 2027.

The pseudo-final levy was already adopted last year, but following consultation, four amendments are being proposed.

  • For example, the levy does not apply to replacement transport during the first fourteen calendar days of maintenance or repair.
  • Manual-gear driving school cars are also exempt.
  • Until 31 December 2030, an exemption also applies to a fossil-fuel-powered passenger car that an employer makes available for private use no more than once per calendar year for a maximum of seven consecutive days. For example, in the case of a short-term hire car or a shared car.
  • Finally, the transitional rules for fossil-fuelled passenger cars made available before 1 January 2027 will be extended until 31 December 2030.

The ‘youngtimer’ scheme will be scaled back more gradually than previously stipulated, and the changes will be less far-reaching. The additional tax liability will continue to be based on the market value, but the age limit will rise from 16 years to 17 years in 2027 and to 20 years from 2028 onwards. The previously planned rapid increase to 25 years from 2027 will therefore not go ahead.

Transitional provisions apply to cars that have already been made available by 31 December 2025 at the latest and which will be 17 years old in 2027. These cars may continue to benefit from the youngtimer scheme throughout 2027. From 1 January 2028, the scheme will only apply to cars older than 20 years.

For employers, the decision to provide a company car is becoming increasingly important, particularly due to the ‘pseudo-final levy’. The contract term, drive type and the date on which a car is first made available can have significant tax implications. As a result, an existing lease plan may turn out to be much more expensive or, conversely, much more attractive.

Tip! Before making any new leasing decisions, carefully assess the total employer costs, the employee’s additional tax liability, the lease term and the transitional tax rules.

4. A lower inflation adjustment increases the tax burden in Box 1

Normally, the thresholds for tax bands and various tax credits in Box 1 rise in line with inflation. This means that the tax burden normally remains the same as income rises, in line with inflation.
In 2027 and 2028, the government will apply the inflation adjustment only partially. Without this measure, the inflation adjustment for 2027 would amount to 2.6 per cent. Of this, 48 per cent will be applied. As a result, tax band thresholds and tax credits will rise less in line with inflation. Incidentally, the 48 per cent is not applied to the second tax bracket threshold, which therefore remains the same in 2027 as in 2026. The first tax bracket threshold rises from €38,883 to €39,247. The second tax bracket threshold remains at €78,426.

At the same time, the Box 1 rates are changing. For taxpayers under the state pension age, the rate in the first tax bracket will rise by 0.48 per cent: from 35.75 per cent in 2026 to 36.23 per cent in 2027. The rate in the second tax bracket will rise by 0.60 per cent: from 37.56 per cent to 38.16 per cent. The rate in the third tax bracket remains at 49.50 per cent.

Due to the increase in rates and limited indexation, the tax burden in Box 1 will rise. This effect is mitigated for homeowners who can also deduct their mortgage interest at the higher rate of up to 38.16%.

Please note! Always assess your salary, dividends and profits in conjunction with one another. The tax burden may in fact be unexpectedly higher, as the general tax credit depends on your aggregate income. This may therefore also fall as a result of a dividend payment.

5. Postponement of Box 3

Box 3 taxes private assets, such as savings, investments and a second home. Under the current system, the tax authorities calculate the return largely using flat-rate figures. If your actual return is lower, you can provide evidence to the contrary, subject to certain conditions.

The Government has provisionally deferred consideration of the ‘Actual Return on Box 3’ Bill. It will present a new proposal in the 2027 Spring Memorandum. Consequently, the intended introduction on 1 January 2028 will not take place, or at the very least, this date remains uncertain. The Government is re-examining whether a capital gains tax would be more appropriate than a capital appreciation tax.

Under a capital appreciation tax, even an unrealised increase in value is taken into account annually. Under a capital gains tax, tax is only levied upon, for example, the sale of an asset. For entrepreneurs and directors/major shareholders with investments, let property or other assets that are difficult to sell, this makes a significant difference.

Please note!Until a new system comes into force, it remains important to keep accurate records of interest, dividends, rent, costs and changes in value. This information is required for the rebuttal scheme and for weighing up whether to invest privately or through a private limited company.

Tip! Do not wait for the new system. Record the actual return on each asset annually and retain the supporting documents.

6. Greater support for innovation and sustainability

The government is making various tax schemes for investment and innovation more attractive. For example, the energy investment allowance will rise from 40% to 45.5% with effect from 1 January 2027. Are you investing in qualifying energy-efficient business assets? If so, you’ll be able to deduct a larger portion of your investment from your profits.

The tax relief for research and development work is also being extended. The flat-rate hourly wage will rise from €29 to €33. This scheme reduces the payroll tax you, as an employer, pay when your employees are working on technically new products, processes or software.

Does your business make use of the innovation box? This scheme is also being made more attractive. From 1 January 2027, the maximum flat-rate amount will rise from €25,000 to €100,000 per year. The flat rate remains capped at 25% of profit. The current three-year application period will also remain unchanged. This allows you to have a larger proportion of your profit taxed at the lower Innovation Box rate.

Tip! Do you wish to make use of the energy investment allowance? Before entering into any commitments, check whether the business asset is included on the energy list. Then submit your application to RVO within the applicable three-month deadline.

7. Tax incentive for start-ups and scale-ups

To stimulate innovation and growth in specific young enterprises, the government is introducing an attractive tax scheme for employee share options at start-ups and scale-ups.

In principle, the employee pays tax when they actually sell the shares acquired through the options. After deducting the exercise price attributable to the shares, only 65 per cent of the benefit is taxed as income, subject to certain conditions. If the employee sells the share option right rather than the shares themselves, this lower tax base does not apply. The employee may also opt in writing for earlier taxation at the time the option right is exercised or as soon as the shares become tradable.

The scheme applies only to companies that qualify as start-ups or scale-ups and hold a decision from RVO. This decision is valid for eight years from the date of issue. Subject to certain conditions, you may extend the decision in five-year increments, up to a maximum total duration of 23 years. In addition, in principle, there must be a minimum period of two years between the grant of the share option and the sale of that option or the shares resulting from it. If the employee sells earlier due to a sale following the company’s initial public offering (IPO), an exception applies and the rule does apply.

The scheme is due to come into force on 1 January 2027. The definitive date of entry into force will be determined by Royal Decree. Share option rights granted on or after 17 April 2025 may also be eligible for the scheme. For this to apply, the share option rights must not yet have been included in payroll tax as at 31 December 2026, and the other conditions must be met. In that case, your company must apply to the RVO for the decision by 31 December 2027 at the latest.

Tip! Check in good time whether your company is eligible for an RVO decision. Also consider whether employee participation can help you attract, reward and retain talent.

8. Higher Aof contribution due to the ‘freedom contribution’

Employers must also pay a so-called ‘freedom contribution’ to fund rising defence expenditure. The government intends to collect most of this additional burden through an increase in the contribution to the Disability Fund (Aof). According to estimates, this increase will generate €1.5 billion in additional contribution revenue in 2027. From 2028 onwards, this will amount to €1.7 billion per year on a structural basis.

The high and low Aof contribution rates have not yet been finalised. The contribution rates will be announced at a later date, alongside the annual contribution rates for employees’ insurance schemes. As a result, it is not yet clear exactly how much your employer’s contributions will increase.

Tip! Allow for higher employer’s contributions in your 2027 staff budget. Adjust your payroll cost calculations as soon as the high and low AOF contribution rates for 2027 have been officially set.

9. Transfer tax on investment properties rises to 7%

Are you buying a property in which you will not be living yourself on a long-term basis? If so, you will pay transfer tax at the standard residential rate. This applies, for example, to a let property or a holiday home. From 1 January 2027, this rate will fall from 8% to 7%. The 2% rate for a property in which you will be living yourself and the first-time buyer’s exemption remain unchanged.

Please note! This reduction does not apply to commercial premises. In the case of mixed-use properties, conversions and property development projects, there may be some debate as to which part qualifies as a residential property. The use and condition of the property at the time of acquisition play an important role in this regard.

Due to the rate reduction, it may be worth reconsidering the timing of the transaction. You should also take other factors into account, such as financing, return on investment, VAT and the legal structure.

Tip! Before signing the purchase agreement, have an assessment carried out to determine which rate applies to your situation. In doing so, investigate whether it is sensible and feasible to postpone the transfer of title at the solicitor’s office until after 1 January 2027.

10. Tax relief on specific healthcare costs to end in 2028

Certain non-reimbursed healthcare costs are currently tax-deductible under specific conditions. These include specific medicines, medical aids, dietary costs, transport and additional family care. The relief only applies after any reimbursements and an income-related threshold have been taken into account.

The Government is abolishing the deduction for specific healthcare costs with effect from 1 January 2028. The associated scheme for reimbursement of specific healthcare costs, the TSZ scheme, will also be abolished. For people with a chronic illness, the Government is working on a targeted compensation scheme. The bill does not include any transitional provisions. The measure primarily affects people with a chronic illness, a disability or structurally high, non-reimbursed healthcare costs. Entrepreneurs and directors/major shareholders may also face higher net personal tax liabilities as a result. The financial impact varies greatly, as not every out-of-pocket healthcare expense is currently tax-deductible.

Tip! Make a list of your recurring deductible healthcare costs. This will show which tax benefits may be lost from 2028 onwards and to what extent a future compensation scheme will cover them.

Tot € 1.250 subsidie voor jouw cyberweerbaarheid

By nieuws

Wat houdt de subsidie in?

Via Mijn Cyberweerbare Zaak is er in 2026 opnieuw €1 miljoen beschikbaar voor ondernemers die hun cyberweerbaarheid willen vergroten. De subsidie vergoedt 50% van de kosten voor de aanschaf of implementatie van een of meerdere cyberweerbaarheidsmaatregelen, met een maximum van €1.250 per aanvrager. 

Let op! Het budget wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst, dus op is op, ook als dat eerder is dan de sluitingsdatum van 30 november.

 

Voor wie?

De subsidie is bedoeld voor zzp’ers en mkb-bedrijven met maximaal 50 medewerkers en een jaaromzet van maximaal €10 miljoen.

Waarvoor kan je de subsidie inzetten?

  • De subsidie geldt voor acht categorieën maatregelen:
  • veilige netwerktoegang of wifi,
  • een wachtwoordmanager,
  • tweefactorauthenticatie (2FA) of multifactorauthenticatie (MFA),
  • Patch-management, oftewel tools of diensten voor het automatisch controleren en uitvoeren van beveiligingsupdates,
  • antivirussoftware,
  • het instellen en testen van back-ups,
  • een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E), en
  • een cyber awareness training voor je medewerkers.

 

Tip! Twijfel je waar je moet beginnen? Doorloop eerst de gratis CyberVeilig Check. Je krijgt dan een persoonlijke actielijst met verbeterpunten, die je meteen kunt gebruiken bij je subsidieaanvraag.

Let op!Niet alles komt in aanmerking. Certificeringskosten kunnen niet worden vergoed vanuit de subsidie. Maatregelen voor websites, webshops, online platformen, betaalsystemen en cloudwerkplekken vallen ook niet onder deze regeling.

 

Hoe vraag je de subsidie aan?

De aanvraag verloopt in drie stappen. Eerst doorloop je de CyberVeilig Check en download je je actielijst. Daarna schaf je de maatregelen aan die op je actielijst staan en die in aanmerking komen voor subsidie, en bewaar je de facturen en betaalbewijzen. Tot slot dien je je aanvraag in bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), inclusief je actielijst, factuur en betaalbewijs. Let erop dat je maar één aanvraag per bedrijf kunt doen, dus verzamel al je facturen voordat je een aanvraag indient.

Tip! Je hoeft niet alle maatregelen uit je actielijst al te hebben doorgevoerd om in aanmerking te komen.

Let op!Heb je al eerder subsidie gekregen voor een bepaalde maatregel, dan kun je daar niet nogmaals subsidie voor aanvragen. Je komt ook niet in aanmerking voor de subsidie als je zelf cyberweerbaarheidsmaatregelen aan anderen levert.

Wil je weten welke maatregelen voor jouw bedrijf het meeste opleveren, of hulp bij het aanvragen van de subsidie? Neem contact met ons op, we denken graag met je mee.

 

 

Afkoop lijfrenten zonder revisierente bij langdurige arbeidsongeschiktheid

By nieuws

Revisierente

Je betaalt bij afkoop normaal gesproken revisierente, omdat je dan onterecht hebt geprofiteerd van de premieaftrek. De revisierente bedraagt in de meeste gevallen 20% van de afkoopsom.

Niet bij langdurige arbeidsongeschiktheid

Er is geen revisierente verschuldigd als de lijfrente wordt afgekocht in geval van langdurige arbeidsongeschiktheid. De wetgever ziet in dat geval de afkoop niet als misbruik, omdat arbeidsongeschiktheid veelal gepaard gaat met een verlies aan inkomen.

Verplicht ineens afkopen?

Het was niet helemaal duidelijk of je van deze uitzondering alleen gebruik kan maken bij volledige afkoop van de lijfrente. De Belastingdienst heeft op vragen daarover geantwoord dat de lijfrente niet in zijn geheel hoeft te worden afgekocht om van de uitzondering gebruik te kunnen maken. Het is dus ook mogelijk de lijfrente in gedeeltes af te kopen, waarbij iedere keer geen revisierente betaald hoeft te worden.

Geen limiet

De Belastingdienst heeft ook aangegeven dat er geen limiet is in het aantal keren dat een lijfrente vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid kan worden afgekocht zonder dat revisierente verschuldigd is. Wel moet de afkoopsom jaarlijks onder een hiervoor bepaalde grens blijven. In 2026 bedraagt deze grens € 51.440.

Let op! Als het gemiddelde van de premiegrondslag in 2026 en 2025 hoger is dan € 51.440, bedraagt de grens in 2026 dit gemiddelde.

Voorwaarden

Je kunt alleen onder voorwaarden van de uitzondering gebruikmaken. Zo mag je de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Daarnaast moet de situatie van langdurige arbeidsongeschiktheid aannemelijk gemaakt kunnen worden. Dit kan via een verklaring van een arts of met behulp van een schriftelijk stuk, waaruit blijkt dat je een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid krijgt of gaat krijgen. 

Lagere verzuimboete bij vergelijkbaarheid bv met eenmanszaak

By nieuws

Verzuimboete te late aangifte

Als je niet of te laat je aangifte inkomstenbelasting (IB) of vennootschapsbelasting (Vpb) doet, kan de Belastingdienst je een verzuimboete opleggen. Deze verzuimboete bedraagt in 2026 voor de IB € 469 voor een eerste verzuim en kan oplopen tot € 6.709 bij vaker verzuim.

Voor de Vpb is de boete veel hoger, namelijk in 2026 € 3.354 bij een eerste verzuim. Deze verzuimboete kan bij vaker verzuim ook oplopen tot € 6.709.

Let op! Er is pas sprake van een verzuim als je niet binnen de op de aanmaning vermelde termijn je aangifte hebt ingediend. Ontvang je een aanmaning vanwege het niet indien van je aangifte, dien dan binnen die termijn alsnog je aangifte in.

Eerste verzuim bv

Een bv had de aangifte Vpb te laat ingediend. Het betrof een eerste verzuim. De bv gaf aan dat dit kwam omdat vergeten was uitstel aan te vragen voor het indienen van de aangifte. De Belastingdienst legde een verzuimboete op naar een bedrag van € 2.757 (het toen geldende bedrag bij een eerste verzuim). Na bezwaar van de bv, verminderde de Belastingdienst de verzuimboete naar € 1.000.

De bv vond de verzuimboete van € 1.000 nog steeds disproportioneel in verhouding tot het verzuim. De bv vond zichzelf ook vergelijkbaar met een eenmanszaak en vond dat de boete ook daarmee vergelijkbaar moest zijn.

Vergelijkbaar met eenmanszaak

De rechtbank vond de bv ook vergelijkbaar met een eenmanszaak. De bv had een omzet die paste bij een eenmanszaak (de omzet was in 2022 € 196.960). Daarnaast was sprake van een eerste verzuim en had de bv de aangiftes van latere jaren wel op tijd ingediend. Om die reden vond de rechtbank de verzuimboete van € 1.000 te hoog en verlaagde deze naar € 500.

Let op! De Belastingdienst heeft zich in deze casus neergelegd bij het oordeel van de rechtbank en geen hoger beroep ingesteld.

Voorstellen aanpassing WIA voor werkgevers en uitkeringsgerechtigden

By nieuws

Advies bedrijfsarts leidend bij poortwachtertoets

Een van de voorstellen is om het advies van de bedrijfsarts vanaf beoogd 1 januari 2028 leidend te maken bij de poortwachtertoets (ook wel RIV-toets genoemd). Als het advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij deze toetsing van het re-integratieverslag (RIV), vindt de toetsing alleen nog plaats door een arbeidsdeskundige van het UWV en niet meer door een verzekeringsarts van het UWV.

Een werkgever kan dan niet langer een loonsanctie krijgen als gevolg van een medisch verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts. Het UWV gaat bij de toetsing van het re-integratieverslag dan uit van vertrouwen in het werk van de bedrijfsarts. Dit moet onzekerheid bij werkgevers over de mogelijkheid van deze sanctie wegnemen.

Let op! De Raad van State en vakbonden zijn kritisch en denken dat de wijziging zal leiden tot een toename van de instroom in de WIA. Zij geven aan dat de prikkel voor een werkgever om zelf verantwoordelijkheid te dragen voor de re-integratie van een zieke werknemer verdwijnt. Dit betekent dat het risico van een onterecht advies van de bedrijfsarts bij de zieke werknemer komt te liggen.

Tijdelijke regeling voorschotverlening WIA-uitkeringen

Een ander voorstel is om het nu al gevoerde tegenwettelijke beleid volgens de wet ook mogelijk te maken. Dit is beoogd vanaf 1 januari 2027. Het gaat daarbij om het volgende.

Het UWV verstrekt in verband met de lange wachttijd voor de WIA-claimbeoordeling voorschotten. Werknemers komen hierdoor niet zonder inkomen te zitten na afloop van de loonbetaling. Deze voorschotten kunnen achteraf niet altijd (geheel) worden verrekend met een WIA-uitkering of een andere uitkering. Als de lange wachttijden de ontvangers van deze voorschotten niet valt aan te rekenen, vordert het UWV ze op dit moment al niet terug.

Dit is wettelijk gezien eigenlijk niet mogelijk. Het wetsvoorstel regelt daarom dat het UWV  tijdelijk de bevoegdheid krijgt om onder voorwaarden af te zien van het terugvorderen van onverschuldigd betaalde voorschotten. Het wetsvoorstel biedt daarmee een wettelijke grondslag voor het tegenwettelijke beleid dat het UWV op dit punt al sinds 2021 voert.

De lopende en kwijtgescholden WIA-voorschotten zullen vanaf 2030 worden gefinancierd vanuit het Arbeidsongeschiktheidsfonds, waarvoor alle werkgevers premie betalen. Tot die tijd wordt het bekostigd vanuit de Werkhervattingskas.

Aanpassingen Wajong

Het recht op inkomensondersteuning op grond van de Wajong eindigt als iemand ten minste 75% van het maatmaninkomen verdient na vijf jaar ononderbroken te hebben gewerkt. Bij de beoordeling hiervan wordt werk in het kader van de Wet sociale werkvoorziening buiten beschouwing gelaten. Vanaf 1 januari 2015 is nieuwe instroom in de Wet sociale werkvoorziening niet meer mogelijk en vindt ondersteuning plaats, onder meer in de vorm van beschut werk. Het voorstel is om arbeid verricht in beschut werk ook buiten beschouwing te laten. Zolang iemand beschut werk verricht, eindigt het recht op Wajong dan niet, ongeacht wat hij verdient.

Verder geldt nu al dat het Wajong-recht blijft bestaan wanneer een Wajonggerechtigde gebruikmaakt van bepaalde structurele arbeidsondersteuning — zoals een externe jobcoach, vervoersvoorzieningen of intermediaire voorzieningen —, ongeacht wat men verdient. Het voorstel is om drie structurele arbeidsondersteuningen aan deze uitzonderingen toe te voegen, te weten loondispensatie, loonkostensubsidie en een interne jobcoach. Deze instrumenten worden toegevoegd aan de uitsluitingsgronden voor toepassing van de beëindigingsgronden voor de Wajong.

Let op! Het beoogde tijdstip van inwerkingtreding van dit voorstel is 1 januari 2028. Het UWV zal vooruitlopend op deze inwerkingtreding de wijzigingen die begunstigend zijn voor de Wajong gerechtigde al toepassen.

Vanaf 1 juli 2028 geen inhouding huisvesting op minimumloon

By nieuws

Inhouding huisvesting

Bij arbeidsmigranten komt het regelmatig voor dat werkgevers voor de huisvesting zorgen. Vaak wordt daarvoor een bedrag ingehouden op het loon van de werknemer. Bij een minimumloon mag dat nu nog maximaal 25% van dat brutominimumloon zijn.

Let op! Er gelden meer voorwaarden voor het inhouden van huisvestingskosten op het minimumloon.

Afschaffen

Het kabinet vindt dat de regeling een verdienmodel in de hand werkt. Om die reden wil het kabinet de regeling per 1 juli 2028 afschaffen.

Wet passende huur

Op 1 juli 2028 moet ook de Wet passende huur in werking treden. Dit betreft nu nog een wetsvoorstel in voorbereiding dat arbeidsmigranten betere huur(prijs)bescherming moet bieden. De verwachting is dat dit wetsvoorstel in de eerste helft van 2027 in de Tweede Kamer wordt behandeld.

Let op! De minister wil de inhoudingsmogelijkheid zoveel mogelijk gelijktijdig afschaffen met de inwerkingtreding van de Wet passende huur. Als deze later dan 1 juli 2028 in werking treedt, zal de inhoudingsmogelijkheid waarschijnlijk ook later worden afgeschaft.

Huisvesting vanaf 1 juli 2028

Het wordt de werkgever niet verboden om vanaf 1 juli 2028 huisvesting te verzorgen voor de werknemer. Zo kunnen werkgevers straks hun werknemers bijvoorbeeld een huurcontract bieden, waarbij de werknemer zelf de betaling doet.

Let op! Er was al eerder een plan om de inhoudingsmogelijkheid af te schaffen. Eind oktober 2025 werd dit plan echter ingetrokken.