Category

nieuws

Advieswijzer Aandachtspunten werken met zelfstandigen

By nieuws

De laatste jaren zijn er steeds meer zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) bijgekomen. Het gaat hierbij om mensen die ofwel volledig als zelfstandige werken, ofwel dit combineren met een dienstverband in loondienst. Werkt u met zzp’ers of bent u een zzp’er? Wat is nu er wettelijk geregeld, waar moet en kunt op letten en hoe wordt er gehandhaafd?

Voor een werkgever, ofwel opdrachtgever, is het van belang om na te gaan of er wel sprake is van echte zelfstandigheid of dat er sprake is van schijnzelfstandigheid. Een zzp’er die achteraf toch werknemer blijkt te zijn, kan voor de opdrachtgever namelijk flink in de papieren lopen. 

Beoordeling arbeidsrelatie

Handtekening

In de jurisprudentie is invulling gegeven aan de vraag wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ingevolge de wet (artikel 7:610 BW):

  • moet er sprake zijn van de bevoegdheid van de werkgever om aanwijzingen en instructies te geven (gezagsverhouding);
  • moet de arbeid persoonlijk worden verricht;
  • moet de werkgever als tegenprestatie loon betalen. 

Ten aanzien van het gezagscriterium heeft de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest verduidelijkt dat de rechter ook mag kijken of het werk dat wordt verricht ‘organisatorisch is ingebed’ in de organisatie en daarmee behoort tot de normale bedrijfsarbeid van de onderneming van de werkgever. Dat betreft  echter slechts een van de in aanmerking te nemen omstandigheden. Er moet holistisch worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Van belang kunnen onder meer zijn:

  • de aard en duur van de werkzaamheden;
  • de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
  • de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
  • het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
  • de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
  • de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
  • de hoogte van deze beloningen;
  • de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt.

Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld het verwerven van een reputatie, acquisitie, fiscale behandeling, het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt.

Nieuwe wetgeving: gezagscriterium

In het najaar van 2023 is er een internetconsultatie geweest van het wetsvoorstel ‘Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’. Deze wet beoogt de schijnzelfstandigheid op te lossen. Schijnzelfstandigheid ontstaat met name vanwege onduidelijkheid over de invulling van het gezagscriterium. Het wetsvoorstel streeft naar een verduidelijking van dit gezagscriterium in artikel 7:610 BW. 

Volgens het conceptwetsvoorstel was sprake van gezag wanneer (abc-toets):
a. de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke aansturing door de werkgever; of
b. de arbeid of de werknemer organisatorisch zijn ingebed in de organisatie van de werkgever; 
c. de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht.

ABC’tje vervangen door WZOP-toets

Inmiddels is het wetsvoorstel eind juni 2024 in aangepaste vorm voor advies naar de Raad van State gezonden. Het ABC’tje heeft plaatsgemaakt voor de WZOP-toets, waarbij W staat voor werknemer, Z voor zelfstandige en OP voor ondernemerschap.

Werd in het conceptwetsvoorstel van oktober 2023 nog onderscheid gemaakt tussen indicator A (werkinhoudelijke aansturing) en indicator B (organisatorische inbedding), spreekt het nieuwe voorstel alleen nog van indicator W (werknemer). 

Om te kunnen spreken over een werknemer kan gekeken worden naar de volgende indicatoren:

  • bevoegdheid om aanwijzingen te geven;
  • mogelijkheid tot controle en ingrijpen;
  • werkzaamheden worden verricht binnen organisatorisch kader van de organisatie;
  • werkzaamheden hebben structureel karakter;
  • werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers.

Opvallend is dat de indicator ‘de werkzaamheden behoren tot de kernactiviteit van de organisatie’ in het nieuwe toetsingskader niet meer zelfstandig terugkomt.

Indicatoren die wijzen op werken als zelfstandige binnen de arbeidsrelatie:

  • financiële risico’s en resultaten liggen bij werkende; 
  • werkende is zelf verantwoordelijk voor gereedschap, hulpmiddelen en materialen;
  • werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werke4rvaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie niet structureel aanwezig zijn;
  • werkende treedt zelfstandig naar buiten;
  • er is sprake van korte duur van de opdracht of van beperkt aantal uren per week.

Kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de persoon (algeheel ondernemerschap) van de werkende voor soortgelijke werkzaamheden:

  • de werkende heeft meerdere opdrachtgevers per jaar;
  • werkende besteedt tijd en/of geld aan het verwerven van een reputatie en het vinden van nieuwe klanten of opdrachtgevers;
  • werkende heeft bedrijfsinvesteringen van enige omvang;
  • werkende gedraagt zich administratief als zelfstandig ondernemer: is ingeschreven bij KvK, is btw-ondernemer en/of heeft recht op fiscale vooredelen van het ondernemerschap.

Let op! Dit laatste is alleen van belang als niet duidelijk is of iemand als werknemer of als zelfstandige moet worden aangemerkt.

Tevens wordt er in een nieuw wetsartikel voorgesteld dat er op basis van een bepaald uurloon vastgesteld kan worden dat er wel of geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Wanneer een werkende minder dan € 33,00 – bedrag wordt periodiek geïndexeerd – verdient, is het vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het rechtsvermoeden kan worden ingeroepen door de werkende (of diens vertegenwoordiger). Het gaat hierbij om een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat er niet automatisch een arbeidsovereenkomst ontstaat, maar de werkende kan zich in geval van een tarief onder de norm wel op het rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst beroepen en gemakkelijker een arbeidsovereenkomst opeisen (bij de eigen werkgever en desnoods via de civiele rechter). Het is dan aan de werkgever om dat rechtsvermoeden te ontkrachten.

Schijnzelfstandigheid en de handhaving hierop

Een schijnzelfstandige is iemand die door zichzelf en zijn opdrachtgever als zzp’er wordt aangemerkt, terwijl deze persoon in werkelijkheid werknemer is.

Vanaf 1 mei 2016 geldt de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA). In verband met politieke druk, voortkomend uit in de praktijk bestaande onzekerheid over de toepassing van deze wet, is de handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst opgeschort tot het moment waarop bepaalde knelpunten zijn opgelost. De opschorting duurt tot 1 januari 2025. Dit betekent dat de Belastingdienst opdrachtnemers en opdrachtgevers tot uiterlijk 1 januari 2025 geen boete of naheffing zal opleggen.

Kwaadwillenden

Er is nu wel sprake van een zogenaamd handhavingsmoratorium. Dit moratorium houdt in dat de Belastingdienst aanwijzingen geeft als er volgens hen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar alleen naheft in uitzonderlijke gevallen van kwaadwillendheid.

De Belastingdienst heeft nu al de mogelijkheid ‘kwaadwillenden’ te beboeten. Deze term ziet op de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast). De Belastingdienst handhaaft in alle gevallen van kwaadwillendheid. De Belastingdienst kan handhaven bij kwaadwillenden als zij de volgende drie criteria alle drie kan bewijzen:

  1. Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.
  2. Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.
  3. Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.

De Belastingdienst legt dus niet meteen een correctieverplichting op, maar de opdrachtgever moet wel de aanwijzingen opvolgen door ofwel de afspraken met de zzp’er zodanig aan te passen dat er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, ofwel door de werkzaamheden van de zzp’er als dienstbetrekking te laten verwerken in de loonaangifte. Hiervoor krijgt de opdrachtgever meestal drie maanden de tijd. Worden de aanwijzingen niet of niet voldoende opgevolgd, dan volgt een correctieverplichting en boete vanaf het moment van het geven van de aanwijzing.

Let op! Vanaf 1 januari 2025 gaat de Belastingdienst uiteindelijk (weer) handhaven op schijnzelfstandigheid. Deze keer gaat dat echt gebeuren. Het zogenaamde handhavingsmoratorium komt per genoemde datum te vervallen. Risicosectoren zoals de zorg, de kinderopvang, de bouw en het onderwijs zijn al extra gewaarschuwd. De Belastingdienst kan dan naheffen en boetes opleggen in situaties waarin er sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij door de Belastingdienst gekeken wordt naar de criteria van het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad.

Overgangsregeling handhavingsmoratorium

Het kabinet heeft begin september 2024 aangekondigd dat er een overgangsregeling komt: een jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Het kabinet heeft dit besluit genomen, omdat vanuit de markt is gevraagd om duidelijkheid over het opheffen van het handhavingsmoratorium, zodat men zich hierop kan voorbereiden. Bijkomend punt is dat de nieuwe wet op zijn vroegst pas kan ingaan op 1 januari 2026.

In de praktijk betekent het opheffen van het handhavingsmoratorium dat de Belastingdienst tijdens controles naheffingen kan opleggen als er binnen bedrijven en organisaties sprake is van schijnzelfstandigheid. Wanneer een bedrijf of organisatie niet aan de regels voldoet kan een naheffing tot maximaal 5 jaar terug worden opgelegd. De Belastingdienst kan alleen met terugwerkende kracht corrigeren tot 1 januari 2025, de datum van de opheffing.

Ook is aangegeven dat  de Belastingdienst geen modelovereenkomsten meer gaat goedkeuren, omdat modelovereenkomsten geen zekerheid vooraf kunnen geven over het werken buiten dienstverband. Dit hangt namelijk af van hoe er in de praktijk wordt gewerkt, niet van wat er in een contract staat. 

De lopende modelovereenkomsten kunnen nog wel worden afgemaakt tot de einddatum van de overeenkomst.

Risico’s opdrachtgever

Als achteraf sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst, dan loopt de opdrachtgever het risico van het betalen van (achterstallige loonbelasting), verlof, vakantietoeslag, premies werknemersverzekeringen en het werkgeversdeel in de pensioenpremie. Daarnaast kan een boete worden opgelegd met een terugwerkende kracht van vijf jaar.

Risico’s zzp’er

Niet alleen de opdrachtgever loopt een risico als achteraf de situatie anders blijkt te zijn. Ook zijn er risico’s voor de zzp’er. Denk aan een controle door de Belastingdienst van zijn aangifte inkomstenbelasting. Als de Belastingdienst hem niet aanmerkt als zzp’er, zal hij de aangifte corrigeren. Dit heeft als gevolg dat de aangegeven winst als loon wordt aangemerkt, waardoor bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling vervallen.

Uit te voeren acties

Het is van belang nu al alert te zijn op het werken met zzp’ers. Daarvoor is het van belang de gemaakte afspraken en alle feiten en omstandigheden in kaart te brengen om vervolgens op basis van de aandachtspunten uit het Deliveroo-arrest te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Tip! Als dat het geval is, dan is het van belang te kijken of de afspraken en werkwijze zodanig kunnen worden aangepast dat er geen sprake van een arbeidsovereenkomst meer is. Dan kan het handig zijn gebruik te maken van modelovereenkomsten die zijn beoordeeld door de Belastingdienst.

Tip! Bekijk of het mogelijk is om als opdrachtgever de zzp’er een dienstverband aan te bieden indien u dit beiden een wenselijke situatie lijkt.

Tozo 1-uitkering deels bij partner belast

By nieuws

Ondernemers die tijdens de coronacrisis in financiële moeilijkheden kwamen, konden een beroep doen op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers, Tozo. Volgens de rechtbank Zeeland-West-Brabant dient de inkomensondersteuning van de Tozo over de eerste periode (Tozo-1) bij partners aan beiden te worden toegerekend.

Tozo

Juridisch

De Tozo voorzag in inkomensondersteuning en in een lening voor bedrijfskapitaal. De Tozo kende tal van voorwaarden, die gedurende de periode van toekenning verschillend waren. De Tozo was gebaseerd op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) en werd uitgevoerd door de gemeentes.

Gezamenlijk recht

Voor de Tozo-1 was bepaald dat partners er gezamenlijk recht op hadden. Om de Tozo-1 uitvoerbaar te houden, was onder meer bepaald dat er geen rekening werd gehouden met het inkomen van de partner en dat ook de zogenaamde kostendelersnorm niet werd toegepast. Dit betekent dat wanneer meerdere volwassenen samenwoonden, de Tozo niet lager werd vanwege het feit dat de kosten gedeeld werden.

Deels bij partner belast

Omdat er een gezamenlijk recht op de Tozo-1 bestond, werd de helft van de uitkering ook bij de partner belast. In bovengenoemde zaak oordeelde de rechtbank dat dit terecht is. In deze zaak had een vrouwelijke ondernemer de Tozo-1 gekregen, terwijl haar partner voor de helft werd belast. Naar zijn mening was dit onterecht, maar de rechtbank dacht hier anders over. 

Nu de man mede-rechthebbende was, diende hij ook over zijn aandeel belasting te betalen. Dat de man zelf geen deel van de Tozo op zijn rekening had ontvangen, deed niet ter zake.

Nieuw: Fiscaal Kompas ZZP-zorg

By nieuws

Verschillende brancheorganisaties uit de zorg, de zogenaamde BoZ+ partijen, hebben gezamenlijk voor hun leden een Fiscaal Kompas ZZP Zorg uitgegeven.

BoZ+ partijen

Medisch

De BoZ+ partijen zijn ActiZ, de Nederlandse ggz, NFU, NVZ, VGN en Zorgthuisnl. Zij willen met het Fiscaal Kompas ZZP Zorg hun leden ondersteunen bij het treffen van de nodige voorbereidingen op het afschaffen van het handhavingsmoratorium Wet DBA per 1 januari 2025.

Let op! In het Fiscaal Kompas ZZP zorg is op pagina 2 opgenomen dat de inhoud van het Fiscaal Kompas uitsluitend bestemd is voor leden van de BoZ+ partijen. Het document is gepubliceerd op het besloten deel van de brancheorganisaties. U kunt het document dus downloaden als u bent aangesloten bij een van de brancheorganisaties.

Voorgeschiedenis

De BoZ+ partijen tekenden op 6 juli 2023 een intentieverklaring met de ministeries van VWS, SZW en Financiën en met de Belastingdienst over een Fiscaal Kader ZZP Zorg. De gesprekken hierover zijn echter opgeschort. De BoZ+ partijen wilden, gezien het naderen van de einddatum van het handhavingsmoratorium, niet langer wachten met de ondersteuning van hun leden.

Fiscaal Kompas ZZP Zorg

Daarom is voor de leden het Fiscaal Kompas ZZP Zorg vrijgegeven. Dit Kompas bevat een nadere toelichting op de relevante wet- en regelgeving voor de loonheffingen in de zorg. Het is bedoeld om zorgorganisaties te ondersteunen en het kan handvaten bieden bij het beoordelen van de arbeidsrelaties. Zo bevat het Kompas onder meer een voorbeeld(raam)overeenkomst van opdracht, een toelichting op het wettelijk kader van het Kompas en een stappenplan inhuur zorgprofessionals. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de arbeidsrelaties ligt bij de zorgorganisaties zelf.

Top 10 concrete fiscale maatregelen uit het Regeerprogramma

By nieuws

Op 13 september jl. presenteerde het kabinet het Regeerprogramma. Dit programma bevat een breed scala aan fiscale maatregelen die volgens het kabinet gericht zijn op het versterken van het ondernemingsklimaat, bestaanszekerheid, het bieden van fiscale stabiliteit en voorspelbaarheid. Hieronder volgt een top 10 concrete fiscale maatregelen.

1. Lastenverlichting voor bedrijven

Binnenhof

Het kabinet introduceert verschillende lastenverlichtingen voor bedrijven, waaronder:

  • de verlaging van de mkb-winstvrijstelling naar 12,03% gaat niet door; 
  • de afschaffing van de inkoop eigen aandelen gaat niet door;
  • de maximale renteaftrek in de vennootschapsbelasting wordt verhoogd van 20 naar het Europees gemiddelde van 25% van de gecorrigeerde winst (EBITDA);
  • de verhoging van de CO2-heffing voor industrie is van de baan;
  • er gaat een streep door de verhoging van de energiebelasting.

2. Stabiel regulier tarief vennootschapsbelasting

Het kabinet streeft naar een stabiel en voorspelbaar fiscaal beleid. Expliciet worden het reguliere Vpb-tarief genoemd, een aantrekkelijke fiscale kenniswerkersregeling, de WBSO en de innovatiebox. Het lijkt erop dat hiermee het kabinet uitspreekt dat deze regels en tarieven onveranderd blijven.

3. Verlaging van de overdrachtsbelasting

Het algemene tarief van de overdrachtsbelasting voor beleggers wordt verlaagd van 10,4 naar 8%. Dit tarief geldt voor alle onroerende zaken, behalve de eigen woning. Deze maatregel moet investeren in (huur)woningen aantrekkelijker maken.

4. Introductie derde schijf in de inkomstenbelasting

Er wordt een extra derde schijf in de inkomstenbelasting geïntroduceerd en er komt een verlaging van het tarief in de eerste schijf. Het doel is meer loon naar werken door een lastenverlichting op arbeid en verlaging van de marginale belastingdruk voor burgers. Het kabinet financiert deze lastenverlichting deels door het verlagen van de algemene heffingskorting. Na Prinsjesdag kunnen we de concrete cijfers en tarieven zien.

5. Behouden van de fiscale positie van de eigen woning

De huidige regeling rond de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait blijft ongewijzigd.

6. Tegenbewijsregeling box 3

Er komt een tegenbewijsregeling voor box 3, waardoor verhuurders de mogelijkheid krijgen om het werkelijke rendement over hun gehele vermogen aan te tonen bij de Belastingdienst.

7. Differentiatie vliegbelasting naar afstand per 2027

Deze maatregel wordt ingevoerd om de hogere uitstoot van langeafstandsvluchten zwaarder te belasten. De verhoging van de vliegbelasting wordt per 1 januari 2027 ingevoerd via een apart wetstraject of wordt opgenomen in het Belastingplan 2026.

8. Energiebelasting van huishoudens

Het tarief van de energiebelasting op aardgas zal in de eerste en tweede schijf worden verlaagd. Dit is bedoeld om de energierekening voor huishoudens te verlagen.

9. Invoering plasticheffing per 2028

Het kabinet is van plan om per 2028 een heffing op plastic in te voeren waarbij ook wordt gekeken naar mogelijke alternatieve beprijzingsmaatregelen voor het stimuleren van circulair plastic. De heffing op plastic en/of alternatieve beprijzingsmaatregelen hebben een beoogde netto-opbrengst van € 547 miljoen structureel.

10. Wetsvoorstel beëindiging salderingsregeling

Er komt een wetsvoorstel voor beëindiging van de salderingsregeling voor kleinverbruikers met ingang van 1 januari 2027.

Veel plannen zijn al eerder aangekondigd in het Hoofdlijnenakkoord van mei. De verwachting is dat een aantal plannen in uitgewerkte vorm zal terugkomen op Prinsjesdag 2024. Houd er rekening mee dat een aantal wellicht ook geen doorgang zal vinden.

Top 10 fiscale vergezichten uit het Regeerprogramma

By nieuws

In het Regeerprogramma 2024 is naast een flink aantal concrete fiscale maatregelen ook een aantal fiscale maatregelen aangekondigd die het kabinet op termijn wil uitvoeren. Deze plannen moeten nog nader worden uitgewerkt. U treft hier een top 10 fiscale vergezichten.

1. Invoering planbatenbelasting

Binnenhof

Een planbatenheffing is een belasting op de waardestijging van grond als gevolg van een bestemmingsplanwijziging. Het kabinet wil deze heffing invoeren en afspraken maken met gemeenten, zodat de opbrengst wordt ingezet voor bereikbaarheid en het realiseren van betaalbare huur- en koopwoningbouw. Daarnaast overweegt het kabinet om een belasting op onbebouwde grond met een woonfunctie te introduceren, met als doel woningbouw te bevorderen en speculatie met bouwgrond tegen te gaan. Uiterlijk in het voorjaar 2025 komt het kabinet met voorstellen.

2. Maximeren van de gemeentelijke woonlasten (ozb)

Er komt een onderzoek hoe de stijging van de gemeentelijke woonlasten kan worden gemaximeerd.

3. Hervorming autobelastingen

Het kabinet gaat werken aan een hervorming van de autobelastingen, gericht op een stabiele opbrengst op lange termijn en het stimuleren van elektrisch rijden. Concrete plannen worden in het eerste kwartaal van 2025 gepresenteerd. Duidelijk is dat alle nieuwe aanschafsubsidies voor personenvoertuigen per 2025 worden stopgezet. Vanaf 2026 komt er in de motorrijtuigenbelasting een nieuwe tariefkorting voor emissievrije personenauto’s, die gedeeltelijk compenseert voor het technisch meergewicht van het accupakket. 

4. Werkzekerheid voor flexwerkers

Er komt een wetsvoorstel om meer werkzekerheid te bieden aan flexwerkers, zoals uitzendkrachten, oproepkrachten en tijdelijke werknemers. Dit omvat maatregelen om hen beter te beschermen. Ondertussen zal de Belastingdienst per 1 januari 2025 weer gaan handhaven op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen om schijnzelfstandigheid te bestrijden.

5. Constitutionele toetsing

Het kabinet voert een constitutionele toetsing in door een (gedeeltelijke) opheffing van het toetsingsverbod in artikel 120 van de Grondwet en de oprichting van een constitutioneel hof. Hierdoor wordt het mogelijk om wetten te toetsen aan klassieke grondrechtsbepalingen van de Grondwet, wat het belang van grondrechten en de Grondwet versterkt.

6. Financieringshub voor mkb’ers

Er wordt een financieringshub ontwikkeld om mkb’ers makkelijker toegang tot financiering te geven. Deze zal aan het eind van dit jaar gelanceerd worden.

7. Nieuwe re-integratiemogelijkheden voor kleine en middelgrote werkgevers

Het kabinet gaat het mogelijk maken dat kleine en middelgrote werkgevers onder voorwaarden straks na één jaar ziekte van de werknemer de re-integratie volledig kunnen richten op het vinden van een werkplek bij een andere werkgever.

8. Fiscale regeling voor medewerkersparticipatie 

Er komt een onderzoek naar een fiscale regeling voor medewerkersparticipatie bij startups en scale-ups.

9. Vervanging van heffingskortingen en aftrekposten en vermindering van inkomensafhankelijke regelingen

Er zal een verkenning plaatsvinden van (gedeeltelijke) vervanging door inkomensonafhankelijke toelagen en andere belastingtarieven. Het kabinet gaat daarnaast werken aan het verminderen van terugvorderingen van inkomensafhankelijke regelingen, het terugdringen van het niet-gebruik van inkomensafhankelijke regelingen en verlaging van de marginale belastingdruk voor werkenden.

10. Modernisering van het belastingstelsel

Er komt een inventarisatie van opties voor modernisering op andere terreinen van het belastingstelsel.

Een aantal van bovenstaande plannen is reeds aangekondigd in het Hoofdlijnenakkoord. De verwachting is dat deze plannen de komende tijd uitgewerkt zullen worden.

Extra subsidie voor gebruikte elektrische auto

By nieuws

Er is ruim € 23 miljoen extra subsidie uitgetrokken voor de aanschaf van een gebruikte elektrische auto. De ‘Subsidie Elektrische Personenauto’s Particulieren (SEPP) gebruikt’ voor dit jaar was al op, maar door de extra middelen kunnen particulieren nog steeds een subsidieaanvraag indienen.

SEPP

Auto

De SEPP bedraagt voor particulieren die een nieuwe elektrische auto kopen € 2.950. Voor gebruikte elektrische auto’s bedraagt de subsidie € 2.000. Voor nieuwe elektrische auto’s is nu nog zo’n 36% van het budget beschikbaar. Voor gebruikte elektrische auto’s is door de extra subsidie nog zo’n 38% van het budget beschikbaar. De subsidie lijkt voldoende voor de rest van het jaar, maar vanwege de grote belangstelling is het verstandig om niet tot het laatste moment met een subsidieaanvraag te wachten.

Voorwaarden

Voor de SEPP gelden tal van voorwaarden. Zo moet de catalogusprijs van de 100% elektrische auto tussen de € 12.000 en € 45.000 liggen. Ook moet de auto een actieradius hebben van minstens 120 kilometer. Verder is de subsidie alleen beschikbaar voor particulieren. U vindt alle voorwaarden hier.

Ook voor ondernemers?

Ondernemers kunnen de subsidie wel aanvragen, maar mogen de auto dan niet tot het ondernemingsvermogen rekenen. Ze kunnen voor zakelijke ritten met deze privéauto dan een vergoeding ten laste van de winst brengen van € 0,23/km.

Let op! 2024 is het laatste jaar dat u de SEPP kunt aanvragen. Dit kan bij RVO.nl tot uiterlijk 27 december 2024 12.00 uur.

Invloed betaling premie zorgverzekering op box 3

By nieuws

Het moment waarop u uw premie zorgverzekering betaalt kan van invloed zijn op uw vermogenspositie op 1 januari voor box 3. Wat betekent dit voor reeds betaalde zorgpremies of juist nog te betalen zorgpremies?

Vooruitbetaalde premie zorgverzekering

Euro

Als u straks vóór 1 januari 2025 uw premie zorgverzekering voor het jaar 2025 betaalt, staat dit bedrag niet meer op uw bankrekening. Aan de Belastingdienst  is gevraagd of u deze vooruitbetaalde premie dan als overige bezitting moet opnemen voor uw box 3-heffing op 1 januari 2025. Dat hoeft niet. Dit betekent dat het voor uw box 3-heffing mogelijk aantrekkelijk kan zijn om uw premie zorgverzekering voor het jaar 2025 vóór 1 januari 2025 te betalen.

Nog te betalen premie zorgverzekering

Betaalt u uw premie zorgverzekering voor het jaar 2025 ná 1 januari 2025, dan kunt u deze nog te betalen premie niet als schuld in aanmerking nemen voor uw box 3-heffing op 1 januari 2025, aldus de Belastingdienst.

Let op! Deze standpunten gaan alleen over de vooruitbetaalde en nog te betalen premie zorgverzekering. U kunt deze dus niet één op één toepassen op andere vooruitbetalingen of nog te betalen bedragen. Heeft u hier vragen over, overleg dan met een van onze adviseurs.

Top 10 Prinsjesdag 2024

By nieuws

Welke belangrijke fiscale voorstellen voor ondernemers kwamen op Prinsjesdag 2024 uit het koffertje van minister Heinen van Financiën? Wij zetten de tien belangrijkste voor u op een rij.

1. Verlaging hoge tarief tweede schijf van box 2

Binnenhof

Sinds 1 januari 2024 is het uniforme tarief van box 2 vervangen door twee tarieven. Voor ontvangen dividenden tot € 67.000 geldt in 2024 een tarief van 24,5%. Dit tarief blijft in 2025 gelijk, maar geldt dan voor dividenden tot € 67.804. Voor het jaar 2024 werd het tarief van de tweede schijf eind 2023 op het laatste moment nog gewijzigd van de oorspronkelijk voorgestelde 31 naar 33%. Deze wijziging wordt nu met ingang van 2025 teruggedraaid. In 2024 geldt nog een tarief van 33% in de tweede schijf, vanaf 2025 is een tarief van 31% in de tweede schijf voorgesteld.

Tip! Fiscale partners profiteren twee keer van het tarief van de eerste lage schijf, wat betekent dat een dividenduitkering van € 134.000 in 2024 belast wordt tegen het lage tarief van 24,5%. In 2025 geldt het lage tarief van 24,5% bij fiscale partners tot een dividenduitkering van € 135.608.

Let op! Vanaf 2025 hebben dividenduitkeringen ook effect op de afbouw van de algemene heffingskorting. De algemene heffingskorting zal vanaf 2025 over het algemeen dalen of kan zelfs nihil worden door een dividenduitkering. Daarnaast heeft een dividenduitkering, ook in 2024 al, effect op de Wet excessief lenen (ook wel de dga-taks) en de hoogte van het box 3-vermogen. Overleg daarom met uw adviseur om te bepalen wat in uw situatie de voordeligste dividenduitkering is in 2024.

2. Afschaffing verlaagd btw-tarief kunst, cultuur, sport en hotelovernachtingen per 1 januari 2026

Het verlaagde btw-tarief van 9% voor cultuur, media, logies (hotels, vakantiewoningen en stacaravans), boeken en sport vervalt vanaf 1 januari 2026. Het algemene btw-tarief van 21% wordt dan van toepassing. 

Tip! Er zijn enkele uitzonderingen: bioscopen, circussen, kampeerterreinen en dagrecreatie (attractieparken, speel- en siertuinen en dierentuinen) blijven onder het verlaagde btw-tarief van 9% vallen.

Let op! De aanpassing van het btw-tarief is afhankelijk van het moment waarop de dienst wordt geleverd en dus niet van het moment waarop de dienstverrichter de betaling ontvangt. Als u in 2025 bijvoorbeeld een ticket voor een theatervoorstelling verkoopt voor een voorstelling die in 2026 plaatsvindt, geldt in 2025 al het algemene tarief van 21%.

3. Verlaging overdrachtsbelasting voor woningen niet in eigen gebruik 

Het algemene tarief van de overdrachtsbelasting van 10,4% wordt per 1 januari 2026 verlaagd naar 8% voor woningen die niet in eigen gebruik zijn. Deze tariefsverlaging geldt niet voor bedrijfspanden. Voor woningen die wel in eigen gebruik zijn, blijft – onder de daarvoor nu al geldende voorwaarden – het tarief voor de overdrachtsbelasting 2%. Voor starters onder de 35 jaar blijft – onder de daarvoor nu al geldende voorwaarden – de eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting gelden.

Let op! Deze verlaging is nog niet opgenomen in een concreet wetsvoorstel, maar wordt opgenomen in een op een later moment (beoogd in oktober 2024) in te dienen wetsvoorstel.

4. Bedrijfsopvolgingsregeling en doorschuifregeling

Het doel van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuifregeling (DSR) is om bij reële bedrijfsoverdrachten te voorkomen dat de continuïteit van de onderneming in gevaar komt door de belastingdruk. U kunt daarom met een fiscale stimulans het stokje aan de volgende generatie doorgeven. De BOR en DSR spelen een belangrijke rol bij de overdracht van familiebedrijven, maar let daarbij wel op de wijzigingen die eind 2023 al zijn aangenomen en de extra wijzigingen die zijn aangekondigd.

Het kabinet stelt voor om per 1 januari 2025 de verplichte voortzettingstermijn te verkorten van vijf naar drie jaar. Als dit voorstel wordt aangenomen, betekent dit dat voor verkrijgingen die zich voordoen vóór 1 januari 2025 een voortzettingstermijn blijft gelden van vijf jaar, terwijl voor verkrijgingen vanaf 1 januari 2025 dan een voortzettingstermijn van drie jaar geldt.

Vanaf 1 januari 2026 worden onder andere de volgende aanpassingen voorgesteld:

  • Beperken van de BOR en DSR voor aandelen tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%. Onder meer opties en winstbewijzen kwalificeren dan niet meer voor de BOR en DSR voor aandelen.
  • Vereenvoudiging van de herstructureringen gedurende de bezits- en voortzettingstermijn. 
  • Een langere bezitstermijn voor schenkers en erflaters, die later dan twee jaar na hun AOW-leeftijd met de onderneming zijn gestart.
  • Aanpak van onbedoeld gebruik van dubbele BOR. 

Let op! Sinds 1 januari 2024 kwalificeert aan derden ter beschikking gesteld (waaronder verhuur) vastgoed al standaard niet meer als ondernemingsvermogen. Dergelijk vastgoed schenken of erven met toepassing van de BOR is sindsdien niet meer mogelijk.

5. Terugdraaiing versobering 30%-regeling voor expats

Werknemers die naar Nederland komen en voldoen aan de criteria, kunnen aanspraak maken op de 30%-regeling. Hierdoor ontvangen zij maximaal 30% van hun salaris onbelast. In het Belastingplan 2024 was een versobering aangekondigd in stappen naar 10% (de zogenaamde ‘30-20-10-regeling’). Deze versobering wordt grotendeels teruggedraaid, maar daarnaast wordt een hogere salarisnorm ingesteld.

Per 1 januari 2027 wordt een constant forfait ingevoerd van 27% voor maximaal vijf jaar. In 2025 en 2026 geldt voor alle werknemers die voldoen aan de criteria een percentage van 30. De salarisnorm wordt vanaf 2027 verhoogd van € 46.107 (bedrag in 2024) naar € 50.436. Voor ingekomen werknemers die jonger zijn dan 30 jaar en een master hebben, wordt de salarisnorm verhoogd van € 35.048 (bedrag in 2024) naar € 38.338.

Let op! Voor werknemers die al vóór 2024 de 30%-regeling toepasten, geldt gedurende de gehele looptijd het percentage van 30. Daarnaast blijft voor hen de oude (geïndexeerde) inkomensnorm gelden. Zij worden dus niet vanaf 2027 geconfronteerd met 27% en een hogere salarisnorm. 

Let op! Deze wijzigingen zijn nog niet opgenomen in een concreet wetsvoorstel, maar worden opgenomen in een op een later moment (beoogd in oktober 2024) in te dienen wetsvoorstel. 

6. Tariefskorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto

Op dit moment betalen gebruikers van een emissievrije personenauto (volledig elektrisch of waterstof aangedreven) geen motorrijtuigenbelasting. Eind 2019 is met de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord al aangenomen dat voor dergelijke auto’s in 2025 een tariefskorting van 75% geldt op de motorrijtuigenbelasting en dat vanaf 1 januari 2026 de tariefskorting wordt afgeschaft. Doordat emissievrije personenauto’s zwaardere accu’s hebben, worden deze echter ook zwaarder belast. Om dit verschil te verkleinen en er zo voor te zorgen dat er niet minder emissievrije personenauto’s verkocht gaan worden, geldt vanaf 2026 tot en met 2029 een tariefskorting van 25% in de motorrijtuigenbelasting voor emissievrije auto’s. Het kabinet heeft aangekondigd om in het voorjaar van 2025 te beoordelen of de tariefskorting van 25% voor emissievrije personenauto’s voldoende is.

Let op! Deze wijziging is nog niet opgenomen in een concreet wetsvoorstel, maar wordt opgenomen in een op een later moment (beoogd in oktober 2024) in te dienen wetsvoorstel. 

7. Afschaffing van de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting

Voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2025 wordt de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting afgeschaft. Dit betekent dat u vanaf die datum geen giften vanuit uw vennootschap meer van uw winst kunt aftrekken. Giften uit uw vennootschap worden daarnaast vanaf 2025 beschouwd als een dividenduitkering aan u in privé en worden daarmee belast met dividendbelasting en in box 2 van de inkomstenbelasting. In box 2 geldt, afhankelijk van de hoogte van het totaal aan dividenduitkeringen in een jaar, in 2025 een tarief van 24,5 of 31%. U kunt wel, onder voorwaarden, in privé dan gebruikmaken van de giftenaftrek in de inkomstenbelasting.

Let op!Hoewel de giftenaftrek in de vennootschapsbelasting verdwijnt, blijft deze aftrek in de inkomstenbelasting in 2025 nog onveranderd.

Let op! Steunt u goede doelen door middel van sponsoring of reclame? Dan zijn deze kosten geen giften, maar zakelijke kosten. Deze kosten blijven, net als andere bedrijfskosten, aftrekbaar van de winst. Datzelfde geldt voor uitgaven die u doet in het kader van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

8. Introductie derde schijf inkomstenbelasting

Per 1 januari 2025 wordt een nieuwe, verlaagde eerste schijf in box 1 geïntroduceerd. Dit zorgt voor een gerichtere lastenverlichting bij met name middeninkomens. Het tarief in deze eerste schijf daalt van 36,97% (2024) naar 35,82% (2025). Deze schijf loopt in 2025 tot een inkomen van € 38.441. Het tarief van de tweede schijf bedraagt in 2025 37,48% en loopt tot € 76. 817.De grens voor de derde (hoogste) schijf is daarmee € 1.298 hoger dan in 2024. Het hoogste tarief in box 1 blijft 49,5%.

Let op! Valt u in het laagste tarief, dan krijgt u ook aftrek in het laagste tarief.

9. Box 3-tarief gaat toch niet omlaag

Het tarief in box 3 blijft ook volgend jaar 36%. Ondanks de verwachting dat het tarief voor box 3 zou worden verlaagd om de belastingdruk op spaarders en beleggers te verlichten, verandert het tarief niet. 

Let op! Op 6 juni 2024 oordeelde de Hoge Raad – kort omschreven – dat een belastingplichtige recht heeft op meer rechtsherstel als het werkelijke rendement in box 3 lager is dan het wettelijke (forfaitaire) rendement. De gevolgen en nadere uitwerking van dit oordeel zijn in een op Prinsjesdag 2024 verschenen Kamerbrief weer een beetje verder ingevuld. Hierover zullen wij u binnenkort nader informeren.

10. Wijzigingen in de earningsstrippingmaatregel

De earningsstrippingmaatregel beperkt de generieke renteaftrek en geldt voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Hierdoor kunt u van het verschil tussen de rentelasten en de rentebaten van geldleningen minder aftrekken bij het bepalen van de winst. Vanaf 2025 kunt u het rentesaldo niet meer aftrekken als dat meer bedraagt dan het hoogste van 25% (20% in 2024) van de (gecorrigeerde) winst of de drempel van € 1 miljoen.

Vanaf 1 januari 2025 geldt de drempel van € 1 miljoen niet langer voor vastgoedlichamen die onroerend goed aan derden verhuren. Dit betekent dat vastgoedlichamen maximaal 25% van de (gecorrigeerde) winst aan rente kunnen aftrekken.

Let op! Deze regeling is niet van toepassing op vastgoed dat verhuurd wordt aan een verbonden lichaam of aan een verbonden natuurlijk persoon. 

Top 10 tax proposals Prince’s Day 2024

By nieuws

What are the most important tax proposals for entrepreneurs of the Dutch Minister of Finance Heinen on the Dutch Prince’s Day 2024? We list the ten most important ones for you.

1. Reduction of high rate second bracket of box 2

Binnenhof

Since January 1, 2024, the uniform rate of box 2 has been replaced by two rates. For dividends received up to € 67,000, a rate of 24.5% will apply in 2024. This rate will remain the same in 2025, but will then apply to dividends up to € 67,804. For the year 2024, the rate of the second bracket at the end of 2023 was changed at the last minute from the originally proposed 31 to 33%. This change will now be reversed with effect from 2025. A 33% rate in the second bracket will still apply in 2024; a 31% rate in the second bracket has been proposed starting in 2025.

Tip! Tax partners benefit twice from the rate of the first low bracket, which means that a dividend distribution of €134,000 in 2024 is taxed at the low rate of 24.5%. In 2025, the low rate of 24.5% applies to tax partners up to a dividend distribution of €135,608.

Note! As of 2025, dividend payments also affect the reduction of the general tax credit. The general tax credit will generally decrease or may even become zero as a result of a dividend distribution as of 2025. In addition, a dividend distribution, even as early as 2024, affects the so called ‘dga tax’ and the amount of box 3 assets. Therefore, consult with your advisor to determine the most advantageous dividend distribution in your situation in 2024.

2. Abolition of reduced VAT rate art, culture, sports and hotel stays as of January 1, 2026

The reduced VAT rate of 9% for culture, media, lodging (hotels, vacation homes and mobile homes), books and sports will be abolished as of Jan. 1, 2026. The general VAT rate of 21% will then apply.

Note! For non-profit sports associations, the exemption continues to apply.

Tip! There are some exceptions: cinemas, circuses, camping sites and day recreation (amusement parks, playgrounds and ornamental gardens and zoos) remain subject to the reduced VAT rate of 9%.

Note!The adjustment of the VAT rate depends on when the service is provided, not when the service provider receives payment. For example, if you sell a ticket for a theater performance in 2025 for a performance that takes place in 2026, the general rate of 21% already applies in 2025.

3. Transfer tax reduction for non-owner-occupied housing

The general transfer tax rate of 10.4% will be reduced to 8% for homes not in owner-occupied use as of Jan. 1, 2026. This rate reduction does not apply to commercial properties. For homes that are owner-occupied, the transfer tax rate will remain at 2% – under the conditions already in place for this purpose. For first-time buyers under 35 years of age, the one-time exemption from transfer tax will continue to apply – under the conditions already in force for this purpose.

Note! This reduction has not yet been included in a concrete bill, but will be included in a bill to be introduced at a later date (envisaged in October 2024).

4. Business succession regulation and pass-through regulation

The purpose of the business succession regulation (BOR) and the pass-through regulation (DSR) is to prevent the continuity of the business from being jeopardized by the tax burden during real business transfers. You can therefore pass the baton to the next generation with a tax incentive. The BOR and DSR play an important role in the transfer of family businesses, but pay attention to the changes already adopted at the end of 2023 and the additional changes announced.

The Cabinet proposes to reduce the mandatory continuation period from five to three years as of January 1, 2025. If this proposal is adopted, this means that a continuation period of five years will continue to apply to acquisitions occurring before January 1, 2025, while a continuation period of three years will then apply to acquisitions as of January 1, 2025.

As of Jan. 1, 2026, the proposed changes include the following:

  • Limit the BOR and DSR for shares to common shares with a minimum interest of 5%. Options and profit certificates, among others, will then no longer qualify for the BOR and DSR for shares.
  • Simplify restructuring during the possession and continuation period. 
  • A longer possession period for donors and testators who started the business later than two years after their state pension age.
  • Addressing unintended use of double BOR.

Note! Since January 1, 2024, real estate made available to third parties (including rentals) already by default no longer qualifies as business assets. Donating or inheriting such real estate with application of the BOR is since then no longer possible.

5. Rollback of the more limited 30% ruling for expats

Employees who come to the Netherlands and meet the criteria, can claim the 30% ruling. This allows them to receive up to 30% of their salary untaxed. In the Tax Plan 2024, a moderation in steps to 10% was announced (the so-called ’30-20-10-rule’). This austerity will be largely reversed, but in addition a higher salary standard will be instituted.

As of Jan. 1, 2027, a constant flat rate of 27% will be introduced for up to five years. In 2025 and 2026, a rate of 30 will apply to all employees who meet the criteria. The salary standard will be raised from €46,107 (amount in 2024) to €50,436 from 2027. For incoming employees who are younger than 30 and have a master’s degree, the salary standard is increased from € 35,048 (amount in 2024) to € 38,338.

Note!For employees who already applied the 30% rule before 2024, the percentage of 30 will apply for the entire term. In addition, the old (indexed) income standard will continue to apply to them. Thus, they will not face 27% and a higher salary standard from 2027.

Note! These changes are not yet included in a concrete bill, but will be included in a bill to be introduced at a later date (targeted in October 2024).

6. Motor vehicle tax credit for emission-free passenger cars

Currently, users of an emission-free passenger car (fully electric or hydrogen-powered) do not pay motor vehicle tax. At the end of 2019, the Climate Agreement Tax Measures Act already adopted that a 75% motor vehicle tax rate discount will apply to such cars in 2025 and that the rate discount will be abolished from January 1, 2026. However, because zero-emission passenger cars have heavier batteries, they are also taxed more heavily. To reduce this difference and thus ensure that no fewer emission-free passenger cars will be sold, a 25% reduction in the motor vehicle tax rate for emission-free cars will apply from 2026 through 2029. The government has announced to assess in the spring of 2025 whether the 25% rate discount for emission-free passenger cars is sufficient.

Note! This change is not yet included in a concrete bill, but will be included in a bill to be introduced at a later date (targeted in October 2024).

7. Abolition of the gift deduction in corporate income tax.

For fiscal years beginning on or after January 1, 2025, the corporate gift deduction will be abolished. This means that as of that date, you can no longer deduct donations from your company from your profits. Donations from your company will additionally be considered a dividend distribution to you privately from 2025 and will therefore be taxed with dividend tax and in box 2 of the income tax. In box 2, depending on the amount of total dividend payments in a year, a rate of 24.5% or 31% will apply in 2025. However, you can, under conditions, then use the gift deduction in income tax in private.

Note! Although the gift deduction in corporate income tax disappears, this deduction in income tax remains unchanged in 2025.

Note! Do you support charities through sponsorship or advertising? Then these costs are not donations, but business expenses. These costs, like other business expenses, remain deductible from profits. The same applies to expenses you incur as part of Corporate Social Responsibility.

8. Introduction third income tax bracket

As of January 1, 2025, a new reduced first bracket will be introduced in Box 1. This will provide a more targeted reduction in the burden on middle-income earners in particular. The rate in this first bracket will drop from 36.97% (2024) to 35.82% (2025). This bracket runs in 2025 up to an income of €38,441. The rate of the second bracket in 2025 is 37.48% and runs up to € 76. 817.The limit for the third (highest) bracket is thus € 1,298 higher than in 2024. The highest rate in box 1 remains 49.5%.

Note! If you fall in the lowest rate, you will also receive deductions in the lowest rate.

9. Box 3 rate remains 36%

The rate in box 3 will remain at 36% next year. Despite expectations that the rate for box 3 would be lowered to reduce the tax burden on savers and investors, the rate will not change.

Note! On June 6, 2024, the Supreme Court ruled – briefly described – that a taxpayer is entitled to more legal recovery if the actual return in box 3 is lower than the statutory (flat rate) return. The consequences and further details of this ruling have been fleshed out a bit further in a parliamentary letter published on Prince’s Day 2024. We will inform you about this in more detail shortly.

10. Changes to the earnings stripping measure

The earnings stripping measure limits the generic interest deduction and applies to all corporate taxpayers. As a result, you can deduct less of the difference between the interest expense and interest income of money loans when determining your profit. From 2025, you can no longer deduct the interest balance if it exceeds the higher of 25% (20% in 2024) of the (adjusted) profit or the threshold of €1 million.

As of January 1, 2025, the €1 million threshold will no longer apply to real estate entities that lease real estate to third parties. This means that real estate entities can deduct a maximum of 25% of the (adjusted) profit in interest.

Note! This rule does not apply to real estate that is rented out to an affiliated entity or to an affiliated natural person.

Kosten logies werknemer belastingvrij vergoeden?

By nieuws

Als uw werknemers zakelijk onderweg zijn, kan het voorkomen dat ze kosten moeten maken in verband met een overnachting. Kunt u dergelijke kosten dan belastingvrij vergoeden en zo ja, onder welke voorwaarden?

Tijdelijk verblijf

Euro

Een van de voorwaarden die gelden als u kosten voor logies belastingvrij wilt vergoeden aan uw werknemer, is dat er sprake moet zijn van tijdelijk verblijf. Uw werknemer is een zogenaamde ambulante werknemer. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een vertegenwoordiger die vrijwel dagelijks onderweg is, steeds naar verschillende adressen. Er is ook sprake van een ambulante werknemer als de werknemer doorgaans op ten minste 1 dag per week heen en weer reist naar dezelfde arbeidsplaats op maximaal 20 dagen (het 20-dagencriterium) of als de werknemer om zakelijke redenen nog niet dichtbij de werkplek woont, bijvoorbeeld omdat er nog geen sprake is van een vaste aanstelling.

Dezelfde regeling als ambtenaren

Voor ambtenaren die een dienstreis maken, geldt volgens hun cao Rijk een eigen regeling inzake de vergoeding van logieskosten. U mag deze regeling voor uw werknemers ook toepassen, als ze voor wat betreft hun kosten in vergelijkbare omstandigheden verkeren als ambtenaren die een dienstreis maken. U hoeft dan geen bonnen te hebben als bewijs, wat niet wil zeggen dat u niet aannemelijk moet kunnen maken dat de kosten daadwerkelijk gemaakt zijn.

Let op! Uit eerdere versies van het Handboek Loonheffingen was af te leiden dat alleen de hoogte van de kosten van belang is. Dit is echter veranderd per 2024. Nu moet u zowel voor de hoogte van de vergoedingen als voor de overige voorwaarden aansluiten bij de afspraken uit de cao Rijk. Voor bestaande situaties gaat deze nieuwe eis per 2025 in.

Onbelaste kostenvergoeding logies binnenland

Volgens de cao Rijk kunt u uw werknemer bij een binnenlandse dienstreis een onbelaste kostenvergoeding voor logies geven van maximaal € 140,57 (2024) per nacht.

Onbelaste kostenvergoeding logies buitenland

Voor buitenlandse dienstreizen gelden andere bedragen, die afhankelijk zijn van het land waar het logies plaatsvindt. Het bedrag voor Curaçao is bijvoorbeeld vastgesteld op € 175 (2024), voor Luxemburg op € 275 (2024). Soms verschilt het bedrag in een land per plaats. U vindt alle bedragen in de Tarieflijst verblijfkosten buitenlandse dienstreizen.

Let op! U moet aannemelijk kunnen maken dat de buitenlandse overnachtingen hebben plaatsgevonden. Lukt dat niet, dan mag u geen onbelaste vergoedingen geven voor de overnachting en mag u uitsluitend een beperkte belaste vergoeding geven, namelijk maximaal € 11,34 per nacht gedurende vier nachten per reis voor het werk. Geeft u deze vergoeding niet, dan is dat in afwijking met de voorwaarden die voor ambtenaren gelden. De werknemer is dan dus niet vergelijkbaar met een ambtenaar qua vergoedingen en de ambtenarenregeling is niet van toepassing.

Meer vergoeden?

Als u uw werknemer meer vergoedt dan bovengenoemde vrijgestelde bedragen, dan moet u het meerdere als loon aanmerken of aanwijzen als eindheffingsloon. Ook hier geldt: indien u meer vergoedt dan de standaard voor ambtenaren, dan kan dat ertoe leiden dat de werknemer niet vergelijkbaar is met een ambtenaar en de ambtenarenregeling om die reden niet geldt.

Ook voor de dga

Ook voor de dga geldt dat hij in aanmerking komt voor een vergoeding voor logies als hij reist voor de zaak. Uiteraard gelden dan ook dezelfde voorwaarden. Attentiepunt is wel dat bij een controle kritischer zal worden gekeken naar de zakelijke reden voor de overnachting, om te voorkomen dat privé-uitstapjes als dienstreizen aangemerkt worden.

Tip! Kijk voor alle voorwaarden en bedragen in het Handboek Loonheffingen.