Category

nieuws

Is contributie autoclub btw belast?

By nieuws

Er bestaan de nodige hobbyclubs voor autoliefhebbers in Nederland. Is de contributie van een dergelijke club ook belast met btw? En zo ja, waar hangt dit vanaf?

De rechtbank Den Haag beantwoordde deze vraag voor  een hobbyclub voor liefhebbers van terreinwagens.

Activiteiten

Auto

De club organiseerde voor haar leden de nodige activiteiten. Eén van die evenementen was een meerdaags evenement inclusief kamperen. Zowel leden als niet-leden kunnen hieraan deelnemen en onder meer met een terreinwagen rijden op een parcours met hindernissen. De leden betalen een eenmalig inschrijfgeld en jaarlijks contributie. Zij ontvangen hiervoor per e-mail een nieuwsbrief met aankondiging van het eerstvolgende evenement en kunnen deelnemen aan georganiseerde evenementen. Niet-leden betalen voor een evenement entreegeld.

Belast of niet?

De vraag voor de rechtbank was of deze activiteiten ertoe leidden dat de contributie belast moest worden met btw. De Belastingdienst stelde van wel omdat naar zijn mening de contributie betaald werd om deel te kunnen nemen aan de evenementen waarvoor niet-leden apart moesten betalen.

Te ver verwijderd verband

De rechtbank was het hier niet mee eens. De evenementen konden niet worden afgedwongen door de leden en als een evenement niet doorging, werd de contributie ook niet aangepast. Dat een lid kon dreigen zijn lidmaatschap dan op te zeggen, maakte dit niet anders. Volgens de rechtbank was er een te ver verwijderd verband tussen de evenementen en de contributie, zodat deze niet belast was met btw.

Let op! Tegen de uitspraak van rechtbank is hoger beroep in gesteld. Het gerechtshof zou mogelijk daarom nog tot een ander oordeel kunnen komen.

Fiscaal partnerschap na niet-ontvankelijk verklaring echtscheiding

By nieuws

Als echtgenoten gaan scheiden, dient hiertoe een verzoek te worden ingediend bij de rechtbank. Na het indienen van een verzoek om echtscheiding eindigt het fiscaal partnerschap als de echtgenoten niet meer op hetzelfde woonadres staan ingeschreven. Maar wat nu als het echtscheidingsverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard? Welke gevolgen heeft dat voor het fiscale partnerschap?

Fiscale gevolgen

Schaken

De Belastingdienst heeft de gevolgen van een niet-ontvankelijk echtscheidingsverzoek geschetst aan de hand van een voorbeeld. In dit voorbeeld wordt op 11 november een verzoek tot echtscheiding ingediend en laat één van de twee zich uitschrijven van het woonadres bij de gemeente. Het verzoek wordt op 1 maart van het erop volgende jaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit wordt op 1 juni van dat jaar definitief. De echtgenoten blijven beiden ook daarna nog op een ander woonadres ingeschreven staan.

Periode vanaf 11 november

Het echtscheidingsverzoek is ingediend, maar het huwelijk is nog niet ontbonden. Wettelijk bepaald is echter dat er geen sprake meer is van fiscaal partnerschap als er een verzoek tot echtscheiding is ingediend én de echtgenoten niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven. De echtgenoten zijn daarom vanaf 11 november geen fiscaal partner meer.

Periode vanaf 1 maart

Het echtscheidingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard, maar hiertegen is nog drie maanden beroep mogelijk. Zo lang beroep nog mogelijk is, is het verzoek tot echtscheiding nog in behandeling en is er ook gedurende deze periode geen sprake van fiscaal partnerschap.

Periode vanaf 1 juni

Vanaf 1 juni is er geen sprake meer van een ingediend verzoek tot echtscheiding. Het ingediende verzoek is namelijk definitief niet-ontvankelijk verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de echtgenoten vanaf 1 juni weer als elkaars fiscale partner worden aangemerkt, ondanks dat ze niet op hetzelfde woonadres staan ingeschreven Wil men dit niet, dan zal opnieuw een verzoek tot echtscheiding moeten worden ingediend. Vanaf dat moment is er dan geen fiscaal partnerschap meer.

Hoeveel privékilometers nog na switch uitsluitend zakelijk gebruikte bestelauto?

By nieuws

Als een ondernemer of werknemer een bestelauto uitsluitend zakelijk gebruikt, kan de bijtelling worden voorkomen zonder kilometeradministratie bij te houden. Maar wat nu als men in de loop van het jaar de beschikking krijgt over een personenauto of niet uitsluitend zakelijk gebruikte bestelauto, en de uitsluitend zakelijk gebruikte bestelauto inruilt? Hoeveel privékilometers mag men dan nog rijden?

Bestelauto alleen zakelijk gebruikt

Auto

Voor bestelauto’s die alleen zakelijk gebruikt worden, kan een verklaring ‘Uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto’ worden ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst. Men krijgt dan geen bijtelling vanwege het privégebruik van de auto, want dat is verboden. Een kilometeradministratie is niet nodig.

Let op! Gebruikt men de bestelauto echter toch privé, al is het maar één kilometer, dan kan dit een navordering of naheffing plus boete opleveren.

Auto ingewisseld

Onlangs gaf de Belastingdienst antwoord op de vraag hoeveel kilometer een personenauto privé gebruikt mag worden, als in het jaar in eerste instantie een alleen zakelijk gebruikte bestelauto ter beschikking stond. Dit blijkt maximaal 500 kilometer te zijn.

Niet tijdevenredig toepassen

Anders dan bij een auto die slechts een deel van het jaar ter beschikking wordt gesteld, hoeft in dit geval het aantal privékilometers niet tijdevenredig te worden herrekend. Er staat immers het hele jaar een auto ter beschikking: eerst de alleen zakelijk gebruikte bestelauto en daarna de personenauto. De Belastingdienst gaat ervan uit dat de bestelauto met genoemde verklaring niet privé is gebruikt. Daarom mag in dit geval met de personenauto in de rest van het jaar nog maximaal 500 km privé worden gereden zonder dat de bijtelling van toepassing is.

Minder snel alsnog hoge WW-premie vanaf 2025

By nieuws

Al eerder was bekend dat vanaf 1 januari 2025 de huidige grens voor de beoordeling of een lage WW-premie alsnog een hoge WW-premie wordt, omlaaggaat. Medio mei 2024 is het besluit hiertoe in het Staatsblad gepubliceerd.

Lage en hoge WW-premie

Euro

In de WW geldt een zogenaamde premiedifferentiatie. Dat houdt grofweg in dat werkgevers die werknemers vaste contracten aanbieden de lage WW-premie betalen en werkgevers die flexibele contracten aanbieden de hoge WW-premie. Zo mag de lage WW-premie worden toegepast voor loon uit een arbeidsovereenkomst die voldoet aan de volgende drie voorwaarden:

  1. de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd,
  2. de arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd, en
  3. de arbeidsovereenkomst is geen oproepovereenkomst.

Herziening lage WW-premie

Soms moet de lage WW-premie achteraf alsnog met terugwerkende kracht worden herzien naar een hoge WW-premie. Dit is het geval als een werknemer met een arbeidscontract van minder dan 35 uur per week, in het kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond krijgt dan in het arbeidscontract staat. Dit kan gebeuren als een werknemer veel overwerk verricht ten opzichte van de contracturen.

Let op! Heeft een werknemer een arbeidscontract van 35 uur of meer per week, dan geldt deze herzieningsregeling niet. De lage WW-premie wordt dan dus niet alsnog met terugwerkende kracht een hoge WW-premie als deze werknemer meer dan 30% meer uren verloond krijgt.

Van minder dan 35 uur naar 30 uur of minder

De uurgrens voor welke arbeidscontracten herziening van de lage naar de hoge WW-premie nu nog kan plaatsvinden, is minder dan 35 uur per week. In het besluit dat medio mei 2024 in het Staatsblad is gepubliceerd, is opgenomen dat deze grens met ingang van 2025 verlaagd wordt naar 30 uur of minder per week.

Dit betekent dat vanaf 2025 herziening alleen nog kan plaatsvinden als een werknemer met een arbeidscontract van 30 uur of minder per week, in het kalenderjaar meer dan 30% meer uren verloond krijgt dan in het arbeidscontract staat.

Let op! De verlaging naar 30 uur of minder per week geldt pas vanaf het jaar 2025. In 2024 heeft u dus nog te maken met de grens van minder dan 35 uur per week.

Andere reden herziening lage WW-premie

Houd er rekening mee dat er nog andere redenen kunnen zijn om de lage WW-premie alsnog te herzien naar de hoge WW-premie. Dit is bijvoorbeeld het geval als een nieuwe werknemer binnen twee maanden ontslag neemt of wordt ontslagen.

Valpreventie door fysiotherapeut vrijgesteld van btw?

By nieuws

Ouderen lopen een verhoogd risico op vallen. Dit vanwege zichtproblemen, medicatie of andere oorzaken. De vraag is gesteld of trainingen die ten doel hebben om vallen te voorkomen, kunnen delen in de btw-vrijstelling voor medische diensten. Een Kennisgroep van de Belastingdienst heeft deze vraag ontkennend beantwoord.

Verhoogd valrisico

Medisch

De Kennisgroep gaat in op de situatie waarbij een fysiotherapeut in groepsverband valtrainingen organiseert voor ouderen met een verhoogd risico op vallen. De training gaat in op het herkennen van valgevaarlijke situaties, het verminderen van valangst en op het verbeteren van het activiteitenniveau en de balans.

Rol huisarts

De huisarts beoordeelt of een persoon voor de training in aanmerking komt. Daarna doet de fysiotherapeut een uitgebreide intake, screening en metingen. De training bestaat uit een hindernisbaan waarbij verder geoefend wordt op de techniek van het vallen en ook spelvormen aan bod komen. De trainingen zijn voor ieder gelijk, maar kunnen desgewenst individueel worden aangepast.

Gezondheidskundige verzorging van de mens?

De Kennisgroep komt tot de conclusie dat bovenomschreven valtrainingen niet in aanmerking komen voor de btw-vrijstelling inzake medische diensten. Voor die vrijstelling komen namelijk in het algemeen therapeutische handelingen in aanmerking met als doel het stellen van een diagnose, op basis hiervan te behandelen en zo mogelijk genezen van ziekten. Maar ook als preventie de doelstelling is, kan een dienst soms toch onder de vrijstelling vallen. Er moet dan wel een concreet risico van aantasting van de gezondheid bestaan.

Concreet risico afwezig

Volgens de Kennisgroep bestaat er bij genoemde valtrainingen geen concreet risico op aantasting van de gezondheid. Dat het preventieve doel verband houdt met de gezondheid, is onvoldoende.

Let op! De Kennisgroep geeft nog aan dat de btw-vrijstelling alleen van toepassing is als een gezondheidskundige dienst persoonlijk en rechtstreeks aan een individu wordt verricht. Om die reden zijn groepsbehandelingen ook uitgesloten van de btw-vrijstelling. Dit kan alleen anders zijn als binnen een groepsbehandeling elke persoon behandeld wordt voor zijn of haar specifieke stoornis of beperking. Een individuele aanpassing, zoals bij genoemde groepstrainingen, is daarvoor echter niet voldoende.

Aangifte en opgaaf dividendbelasting verplicht digitaal

By nieuws

Bedrijven moeten de aangifte en opgave dividendbelasting vanaf 1 juli 2024 verplicht digitaal inleveren. Voor dividenduitkeringen tot en met 2023 kon dit nog op papier plaatsvinden, voor uitkeringen vanaf 2024 vanaf 1 juli 2024 niet meer.

Dividendbelasting

Laptop

NV’s en BV’s die winst maken en dit uitdelen aan de aandeelhouders moeten over het algemeen dividendbelasting inhouden en afdragen. Het tarief bedraagt 15%.

Let op! Niet in alle gevallen hoeft dividendbelasting ingehouden worden, bijvoorbeeld als een inhoudingsvrijstelling van toepassing is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een bv dividend uitkeert aan een andere bv die 5% of meer van de aandelen houdt.

Digitaal

De aangifte en opgaaf kunt u indienen via Mijn Belastingdienst Zakelijk. U kunt ook administratieve software gebruiken of een en ander uitbesteden aan uw adviseur.

Fiscale behandeling van een deelauto

By nieuws

Staatssecretaris Van Rij van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer duidelijkheid proberen te verschaffen over de fiscale positie van deelauto’s. In de brief wordt ook aangegeven hoe deelauto’s fiscaal gestimuleerd zouden kunnen worden.

Loon- en winstbelasting

Auto

Fiscale regelingen met betrekking tot deelauto’s hebben thans betrekking op de loon- en winstbelasting. Er bestaan echter nog geen aparte fiscale regelingen voor deelauto’s. Dit betekent dat de bestaande regels zo goed mogelijk op deelauto’s moeten worden toegepast.

Bijtelling bij volgtijdelijke ter beschikkingstelling

Als een auto in een jaar aan meerdere werknemers ter beschikking wordt gesteld, maar gedurende een bepaalde periode nooit aan meer dan één werknemer, geldt de bijtelling voor die periode voor die ene werknemer. Omdat de grens van 500 kilometer voor privékilometers voor een heel jaar geldt, moet deze grens pro rata berekend worden. Als een werknemer de deelauto bijvoorbeeld alleen het eerste kwartaal ter beschikking heeft, mag hij maximaal 125 privékilometers rijden (1/4 van 500) om de bijtelling te voorkomen.

Bijtelling bij gelijktijdige terbeschikkingstelling

Als een deelauto aan meerdere werknemers gelijktijdig ter beschikking wordt gesteld, moet de bekende bijtelling in redelijkheid over de gebruikers van de auto worden verdeeld. Dit is met name een administratief probleem. Omdat hierover in de praktijk veel vragen bestaan, zal op de site van de Belastingdienst een aantal voorbeelden hieromtrent worden uitgewerkt.

Let op! Als de deelauto niet aan de werknemers ter beschikking wordt gesteld, kan ook geen sprake zijn van een bijtelling.

Kilometervergoeding

Aan werknemers die de eigen privé auto gebruiken voor zakelijke ritten, kan een onbelaste kilometervergoeding worden verstrekt van momenteel € 0,23/km. Er wordt op gewezen dat het gebruik van deelauto’s zou kunnen worden gestimuleerd door een hogere vergoeding te betalen bij gebruik van een dergelijke auto en het bovenmatige deel onder te brengen in de werkkostenregeling.

Aftrekbaar van de winst

Kosten van een deelauto-abonnement die aan werknemers worden vergoed of verstrekt zijn aftrekbaar van de winst in de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Dit is alleen anders als er een aftrekbeperking geldt zoals de aftrekbeperking die geldt voor congressen en seminars.

MIA / Vamil / EIA

Ook binnen de bestaande investeringsaftrekken bestaan weinig specifieke regelingen voor deelauto’s. Alleen binnen de MIA / Vamil maken toegangssystemen voor deelauto’s deel uit van de Milieulijst. Hierop is 36% MIA van toepassing en de Vamilregeling. Onderzocht wordt het percentage te verhogen naar 45.

Subsidie voor groepshulpen kinderopvang

By nieuws

Kinderopvangorganisaties kunnen vanaf dit jaar subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats van groepshulpen. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van groepshulpen. Het doel is dat door de subsidie meer groepshulpen worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang.

Voordelen

Glijbaan

Door de inzet van een groepshulp kan de werkdruk van pedagogische professionals omlaag. Door de subsidie kunnen de groepshulpen zich verder ontwikkelen door zich tijdens het werk ook te verdiepen in een opleiding. Omdat er geen taaleis of opleiding geldt, kunnen personen die moeilijker aan het werk komen toch eerder een baan bemachtigen.

Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepshulp per week werkt. Een organisatie kan voor maximaal twee groepshulpen subsidie aanvragen.

Let op! De subsidie is ook in 2025 en 2026 beschikbaar.

Voorwaarden

De subsidie kent een aantal voorwaarden. Zo moet een groepshulp een arbeidsovereenkomst van ten minste 12 maanden hebben met een startdatum vanaf 1 augustus 2023 of later. Ook moet de groepshulp deelnemen aan scholing via praktijkleren in het mbo, gericht op het behalen van een praktijkverklaring, mbo-certificaat of diploma. Deze scholing moet tussen  1 augustus 2023 en 31 oktober 2026 zijn gestart. Verder is vereist dat de kinderopvangorganisatie voor de groepshulp ook subsidie heeft gekregen  via de Subsidieregeling Praktijkleren of Praktijkleren in de derde leerweg.

Aanvragen vanaf november

De subsidie kan van maandag 4 november 2024 09:00 uur tot en met vrijdag 29 november 2024 17:00 uur worden aangevraagd bij RVO.nl. Het totale beschikbare budget voor deze aanvraagperiode is € 1.590.000.

Varianten box 3-heffing berekening tot en met 2022 en vanaf 2023

By nieuws

Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat nader rechtsherstel geboden moet worden als het werkelijke rendement van het box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Op 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad een nieuwe aanwijzing gegeven over de berekening van het werkelijke rendement van een box 3-woning. Wat betekent dit voor de box 3-heffing tot en met 2022 en vanaf 2023?

Werkelijke rendement versus forfaitair rendement

Juridisch

Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad dat ook de Wet rechtsherstel box 3 (hierna: Herstelwet) en de Overbruggingswet box 3 (hierna: Overbruggingswet) in strijd zijn met Europees recht als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Op 24 december 2021 had de Hoge Raad op dezelfde wijze al geoordeeld over de box 3-wetgeving vanaf 2017 (hierna: oude box 3-wet).

Gevolgen voor de jaren tot en met 2022

De arresten van 24 december 2021 en 6 juni 2024 betekenen dat u tot en met 2022 te maken heeft met drie berekeningen: het forfaitaire rendement van de oude box 3-wet, het forfaitaire rendement van de Herstelwet en het werkelijke rendement.

De box 3-heffing wordt vervolgens als volgt berekend.

  • Is het forfaitaire rendement van de Herstelwet lager dan het forfaitaire rendement van de oude box 3-wet? Dan wordt uw box 3-heffing berekend op basis van het forfaitair rendement van de Herstelwet.
  • Is het forfaitaire rendement van de Herstelwet hoger dan het forfaitaire rendement van de oude box 3-wet? Dan wordt uw box 3-heffing berekend op basis van het forfaitaire rendement van de oude box 3-wet.
  • Is uw werkelijke rendement lager dan het aldus vastgestelde forfaitaire rendement? Dan wordt uw box 3-heffing berekend op basis van het werkelijke rendement.

Let op! U kunt alleen een beroep doen op vaststelling op het werkelijke rendement als u nog kunt aansluiten bij het oordeel van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Dat zal lang niet altijd het geval zijn. Het Ministerie van Financiën bestudeert momenteel het oordeel van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Het wachten is nu op meer duidelijkheid hierover.

Wat betekent dit nu voor de jaren vanaf 2023?

Vanaf 2023 krijgt u te maken met twee berekeningen: het forfaitaire rendement van de Overbruggingswet en het werkelijke rendement. Als uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement van de Overbruggingswet, wordt uw box 3-heffing berekend op basis van het werkelijke rendement.

Voorlopig houdt de Belastingdienst de meeste aangiften inkomstenbelasting 2023 met box 3-inkomen nog aan in afwachting van de duidelijkheid die het Ministerie van Financiën gaat verschaffen over het oordeel van de Hoge Raad van 6 juni 2024. U hoeft op dit moment daarom nog niets te doen.

Let op! Dit is anders als u toch al een definitieve aanslag inkomstenbelasting ontvangt of heeft ontvangen met box 3-inkomen. Neem in zo’n geval contact op met een van onze adviseurs. Dan kunt u samen bepalen of u actie moet ondernemen. Doe dat wel snel, de bezwaartermijn bedraagt maar zes weken.

Berekening werkelijke rendement

De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024 ook een aantal regels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement berekend moet worden. Een van die regels is dat gerealiseerde én ongerealiseerde vermogenswinsten, of die nu positief of negatief zijn, ook onderdeel zijn van het werkelijke rendement.

WOZ voor werkelijke rendement woning

Op 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad hieraan voor woningen die in box 3 vallen nog een nieuwe aanwijzing gegeven. De Hoge Raad geeft aan dat voor de vaststelling van het werkelijke rendement van een woning de waarde van de woning aan het begin en het einde van het jaar bepaald wordt op basis van de WOZ-waarde.

Opstarttijd kwalificeert als werktijd volgens de Advocaat-Generaal

By nieuws

Onder werktijd vallen de uren die de werknemer werkt in opdracht van de werkgever. Het opstarten en inloggen vindt voor elke werknemer dagelijks plaats. Moet deze tijd ook als werktijd worden beschouwd? Deze vraag stond centraal in een procedure bij het gerechtshof Den Haag.

In deze zaak ging het om een werknemer van een callcenter die tien minuten voor aanvang van zijn dienst aanwezig moest zijn. Er was discussie ontstaan over de vraag of de werknemer volgens de bij de werkgever van toepassing zijnde Planningsregels verplicht was  om tien minuten voor aanvang van een ingeroosterde dienst aanwezig te zijn en om voorbereidende werkzaamheden verrichten.

Gerechtshof: 10 minuten opstarttijd is werktijd

Laptop

Het gerechtshof hield er rekening mee dat inloggen vaak niet in één keer lukt en beschouwde dit als ‘voorbereidende werkzaamheden’ die nodig zijn om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Bovendien volgde uit de Planningsregels die in de gebiedende wijs waren geformuleerd dat de werknemer feitelijk tien minuten voor aanvang van de dienst aanwezig moet zijn. Het betrof hier dus een verplichting. Hier staat vervolgens de verplichting tot loonbetaling over de tien minuten voorbereidingstijd tegenover. Dit volgde uit de arbeidsovereenkomst van de werknemer, waarin was bepaald dat de werkgever verplicht was loon te betalen over ‘daadwerkelijk gewerkte uren’.

Dit leidde ertoe dat het gerechtshof de loonvordering over deze opstarttijd (tien minuten per keer) heeft toegewezen. De werkgever was het hier niet mee eens en ging in cassatie bij de Hoge Raad.

Advocaat generaal volgt het gerechtshof

Inmiddels heeft de advocaat-generaal van de Hoge Raad een advies uitgebracht aan de Hoge Raad. Dit is weliswaar geen bindend advies, maar heeft wel waarde. De advocaat-generaal volgt het gerechtshof in zijn oordeel dat er een verplichting bestond voor de werknemer om gedurende de opstarttijd aanwezig te zijn, waardoor er sprake was van  ‘daadwerkelijk gewerkte uren’. 

Let op! Het is nu afwachten wat de Hoge Raad gaat doen en of deze het advies van de Advocaat-Generaal gaat volgen. De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 8 november 2024.