Category

nieuws

Advieswijzer Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ)

By nieuws

Het wetsvoorstel voor de BAZ is naar de Tweede Kamer gestuurd. Deze verplichte basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid raakt straks zo’n 1,2 miljoen IB-ondernemers. De verwachting is dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd. Het zal daarom waarschijnlijk nog jaren duren voordat zelfstandigen van deze verzekering gebruik kunnen gaan maken.

Wat is de BAZ?

Medisch

De BAZ betreft een verplichte publieke verzekering tegen inkomensverlies bij langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Het gaat dus nadrukkelijk om een publieke regeling, niet om een private of commerciële verzekering. De BAZ is bedoeld als basisvoorziening. Wie door ziekte, een gebrek, een zwangerschap of bevalling langdurig niet meer kan werken, kan straks onder voorwaarden een uitkering krijgen.

Let op!De BAZ wordt om een aantal redenen ingevoerd. Zo zijn er op dit moment te weinig zelfstandigen adequaat verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid, is er sprake van een ongelijk speelveld en vallen onverzekerde zelfstandigen uiteindelijk terug op de bijstand.

Voor wie geldt de BAZ?

De BAZ geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting (IB-ondernemers), met of zonder personeel, die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Het gaat dan concreet om ondernemers die werken vanuit een eenmanszaak, vof of maatschap.

Voor wie geldt de BAZ niet?

De volgende groepen vallen niet onder de BAZ. Dat betekent dat ze geen premie betalen, maar ook dat ze geen aanspraak kunnen maken op een uitkering.

Directeur-grootaandeelhouders (dga’s) van een bv

Volgens de regering hebben dga’s gemiddeld een hoger inkomen en meer vermogen dan IB-ondernemers, waardoor de noodzaak voor overheidsingrijpen minder groot is. Bovendien zou het toevoegen van deze groep aan de BAZ voor problemen in de uitvoering kunnen zorgen.

Meewerkende partners

Ook meewerkende partners zijn om uitvoeringstechnische redenen uitgezonderd. Deze groep is namelijk vooraf niet te identificeren voor de premieheffing.

Resultaatgenieters

Mensen die resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) genieten, vallen ook niet onder de BAZ. Bij ROW gaat het vaak om bijverdiensten.

Gemoedsbezwaarden

Mensen met principiële bezwaren (vaak van godsdienstige aard) tegen elke vorm van verzekering kunnen ontheffing krijgen.

Combinatieverdieners met voldoende WIA-dekking

Sommige zelfstandigen combineren het zelfstandig ondernemerschap met een baan in loondienst. Zij zijn voor de werkzaamheden in loondienst via hun werkgever verzekerd voor de WIA. Daarom vallen ze, afhankelijk van de hoogte van hun loon, niet of slechts gedeeltelijk onder de BAZ. Bedraagt het SV-loon (het loon waarover premies werknemersverzekeringen worden betaald) minimaal 142,86% van het minimumloon, dan is de zelfstandige niet premieplichtig voor de BAZ. Het gaat hier naar verwachting om ongeveer 600.000 combinatieverdieners.

Medegerechtigden

Commanditaire vennoten en anderen die winst uit onderneming genieten zonder daarvoor arbeid te verrichten (bijvoorbeeld na een bedrijfsoverdracht), vallen niet onder de BAZ.

AOW-gerechtigden

Zelfstandigen boven de AOW-gerechtigde leeftijd betalen geen premie, maar hebben ook geen recht op een uitkering.

Kiezen voor private verzekering: opt-out

Zelfstandigen hoeven niet deel te nemen aan de BAZ. Ze kunnen namelijk kiezen voor een opt-out. Ze moeten dan wel een private (commerciële) verzekering hebben die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Dat betekent dat een private verzekering onder meer:

  • een dekking moet bieden tot de AOW-leeftijd;
  • een uitkering van minimaal 70% van de winst (waarbij de winst maximaal 42,86% van het wettelijk minimumloon bedraagt) moet geven;
  • een wachttijd moet hebben van maximaal 104 weken;
  • periodiek uitkeert (geen eenmalige uitkering);
  • een premie moet hebben die minimaal gelijk is aan de publieke premie.

De verzekeraar kan dan voor de verzekerde een opt-out aanvragen bij het UWV. Deze opt-out kan alleen ingaan per 1 januari of bij de start van de onderneming.

Stabiliteitsbijdrage

Als een zelfstandige kiest voor een private verzekering via de zogenaamde opt-out, moet hij toch nog een premie betalen, de zogenaamde stabiliteitsbijdrage. Dit betreft een vast bedrag per privaat verzekerde. De gedachte hierbij is dat zo wordt voorkomen dat de publieke verzekering vooral de zwaardere risico’s overhoudt en daardoor snel duurder wordt. Deze bijdrage wordt afgedragen door de verzekeraar, maar zal naar verwachting in de premie voor de verzekerde worden verwerkt. De verwachting is dat deze stabiliteitsbijdrage uit zal komen op een bedrag tussen de € 25 en € 35 per maand bij volledige risicoverevening.

Overgangsrecht voor zelfstandige met private AOV

Voor zelfstandigen die al een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, gaat er overgangsrecht gelden. Om onder het overgangsrecht te vallen, moet de verzekering:

  • tot stand zijn gekomen vóór de peildatum;
  • een wachttijd hebben van maximaal 104 weken;
  • een eindleeftijd hebben van minimaal 55 jaar;
  • periodiek uitkeren;
  • geen ongevallenverzekering of woonlastenbeschermer zijn.

Voldoet de verzekering aan genoemde voorwaarden, dan hoeft de zelfstandige niet verplicht aan de BAZ deel te nemen. De verzekerde hoeft dan ook niet opnieuw medisch gekeurd te worden. De stabiliteitsbijdrage blijft wel van toepassing.

Als de verzekering niet aan de voorwaarden voldoet, kan de zelfstandige deze aanpassen, kan hij een nieuwe verzekering afsluiten die wel aan de eisen voldoet of toch instromen in de publieke BAZ.

Let op!De verzekeraar moet binnen dertien weken na inwerkingtreding van de wet een aanvraag doen bij het UWV voor toepassing van het overgangsrecht.

Let op!Alleen wie voor de peildatum een verzekering heeft, kan gebruikmaken van dit overgangsrecht. Op dit moment is nog onduidelijk wanneer die peildatum bekend wordt gemaakt. Vaak gaat deze direct na de bekendmaking in, dus wacht niet te lang met actie ondernemen.

Hoe hoog is de premie voor de BAZ?

De premie voor de BAZ bedraagt 5,4% van de winst uit onderneming. Er geldt een maximum van circa € 171 bruto aan te betalen premie per maand.

Let op!De maximale premie van € 171 is gebaseerd op 142,86% van het minimumloon in 2025. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De maximale premie van € 171 bruto per maand is verschuldigd vanaf een winst uit onderneming van € 38.000 (5,4% van € 38.000 gedeeld door 12).

Door de koppeling van de BAZ-premie aan de winst uit onderneming, betaalt een zelfstandige met een winst van nul of lager geen BAZ-premie.

Tip! De BAZ-premie is fiscaal aftrekbaar in de aangifte IB als uitgave voor inkomensvoorzieningen.

De zelfstandige ontvangt voor de BAZ-premie een aparte aanslag, naast de aanslag IB en de aanslag Zvw.

Hoe hoog is de BAZ-uitkering?

De hoogte van de BAZ-uitkering is ook afhankelijk van de winst uit onderneming en bedraagt 70% van de gemiddelde winst, maar maximaal het wettelijk minimumloon. Bij de eerdergenoemde winst van € 38.000 of meer is de uitkering dus het minimumloon. Bij een lagere winst bedraagt de uitkering 70% van de gemiddelde winst.

Let op!Bij winst uit onderneming gaat het om de belastbare winst voor belastingen, vermeerderd met ondernemersaftrekken (zoals de zelfstandigenaftrek, meewerkaftrek, aftrek speur- en ontwikkelingswerk en de stakingsaftrek) en vermeerderd met de mkb-winstvrijstelling.

De uitkering is dus erg laag. Reden waarom gesproken wordt van een basisverzekering. Wie meer uitgekeerd wil krijgen, zal zich aanvullend moeten verzekeren.

Het is verder een alles-of-nietsverhaal. Dat betekent dat er wel of geen recht op uitkering bestaat. Er is geen mogelijkheid van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zoals bij de WIA. Eventuele inkomsten naast de uitkering worden voor 70% gekort. Werken loont dus wel.

Arbeidsongeschikt in de zin van de BAZ

De BAZ hanteert een absoluut criterium. Iemand is arbeidsongeschikt als hij of zij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet meer in staat is om met arbeid ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen. Het feitelijk verdiende inkomen is dus niet van belang. Het UWV gaat kijken of iemand zogeheten basisfuncties kan uitvoeren. Het gaat dan om functies die op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkomen met een relatief lage belasting, op of rond minimumloonniveau. Denk hierbij aan eenvoudig administratief werk of lichte productiewerkzaamheden.

Lukt het om zo’n functie uit te voeren, dan is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid.

Let op!Het gegeven dat iemand als zelfstandige zijn eigen werk niet meer kan uitvoeren, is dus niet van belang.

Wachttijd

Er geldt een wachttijd van twee jaar voordat eventueel tot uitkering wordt overgegaan. Dit heeft als voordelen dat de premie lager uitvalt en de druk op de uitvoering voor het UWV afneemt. Deze wachttijd kan de zelfstandige op verschillende manier overbruggen, zoals door eigen vermogen, een broodfonds of een private verzekering. Wel kan er gedurende de wachttijd een beroep worden gedaan op de re-integratiedienstverlening door het UWV.

Behandeling wetsvoorstel

Het kabinet wil de BAZ snel door het parlement loodsen. Dit hangt samen met de deadline van 31 augustus 2026 in verband met het EU Herstel- en Veerkrachtplan en de samenhang met de Zelfstandigenwet, waarin een arbeidsongeschiktheidsverzekering een voorwaarde wordt voor het werken als zelfstandige. Het is de verwachting echter dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Advieswijzer Echtscheiding en uw bedrijf

By nieuws

Wanneer u als ondernemer gaat scheiden, heeft dit in de meeste gevallen ook gevolgen voor de onderneming. Of dit nu een eenmanszaak is of een bv. Een eigen bedrijf maakt een scheiding vele malen lastiger.

Er komen vragen op u af als:

  • Kan de onderneming worden voortgezet?
  • Maakt uw partner aanspraak op een deel van (de waarde van) het bedrijf?
  • Wat gebeurt er met het pensioen?
  • Van welke financiële gegevens moet worden uitgegaan bij het berekenen van alimentatie?

Deze advieswijzer bevat een overzicht van enkele belangrijke zaken waarmee u als ondernemer te maken kunt krijgen bij een echtscheiding. Het zijn complexe zaken, die om deskundige begeleiding vragen. Met behulp van deze advieswijzer inventariseert u uw persoonlijke situatie en komen er zaken aan de orde als:

  • Huwelijksvermogensregime: is er een algehele gemeenschap van goederen (vóór 2018), een beperkte gemeenschap van goederen (vanaf 2018) of heeft u huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden gesloten?
  • Is het Nederlands recht wel van toepassing? Dit kan een rol spelen als u in het buitenland heeft gewoond na uw huwelijk of als u en uw partner (ook) een andere nationaliteit hebben.
  • Rechtsvorm van uw bedrijf: is er sprake van een eenmanszaak, vof, maatschap, bv of andere vorm? Staat het bedrijf op uw naam en/of op uw partners naam? Werkt u beiden in het bedrijf? Is er een regeling getroffen over de eigendom van en/of het recht op een deel van de waarde van de onderneming?
  • Vermogens- en inkomenspositie: wat behoort tot uw privé- en zakelijk vermogen? Waaruit bestaat het gezinsinkomen? Heeft u kinderen?
  • Pensioenen: welke regelingen hebben u en uw partner gesloten? Welke aanspraken heeft u beiden opgebouwd voor en tijdens het huwelijk?
  • Fiscaliteit: wat zijn de fiscale gevolgen van de scheiding? Moet u fiscaal afrekenen over de waarde van het bedrijf? Op welke fiscale valkuilen moet u alert zijn?

Tip! Ga regelmatig na of uw huwelijksvermogensregime nog wel past bij uw zakelijke en privébelangen. Laat u daarbij ook goed informeren over actuele wet- en regelgeving.

Let op!Sinds 1 januari 2018 is voor vanaf dat moment te sluiten huwelijken de beperkte gemeenschap van goederen de standaard. In plaats van één gemeenschappelijk vermogen is sprake van drie vermogens: een huwelijksvermogen en een afzonderlijk vermogen voor ieder van de echtgenoten. Voorhuwelijks ondernemingsvermogen valt niet in de beperkte gemeenschap (vraag ook naar de Advieswijzer Beperkte gemeenschap van goederen).

Wel geldt dat een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid voldaan dient te worden aan de gemeenschap, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van de echtgenoten komt of is gekomen. Dit vereist een nauwkeurige administratie tijdens het huwelijk. Het is verstandig om de waarde van de voorhuwelijkse onderneming goed vast te stellen en hierbij op te nemen op basis van welke grondslag dit is gebeurd.

Door de wettelijke regeling die geldt vanaf 1 januari 2018 is het overeenkomen van huwelijkse voorwaarden over het algemeen van nog groter belang dan voor die tijd.

Verdeling

Strategie

Bij een algehele of beperkte gemeenschap vindt bij echtscheiding verdeling plaats van het vermogen dat in de gemeenschap is gevallen. Beide partijen zijn gerechtigd tot hun aandeel in de gemeenschap. In het kader van de verdeling dient waardering van het ondernemingsvermogen dan wel van de aandelen plaats te vinden, op voorwaarde dat deze tot de gemeenschap behoren.

Huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden

Zonder huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden valt de (waarde van de) onderneming in de te verdelen gemeenschap; met uitzondering van het voorhuwelijks ondernemingsvermogen bij een beperkte gemeenschap van goederen. In dat geval kan wel sprake zijn van een redelijke vergoeding aan de gemeenschap voor kennis, vaardigheden en arbeid, die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

Wellicht heeft u in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden wel specifieke bepalingen opgenomen over de gerechtigdheid tot het eigen bedrijf. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een verrekenbeding, waarbij de waarde van het geheel of van een gedeelte van de onderneming moet worden verrekend.

Ook kan het zijn dat u een zogenaamd jaarlijks verrekenbeding in uw huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden heeft staan waar u nooit uitvoering aan heeft gegeven. De wet gaat er bij een echtscheiding dan in beginsel van uit dat uw totale vermogen gelijk met elkaar verrekend dient te worden.

Tegenbewijs is weliswaar mogelijk, maar de praktijk leert dat dit vaak erg lastig is. Ook kan het zijn dat er wel jaarlijkse berekeningen zijn gemaakt, maar dat die niet goed blijken te zijn; bijvoorbeeld omdat opgepotte winsten in de bv niet meegerekend zijn, terwijl dat wel had gemoeten. Het gevolg is dan dat of de berekeningen opnieuw gemaakt moeten worden (hetgeen vaak complex blijkt te zijn), of dat het totale vermogen toch verrekend dient te worden.

In het kader van een echtscheiding kan om afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden worden gevraagd. Het kan dan gaan om verdeling van een eenvoudige gemeenschap of een verrekening in het kader van een verrekenbeding.  Ook is het vaak lastig om achteraf nog vast te stellen wat er precies tussen de partijen verrekend moet worden.

Let op!Als u voor het huwelijk een eenmanszaak had die u tijdens het huwelijk met beperkte gemeenschap van goederen (dus alleen bij huwelijken gesloten na 1 januari 2018) in een besloten vennootschap heeft ingebracht, dan wordt deze besloten vennootschap niet zonder meer beschouwd als een voorhuwelijkse onderneming. Dit kan betekenen dat de vennootschap gemeenschappelijk is geworden en uw partner recht heeft op de helft van de waarde van de aandelen in de vennootschap.

Het kan dus zomaar zijn dat u als ondernemer de waarde van uw onderneming moet delen met uw (ex-)partner. De activa/passiva van het bedrijf dienen hiervoor reëel te worden gewaardeerd. De scheiding brengt het risico met zich mee dat het uitkopen van de ex-partner ten koste kan gaan van de continuïteit van het bedrijf. Als het bedrijf dan ook de belangrijkste inkomensbron is, is het zaak te zoeken naar passende oplossingen. Denk hierbij ook aan het (tijdelijk) aanhouden van een belang in de onderneming door uw ex-partner. Maar ook aan het verrekenen met andere bezittingen of het overnemen van schulden.

Let op!Ga na of bij een bedrijfsfinanciering ook privézekerheden, bijvoorbeeld een hypotheek op de woning, zijn verstrekt. Dit vraagt dan om extra aandacht bij de afwikkeling van de scheiding.

Verevening van pensioenrechten

Bij een echtscheiding heeft de ex-partner in principe recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dit wordt pensioenverevening genoemd. De ex-partner krijgt dan een voorwaardelijk recht. Daarnaast heeft de ex-partner recht op een bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen.

Tip! U bent vrij om samen met uw (ex-)partner een andere verdeling af te spreken of zelfs te besluiten niet tot verevening van het ouderdomspensioen over te gaan. Let wel, in maart 2026 heeft een Kennisgroep van de Belastingdienst laten weten dat het afzien van verevening van pensioen beschouwd kan worden als een schenking, als de echtgenoot die hiervan afziet hier niet voor gecompenseerd wordt en als de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding wel van toepassing is.

Ook conversie van pensioen is mogelijk. Dan zet u de rechten voor uw ex-partner om in een eigen pensioen en u bent niet meer ‘verbonden’ aan elkaar. Wijkt u af van de wettelijke regeling, dan moet dit wel zijn vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant. Als u wenst af te wijken van de wet is het van belang om advies in te winnen bij een fiscalist en/of pensioendeskundige.

Let op!Van het bijzonder partnerpensioen/nabestaandenpensioen moet u expliciet afzien als dat gewenst is.

Fiscale gevolgen afspraken pensioen in eigen beheer

Over pensioen in eigen beheer heeft u voor 1 januari 2020 moeten beslissen, opbouw is sinds 1 juli 2017 al niet meer mogelijk. Koos u ervoor om het pensioen in eigen beheer ongewijzigd te laten (zonder verdere opbouw) en gaat u scheiden, dan blijft uw ex-partner voor zijn of haar deel van het reeds opgebouwde pensioen in eigen beheer afhankelijk van het reilen of zeilen van uw bv. De bv is en blijft immers in dit geval de pensioenuitvoerder. Omdat dit nadelig kan zijn voor uw ex-partner, kan deze eisen dat het pensioenaandeel elders wordt ondergebracht. U en uw bv moeten hieraan meewerken. Dit is alleen anders als door afstorting van het pensioen de continuïteit van uw onderneming aantoonbaar in gevaar komt. Bovendien mag het afstorten er niet voor zorgen dat uw eigen pensioen in gevaar komt. Komt het in gevaar, dan moet er sprake zijn van post-relationele solidariteit, en moet de ex-partner ‘meedelen’ in het eventuele tekort, en krijg dus minder afgestort pensioen mee, maar houdt wel het volledige recht op dan een deel in de eigen bv.

Tip! Het staat u en uw (ex-)partner te allen tijde vrij om te kiezen voor een alternatieve financiële oplossing.

Koos u ervoor om de pensioenaanspraak in eigen beheer af te kopen met een belastingkorting of om te zetten in een oudedagsverplichting, dan verliest uw partner zijn of haar rechten op een deel van het in eigen beheer opgebouwde ouderdomspensioen (partnerpensioen). Uw partner dient daarvoor wellicht ‘passend’ te worden gecompenseerd. ‘Passend’ kan ook betekenen dat u samen met uw partner schriftelijk vastlegt dat compensatie (uitsluitend) plaatsvindt wanneer u overlijdt of bij echtscheiding. Ook hier geldt dat iedere keuze mogelijk fiscale voordelen biedt, maar ook tot ongewenste fiscale complicaties kan leiden en dus moeten deze vooraf goed in beeld gebracht worden.

Let op!In bepaalde situaties is de partnercompensatie belast als periodieke uitkering en/of aftrekbaar als onderhoudsverplichting.

Alimentatie

Ook na een echtscheiding hebben uw ex-partner en u de plicht voor elkaar en de kinderen te zorgen door bij te dragen in de kosten van levensonderhoud (alimentatie). Voor het berekenen van de alimentatie gelden de zogenaamde ‘Tremanormen’. Bij de ondernemer is het van groot belang om niet alleen naar de jaarstukken uit het verleden te kijken, maar ook naar de kasstroom van de ondernemer, prognoses en informatie over de onderneming en de branche.

Partneralimentatie

Wanneer een van de ex-partners niet genoeg inkomsten heeft om van te leven, heeft de ander de plicht om bij te dragen in de kosten. Bij verzoekschriften tot echtscheiding die na 1 januari 2020 zijn ingediend, geldt dat de partneralimentatie beperkt is in duur. Hoe lang alimentatie betaald dient te worden, hangt af van verschillende factoren, zoals de duur van het huwelijk, leeftijd van betrokkenen, leeftijd van eventuele kinderen en het moment van het ontvangen van AOW. Een veel gehoorde misvatting is dat de duur van partneralimentatie standaard vijf jaar zou zijn.

In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Let op!Partneralimentatie is bij de betaler ervan aftrekbaar en bij de ontvanger belast.

Voor de verkrijger van alimentatie zijn de hiermee samenhangende advocaatkosten aftrekbaar als de procedure ter verkrijging van alimentatie voor hem of haar succesvol verloopt. Dit is ook het geval als de verkrijger geen succes heeft, maar er een redelijke kans op succes is geweest. Degene die alimentatie moet betalen, kan de kosten van de advocaat niet aftrekken. Dit staat los van de vraag of de procedure voor degene van wie de betaling geëist werd, al dan niet succesvol is verlopen.

Over de hoogte en de duur van de alimentatie kunt u met elkaar naar eigen inzicht en mogelijkheden afspraken maken. Neem de afspraken volledig en duidelijk op in een echtscheidingsconvenant. Voorkom discussie over het ondernemersinkomen en de onderlinge draagkrachtverdeling. Daarnaast is het bij een ondernemer van groot belang dat een dubbeltelling voorkomen wordt. Toekomstige geldstromen van de onderneming moeten niet twee keer worden meegenomen, dat wil zeggen zowel bij de waardering van de aandelen als bij de alimentatie.

Kinderalimentatie

De kosten van de kinderen (ook wel behoefte genoemd) worden in beginsel berekend aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen in een gezin en de leeftijd van de kinderen. Ook kan rekening worden gehouden met hoge (netto) oppaskosten voor en na de scheiding.

Bij het bepalen van draagkracht van ouders voor kinderalimentatie wordt gebruikgemaakt van een formule die is opgenomen in de Tremanormen. Aan de hand van het netto besteedbaar inkomen wordt dan berekend wat een ouder redelijkerwijs kan bijdragen in de kosten van de kinderen. In de formule wordt rekening gehouden met de bijstandsnorm, alsook een component voor woonlasten.

Worden er schulden afgelost of heeft iemand bijzondere verplichtingen, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan kan de formule hierop worden aangepast. Ouders die gaan scheiden, hoeven minder kinderalimentatie te betalen naarmate zij meer voor de kinderen zorgen (zorgkorting).

Indien de ouders samen een tekort hebben aan draagkracht voor de kinderalimentatie, dan dient onderzocht te worden of de draagkracht niet hoger is, wanneer gerekend wordt met de daadwerkelijke woonlast van de ouders in plaats van met het forfaitaire bedrag.

Let op!Er kan bij kinderalimentatie sprake zijn van samenloop van onderhoudsverplichtingen. Dit is aan de orde als er sprake is van bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige stiefouder of wanneer de ouders kinderen hebben bij verschillende partners. Ook dit heeft gevolgen voor de berekening.

Let op!In tegenstelling tot partneralimentatie is kinderalimentatie bij de betaler ervan niet aftrekbaar en bij de ontvanger onbelast.

Fiscaal partnerschap

Een echtscheiding kan voor de scheidende partners uiteenlopende fiscale consequenties hebben. Op het moment dat u het verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed heeft ingediend en u ook niet meer op hetzelfde adres ingeschreven staat, bent u geen fiscaal partner meer. Wel mag u in dat jaar nog kiezen om als fiscale partners de belastingaangifte in te vullen. Dit kan het jaar daarop niet meer. Bent u geen fiscaal partner meer, dan heeft dit vooral direct gevolgen voor een aantal regelingen in de inkomstenbelasting en voor eventuele toeslagen. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende regelingen.

Doorschuiffaciliteit

Behoort het ondernemingsvermogen tot de te ontbinden gemeenschap van de (huwelijks)partners? Dan wordt het deel van uw onderneming, dat volgens het huwelijksvermogensrecht toekomt aan uw partner, bij ontbinding van de gemeenschap geacht te zijn overgedragen tegen reële waarde. Over de fiscale meerwaarde (goodwill, reserves en stille reserves) van dit deel van de onderneming moet u als ondernemer dan afrekenen. Onder voorwaarden hoeft er echter niet te worden afgerekend en geldt er een belastingvrije doorschuiffaciliteit.

Terbeschikkingstelling (TBS)

Als u een vermogensbestanddeel (zoals een pand) ter beschikking stelt aan de onderneming, aanmerkelijk belang vennootschap of werkzaamheid van een verbonden persoon, dan is op dit vermogensbestanddeel de TBS-regeling van toepassing. Partners gelden voor de TBS-regeling als verbonden personen. De positieve en negatieve voordelen behaald met dit vermogensbestanddeel vormen dan belastbaar resultaat uit overige werkzaamheid (box 1). Met de echtscheiding eindigt de verbondenheid en de terbeschikkingstelling en vindt over het betreffende (aandeel in het) TBS-vermogen een fiscale afrekening plaats, tenzij er een doorschuiffaciliteit (fiscale begeleiding) van toepassing is. Bij huwelijkse voorwaarden speelt dit vaak niet. Het vermogensbestanddeel behoort tot uw vermogen en alleen u heeft te maken met de TBS-regeling.

Aanmerkelijk belang

Hebben uw partner en u een aanmerkelijk belang (AB), dan kan de scheiding tot gevolg hebben dat bij een of beide partners niet langer sprake is van een aanmerkelijk belang. Op dat moment is sprake van een fictieve vervreemding in de zin van de AB-heffing met een fiscale afrekening tot gevolg. Onder voorwaarden geldt ook hier een doorschuiffaciliteit.

Eigen woning

Bij een echtscheiding verlaat doorgaans een van de partners de woning. Op dat moment is deze woning voor de vertrekkende partner geen hoofdverblijf meer en daarmee zou voor dit aandeel in de woning de eigenwoningregeling en bijbehorende hypotheekrenteaftrek komen te vervallen. Maar, op voorwaarde dat de ex-partner in de woning blijft wonen, blijft de eigenwoningregeling op grond van de scheidingsregeling nog maximaal twee jaar na vertrek gelden. Naast de scheidingsregeling zijn er ook nog vele fiscale valkuilen als er een eigen woning in het spel is. Zo kan de aftrekbaarheid van de eigenwoningrente (deels) in gevaar komen als hierover geen goede afspraken zijn gemaakt.

Tot slot

Een echtscheiding vraagt om goede (fiscale) begeleiding. Er zijn veel regels om rekening mee te houden. Denk hierbij ook aan de verdeling van lijfrenten en kapitaalverzekeringen. Wij kunnen u begeleiden bij dit complexe proces.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Advieswijzer Zakendoen met uw eigen bv

By nieuws

Als directeur-grootaandeelhouder (dga) bent u in de unieke positie om zaken te doen met uw eigen bv. Partijen moeten dan wel zakelijk met elkaar omgaan en afspraken moeten goed zijn vastgelegd. Wie de regels in acht neemt, kan goed zakendoen met zijn eigen bv.

Rekening-courant

Geld

In de praktijk hebben veel dga’s een rekening-courantverhouding met de bv. Bij een rekening-courant met afwisselende debet- en creditstanden heeft de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat er – onder voorwaarden – geen rente in box 1 in aanmerking hoeft te worden genomen als het saldo van de rekening-courantverhouding gedurende het kalenderjaar niet hoger is dan € 17.500 positief en niet lager is dan € 17.500 negatief. De bv mag in dat geval de rente ook niet in aanmerking nemen. U mag een eventuele rekening-courantschuld in dat geval ook niet in box 3 opnemen. Een eventuele rekening-courantvordering valt in box 1 en dus ook niet in box 3.

Let op! Zodra het saldo op de rekening-courant hoger is dan € 17.500, moet over het hele jaar over het hele bedrag rente worden berekend.

De goedkeuring van de staatssecretaris geldt niet voor leningen, dus ook niet voor leningen waarvan het saldo niet hoger is dan € 17.500.

Dga-tax

Sinds 1 januari 2023 bestaat een maatregel om excessief lenen van de dga bij de eigen bv te ontmoedigen, in de volksmond de ‘dga-tax’ genoemd. De maatregel houdt in 2026 kort gezegd in dat het bedrag dat boven € 500.000 van de bv is geleend, bij de dga als inkomen uit aanmerkelijk belang wordt gerekend. De drempel van € 500.000 geldt voor de dga en zijn partner gezamenlijk, en ook voor alle bv’s tezamen waarin de dga en de partner een aanmerkelijk belang houden. Deze maatregel geldt voor alle directe en indirecte schulden, ongeacht waarvoor deze zijn aangegaan.. Alleen eigenwoningschulden die voldoen aan de wettelijke bepalingen om renteaftrek te krijgen in de inkomstenbelasting zijn uitgezonderd. Er moet wel ook een recht van hypotheek verstrekt zijn aan de bv, tenzij de eigenwoningschuld op 31 december 2022 al aan de bv verschuldigd was.

Als uw bloed- en aanverwanten in de rechte lijn (groot)ouders en (klein)kinderen) ook schulden hebben aan uw bv, dan tellen deze schulden over het algemeen ook mee voor het deel dat boven de € 500.000 uitkomt. Wel heeft iedere bloed- of aanverwant nog een ‘eigen’ drempel van € 500.000. Slechts het meerdere is dan belast, maar wel bij de dga en dus niet bij de betreffende bloed- of aanverwant. Maar let op, dat is anders als de bloed- en aanverwanten zelf een aanmerkelijk belang hebben in uw bv.

Let op! De peildatum voor dit jaar is 31 december 2026. Heeft u dus voor meer dan € 500.000 aan schulden bij uw eigen bv, dan kunt u belastingheffing in box 2 nog voorkomen door het meerdere boven € 500.000 uiterlijk op 31 december 2026 af te lossen. Overleg met onze adviseurs wat u eventueel kunt doen.

Sparen en beleggen in de bv

U kunt ook sparen en beleggen in uw bv en privékapitaal als vermogen in de bv brengen. Het werkelijke rendement is dan bij de bv belast, in plaats van een forfaitair of werkelijk rendement dat bij u in box 3 belast is.

Tip! In box 3 kan het werkelijk rendement belast zijn als dit lager is dan het forfaitair rendement. Het werkelijk rendement in box 3 kan, door de spelregels die de Hoge Raad hierover gaf, anders zijn dan het werkelijk rendement in de bv. Of het fiscaal voordeliger is om privékapitaal in de bv in te brengen of te (blijven) sparen en beleggen in privé zal van geval tot geval verschillen. Overleg over uw eigen situatie met onze adviseurs. 

Let op!Sparen of beleggen in de bv kan misschien ook aantrekkelijk zijn als u toeslagen krijgt. Vermogen in uw bv telt niet mee voor de vermogenstoets die bij toeslagen geldt en die als gevolg heeft dat u vanaf een bepaald vermogen geen recht meer heeft op de meeste toeslagen.

Geldleningen

Iedere transactie tussen u en de bv moet zakelijk verlopen. Dat geldt ook voor de geldverstrekking tussen de dga en de bv. Denk hierbij aan een schriftelijke leningsovereenkomst met daarin in ieder geval een aflossingsschema en een zakelijk rentepercentage. Bovendien zal het over het algemeen zakelijk zijn om zekerheden te stellen. Om te beoordelen of de overeenkomst zakelijk is, moet u zichzelf onder meer afvragen of u of de bv een dergelijke leningsovereenkomst tegen dezelfde voorwaarden ook zou zijn aangegaan met een onafhankelijke derde.

Borgstelling

Als dga kunt u zich ook borg stellen voor schulden van uw bv. Soms is dit vereist om voor de bv een lening van de bank te verkrijgen. Zorg ervoor dat wanneer u zich borg stelt, u dit doet op zakelijke voorwaarden. 

Let op! Houd er rekening mee dat wanneer u als borg wordt aangesproken voor een lening van uw bv, dit verlies voor u meestal niet aftrekbaar is volgens de Belastingdienst. Het verlies is namelijk niet aftrekbaar als u het risico van de borgstelling aanvaard vanuit uw rol als aandeelhouder van de bv. De Belastingdienst vindt dat hier bijna altijd sprake van is.

Zorg er in ieder geval voor dat u zakelijke voorwaarden hanteert. Ook hierbij geldt dat dit voorwaarden moeten zijn, waaronder u zich ook voor de schuld van een willekeurige derde borg bij de bank zou willen stellen. De vergoeding die u van uw bv ontvangt voor de borgstelling, is bij u belast in box 1 en is voor de bv aftrekbaar.

Tip! Heeft u al een lenings- of borgstellingsovereenkomst, laat deze dan regelmatig door ons checken. Zo bent u er zeker van dat alles nog steeds in orde is.

Lenen aan de bv

Leent u geld aan uw bv, dan is de zakelijke rente die de bv aan u betaalt als bedrijfslast aftrekbaar in de vennootschapsbelasting. Uzelf krijgt te maken met de regeling omtrent het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen (hierna: TBS-regeling). Dat betekent dat de rente op de geldlening in box 1 progressief is belast. Hiervoor geldt de TBS-vrijstelling van 12% tegen maximaal een tarief van 37,56%. Wordt er een onzakelijk hoge rente afgesproken? Dan wordt voor de aftrekbare rente (bij de bv) en de belastbare rente (bij de dga) uitgegaan van een normale, zakelijke rente. Het meerdere, niet-zakelijke voordeel wordt mogelijk gezien als een vermomde winstuitdeling en is bij u belast in box 2 (aanmerkelijk belang) en bij de bv (als verkapt dividend) niet aftrekbaar.

Lenen van de bv

Leent u geld van uw bv, dan kunt u dit doen in uw hoedanigheid als werknemer of als aandeelhouder. Het is belangrijk om dit van tevoren vast te stellen, omdat de fiscale gevolgen in beide situaties anders (kunnen) zijn.

Let op! Voorkom bij het lenen dat de bv in financiële problemen kan komen. De bv moet aan haar (betalings)verplichtingen kunnen blijven voldoen. Dit is van nog groter belang als de bv ook een pensioen of stamrecht in eigen beheer heeft.

Bij een personeelslening – u leent in uw hoedanigheid als werknemer – kan sprake zijn van een rentevoordeel. Dat is het geval als u geen of minder rente betaalt over de lening dan bij een kredietverlener. Het rentevoordeel vormt voor de waarde in het economisch verkeer belastbaar loon. Deze waarde kunt u bepalen door de rente van verschillende banken te vergelijken. Het belaste rentevoordeel kan worden aangewezen als eindheffingsloon en eventueel opgenomen in de ‘vrije ruimte’ van de werkkostenregeling. Die bedraagt in 2026 2% van de loonsom tot € 400.000 en 1,18% over het meerdere daarvan. Voor zover de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen meer bedragen dan de vrije ruimte, is de werkgever 80% heffing verschuldigd.

Let op! Als u niet aanwijst als eindheffingsloon, is het rentevoordeel individueel bij u belast in de loonheffing.  Houd er rekening mee dat het totaal van alle aangewezen vergoedingen en verstrekkingen aan een werknemer gebruikelijk moet zijn.. Als de aangewezen vergoedingen en verstrekkingen maximaal € 2.400 per persoon per jaar bedragen, zal de Belastingdienst  ̶  met uitzondering van bijzondere gevallen  ̶  de gebruikelijkheid niet ter discussie stellen.

Er is een uitzondering als u de personeelslening gebruikt voor de eigen woning. Het rentevoordeel van een dergelijke lening moet tot uw belastbaar loon worden gerekend. Het voordeel is loon in natura, waarover uw bv als werkgever verplicht loonheffingen moet berekenen. Het belaste rentevoordeel mag dus niet worden opgenomen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Wel mag u het belastbare eigenwoningrentevoordeel in aftrek brengen binnen de eigenwoningregeling in uw aangifte inkomstenbelasting. Het maximum aftrekpercentage is voor 2025 bepaald op 37,56%.

Tip! Gebruikt u de lening voor het kopen van een (elektrische) fiets of elektrische scooter, dan is het mogelijk om geen of een lagere rente te rekenen. Het rentevoordeel blijft dan onbelast.

Let op! Soms kan de Belastingdienst zich op het standpunt stellen dat een personeelslening voor een dga niet mogelijk is. Dit is met name het geval als de mogelijkheid van een personeelslening alleen openstaat voor de dga zelf en niet voor andere werknemers van de bv.

Als u als aandeelhouder leent, staat ook hier het zakelijk handelen voorop. Leent u voor consumptieve doeleinden of bijvoorbeeld om hiermee in privé te beleggen, dan valt de lening als schuld bij u in box 3. De door u aan de bv betaalde rente is bij u niet aftrekbaar als u in box 3 belast wordt volgens de forfaitaire regeling, maar bij de bv als ontvangen rente wel belast. Deze lening telt dan uiteraard ook mee voor de regeling van de dga-tax (zie hiervoor).

Let op!Geld lenen van de bv voor beleggingen in privé is in 2026 waarschijnlijk niet  aantrekkelijk als u in box 3 belast wordt volgens de forfaitaire regeling. Voor de beleggingen geldt in 2026 in box 3 namelijk een forfaitair rendement van 6,00%, terwijl de schulden maar aftrekbaar zijn tegen waarschijnlijk 2,70% (het percentage van 2,70% is voorlopig, het definitieve percentage is pas begin 2027 bekend).

Let op! In box 3 mag u volgens de tegenbewijsregeling ook uitgaan van uw werkelijk behaalde rendement, als dit lager is dan het forfaitaire rendement. Dit werkelijke rendement is niet altijd wat u zelf als werkelijk rendement ervaart omdat dit berekend wordt volgens de spelregels die de Hoge Raad daarover gaf. Onze adviseurs kunnen u daar voor uw eigen situatie meer over vertellen.

Lenen voor de eigen woning

De bv kan u ook een lening verstrekken voor de aanschaf, verbouwing of het onderhoud van een eigen woning. Uitgaande van een zakelijke leningsovereenkomst is de rente voor u als eigenwoningrente aftrekbaar in box 1  en bij de bv belast. Met ingang van 2013 moet een nieuwe eigenwoninglening aan aflossingseisen voldoen om voor renteaftrek in aanmerking te komen. Heeft u uw op 31 december 2022 bestaande eigenwoninglening bij de bv sindsdien verhoogd, dan moet u voor deze verhoging ook rekening houden met deze aflossingseisen. Voor het nieuwe deel van de lening is de rente dan alleen nog aftrekbaar als de lening in maximaal dertig jaar en ten minste volgens een annuïtair schema volledig wordt afgelost.

Let op! Heeft u sinds 1 januari 2013 geld geleend voor de eigen woning bij de bv, dan geldt voor u een informatieplicht. U moet de Belastingdienst informeren over deze hypothecaire geldlening in uw jaarlijkse aangifte inkomstenbelasting.

Let op!De hypotheekrente is in 2026 maximaal aftrekbaar tegen 37,56%

Investeren in eigen bedrijfspand

 Mocht u willen en kunnen  investeren in een eigen bedrijfsruimte, dan is de vraag wie gaat investeren. U als dga? Het bedrijfspand komt dan op uw naam te staan. Of kunt u beter kiezen voor een investering vanuit de bv?

Let op! Investeren vanuit privé of vanuit de bv wordt fiscaal verschillend behandeld. Wat in uw situatie de mogelijkheden zijn, kunnen wij met u bespreken.

Op naam van de bv

De keuze om het eigen bedrijfspand vanuit de bv aan te houden, wordt – naast de fiscaliteit – ook bepaald door de aanwezige bedrijfsrisico’s en uw toekomstplannen. We zien vaak dat het bedrijfspand wordt afgezonderd van de risico’s van de onderneming. Zeker als het pand tevens dient als beleggingsobject. Vanuit de bv wordt het pand vervolgens verhuurd aan de werkmaatschappij. De huuropbrengsten – na aftrek van onder meer afschrijvingen en (financierings)kosten – zijn als winst onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting. Een latere winst of verlies bij verkoop behoort eveneens tot de fiscale winst.

Tip! Het onderbrengen van het bedrijfspand in een aparte bv maakt een toekomstige bedrijfsoverdracht gemakkelijker te structureren en te financieren.

Op naam van de dga

Kiest u ervoor om vanuit privé te investeren in een pand en verhuurt u dit privépand aan uw bv, dan valt het pand onder de terbeschikkingstellingsregeling (TBS-regeling). De huurinkomsten, afschrijvingen, exploitatielasten alsmede boekwinsten en verliezen op het pand behoren tot uw box 1-inkomen. Let wel: bent u gehuwd en behoort het pand tot de algehele of beperkte gemeenschap van goederen, dan wordt dit box 1-inkomen voor 50/50 aan u en uw echtgeno(o)t(e) toegerekend.

Voor de hoogte van de fiscaal aftrekbare afschrijvingslasten moet u rekening houden met een beperking. Dat geldt ook als de bv het bedrijfspand aanhoudt. Afschrijving is niet meer mogelijk als de boekwaarde van het pand de bodemwaarde heeft bereikt. Deze bodemwaarde is sinds 1 januari 2024 zowel in de vennootschapsbelasting als in de inkomstenbelasting beperkt tot 100% van de WOZ-waarde van het pand. Voor bedrijfspanden waarop vóór 1 januari 2024 al is afgeschreven, maar waarop nog geen drie volledige jaren zijn afgeschreven, geldt overgangsrecht. In die gevallen is de bodemwaarde, onder voorwaarden, nog niet beperkt tot 100% van de WOZ-waarde, maar tot 50% van die waarde.

Tip! Onder de TBS-regeling worden de opbrengsten weliswaar belast tegen het progressieve IB-tarief tot maximaal 49,5%, maar door toepassing van de TBS-vrijstelling is het effectieve tarief voor de dga lager. Door de TBS-vrijstelling is namelijk 12% van het resultaat vrijgesteld. Let wel dat deze 12% vrijstelling geldt tegen maximaal een tarief van 37,56%.

Belastingtarief in box 2

Als uw bv dividend aan u uitkeert, bent u belasting verschuldigd in box 2. Dat kan ook het geval zijn in andere situaties, waarvan er een aantal hiervoor beschreven staan.  In 2026 gelden twee tarieven in box 2. Over de eerste € 68.843 aan box 2-inkomen (voor fiscale partners geldt het dubbele bedrag) bent u 24,5% belasting verschuldigd in box 2. Over het meerdere bedraagt de belasting 31%.

Bv studiekosten laten betalen

De bv kan voor u als werknemer, net als voor ‘gewone’ werknemers, onbelast studiekosten vergoeden. Het gaat om kosten voor het onderhoud en verbetering van kennis en vaardigheden voor  uw huidige werk of om een opleiding of studie voor toekomstig werk. In dat laatste geval is het wel belangrijk dat het gaat om realiseerbaar inkomen. Loopt u bijvoorbeeld tegen pensioenleeftijd en duurt de opleiding lang? Dan is het de vraag of u daadwerkelijk inkomen gaat realiseren.

Naast voor uzelf, kunt u bijvoorbeeld ook uw kinderen in dienst nemen en hun opleidingskosten betalen. Let hierbij wel op dat het een zakelijke uitgave moet zijn voor uw onderneming. Als u uw eigen kind hierbij heel anders behandelt dan andere werknemers of de opleiding heeft geen verband met de (toekomstige) werkzaamheden van het kind , dan zal de Belastingdienst de kosten al gauw onzakelijk vinden. De kosten zijn dan niet meer aftrekbaar bij de bv en de Belastingdienst zal dit als een uitdeling beschouwen.

Kopen van en verkopen aan de bv

Regelmatig komt het voor dat een dga spullen koopt van of verkoopt aan zijn bv. Denk aan een auto, beleggingen of onroerende zaken. Dergelijke transacties zullen altijd kritisch bekeken worden om te zien of u wel zakelijk handelt. In een dergelijk geval is het handig om de waarde te kunnen bewijzen, denk bijvoorbeeld aan een taxatie door een onafhankelijke partij of een aanbieding voor een vergelijkbaar bedrag. Zorg dat u deze bewijsmiddelen goed bewaard en voorkom dat u bijvoorbeeld een uitdeling in aanmerking moet nemen (geen aftrek van Vpb en wel belasting over de uitkering).

Tot slot

U kunt voordelig uit zijn als u zakendoet met uw eigen bv, maar moet daarbij goed de (fiscale) regels in het oog houden. In deze advieswijzer staan slechts enkele voorbeeldengenoemd. Wij vertellen u er graag meer over.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 

Wettelijk minimumuurloon per 1 jul 2026 € 14,99

By nieuws

Het wettelijk minimumuurloon wordt per 1 juli 2026 weer geïndexeerd en stijgt daardoor naar € 14,99.

Toename met 1,90%

Geld

De indexatie van het wettelijk minimumuurloon is een gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van contractlonen in de marktsector, de gepremieerde en gesubsidieerde sector en de overheid. In totaal neemt het wettelijk minimumuurloon per 1 juli 2026 met 1,90% toe ten opzichte van 1 januari 2026. Het komt daarmee uit op € 14,99.

Let op! Het referentiemaandloon stijgt hierdoor per 1 juli 2026 naar € 2.337 bruto per maand. Dit referentiemaandloon wordt gebruikt voor het vaststellen van de hoogte en indexatie van diverse uitkeringen

Wettelijk minimumjeugdlonen ook omhoog

De wettelijk minimumjeugdlonen zijn een percentage van het wettelijk minimumuurloon dat geldt voor iedereen van 21 jaar en ouder. Door de indexatie van het wettelijk minimumuurloon stijgen ook de minimumjeugdlonen per 1 juli 2026.

Leeftijd Percentage Minimumloon
21 jaar en ouder  100%  € 14,99
20 jaar    80%  € 11,99
 19 jaar  60%  €   8,99
 18 jaar  50%  €   7,50
 17 jaar  39,5%  €   5,92
 16 jaar  34,5%  €   5,17
 15 jaar  30%  €   4,50

Let op! Het percentage gaat voor werknemers in de leeftijd van 16 tot en met 20 jaar met ingang van 1 januari 2027 omhoog. Voor een 20-jarige bedraagt dit dan 87,5%, voor een 19-jarige 75%, voor een 18-jarige 62,5%, voor een 17-jarige 50% en voor een 16-jarige 40%. Voor een 15-jarige blijft het percentage gehandhaafd op 30%.

Ook minimumjeugdloon bbl’er stijgt mee

Bbl’ers (leerlingen in een beroepsbegeleidende leerweg met een arbeidsovereenkomst) in de leeftijd van 15 tot en met 17 jaar en vanaf 21 jaar hebben recht op het minimumuurloon zoals hiervoor vermeld. Voor bbl’ers in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar gelden afwijkende lagere percentages.

Leeftijd Percentage Minimumloon
 20 jaar  61,5%  €   9,22
 19 jaar  52,5%  €   7,87
 18 jaar  45,5%  €   6,82

Let op!Met ingang van 1 januari 2027 gelden er voor bbl’ers in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar geen afwijkende lagere percentages meer. De bbl’ers in deze leeftijdscategorie hebben dan ook recht op het reguliere minimumjeugdloon.

Vanaf 6 mei 2026 subsidie voor flexibel elektriciteitsverbruik

By nieuws

Ondernemers die last hebben van een overbezet elektriciteitsnet, kunnen ook dit jaar weer subsidie aanvragen voor flexibel elektriciteitsverbruik, Flex-e. De subsidie is dit jaar verbeterd en voor meer ondernemers beschikbaar. Door de flexibilisering kun je de gevolgen van netcongestie, de overbelasting van het elektriciteitsnet, ontgaan.

Subsidie voor meer ondernemers beschikbaar

Duurzaam

Dit jaar kunnen alle ondernemers met een grootverbruikaansluiting (een elektriciteitsaansluiting die groter is dan 3×80 ampère) de subsidie aanvragen. Huurders zonder eigen aansluit- en transportovereenkomst kunnen de subsidie dit jaar niet meer aanvragen, maar de eigenaar van het pand mogelijk wel. Nieuw is verder dat alleen voor maatregelen die samen 100 kW (flexibel) vermogen hebben, nog een congestiemanagementcontract nodig is. Bij een geringer vermogen is een dergelijk contract dus niet meer nodig.

Let op! Heb je een congestiemanagementcontract nodig, vraag dit dan op tijd aan bij je netbeheerder. De aanvraag kan namelijk enkele maanden in beslag nemen. 

Waarvoor subsidie?

Je kunt subsidie krijgen voor een flexibiliteitscan, een haalbaarheidsstudie of voor de te nemen flexibiliteitsmaatregelen zelf. Via de scan wordt duidelijk welke flexibiliseringsmogelijkheden je hebt en via de haalbaarheidsstudie weet je welke maatregelen technisch haalbaar zijn. Ook voor de maatregelen die je uiteindelijk neemt, is subsidie beschikbaar. Denk aan maatregelen voor het opslaan van energie of voor het omzetten van energie in een andere energievorm.

Omvang subsidie
Voor een flexibiliteitscan en een haalbaarheidsstudie krijg je 50% van de gemaakte kosten vergoed, net zoveel als vorig jaar. De maximum subsidie voor een flexibiliteitsscan is € 10.000 en voor een haalbaarheidsstudie € 125.000. De haalbaarheidsstudie kent een minimumbedrag van € 10.000. De subsidie voor te nemen flexibiliseringsmaatregelen is verhoogd van 35% naar 40% en bedraagt minimaal € 25.000 en maximaal € 300.000. Alleen voor landbouwbedrijven geldt een maximum van € 50.000. In totaal is €29 miljoen aan subsidie beschikbaar.

Let op! Het budget wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. Wacht daarom niet te lang met je aanvraag.

Aanvragen subsidie

Je kunt de Flex-e subsidie aanvragen via de RVO van 6 mei 2026 9.00 uur tot 15 oktober 2026 17.00 uur.

Let op!  Alles over de subsidie en de voorwaarden is te vinden op de website van RVO.

Fiscale maatregelen uit de Voorjaarsnota 2026

By nieuws

Afgelopen vrijdag is de Voorjaarsnota 2026 gepresenteerd. Het is de Startnota van het kabinet en daarmee ook de vertaling van financiële afspraken uit het coalitieakkoord. U treft hier een selectie van de fiscale maatregelen uit de Voorjaarsnota.

De meeste maatregelen waren in het coalitieakkoord al opgenomen of al eerder bekendgemaakt door het vorige kabinet. Houd er rekening mee dat niet alle door het kabinet voorgenomen fiscale maatregelen rechtstreeks uit de Voorjaarsnota kunnen worden afgeleid. Er zijn dus nog andere voorgenomen fiscale maatregelen dan in dit artikel zijn opgenomen.


Let op! De impact van de recente geopolitieke spanningen is nog niet meegenomen in de Voorjaarsnota.

Vrijheidsbijdrage

Werkgevers en burgers gaan vanaf 2027 een bijdrage voor de veiligheid betalen.

  • Werkgevers gaan deze vrijheidsbijdrage betalen via een verhoging van de Aof-premie (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 1,7 miljard per jaar). Over de invulling hiervan zal nog overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties.
  • Voor burgers vindt inning plaats via het niet volledig doorrekenen van de inflatie in de aanpassing van het tarief in de inkomstenbelasting (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 3,4 miljard per jaar).

Bouwen en wonen

Binnenhof

Op het gebied van bouwen en wonen is ook een aantal maatregelen af te leiden.

  • Via een faciliteit in de Vpb wordt de investeringscapaciteit van woningbouwcorporaties vanaf 2028 uitgebreid (beschikbaar per 2028 250 miljoen euro per jaar, oplopend tot structureel 325 miljoen euro per jaar vanaf 2032).
  • Vanaf 2027 geldt een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties.
  • Het tarief in de overdrachtsbelasting voor de koop van woningen waar de koper zelf niet gaat wonen, wordt vanaf 2027 verlaagd van 8 naar 7%. Dit gaat bijvoorbeeld om verhuurwoningen of een vakantiewoning.

Ondernemers

Voor ondernemers komt uit de Voorjaarsnota o.a. het volgende naar voren:

  • Verhoging van het btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten van 9 naar 21% vanaf 2028.
  • Tot en met 2035 komt er budget beschikbaar voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis)industrie die veel elektriciteit verbruikt. Het bestedingsvoorstel hiervoor moet nog nader worden uitgewerkt.
  • Het maximum pensioengevend loon wordt vanaf 2027 tot en met 2032 bevroren op € 137.800 (= bedrag 2026).
  • Vanaf 2029 wordt het maximumdagloon met 20% verlaagd. Dit betekent dat de hoogste inkomens een lagere uitkering krijgen, maar ook dat het maximumpremieloon daalt. Om financiële gevolgen (minder premieontvangst door de overheid) te compenseren, komt er een lastenverzwaring, waarover het kabinet nog in overleg gaat met de sociale partners.
  • Over voorverpakte voedingsmiddelen met een suikergehalte van 6% of meer wordt vanaf 2030 een suikertaks geheven.
  • De teruggaafregeling voor accijns op biobrandstoffen wordt vanaf 2027 herzien. Hoe deze herziening eruitziet is nog niet bekend, maar houd er rekening mee dat de regeling (veel) minder gunstig zal worden.

Particulieren

Voor particulieren zijn, naast de vrijheidsbijdrage, ook de volgende maatregelen opgenomen:

  • De aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten wordt met ingang van 2028 volledig afgeschaft.
  • De verlaging van de brandstofaccijns op benzine loopt door tot en met 2027.
  • Voor de zorgtoeslag worden de vermogensgrenzen vanaf 2028 gelijkgesteld aan het heffingsvrij vermogen in box 3.
  • De invoering van de Wet herziening bedrag ineens, de mogelijkheid om een deel van het pensioen ineens uit te keren, wordt uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2029.
  • Aangekondigd was dat woningen in de schenkbelasting vanaf 2027 gewaardeerd zouden worden op de waarde in het economisch verkeer in plaats van op de WOZ-waarde. Deze maatregel wordt vanwege een negatieve Uitvoeringstoets echter niet ingevoerd.

Opmerkelijke belastingconstructies

Het kabinet komt vanaf de Voorjaarsnota 2023 jaarlijks met een lijst met opmerkelijke belastingconstructies. De bij de Voorjaarsnota 2026 gepubliceerde lijst bevat zeven constructies die in 2025 ook al op de lijst stonden en twee nieuwe. De nieuwe constructies zijn:

  • papieren schenkingen;
  • leningen met onzakelijke voorwaarden of een zogenoemde onzakelijke lening.

Kabinetsreactie op fiscale knelpunten agrarische sector

By nieuws

In een motie heeft de Tweede Kamer verzocht knelpunten te inventariseren en onderzoek te doen naar mogelijkheden voor een betere aansluiting van de vennootschapsbelasting op de landbouwpraktijk. De reactie van het kabinet op deze motie is onlangs verschenen.

BOR

Agrarisch

Ook is verzocht om fiscale knelpunten in de samenwerking tussen melkveehouders en akkerbouwers weg te nemen. Specifiek is gevraagd te onderzoeken of bij tijdelijke uitruil van grond de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kan blijven gelden. 

Voorstellen belangenorganisaties

In de reactie van het kabinet is ingegaan op de voorstellen van belangenorganisaties op de gestelde fiscale knelpunten. Ook is aangegeven in hoeverre het kabinet de voorgestelde oplossingen ondersteunt. 

Introductie klimaat- en calamiteitenreserve

De belangenorganisaties hebben onder andere de invoering van een klimaat- en calamiteitenreserve bepleit, om op die manier de inkomensgevolgen van risicovolle gebeurtenissen te beperken. Het kabinet is hiervan geen voorstander en geeft aan dat er in zijn optiek beter een al dan niet verplicht fonds voor dergelijke risico’s gevormd kan worden. De premie ervan is namelijk eveneens fiscaal aftrekbaar, is goedkoper dan wanneer ieder individueel bedrijf zijn risico’s moet afdekken en zou met name voor jonge bedrijven bij een calamiteit meer soelaas bieden, aldus het kabinet.

Introductie fiscale investeringsreserve en verbetering verliesverrekening

Om aan nieuwe eisen van milieu en dierenwelzijn te voldoen wordt ook voorgesteld een fiscale investeringsreserve te introduceren. Het kabinet geeft aan de MIA en Vamil hiervoor in beginsel voldoende te vinden, maar gaat nog wel met de branche in overleg over het stimuleren van dierwaardige investeringen. 

Een ander voorstel betreft een verbetering van de achterwaartse verliesverrekening, specifiek voor de landbouw vanwege sterk fluctuerende resultaten. Het kabinet geeft aan dat dit laatste in meerdere branches voorkomt. Ook zijn er budgettaire en uitvoeringstechnische bezwaren, reden waarom het kabinet dit voorstel niet steunt.

Opheffen beperkingen landbouwvrijstelling en BOR

Zowel binnen de landbouwvrijstelling als binnen de BOR komen beperkingen voor die betrekking hebben op de verhuur of verpachting van landbouwgrond. De organisaties stellen voor deze beperkingen op te heffen. In zijn reactie geeft het kabinet aan dat zowel in de regeling inzake de landbouwvrijstelling als die inzake de BOR er al vergaande tegemoetkomingen voor de agrarische sector zijn opgenomen. Toch gaat het kabinet onderzoeken of de uitzondering op devastgoedmaatregel binnen de BOR kan worden verruimd. Besluitvorming hierover kan naar verwachting in augustus 2026 worden verwacht.

Geldt voor onderhoudsvoorziening een piekvereiste?

By nieuws

Ondernemingen kunnen voor bepaalde uitgaven onder voorwaarden een voorziening vormen. Op die manier kan al rekening worden gehouden met uitgaven die zich pas in de toekomst zullen voordoen. Geldt voor het vormen van een voorziening ook een piekvereiste, een moment waarop de uitgaven substantieel afwijken?

Voorwaarden voorziening

Bouw

Om een voorziening te kunnen vormen, moet aan drie eisen worden voldaan:

  1. De toekomstige uitgaven moeten hun oorsprong vinden in feiten en omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan.
  2. De toekomstige uitgaven moeten aan die periode kunnen worden toegerekend, ze zijn dus niet toe te rekenen aan toekomstige voordelen en het zijn ook naar hun aard geen kosten van toekomstige jaren.
  3. Er moet een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de toekomstige uitgaven zich zullen voordoen.

Ook piekvereiste?

Onlangs kwam voor het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de vraag aan de orde of voor het vormen van een voorziening ook een piekvereiste geldt. De inspecteur stelde dat het vormen van een onderhoudsvoorziening alleen mogelijk is als de onderhoudsuitgaven in enig jaar substantieel afwijken van de normale, gemiddelde omvang van de onderhoudsuitgaven. Is er geen sprake van een ‘piek’ in de onderhoudsuitgaven, dan zou het vormen van een voorziening dus niet mogelijk moeten zijn. 

Alleen eisen Baksteenarrest

Het Hof komt echter tot de conclusie dat voor het vormen van een voorziening geen piekvereiste geldt. Uit een arrest van de Hoge Raad uit 1980, het zogenaamde Baksteenarrest, volgen de eisen voor het kunnen vormen van een voorziening en een piek in de uitgaven behoort niet tot deze eisen. Voor de betreffende zaak betekende dit dat een woningcorporatie een voorziening van ruim € 54 miljoen kon vormen en dat de aanslag vennootschapsbelasting dienovereenkomstig werd verminderd.

Welke kosten in mindering op bijtelling auto van de zaak?

By nieuws

Werknemers met een auto van de zaak die deze auto ook privé rijden, hebben met een bijtelling voor dit privégebruik te maken. Soms kunnen kosten die gemaakt worden voor de auto van de zaak in mindering worden gebracht op deze bijtelling. Hoe zit dit?

Betaling aan werkgever

Auto

Betaalt een werknemer voor het privégebruik van de auto een bedrag aan de werkgever, dan is dit bedrag aftrekbaar van de bijtelling. Voorwaarde is dat dit wel van tevoren moet zijn afgesproken. Dat geldt ook als een hogere bijdrage wordt betaald, omdat de werknemer over een duurdere auto kan beschikken. Ook dan moet duidelijk zijn dat de hogere bijdrage betaald wordt voor privégebruik.

Tip! Leg dergelijke afspraken altijd schriftelijk vast, dat voorkomt discussie met de inspecteur.

Betalingen aan derden

Bij betalingen aan derden is het uitgangspunt dat alleen intermediaire kosten onder voorwaarden in aftrek op de bijtelling kunnen komen. Intermediaire kosten zijn kosten die de werknemer voor zijn werkgever maakt. Denk hierbij aan bijvoorbeeld brandstofkosten, tolkosten, kosten van een wasstraat, parkeerkosten of reparatiekosten. 

Voorwaarden

Deze intermediaire kosten komen alleen op de bijtelling in mindering onder de volgende voorwaarden:

  • De werknemer spreekt vooraf met de werkgever af dat hij de betaling voor of namens de werkgever doet.
  • De werknemer specificeert de kosten en de omvang ervan.
  • De werkgever merkt deze betaling aan als eigen bijdrage voor het privégebruik van de auto.
  • De werkgever mag de kosten niet vergoeden.

Belastingvrij vergoeden

Werkgevers kunnen er ook voor kiezen om intermediaire kosten belastingvrij te vergoeden. In dat geval is aftrek van de bijtelling niet meer mogelijk. 

Tip! In een speciale Handreiking heeft de Belastingdienst de mogelijkheden en voorwaarden hierover op een rij gezet.

Wetsvoorstel meer zekerheid voor flexwerkers later van kracht

By nieuws

De gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor flexwerkers, die geregeld worden in het wetsvoorstel meer zekerheid voor flexwerkers, zullen niet eerder dan 1 januari 2027 van kracht zijn. De rest van het wetsvoorstel treedt pas 1 januari 2028 in werking.

Eerdere planning niet haalbaar

Juridisch

Het was de bedoeling dat het deel van het wetsvoorstel meer zekerheid voor flexwerkers, dat invulling geeft aan gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten, per 1 juli 2026 in werking zou treden en de overige onderdelen per 1 januari 2027. 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft gemeld dat dit niet gaat lukken. Om de voorziene inwerkingtredingsdata van 1 juli 2026 en 1 januari 2027 te halen, moet het wetsvoorstel snel worden aangenomen en in april 2026 in het Staatsblad worden gepubliceerd vanwege de relatie van dit wetsvoorstel met wijzigingen in de loonaangifteketen. Het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers kan echter waarschijnlijk pas begin april 2026 plenair worden behandeld in de Tweede Kamer. Naar verwachting zal het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden dus op zijn vroegst per 1 januari 2027, en de overige onderdelen per 1 januari 2028 in werking kunnen treden.

Latere invoering wetgeving voor pgb-zorgverleners en pgb-houders

Verder informeert de minister over de interactie van het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers en het persoonsgebonden budget (pgb). Uit de uitvoeringstoets van SVB in december bleek dat het wetsvoorstel binnen de huidige voorwaarden en uitvoering van het pgb niet uitvoerbaar is. Dit heeft grote gevolgen voor pgb-houders en forse uitvoeringslasten voor de pgb-keten, dusdanig dat uitvoering niet binnen afzienbare tijd (voor 2030) mogelijk is.

Tussenpoos oproepcontracten van 5 jaar naar 6 maanden

Daarom heeft de minister aangegeven dat het wenselijk is om voor pgb-zorgverleners en pgb-houders de mogelijkheid om oproepcontracten (waaronder nulurencontracten) af te sluiten en de huidige verkorte tussenpoos van zes maanden in plaats van de gewenste vijf jaar in stand te houden. Dit betekent dat de wijzigingen op deze punten voor pgb-houders en pgb-zorgverleners nog niet in werking treden. 

Omdat de budgethouder zelf verantwoordelijk is voor de inkoop van zorg, wordt de budgethouder geacht ook zelf contracten af te sluiten met de zorgverleners. In een minderheid van de gevallen wordt dit op een manier ingekocht dat de pgb-houder individueel werkgever voor een pgb-zorgverlener wordt. In die gevallen komt het arbeidsrecht in beeld. In veel gevallen biedt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ondersteuning aan budgethouders bij hun werkgeverstaken.

Start vereenvoudigd regime budgethouders

Het arbeidsrecht en het pgb staan op gespannen voet met elkaar. Zo bracht de SVB al eerder naar voren dat het werkgeverschap in het pgb moeilijk is voor pgb-budgethouders.

De minister is gestart met de uitvoering van een motie, waarin wordt opgeroepen een verkenning uit te voeren naar een vereenvoudigd en verlicht regime voor budgethouders, waarbij gekeken wordt naar het verlichten van de administratieve lasten en waarbij ook de arbeidsrechtelijke verplichtingen worden betrokken.

Er wordt gekeken naar wat een tijdelijke uitzondering voor pgb-houders en zorgverleners op het wetsvoorstel betekent voor hun uitvoering en per welke termijn een oplossing uitvoerbaar is.