Category

nieuwsbrief

Nieuwsbrief oktober 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief oktober 2026


Let op!

Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 19 oktober 2026, 20:00 uur.


1. Eindejaarstips: wat kun of moet je nog regelen in 2026?

Wat kun je of moet je als ondernemer, dga, werkgever of particulier voor het einde van 2026 regelen? Of waar moet je juist mee wachten? Wat verandert er per 2027 waar je nu al op kunt anticiperen? We geven je een aantal belangrijke tips.

Let op!
Vanwege grote onzekerheid of plannen van het kabinet wel door de Tweede en Eerste Kamer worden goedgekeurd, kan een aantal van onderstaande tips voor het einde van het jaar (deels) nog wijzigen. Houd daar rekening mee!

1. Dividend uitkeren in 2026 of toch niet?
Moet je dit jaar nog dividend uitkeren of kun je beter wachten tot 2027? Het antwoord op die vraag is niet voor iedereen gelijk te beantwoorden. Neem in je overweging in ieder geval de volgende punten mee:

  • Het kan verstandig zijn een dividend vast te stellen ter grootte van de eerste schijf van 24,5%. Deze schijf loopt in 2026 tot € 68.843 en als je een fiscale partner hebt tot € 137.686. Boven die grens bedraagt het tarief 31%.
  • Houd er wel rekening mee dat door de dividenduitkering mogelijk je algemene heffingskorting extra daalt. Hierdoor kan de dividenduitkering toch minder aantrekkelijk zijn dan gedacht. Heb je sowieso al geen recht meer op de algemene heffingskorting, dan treedt dit effect overigens niet op. Overleg hierover met onze adviseurs. Doe dat ook als je de AOW-gerechtigde leeftijd al hebt bereikt, in verband met een mogelijk effect van de dividenduitkering op de ouderenkorting.
  • Het kabinet heeft een plan geopperd om de tweede schijf van 31% in de jaren 2027 tot en met 2030 te verlagen met 1,8%-punt naar 29,2%. Dit kan een reden zijn om het dividend dat uitstijgt boven de eerste schijf van € 68.843/€ 137.686 uit te stellen naar 2027. In verband met het eerst volmaken van de eerste schijf van 24,5%, die in 2027 loopt tot waarschijnlijk € 69.607 (bij fiscale partners € 139.214), lijkt uitstellen naar 2027 van dit dividend sowieso verstandiger.
  • Of het verstandig is om in 2026 nog dividend uit te keren, zal ook afhankelijk zijn van het bestedingsdoel. Geef je het dividend in 2026 nog uit of valt dit begin 2027 meteen in box 3? Dat laatste maakt de dividenduitkering tegen 24,5% weer iets minder gunstig.
  • Als de dividenduitkering nodig is om een excessieve leningstand te verminderen tot onder de grens voor het excessief lenen, zal het dividend ook sowieso in 2026 moeten worden uitgekeerd.

Let op!
Overleg over je eigen situatie met onze adviseurs. Zij kunnen berekenen wat het effect van de dividenduitkering op bijvoorbeeld je heffingskortingen is en je belasting in box 3. Aan de hand daarvan kun je beslissen om wel of niet dividend uit te keren. Op dit moment is het advies in ieder geval nog even te wachten totdat er iets meer duidelijkheid is over welke belastingplannen de eindstreep in de Tweede en Eerste Kamer gaan halen.

2. Houd rekening met verlaging bedrag excessief lenen
De maatregel excessief lenen bij de eigen vennootschap betekent grofweg dat de dga die te veel leent bij de eigen bv, hierover box 2-heffing betaalt. Er geldt nu nog een drempel van € 500.000, maar het kabinet wil de grens verlagen naar € 100.000. Dit gebeurt dan in vijf stappen van € 80.000 per jaar, te beginnen in 2027. Eind 2027 bedraagt de grens dan € 420.000 en eind 2031 is de € 100.000-grens bereikt. Hoewel de maatregel nog door de Tweede en Eerste Kamer moet worden aangenomen, is het misschien wel goed om in je dividendplanning al rekening te houden met de verlaging van de drempel.

Let op!
Eigenwoningschulden blijven in het voorstel, net als nu, uitgezonderd en tellen dus ook vanaf 2027 niet mee voor de drempel. Voor eigenwoningschulden die zijn ontstaan op of na 1 januari 2023 geldt wel de voorwaarde dat deze moeten zijn gedekt met hypothecaire inschrijving op de woning.

3. Anticipeer op 12% extra werkgeversheffing over de fossiele auto van de zaak
Vanaf 2027 geldt een 12% pseudo-eindheffing voor personenauto’s van de zaak als deze auto’s CO2 uitstoten (hierna: fossiele personenauto van de zaak). Deze heffing wordt berekend over de cataloguswaarde van de auto (en bij auto’s ouder dan 25 jaar over de waarde in het economisch verkeer). Het is een werkgeversheffing die je niet mag verhalen op de werknemer! Bovendien kan daarnaast ook de werknemer nog worden geconfronteerd met de bijtelling over het privégebruik.

Wat kun je nu nog doen om de heffing in 2027 te voorkomen?

  • Zorg dat de fossiele personenauto op 31 december 2026 al ter beschikking staat aan een werknemer. Voor deze personenauto hoef je dan tot en met 31 december 2030 geen 12% pseudo-eindheffing te betalen, ook niet als je de auto aan een andere werknemer ter beschikking stelt.
  • Zorg dat de personenauto’s die je aan je personeel ter beschikking stelt volledig elektrisch of waterstof aangedreven zijn. Deze personenauto’s stoten geen CO2 uit. De 12% pseudo-eindheffing geldt daarom niet voor deze auto’s.

Alles wat geen personenauto is, zoals een bestelauto, vrachtwagen en tractor, wordt ook niet geraakt door de 12% pseudo-eindheffing. Houd er echter rekening mee dat een kampeerauto en een personenbus ook een personenauto kunnen zijn. Kijk hiervoor in het kentekenregister naar de aanduiding. Een M1-voertuig is een personenauto!

Let op!
Bij wisseling van werkgever stopt het overgangsrecht dat normaal loopt tot en met 31 december 2030. Dit overgangsrecht is namelijk gekoppeld aan de auto in combinatie met de werkgever. Als een ex-werknemer de auto meeneemt naar een nieuwe werkgever is die combinatie verbroken en vervalt het overgangsrecht. De nieuwe werkgever krijgt dan vanaf dag 1 met de 12% pseudo-eindheffing te maken.

Er geldt nog een aantal uitzonderingen op de 12% pseudo-eindheffing. Zo valt onder voorwaarden een vervangende auto gedurende maximaal veertien aaneengesloten dagen niet onder de heffing en is de handgeschakelde lesauto ook uitgezonderd.

4. In 2026 de bv nog in?
Er kunnen verschillende redenen zijn om in 2026 nog een bv op te richten en je IB-onderneming in te brengen in de bv. Een van de redenen leek te zijn dat je dit toch al van plan was en ook een fossiele personenauto wilde inbrengen in de bv. Er bestond onduidelijkheid of het overgangsrecht van de 12% pseudo-eindheffing zou blijven bestaan bij inbreng van een IB-onderneming na 31 december 2026. Om die reden was, voor behoud van het overgangsrecht, het advies om de bv op te richten in 2026 en de personenauto uiterlijk eind 2026 vanuit de bv ter beschikking te stellen.

Voor behoud van het overgangsrecht van de 12% pseudo-eindheffing is dat echter niet nodig. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief van 16 oktober 2026 namelijk aangegeven dat het overgangsrecht ook van toepassing blijft als een personenauto vóór 1 januari 2027 mede voor privédoeleinden ter beschikking staat aan een IB-ondernemer. Als deze IB-ondernemer zijn onderneming met de personenauto inbrengt in een bv, geldt voor deze personenauto het overgangsrecht, aldus de staatssecretaris. Ook als de oprichting van de bv en de inbreng pas plaatsvindt na 31 december 2026.

Maar er kunnen nog andere redenen zijn om je IB-onderneming in 2026 nog in te brengen in een bv.

Breng je de IB-onderneming in 2026 ruisend (met fiscale afrekening) in de bv in? Dan kun je nog profiteren van de stakingsaftrek van € 3.630. In 2027 daalt deze aftrek naar € 908. Heb je nog een FOR die vrijvalt, dan kun je bij een geruisloze inbreng overigens ook gebruikmaken van de stakingsaftrek.

Verder wordt een aantal voordelen van de ondernemer in de inkomstenbelasting verder versoberd. Zo daalt de zelfstandigenaftrek van € 1.200 in 2026 naar € 900 in 2027, daalt de extra zelfstandigenaftrek van een starter van € 2.123 in 2026 naar € 10 in 2027 en gaat de meewerkaftrek in 2027 met 75% omlaag. Dit kan ook aanleiding zijn om in 2026 over te stappen naar een bv.

Let op!
Of het aantrekkelijk is om je IB-onderneming in te brengen in de bv is uiteraard niet alleen afhankelijk van de stakingsaftrek en andere ondernemersaftrekken. Naast fiscale argumenten kunnen ook andere argumenten, zoals de aansprakelijkheidsbeperking, een rol spelen. Overleg daarom met onze adviseurs of overstap naar de bv raadzaam kan zijn. Wacht daarmee niet te lang. Voor de oprichting van een bv heb je een notaris nodig en de agenda’s van notarissen lopen over het algemeen snel vol aan het einde van het jaar.

5. Controleer of het nieuwe toelatingsstelsel voor uitleners jou raakt
Vanaf 2027 is een nieuw toelatingsstelsel voor partijen die werknemers uitlenen (uitleners) van kracht. Dit is geregeld in de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta).

Het toelatingsstelsel geldt voor iedereen die arbeidskrachten (ook zzp’ers) ter beschikking stelt aan derden. Denk aan uitzenders, detacheerders en uitleners van zzp’ers. Maar ook de bv die de dga uitleent aan een andere onderneming kan onder het toelatingsstelsel vallen!

Gelukkig zijn er uitzonderingen. Zo valt collegiale uitleen waarbij geen winst wordt gemaakt niet onder het toelatingsstelsel. Hetzelfde geldt voor in- en uitleen binnen concernverband.

Is er geen uitzondering van toepassing, dan kun je misschien om ontheffing verzoeken. Dit kan als je inkomsten uit uitlenen in een jaar minder dan 10% van je totale inkomsten zijn én die inkomsten niet hoger zijn dan € 5 miljoen per jaar. Daarbij moet een accountant dan jaarlijks verklaren dat deze drempels niet worden overschreden.

Let op!
Om gebruik te kunnen maken van een overgangsregeling is het belangrijk dat je tussen 1 november 2026 en 31 december 2026 een aanmelding doet! Zo regel je dat je voorlopig kunt blijven uitlenen. Belangrijk is dan wel dat je ook tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een aanvraag tot toelating tot het stelsel doet. Heb je uiterlijk op 30 juni 2027 een SNA-keurmerk, dan hoef je geen aanmelding voor de overgangsregeling te doen in 2026. Je moet dan wel een aanvraag tot toelating doen tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027.

6. Stel de aankoop van box 3-woning uit naar 2027
Een woning die niet jouw hoofdverblijf is, bijvoorbeeld een vakantiewoning of een woning die je verhuurt, valt in box 3. Ben je van plan zo’n woning aan te schaffen, dan kan het voordelig zijn om de overdracht bij de notaris niet in 2026, maar in 2027 plaats te laten vinden. De overdrachtsbelasting voor de verkrijging van woningen die niet je hoofdverblijf zijn, bedraagt namelijk nu nog 8%, maar vanaf 2027 7%. Bovendien is de forfaitaire box 3-heffing over een banktegoed (mocht je de woning met banktegoeden aanschaffen) een stuk lager dan over de woning die als overige bezitting wordt aangemerkt.

7. Denk na over je (elektrische of oude) auto
Voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto geldt een bijtelling van 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Wordt de volledig elektrische nieuwe auto in 2027 voor het eerst ter beschikking gesteld, dan is de bijtelling 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Rijdt de auto op waterstof of met zonnepanelen, dan geldt de beperking tot € 30.000 niet en bedraagt de bijtelling in 2026 18% over de gehele cataloguswaarde en in 2027 20% over de gehele cataloguswaarde. Deze bijtellingspercentages gelden voor een periode van 60 maanden. Dit kan misschien reden zijn om te proberen in 2026 nog, of anders in 2027, een auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking te krijgen.

Valt je auto met CO2-uitstoot onder de youngtimerregeling, dan bedraagt de bijtelling geen 22% (of 25% bij een auto met eerste toelating vóór 2017) over de cataloguswaarde, maar 35% over de waarde in het economisch verkeer. De youngtimerregeling is in 2026 van toepassing als de auto op 1 januari 2026 16 jaar of ouder is of in 2025 al aan jou ter beschikking stond en in 2026 16 jaar wordt. Vanaf 1 januari 2027 gaat de leeftijdsgrens waarschijnlijk omhoog naar 17 jaar (dit is nu nog 25 jaar) en vanaf 1 januari 2028 naar 20 jaar. Rij je de youngtimer vanuit je IB-onderneming, bijvoorbeeld een eenmanszaak? Dan wil je de auto misschien wel overbrengen naar privé. Normaal gesproken kan dat niet zomaar, maar in verband met de wetswijziging zijn er misschien mogelijkheden. Overleg daarover met onze adviseurs.

8. Benut je ruimte in de werkkostenregeling (WKR)
Controleer of je nog vrije ruimte over hebt in de WKR en benut deze. In 2026 bedraagt deze vrije ruimte 2% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% daarboven. Vrije ruimte die je in 2026 overhebt, kun je niet doorschuiven naar 2027!

In 2027 gaat de vrije ruimte overigens iets omhoog. Deze bedraagt dan 2,16% over de eerste € 400.000 loonsom en 1,18% daarboven.

Let op!
De gerichte vrijstelling voor personeelskorting op branche-eigen producten verdwijnt vanaf 2027. Alleen in 2026 kun je daarom nog gericht vrijgesteld een vergoeding of korting geven van maximaal 20% van de waarde in het economisch verkeer van het product, met een maximum per werknemer van € 500 op jaarbasis.

9. Zorg dat je voldoet aan nieuwe regeling aandelenopties bij start-ups en scale-ups
Er komt, waarschijnlijk met ingang van 2027, een nieuwe, aantrekkelijke regeling voor aandelenopties bij start-ups en scale-ups. Onder de nieuwe regeling blijft 35% van het voordeel (= het verschil tussen de verkoopopbrengst van de aandelen enerzijds en de inleg en de koopsom van de aandelen anderzijds) belastingvrij. En de werknemer betaalt pas belasting bij verkoop van de aandelen die met de aandelenopties zijn verkregen.

Er gelden allerlei voorwaarden en de RVO moet jouw onderneming aanmerken als een innovatieve start-up of scale-up. Belangrijk voor nu is dat aandelenoptierechten die op of na 17 april 2025 zijn toegekend, mogelijk gebruik kunnen maken van de nieuwe regeling. Het is dan van belang dat deze aandelenoptierechten op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken. Zorg er in ieder geval voor dat de vanaf 17 april 2025 toegekende aandelenoptierechten daaraan voldoen.


2. Houd rekening met de 12% pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s!

De 12% pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s van de zaak lijkt er echt te gaan komen. De heffing is vorig jaar al in de wet opgenomen en treedt op 1 januari 2027 in werking. Op Prinsjesdag 2026 is nog wel een aantal aanpassingen voorgesteld. Wat betekent deze heffing voor jou als werkgever en dga?

12% pseudo-eindheffing
Stel je vanaf 2027 een personenauto aan een werknemer ter beschikking, dan moet je rekening houden met een pseudo-eindheffing van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm.

Wanneer?
Deze eindheffing geldt niet voor alle personenauto’s. Zo moet de personenauto:

  • ter beschikking worden gesteld aan een werknemer, en
  • moet die werknemer de auto ook privé gebruiken, en
  • moet de auto een CO2-uitstoot hebben groter dan nul.

Let op!
De pseudo-eindheffing geldt voor de hele kalendermaand, ook als in die kalendermaand maar een of enkele dagen een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing geldt dan dus niet alleen voor die een of enkele dagen maar voor de hele maand!

Niet bij andere auto’s
Als de ter beschikking gestelde auto geen personenauto is, geldt de pseudo-eindheffing niet.

Personenauto’s zijn voertuigen met voertuigclassificatie M1 in het civiele kentekenregister en auto’s die onder de Europese verordening zo zouden kwalificeren.

Een M1-voertuig is een motorvoertuig op vier of meer wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal negen zitplaatsen inclusief bestuurdersstoel. Ook kampeerauto’s, personenbusjes voor zorgvervoer (ingericht met maximaal negen zitplaatsen) en lijkwagens vallen hieronder.

Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors hebben geen M1-kwalificatie en vallen dus niet onder de pseudo-eindheffing. Stel je dus een bestelauto ter beschikking, dan krijg je niet te maken met de heffing. Ook niet als de CO2-uitstoot van die bestelauto groter dan nul is of als de werknemer de bestelauto ook privé gebruikt.

Niet bij personenauto’s zonder CO2-uitstoot
De pseudo-eindheffing is ook niet van toepassing als de personenauto die je ter beschikking stelt geen CO2 uitstoot. Je werknemer kan dus gewoon nog in een volledig elektrisch of waterstof aangedreven auto privé rijden zonder dat dit jou eindheffing kost.

Niet bij alleen maar zakelijk gebruik
Stoot de personenauto wel CO2 uit, maar gebruikt je werknemer de personenauto alleen maar zakelijk? Dan geldt de pseudo-eindheffing ook niet.

Let op!
Hier schuilt wel een addertje onder het gras. Voor de regeling van de pseudo-eindheffing wordt woon-werkverkeer aangemerkt als privé. Het zal dus niet snel voorkomen dat een werknemer alleen maar zakelijke kilometers maakt met de personenauto.

Overigens geldt er een uitzondering op het privégebruik ingeval sprake is van incidenteel privégebruik door overmacht of bijzondere omstandigheden. Je moet als werkgever dan wel aannemelijk kunnen maken dat sprake is van overmacht of bijzondere omstandigheden.

Niet bij vervangende auto, maximaal zeven dagen en lesauto’s
Op Prinsjesdag 2026 is nog een aantal andere uitzonderingen op de pseudo-eindheffing voorgesteld. Als de Tweede en Eerste Kamer instemmen, geldt de pseudo-eindheffing vanaf 1 januari 2027 ook niet:

  • Bij tijdelijke vervanging van een ‘vaste’ auto bij schade, reparatie, onderhoud of bandenwissel. De pseudo-eindheffing geldt dan maximaal voor een periode van veertien aaneengesloten kalenderdagen niet voor de vervangende auto.
  • Bij de ter beschikking stelling van een fossiele personenauto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten dagen per kalenderjaar. Deze uitzondering vervalt per 1 januari 2031.
  • Voor handgeschakelde lesauto’s.

Overgangsrecht tot en met 31 december 2030
Personenauto’s die al voor 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling. Deze zou oorspronkelijk lopen tot 17 september 2030, maar op Prinsjesdag 2026 is voorgesteld deze termijn te verlengen naar 1 januari 2031. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.

Let op!
Deze overgangsregeling is gekoppeld aan de personenauto. Dus ook als je als werkgever de auto na 1 januari 2027 ter beschikking stelt aan een andere werknemer dan aan wie de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking stond, blijft de overgangsregeling gelden.

Geen overgangsrecht meer bij wisseling werkgever
Neemt de werknemer de personenauto na 1 januari 2027 mee naar een andere werkgever, dan vervalt het overgangsrecht. De auto wordt dan immers door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking gesteld. Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt, maar wil hier geen aanpassingen op doen.

Wel overgangsrecht bij fusies en overnames
Bij fusies en overnames waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, blijft het overgangsrecht wel van toepassing. De staatssecretaris heeft aangegeven dat hier geen wettelijke aanpassing voor nodig is, maar dat dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.

Cataloguswaarde zonder aftrek eigen bijdrage
De 12% pseudo-eindheffing wordt berekend over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer.

Let op!
Is de personenauto ouder dan 25 jaar, dan wordt de 12% pseudo-eindheffing berekend over de waarde in het economische verkeer van de personenauto.

Aangifte loonbelasting
Je berekent de pseudo-eindheffing maandelijks. Je kunt er echter voor kiezen om de betaling van de eindheffing pas te doen uiterlijk in de tweede loonaangifte van het volgende kalenderjaar. Voor het jaar 2027 kun je dus wachten tot de tweede loonaangifte van 2028 om je pseudo-eindheffing te voldoen.

Verband met bijtelling?
De pseudo-eindheffing komt volledig ten laste van jou als werkgever. Je mag deze niet verhalen op je werknemer. De bijtelling voor de auto van de zaak vanwege privégebruik blijft ook gewoon bestaan. Die blijft gewoon ten laste van de werknemer komen.

Let op!
Voor een werknemer die geen bijtelling heeft omdat hij de personenauto voor maximaal 500 kilometers op jaarbasis privé gebruikt, kun je wel tegen de pseudo-eindheffing aanlopen. Die geldt immers al vanaf 1 kilometer privé. Bovendien is woon- werkverkeer voor de bijtelling zakelijk, maar voor de pseudo-eindheffing privé.

Ook voor de dga, niet voor IB-ondernemer
De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv ook met de heffing te maken kan krijgen.

Let op!
Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet met de heffing te maken krijgen, maar mogelijk wel voor zijn personeel.


3. Voorstel Zelfstandigenwet openbaar

Op 1 oktober 2026 is de Zelfstandigenwet in internetconsultatie gegaan. Het is de bedoeling meer duidelijkheid te bieden aan zelfstandigen en opdrachtgevers. Er wordt in dit verband gesproken over een veilige haven. De Zelfstandigenwet moet onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers bij het inhuren van zzp’ers tegengaan én zorgen dat zelfstandigen de verantwoordelijkheid nemen om risico’s af te dekken.

Twee toetsen
Het wetsvoorstel introduceert twee toetsen:

  • de zelfstandigentoets, en
  • de werkrelatietoets.

Zelfstandigentoets
Bij de zelfstandigentoets vindt een beoordeling plaats of de zelfstandige zich ook als echte zelfstandige gedraagt. Denk hierbij aan zaken als het hebben van een KvK- en een btw-nummer, een aparte rekening voor zakelijke transacties en meerdere opdrachtgevers (minimaal drie in het lopende en afgelopen kalenderjaar). Het is mogelijk om jarenlang één klant te hebben mits er daarnaast ook andere klanten zijn van enige omvang.

Let op!
Dit criterium van minimaal drie opdrachtgevers zorgt wel voor de nodige kritiek.

De zelfstandige moet verder jaarlijks een zeker minimumbedrag besteden aan bepaalde voorzieningen om ondernemersrisico’s af te dekken zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een pensioenvoorziening en een verzekering tegen bedrijfsaansprakelijkheid.

Let op!
Dit minimumbedrag wordt later bekendgemaakt. Het gaat om een vast bedrag, ongeacht omzet of tarief. Ook dit punt heeft tot kritiek geleid. Het is dus wachten of deze punten nog aangepast worden.

Werkrelatietoets
De werkrelatietoets beoordeelt of de werkende zich binnen een specifieke opdracht als echte zelfstandige gedraagt. Daarvoor geldt dat beide partijen de wil moeten hebben om buiten een arbeidsovereenkomst te werken. Daarnaast moet de werkende vrij zijn om te bepalen hoe, waar en wanneer hij de werkzaamheden uitvoert (locatie- en tijdsgebonden werk uitgezonderd) en het werk voor eigen rekening en risico uitvoeren.

Veilige haven
De wet is niet verplicht, maar biedt een optie voor wie vooraf zekerheid wil (de ‘veilige haven’). Daarbij geldt dat er geen rangorde en geen weging is. Als er aan één criterium niet wordt voldaan, dan geeft de wet geen zekerheid. Van belang is de feitelijke uitvoering en niet wat op papier staat. Verliest een zelfstandige tijdens de opdracht een criterium, dan vervalt de veilige haven vanaf dat moment.

Wie niet aan de criteria van de wet voldoet, is niet vanzelf een werknemer. Er volgt dan een reguliere beoordeling, waarbij nog steeds geoordeeld kan worden dat sprake is van zelfstandigheid.

Let op!
De wet is niet nodig en hoeft daarom niet toegepast worden op zelfstandigen bij wie duidelijk is dat ze zelfstandige zijn. Denk aan zelfstandigen die eenmalige – vaak korte – diensten leveren aan bedrijven, zoals advieswerk, het geven van een training of een eenmalig financieel advies.

Uitvoering
Een mogelijk opdrachtgever kan wat betreft de zelfstandigentoets bij een zzp’er navraag doen of deze aan genoemde criteria voldoet. Ook kan de zelfstandige zelf een dergelijke verklaring voorzien van bewijs opstellen. Daarnaast wordt het mogelijk dat er gewerkt wordt met een ‘derdenverklaring’, waarbij bijvoorbeeld een accountant of boekhouder zo’n verklaring afgeeft.

De voorwaarden voor de werkrelatietoets moeten opdrachtgever en opdrachtnemer per opdracht gezamenlijk afspreken en vastleggen, en in de praktijk ook zo uitvoeren.

Controlerende instanties, zoals de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie, hebben als taak om te controleren of er in de praktijk ook wordt gewerkt conform wat is afgesproken.

Invoering
De beoogde invoering is 1 januari 2028, maar de wet moet nog worden ingediend bij de Tweede Kamer en daarna nog door de Eerste Kamer worden behandeld.

Let op!
De consultatie loopt van 1 oktober tot en met 29 oktober 2026.


4. Let op met het verstrekken van een personeelslening

Het gebeurt in de praktijk regelmatig dat een werkgever een werknemer een lening verstrekt voor de aanschaf van bepaalde zaken, zoals een auto. Dit is niet zonder risico, zo blijkt ook uit een recente uitspraak van een gerechtshof. Een dergelijke lening kan namelijk aangemerkt worden als een overeenkomst van consumentenkrediet. Is dat het geval, dan gelden voor de werkgever verplichtingen in zijn rol als kredietverstrekker. Voldoet de werkgever daar niet aan, dan bestaat het risico dat hij de lening niet kan terugvorderen.

Vordering op werknemer vanwege niet aflossen personeelslening
Bij een kantonrechter en in hoger beroep bij een gerechtshof speelde de volgende casus. Een werkgever had aan een werknemer een geldlening verstrekt van € 50.000 tegen een rente van 7% op jaarbasis. Bedragen die de werknemer niet tijdig afloste, mocht de werkgever inhouden op het eerstvolgende loon van de werknemer.

De geldlening was nog niet volledig terugbetaald toen de arbeidsovereenkomst met de werknemer eindigde. De werknemer betaalde nadien niets meer. De werkgever zag zich daarom genoodzaakt bij de rechter een bedrag van bijna € 52.000 te vorderen van de ex-werknemer.

Kantonrechter wijst vordering af
De kantonrechter stelde de werkgever niet in het gelijk. De door de werkgever verstrekte lening moest namelijk worden aangemerkt als een consumentenkrediet. Dit betekende dat de werkgever een informatieverplichting had ten opzichte van de werknemer. Bovendien had de werkgever een kredietwaardigheidstoets moeten uitvoeren.

Nu de werkgever niet kon laten zien dat voldaan was aan de informatieverplichting en de kredietwaardigheidstoets, wees de kantonrechter de vordering van de werkgever af.

Ook gerechtshof wijst vordering af
De werkgever liet het er niet bij zitten en stelde hoger beroep in bij het gerechtshof. Volgens de werkgever was geen sprake van een consumentenkrediet, omdat de lening niet als kredietgever, maar als werkgever in het kader van de arbeidsovereenkomst was verstrekt.

Het gerechtshof oordeelde dat een overeenkomst van consumentenkrediet een wettelijk gereguleerde overeenkomst is. Daarbij verleent een kredietgever aan een consument krediet of zegt dit toe in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere soortgelijke betalingsfaciliteit.

Het gerechtshof was van oordeel dat de door de werkgever verstrekte lening binnen deze definitie viel. Het maakte niet uit dat de werkgever niet alleen de geldverstrekker, maar ook de werkgever was.

Is er een escape?
Er is wel een escape. De regels die betrekking hebben op het verstrekken van consumentenkrediet zijn namelijk niet van toepassing als:

  • een werkgever als nevenactiviteit rentevrij of tegen een lager jaarlijks rentepercentage dan marktconform een lening aan werknemers verstrekt, én
  • die lening in het algemeen niet ook aan anderen aangeboden wordt.

Let op!
De werkgever die procedeerde bij de kantonrechter en het gerechtshof kon zich hier niet op beroepen, omdat de rente van 7% marktconform was.

Wees alert bij verstrekken van personeelsleningen
Wees dus alert bij het verstrekken van personeelsleningen. Het risico bestaat dat de lening wordt aangemerkt als een consumentenkrediet. In dat geval moet je vóór het verstrekken van de lening voldoen aan een informatieverplichting en een kredietwaardigheidstoets uitvoeren. Laat je daarom goed informeren door een deskundige of jouw personeelslening mogelijk een consumentenkrediet is.


5. Wat betekenen de wijzigingen in de youngtimerregeling voor jouw auto?

Een youngtimer kent een bijtelling voor privégebruik van 35% van de waarde in het economisch verkeer in plaats van de reguliere bijtelling van – voor auto’s van vóór 2017 – 25% over de cataloguswaarde. In 2026 ligt de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling op 16 jaar. Ook de auto die in 2025 al aan jou ter beschikking stond en in de loop van 2026 16 jaar wordt, kan heel 2026 onder de regeling vallen. Vanaf 2027 zou de leeftijdsgrens in een keer omhooggaan naar 25 jaar. Het kabinet wil dit echter wijzigen in een verhoging naar 17 jaar per 2027 en naar 20 jaar per 2028. Ook de auto die in de loop van 2027 17 jaar wordt en al in 2025 aan jou ter beschikking stond, blijft een youngtimer. Als de plannen ongewijzigd door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen, vervalt de youngtimerregeling per 2028 voor alle auto’s die in de loop van 2027 de leeftijd van 17, 18 of 19 jaar overschrijden, maar nog niet die van 20 jaar. Daarvoor geldt dan weer de normale bijtelling van 25% van de cataloguswaarde. De youngtimerregeling is dan pas weer van toepassing als de auto de leeftijd van 20 jaar bereikt. Heb je een youngtimer of ben je van plan zo’n auto aan te schaffen? Houd dan rekening met deze voorgestelde wijzigingen.


6. Verplichte e-facturering tussen bedrijven vanaf 1 juli 2030

Ondernemers moeten waarschijnlijk vanaf 1 juli 2030 voor de zogenoemde business-to-business-transacties (hierna: B2B-transacties) binnen tien werkdagen na het verrichten van de goederenlevering of dienst een elektronische factuur versturen naar de afnemer-ondernemer. Dit geldt zowel voor binnenlandse als intracommunautaire B2B-transacties. Met intracommunautaire B2B-transacties wordt grensoverschrijdende handel bedoeld tussen twee ondernemers binnen de EU. Voor intracommunautaire B2B-transacties zal vanaf 1 juli 2030 en voor binnenlandse B2B-transacties vanaf 1 juli 2031 ook een digitale rapportageverplichting gelden. Deze houdt in dat de ondernemer op het moment dat de elektronische factuur wordt uitgereikt, dit digitaal rapporteert aan de Belastingdienst. De Opgaaf Intracommunautaire Prestatie (Opgaaf ICP) verdwijnt daarmee.

Special Eindejaarstips 2026

By nieuwsbrief

Special Eindejaarstips 2026

Wat kun je als ondernemer fiscaal dit jaar nog regelen? Zijn er voor de dga belangrijke aandachtspunten waarop je moet anticiperen? Op welke zaken moet je je als werkgever voorbereiden voor het nieuwe jaar? En welke andere wijzigingen per 1 januari 2027 zijn handig om te weten?

Klik hier voor de special

Special Miljoenennota 2027

By nieuwsbrief

Special Miljoenennota 2027

Deze special bevat voorstellen van het kabinet die de komende periode door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld. De voorgestelde maatregelen treden per 1 januari 2027 in werking, tenzij anders is vermeld. Ook bevat deze special wijzigingen die al eerder bekend waren, maar die wel relevant zijn om te melden.

Klik hier voor de special

 

Nieuwsbrief juli 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief juli 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 13 juli 2026, 20:00 uur.


1. Aanpassingen 12% pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s

De staatssecretaris van Financiën heeft aanpassingen aangekondigd voor de 12% pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s van de zaak. Deze eindheffing gaat in op 1 januari 2027.

12% pseudo-eindheffing
Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm.

Let op!
Deze heffing geldt ook voor de dga die een fossiele personenauto van de zaak rijdt. Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet door de heffing geraakt worden, maar mogelijk krijgt hij wel te maken met de pseudo-eindheffing voor zijn personeel.

Voorwaarden

  • voor de pseudo-eindheffing zijn dat de werkgever:
  • een personenauto ter beschikking stelt aan een werknemer,
  • die de werknemer ook privé mag gebruiken en
  • die een CO2-uitstoot heeft groter dan nul.

Let op!
Auto’s die geen personenauto zijn, bijvoorbeeld bestelbusjes, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Datzelfde geldt voor volledig elektrische en waterstof aangedreven personenauto’s.

Uitsluitend zakelijk gebruik?
Ook personenauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Uitsluitend zakelijk gebruik zal echter niet snel voorkomen, omdat het woon-werkverkeer voor de pseudo-eindheffing niet zakelijk, maar privé is.

Al pseudo-eindheffing vanaf één dag!
De pseudo-eindheffing geldt voor de hele kalendermaand, ook als in die kalendermaand maar een of enkele dagen een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing geldt dan dus niet voor die ene of enkele dag(en), maar voor de hele maand!

Aanpassingen
De praktijk heeft overlegd met het Ministerie van Financiën over knelpunten in de pseudo-eindheffing. Voor een aantal hiervan heeft de staatssecretaris aanpassingen aangekondigd:

  • Zo geldt bij tijdelijke vervanging van een ‘vaste’ personenauto bij schade, reparatie, onderhoud of bandenwissel de pseudo-eindheffing straks niet voor de vervangende personenauto. Deze uitzondering geldt maximaal voor een periode van veertien aaneengesloten kalenderdagen.
  • Verder komt er een vrijstelling van de pseudo-eindheffing voor de terbeschikkingstelling van een fossiele personenauto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten dagen per kalenderjaar. Deze vrijstelling vervalt per 1 januari 2031.
  • Tot slot geldt de pseudo-eindheffing straks niet voor lesauto’s.

Let op!
Bij de evaluatie van de pseudo-eindheffing in 2030 zal beoordeeld worden of deze aanpassingen effectief en nog nodig zijn.

Overgangsregeling verlengd naar 1 januari 2031
Personenauto’s die al voor 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling. Deze zou oorspronkelijk lopen tot 17 september 2030, maar de staatssecretaris heeft aangekondigd deze te willen verlengen naar 1 januari 2031. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.

Geen oplossing voor pseudo-eindheffing bij wisseling werkgever
De pseudo-eindheffing zal er waarschijnlijk voor zorgen dat werkgevers vanaf 2027 de oude fossiele personenauto van nieuwe werknemers niet willen overnemen van de vorige werkgever. Op dat moment eindigt namelijk het overgangsrecht, omdat de personenauto door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking wordt gesteld.

Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt, maar wil hier geen aanpassingen op doen. Dit betekent dat de werknemer bij wisseling van werkgever waarschijnlijk vaak geconfronteerd zal worden met een afkoopsom van de leaseauto.

Let op!
Het overgangsrecht blijft wel van toepassing als de personenauto gedurende de overgangstermijn aan een andere werknemer ter beschikking wordt gesteld.

Wel een oplossing bij fusies en overnames
De staatssecretaris heeft aangegeven dat bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, wel een uitzondering mogelijk is. Hier is geen wettelijke aanpassing voor nodig, dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.

Heffingsrecht in ander land
Tot slot heeft de staatssecretaris nog uitleg gegeven over berekening van de pseudo-eindheffing als het heffingsrecht van een ter beschikking gestelde fossiele personenauto op grond van een belastingverdrag deels is toegewezen aan een ander land. In dat geval mag deze verdeling ook worden toegepast op de pseudo-eindheffing.


2. Sportschool en personal trainer voor dga onbelast?

Kan een bv de kosten van de sportschool en een personal trainer van de dga onbelast vergoeden? Een rechtbank vond in een casus van vóór 2022 dat dit kon. Maar hoe zit dat vanaf 2022, toen de wet op dit punt gewijzigd is?

Gerichte vrijstelling arbovoorziening tot 2022
De casus voor de rechtbank ging over jaren vóór 2022. Een bv betaalde de kosten van de sportschool en een personal trainer voor de dga. De bv vond dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing was, omdat de bv als werkgever zo zorgdroeg voor de gezondheid van de werknemer(s). De rechtbank was het met de werkgever eens en paste de vrijstelling toe.

Let op!
De bv vergoedde ook de kosten van de partner van de dga. Nu de partner geen werknemer was van de bv, was dat niet mogelijk volgens de rechtbank.

Gebruikelijkheidstoets
De vergoeding van de kosten van de sportschool en de personal trainer was ongebruikelijk volgens de Belastingdienst. Om die reden zou de gerichte vrijstelling niet toegepast kunnen worden. De bewijslast dat iets ongebruikelijk is, ligt bij de Belastingdienst. Die kon het standpunt niet onderbouwen met data. De rechtbank ging daarom niet mee in het standpunt van de Belastingdienst.

Let op!
Dat de rechtbank in deze casus de vergoeding van de sportschool en de personal trainer niet ongebruikelijk vond, wil niet zeggen dat dit in andere casussen ook zo is. De rechtbank deed een uitspraak in deze specifieke casus en heeft niet in zijn algemeenheid geoordeeld dat de vergoeding van de sportschool en een personal trainer gebruikelijk is.

Wat betekent de uitspraak van de rechtbank?
Kan iedere dga de kosten van de sportschool en een personal trainer onbelast door de bv laten vergoeden? Nee, helaas niet.

Allereerst is het nog niet bekend of de Belastingdienst hoger beroep instelt tegen deze uitspraak. Het zou dus nog kunnen dat een gerechtshof in hoger beroep tot een ander oordeel komt.

Bovendien zijn de regels voor de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen met ingang van 2022 gewijzigd. Om die reden is het nog maar de vraag of de rechtbank voor de jaren vanaf 2022 tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen in deze casus. Het is dus niet zo dat elke dga nu de kosten van de sportschool en de personal trainer onbelast door zijn bv kan laten vergoeden.

Gerichte vrijstelling arbovoorziening vanaf 2022
Tot 2022 gold de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbobeleid dat de werkgever voert op grond van de
Arbowet. Vanaf 2022 geldt de gerichte vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbowet. Ofwel, de niet-verplichte arbovoorzieningen vallen niet meer onder de gerichte vrijstelling vanaf 2022.

Sportschool en personal trainer vanaf 2022
Het is de vraag of het vergoeden van de kosten van de sportschool en een personal trainer een verplichting van de werkgever is op grond van de Arbowet. Als dat zo is, kan de arbovrijstelling worden toegepast.

De Belastingdienst is in ieder geval van mening dat de arbovrijstelling niet aan de orde is bij voorzieningen die evident gericht zijn op de bevordering van de algemene gezondheid van werknemers. De Belastingdienst zal toepassing van de arbovrijstelling op de vergoeding van de sportschool en personal trainer vanaf 2022 daarom zeer waarschijnlijk afwijzen.

Let op!
De Belastingdienst heeft ook aangegeven dat een voorziening die gericht is op de algemene gezondheid van de werknemer, in een individueel geval toch een verplichte arbovoorziening kan zijn. Hiervoor moet de werknemer in ieder geval een gezondheidsrisico lopen vanwege de arbeid die hij verricht. Er gelden nog meer voorwaarden. Neem hiervoor, en voor de beoordeling van je eigen specifieke situatie, contact op met onze adviseurs.


3. Fiscaal aantrekkelijk obligatieplan voor (sport)vereniging

De Belastingdienst heeft zich uitgesproken over de mogelijkheid voor een vereniging om via obligatieleningen van de leden op een fiscaal aantrekkelijke manier geld aan te trekken. Hoe werkt dit?

Obligatieplan
In de casus die voorgelegd is bij de Belastingdienst wilde een sportvereniging geld ophalen voor de realisatie van een aantal sportfaciliteiten. Het obligatieplan dat daarvoor bedacht was, werkte als volgt:

  • Een lid van de vereniging leent via een obligatielening geld uit aan de vereniging.
  • Deze obligatielening wordt in een bepaald aantal jaren afgelost door de vereniging.
  • Op de obligatielening wordt door de vereniging een zakelijke rente vergoed.
  • Het lid maakt met de vereniging een akte van schenking op, waarbij het lid jaarlijks gedurende minimaal vijf jaar een vast bedrag aan de vereniging schenkt.
  • De door de vereniging te betalen aflossing en rente op de obligatielening worden verrekend met deze jaarlijkse schenking.
  • Het verstrekken van een obligatielening door een lid gaat altijd gepaard met de periodieke schenking zoals hiervoor beschreven.

Let op!
De sportvereniging in deze casus voldeed aan de definitie die geldt voor het aftrekbaar zijn van een periodieke gift aan een vereniging. Een vereniging voldoet hieraan als ze niet aan
de vennootschapsbelasting is onderworpen of daarvan is vrijgesteld. Daarnaast moet de vereniging volledige rechtsbevoegdheid en minimaal 25 leden hebben.

Periodieke gift aftrekbaar?
De vraag aan de Belastingdienst was of de periodieke gift die het lid aan de sportvereniging doet, aftrekbaar is als periodieke gift. De Belastingdienst heeft hierop geantwoord dat sprake is van een aftrekbare periodieke gift als het een reële geldlening betreft met een zakelijk rentepercentage. Uiteraard moet ook aan de overige voorwaarden voor de periodieke giftenaftrek worden voldaan.

Let op!
De overige voorwaarden voor periodieke giftenaftrek zijn opgenomen op de website van de Belastingdienst.

Reële geldlening
Voor een reële geldlening is volgens de Belastingdienst in ieder geval een terugbetalingsverplichting nodig. Verder moet de geldlening voldoende realiteitswaarde hebben. Dit betekent dat:

  • het bedrag van de geldlening door het lid daadwerkelijk moet worden overgemaakt naar de vereniging;
  • in de overeenkomst de duur van de geldlening is opgenomen;
  • de vereniging ook over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen.

Zakelijke rente
De Belastingdienst geeft aan dat het niet mogelijk is om op voorhand een vast zakelijk rentepercentage te benoemen. Dit is namelijk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Desondanks geeft de Belastingdienst aan dat onder de feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven, aangesloten kan worden bij de rente op Nederlandse staatsobligaties met een vergelijkbare looptijd, vermeerderd met een beperkte risico-opslag.

Overleg met adviseur
Overweeg je met je vereniging een vergelijkbaar fiscaal aantrekkelijk obligatieplan? Overleg dan met onze adviseurs. De uitspraak van de Belastingdienst betekent namelijk niet dat elk obligatieplan zonder meer aan de voorwaarden voldoet. Zo kan er onder meer discussie ontstaan over de vraag of de vereniging over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen of over de zakelijkheid van het rentepercentage.


4. Standaard betalingsregeling Belastingdienst voor particulieren

Met ingang van 1 juli 2026 hanteert de Belastingdienst in beginsel een standaard betalingsregeling voor particulieren die om uitstel van betaling vragen. Wat houdt dit in?

Betalingsregeling twaalf maanden
De standaardbetalingsregeling heeft een looptijd van maximaal twaalf maanden vanaf het moment dat de Belastingdienst de betalingsregeling toestaat. De particulier moet zijn belastingschuld in gelijke maandelijkse termijnen terugbetalen. De maandelijkse termijn bedraagt minimaal € 20.

Voor welke schulden?
De betalingsregeling geldt in beginsel voor alle belastingaanslagen die de particulier op het moment van het aanvragen heeft openstaan. De volgende aanslagen gaan echter niet mee in de standaard betalingsregeling:

  • voorlopige aanslagen inkomstenbelasting van het lopende jaar;
  • conserverende aanslagen;
  • aanslagen waarvoor al een verzoek om uitstel van betaling i.v.m. bezwaar of beroep in behandeling of toegewezen is.

Wanneer geen standaard betalingsregeling?
Er zijn verschillende redenen voor de Belastingdienst om de standaard betalingsregeling niet te verlenen. Zo staat de Belastingdienst de standaardregeling niet toe als de belastingschulden € 100.000 of hoger zijn of als de particulier nieuw opkomende schulden meer dan incidenteel niet volledig heeft voldaan. Verder zal de Belastingdienst geen standaardregeling toestaan als de nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is.

Let op!
In die gevallen waarin de standaard betalingsregeling niet wordt toegestaan, zal de Belastingdienst het verzoek om een betalingsregeling niet automatisch afwijzen. De Belastingdienst beoordeelt dan eerst nog of de particulier in aanmerking komt voor een niet-standaard betalingsregeling.

Verrekening tijdens betalingsregeling
Heeft de particulier gedurende de betalingsregeling recht op een belastingteruggave? Dan verrekent de Belastingdienst deze met de openstaande belastingschulden.

Tip!
Op verzoek van de particulier kan de Belastingdienst ervoor kiezen om de teruggave niet te verrekenen.

Let op!
De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting van het lopende jaar wordt in principe niet verrekend.

Hoe aanvragen?
De standaard betalingsregeling kan mondeling, schriftelijk of digitaal worden aangevraagd.

Let op!
De standaard betalingsregeling kan alleen worden aangevraagd door particulieren. Ex-ondernemers worden in dit verband ook als particulier aangemerkt!

Invorderingsrente
Ook een particulier zonder betalingsproblemen kan een beroep doen op de standaard betalingsregeling. Een particulier die liever in termijnen betaalt dan in één keer, kan dit dus regelen. Houd er wel rekening mee dat de Belastingdienst gedurende de betalingsregeling invorderingsrente berekent.


5. Definitief geen teruggaaf box 3 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers

De Hoge Raad heeft op 25 juni 2026 uitgesproken dat niet-bezwaarmakers geen recht hebben op rechtsherstel box 3. Het gaat hier om het rechtsherstel voor de jaren 2017 tot en met 2020 van alle op 24 december 2021 (datum van het Kerstarrest) al onherroepelijk vaststaande aanslagen. Voor deze belastingplichtigen, de zogenaamde niet-bezwaarmakers, was de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) ingevoerd. Deze niet-bezwaarmakers kunnen voor die jaren 2017-2020 ook geen beroep doen op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In dit zogenaamde D-dag-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de Herstelwet naar aanleiding van het Kerstarrest ook niet door de beugel kon. Sindsdien wordt rechtsherstel toegepast op basis van het werkelijk rendement volgens de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten. Als de MB+-procedure positief was afgelopen, hadden de niet-bezwaarmakers ook hierop een beroep kunnen doen. Dat is nu dus ook definitief van de baan.


6. Rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst bij uurtarief tot € 38

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Het rechtsvermoeden houdt in dat het vermoeden van een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen voor iedereen die voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van minder dan € 38 per uur. Lukt het de opdrachtgever niet om dit rechtsvermoeden te weerleggen? Dan bestaat recht op alle bescherming die het arbeidsrecht biedt, zoals recht op doorbetaling bij vakanties en ontslagbescherming. De wet treedt op een nog nader te bepalen datum in werking; de verwachting is uiterlijk 31 december 2026. Het rechtsvermoeden is van toepassing op elke arbeidsrelatie die bestaat op de dag van inwerkingtreding van de wet en op elke arbeidsrelatie die op die dag of na die dag ingaat.
voorgaande procedure.

Update Special Lonen 2026

By nieuwsbrief

Update Special Lonen 2026


De Special Lonen 2026 is een handig naslagwerk voor jou als werkgever of als hr-medewerker.

Deze special bevat actuele cijfers en relevante wet- en regelgeving op onder meer het gebied van de loonbelasting, het gebruikelijk loon, de auto van de zaak, de WKR, subsidies voor de werkgever, diverse arbeidsrechtelijke zaken en pensioenen. Aan het einde van dit document is een aantal tabellen met cijfers en tarieven voor 2026 opgenomen.

Klik hier voor de special

Nieuwsbrief juni 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief juni 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 15 juni 2026, 20:00 uur.


1. Belastingvrij bedrag reiskosten € 0,25 vanaf 1 januari 2026

Vanaf 22 mei 2026 bestaat de mogelijkheid om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 rekening te houden met een belastingvrij bedrag voor reiskosten van € 0,25 per kilometer. Wat betekent dit voor werkgevers, werknemers, ondernemers, vrijwilligers en particulieren?

Werkgevers en werknemers
Werkgevers mogen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 aan hun werknemers een onbelaste reiskostenvergoeding geven van € 0,25 per kilometer. Tot nu toe bedroeg dit onbelaste bedrag in 2026 nog € 0,23 per kilometer.

Dit bedrag is van toepassing op woon-werkverkeer en op zakelijke kilometers. Het is niet relevant van welk vervoermiddel de werknemer gebruikmaakt. De vergoeding geldt dan ook voor gemaakte reizen per auto, fiets, lopend of met het openbaar vervoer.

Let op!
Het kabinet roept werkgevers op om gebruik te maken van deze maximale onbelaste reiskostenvergoeding, maar een werkgever is niet verplicht om daadwerkelijk € 0,25 per kilometer aan de werknemer te vergoeden. De hoogte van de vergoeding is en blijft een afspraak tussen werkgever en werknemer.

Tip!
Als een werknemer met het openbaar vervoer reist, kan een werkgever er ook voor kiezen om de werkelijke kosten van het openbaar vervoer onbelast te vergoeden. Dat kon al en is dus niet veranderd.

Tip!
Werkgevers die gebruikmaken van de terugwerkende kracht mogen – waar nodig – met correctieberichten de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding verwerken in de al ingediende aangiften loonheffingen van 2026.

Ondernemers en resultaatgenieters
De verhoging van € 0,23 naar € 0,25 geldt ook voor ondernemers in de inkomstenbelasting (IB) en resultaatgenieters. Zij kunnen straks in hun aangifte IB 2026 voor het hele jaar 2026 rekening houden met aftrekbare zakelijke reiskosten tegen een bedrag van € 0,25 cent per kilometer.

Vrijwilligers
Een vrijwilliger die afziet van zijn recht op een reiskostenvergoeding mag in zijn aangifte IB 2026 bij het berekenen van zijn giftenaftrek ook rekening houden met € 0,25 per kilometer voor zijn kilometers in heel 2026.

Let op!
Alleen het bedrag is gewijzigd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. De overige voorwaarden voor deze aftrek zijn ongewijzigd. Daaraan moet je dus nog steeds voldoen voordat je toekomt aan de aftrek.

Particulieren
Ook particulieren kunnen in hun aangifte IB 2026 voor het hele jaar rekeninghouden met € 0,25 per kilometer. Het gaat hierbij om:

  • aftrek van reiskosten naar onder meer een arts of andere medisch hulpverlener en een apotheek,
  • aftrek van reiskosten voor ziekenbezoek, en
  • aftrek van reiskosten in verband met weekenduitgaven voor gehandicapten.

Let op!
Ook voor deze aftrekken gelden nadere voorwaarden. Die zijn niet gewijzigd en daaraan moet je dus nog steeds voldoen om gebruik te kunnen maken van de aftrek van € 0,25 per kilometer.

Structureel
De goedkeuring om € 0,25 in plaats van € 0,23 onbelast te vergoeden, is opgenomen in een beleidsbesluit. Op Prinsjesdag 2026 zal een en ander in een wetsvoorstel worden opgenomen. De verhoging van € 0,23 naar € 0,25 is ook niet alleen voor 2026, maar structureel. Dit betekent dat de € 0,25 ook na 2026 nog van toepassing is.

Goedkoop onbeperkt treinreizen
Het kabinet denkt nog verder mee om de gevolgen van de hoge brandstofprijzen te verlagen. Zo kan van vanaf 15 juni 2026 voor € 49 per maand in de daluren (doordeweeks tussen 9-16 uur en van 18.30-6.30 uur en in weekenden en op feestdagen de hele dag) onbeperkt met de trein gereisd worden. Dit kan voor maximaal twee keer een maand. De laatste dag voor dit reisproduct is 31 augustus 2026. Daarom kun je uiterlijk op 31 juli 2026 zo’n abonnement afsluiten om er tot 31 augustus 2026 mee te reizen.

Let op!
Een dergelijk product om onbeperkt in de daluren te reizen bij de NS bestond al. Het heet Flex Dal Vrij en kost normaal € 127,95 per maand. In de periode van 15 juni tot 1 september 2026 kost dit € 49 per maand.


2. Gebruik van AI op de werkvloer

Kunstmatige intelligentie, ook wel aangeduid als Artificial Intelligence (AI), is niet langer weg te denken in het dagelijks leven en de werkvloer. Sta je als werkgever voldoende stil bij het gebruik van AI op de werkvloer?

AI op de werkvloer
Werknemers maken graag en veel gebruik van de vele mogelijkheden die AI biedt. Vaak ontbreekt een beleid over hoe om te gaan met AI. Dat dit niet zonder risico is, blijkt uit twee rechtbankuitspraken.

Social media posts
In een rechtszaak die voorkwam bij Rechtbank Overijssel verzorgde een marketingmedewerkster de socialmediaposts voor klanten van haar werkgever. Haar werkgever was echter niet tevreden over haar functioneren: ze kwam vaak te laat en liet de posts op social media door AI opstellen. Klanten waren niet tevreden over (het niveau van) haar werk. Dit had tot gevolg dat de werkgever omzetschade had geleden, omdat klanten naar de concurrent overstapten of weigerden de facturen te betalen.

De werkgever wilde de schade op de werkneemster verhalen. Dit is echter alleen mogelijk bij opzet dan wel bewuste roekeloosheid. Dat was hier niet aan de orde. Bovendien kon de werkgever niet hard maken dat er klanten waren vertrokken en dat hij omzetschade had geleden. Verder bleek nergens uit dat hij de werkneemster op haar gedrag had aangesproken of dat er instructies of vereisten waren gedeeld waaraan de socialmediaposts moesten voldoen.

De werkgever mocht de schade dus niet op de werkneemster verhalen. Hij had dit dan ook ten onrechte verrekend met haar loon.

Vragen aan ChatGPT
In een zaak bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant had een recruitmentconsultant een conflict over zijn re-integratie. Zijn werkgever had hem op staande voet ontslagen, omdat hij via zijn bedrijfslaptop aan ChatGPT had gevraagd hoe hij een hoge ontslagvergoeding kon vorderen van zijn werkgever.

De werkgever had in de ontslagbrief de werknemer het verwijt gemaakt dat hij met de in ChatGPT ingevoerde informatie zijn geheimhoudingsplicht had geschonden. Nergens was echter uit gebleken dat de werknemer bedrijfsgeheimen van de werkgever had gedeeld. De werknemer had alleen informatie gedeeld over zijn arbeidsrelatie met de werkgever. Dit handelen van de werknemer was in beperkte mate verwijtbaar en niet voldoende voor een ontslag op staande voet.

AI-beleid
Organisaties zijn sinds 2 februari 2025 op grond van de AI-Verordening al verplicht te zorgen voor voldoende ‘AI-geletterdheid’ onder werknemers, zodat ze verantwoord AI kunnen gebruiken. Dit betekent dat werkgevers een informatieplicht hebben naar hun werknemers over de sociale, ethische en praktische aspecten van AI-gebruik.

Het is dus van belang een specifiek AI-beleid te hebben waarin staat wat wel en niet is toegestaan.

Tip!
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft hierover een praktische leidraad gepubliceerd ‘Aan de slag met AI-geletterdheid’. Ook de Rijksoverheid heeft een ‘Gids AI-Verordening’ gemaakt over AI-gebruik.


3. Basisboete € 10.000 bij contante betalingen vanaf € 3.000

Handelaren in goederen mogen vanaf 1 januari 2026 geen contante betalingen meer doen of betalingen accepteren vanaf € 3.000. Het basisbedrag van de boete bij overtreding van dit verbod is een vast bedrag van – in principe – € 10.000.

Contante betalingen vanaf € 3.000
Voor ondernemers die goederen aan- of verkopen zijn vanaf 1 januari 2026 contante betalingen vanaf € 3.000 niet meer toegestaan. Het maakt daarbij niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. In alle gevallen zijn contante betalingen vanaf € 3.000 niet meer toegestaan.

Let op!
Een particulier mag wel een contante betaling boven de € 3.000 van een andere particulier accepteren, bijvoorbeeld bij een verkoop op marktplaats.

De grens van € 3.000 heeft als doel het witwassen van contant geld afkomstig uit illegale transacties te bemoeilijken en zodoende ook terrorisme te bestrijden. De grens moet daarnaast waarborgen dat het betalingsverkeer wel toegankelijk blijft.

Basisbedrag boete € 10.000
De boete voor overtreding van het verbod is vastgesteld op een vast basisbedrag van € 10.000. De Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI), onderdeel van het Ministerie van Financiën, houdt toezicht op naleving van het verbod.

Lagere of hogere boete
Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld draagkracht, kunnen aanleiding zijn om de boete te verlagen. Aan de andere kant kan herhaaldelijk overtreden van het verbod aanleiding zijn om de boete te verhogen. Zo kan een boete van € 20.000 worden opgelegd als binnen vijf jaar na een boete wederom het verbod overtreden wordt.

Let op!
Er kan ook strafrechtelijk worden opgetreden op grond van de Wet op de economische delicten.


4. Wetsvoorstel loontransparantie ingediend

Op 21 mei 2026 is het wetsvoorstel ‘implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen’ ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wet moet een einde maken aan de huidige nog bestaande loonverschillen tussen mannen en vrouwen.

Loonkloof mannen en vrouwen
Volgens het CBS verdienden vrouwen in het bedrijfsleven in 2024 gemiddeld 14,5% minder per uur dan mannen. Bij de overheid was dit gemiddeld 4,5% per uur minder. Dit verschil komt vaak doordat vrouwen minder vaak een leidinggevende positie hebben, vaker werkzaam zijn in sectoren waar de lonen wat lager liggen of door verschillen in opleidingsniveau.

Let op!
Ook bij hetzelfde werk verdienden vrouwen gemiddeld 6,1% minder in het bedrijfsleven en 1,7% minder bij de overheid dan mannen.

Richtlijn
Het wetsvoorstel ‘implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen’ moet ervoor zorgen dat werknemers meer inzicht krijgen in de loonverschillen tussen mannen en vrouwen. Met het wetsvoorstel wordt de Europese richtlijn Loontransparantie in de Nederlandse wet opgenomen.

Loontransparantie
Transparantie begint straks al in de sollicitatiefase. Werkgevers moeten sollicitanten dan tijdig informeren over het salaris of de salarisbandbreedte die bij een functie hoort. Tijdig wil zeggen voordat onderhandelingen over het loon plaatsvinden. Werkgevers mogen daarnaast niet langer aan sollicitanten vragen wat hun huidige salaris is of vroegere salaris was.

Functiewaarderingssysteem
In de wet wordt ook opgenomen dat vrouwen en mannen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid hetzelfde loon ontvangen. Werkgevers moeten straks een objectief systeem hebben voor het waarderen en indelen van de functies in hun organisatie. Op die manier kan een werknemer zien op basis van welke uitgangspunten hij in een bepaalde schaal is ingedeeld en welke treden hij nog kan doorlopen. Daarnaast moeten werkgevers duidelijk maken hoe hun beloningsbeleid in de praktijk wordt toegepast. Deze criteria moeten objectief, inzichtelijk en uitlegbaar zijn.

Informatierecht werknemers
Na invoering van de wet:

  • mogen werknemers inzage vragen in de criteria voor loon en loonniveaus, en
  • moeten werknemers op verzoek informatie krijgen over hun eigen loon en de gemiddelde lonen binnen hun functiegroep, uitgesplitst naar geslacht.

Let op!
Werkgevers moeten hun werknemers jaarlijks informeren over deze rechten en hoe zij hiervan gebruik kunnen maken.

Werkgevers met minimaal vijftig werknemers moeten straks aan werknemers ook makkelijk toegang geven tot de criteria voor de loonontwikkeling.

Rapportageplicht
De wet zorgt ervoor dat bedrijven met minimaal 100 werknemers straks regelmatig rapporteren over het loonverschil in hun organisatie. Op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) worden in de toekomst rapportages gepubliceerd van bedrijven die onder de rapportageplicht vallen.

Let op!
Deze rapportages laten alleen zien of er binnen organisaties loonverschillen, uitgedrukt in percentages, bestaan tussen groepen werknemers die gelijk of gelijkwaardig werk doen.

Werkgevers met minimaal 250 werknemers moeten deze rapportage straks jaarlijks doen, werkgevers met minimaal 100, maar minder dan 250 werknemers, elke drie jaar.

Ondersteuning werkgevers
Er komt informatie beschikbaar voor werkgevers over hoe ze om moeten gaan met deze verplichtingen. Momenteel werkt het Ministerie van SZW samen met onder meer vakbonden en werkgeversorganisaties aan voorlichting en hulpmiddelen voor werkgevers.

Inwerkingtreding 1 januari 2027
Als de Tweede en Eerste Kamer instemmen met het wetsvoorstel, is het de bedoeling dat de wet op 1 januari 2027 in werking treedt. Dat lijkt snel, maar eigenlijk had de richtlijn al op 7 juni 2026 in de wet moeten zijn opgenomen.

Let op!
Als de wet ingaat op 1 januari 2027, moeten bedrijven met meer dan 150 werknemers uiterlijk in juni 2028 rapporteren over de loonverschillen in 2027. Werkgevers vanaf 100 tot 150 werknemers hoeven pas voor het eerst te rapporteren in 2031 over de loonverschillen in 2030.


5. Compensatie transitievergoeding vervalt volledig vanaf 2027

De compensatieregeling voor de transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid verdwijnt per 1 januari 2027 volledig voor alle werkgevers. Dit in tegenstelling tot eerdere berichten, waarin deze compensatieregeling voor kleine werkgevers zou blijven bestaan tot 1 januari 2028. Nieuw is ook dat de compensatieregeling voor de transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd of na overlijden, volledig verdwijnt per 1 januari 2027. Er komt wel overgangsrecht voor situaties waarin al vóór 1 januari 2027 het opzegverbod tijdens ziekte afloopt of waarin de werkgever vóór 1 januari 2027 bij het UWV toestemming vraagt voor ontslag vanwege de bedrijfsbeëindiging.


6. Tweede Kamer: meer zekerheid voor flexwerkers

De Tweede Kamer is akkoord met het wetsvoorstel Meer zekerheid voor flexwerkers. Als de Eerste Kamer ook instemt, wordt de onderbrekingstermijn na drie tijdelijke contracten drie jaar (nu is dat nog zes maanden). Voor scholieren/studenten met een bijbaan en voor seizoensarbeid blijft dit zes, respectievelijk drie maanden. Voor uitzendkrachten wordt de onderbrekingstermijn na zes tijdelijke contracten ook drie jaar (nu: zes maanden). De periode waarin zes tijdelijk contracten mogelijk zijn, wordt voor hen twee jaar (nu: drie jaar). De periode waarin zij elke dag kunnen worden ontslagen of geen vaste uren hebben, wordt één jaar (nu: anderhalf jaar). Nulurencontracten worden, behalve voor scholieren/studenten met een bijbaan en AOW’ers, verboden. In plaats daarvan komt een bandbreedtecontract met een maximumaantal uren niet meer dan 130% van het minimumaantal uren. Deze maatregel gaan waarschijnlijk in 2028 in. Vanaf 2027 krijgen uitzendkrachten wel al recht op arbeidsvoorwaarden die gelijk zijn aan die van werknemers van de inlener.

Nieuwsbrief mei 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief mei 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 11 mei 2026, 20:00 uur.


1. Arbeidsovereenkomst bij uurtarief tot € 38?

Op 21 april 2026 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel over het invoeren van een rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. De beoogde inwerkingtreding is 1 juli 2026.

Rechtsvermoeden bij uurtarief tot € 38
Na inwerkingtreding van de wet wordt de persoon die voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van minder dan € 38,00 per uur, vermoed een arbeidsovereenkomst te hebben bij die ander.

Op deze manier wordt de rechtspositie van deze werkenden beschermd. Overigens betreft het een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat opdrachtgevers het rechtsvermoeden kunnen tegenspreken door aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Slaagt de opdrachtgever hier niet in, dan is er sprake van schijnzelfstandigheid en bestaat er recht op de bescherming die het arbeidsrecht biedt, zoals recht op doorbetaalde vakantie en ontslagbescherming.

Het kabinet verwacht dat dit rechtsvermoeden in de praktijk een preventieve en normerende werking heeft, zodat kwetsbare werkenden minder snel in een situatie van schijnzelfstandigheid terechtkomen.

Indexatie op basis van de cao-loonontwikkeling
De Tweede Kamer heeft nog een belangrijk amendement aangenomen. Het was de bedoeling om genoemd uurtarief twee keer per jaar aan te passen in lijn met de aanpassingen van het wettelijk minimumloon. Op basis van het aangenomen amendement zal de indexatie van het uurtarief echter plaatsvinden aan de hand van de cao-loonontwikkeling.

Beoogde inwerkingtreding 1 juli 2026
De inwerkingtreding van het rechtsvermoeden op basis van het uurtarief is 1 juli 2026. De Tweede Kamer heeft dus al ingestemd, maar de Eerste Kamer moet zich hierover nog buigen.


2. Vanaf 1 mei ander rekeningnummer voor Belastingdienst

De Belastingdienst én de Dienst Toeslagen stappen per 1 mei 2026 over van de ING naar de Rabobank. Dit betekent dat ook de rekeningnummers wijzigen.

Wat betekent dit voor jou?
Als je belasting moet betalen, krijg je hierover bericht van de Belastingdienst. Het nieuwe rekeningnummer staat bij het bericht over de te betalen belasting.

Let op!
Het nieuwe rekeningnummer heeft geen gevolgen voor de manier van betalen. Zo blijven bijvoorbeeld internetbetalingen gewoon mogelijk.

Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer van de Belastingdienst wordt NL04 RABO 0200112244. Maar let op, voor sommige belastingen worden andere nieuwe rekeningnummers gebruikt.

Let op bij periodieke betalingen
Betaal je de Belastingdienst periodiek via een automatische incasso, dan hoef je niets te doen. De betalingen worden automatisch overgemaakt naar het nieuwe rekeningnummer.

Je moet alleen opletten wanneer je een periodieke betaling anders hebt geregeld, bijvoorbeeld via een periodieke overboeking bij je bank. In dat geval moet je wel zelf zorgen dat het rekeningnummer wordt aangepast.

Gebruik oude nummer gaat (nog) goed
Gebruik je per ongeluk het ‘oude’ rekeningnummer voor een betaling aan de Belastingdienst, dan wordt je betaling vooralsnog gewoon doorgesluisd naar de Belastingdienst en daar verwerkt. De Belastingdienst heeft hierover afspraken gemaakt met de ING, zodat belastingplichtigen niet de dupe worden.

Vanaf 20 april 2026 ander nummer inkomstenbelasting
Voor het betalen van een voorlopige of definitieve aanslag inkomstenbelasting kun je al vanaf 20 april 2026 het nieuwe rekeningnummer gebruiken.

Toeslagen
De Dienst Toeslagen stapt ook over naar de Rabobank en heeft vanaf 1 mei 2026 dus ook een nieuw rekeningnummer. Vanaf die datum kun je aan de Dienst Toeslagen betalen op het nieuwe rekeningnummer NL04 RABO 0200112244. Uitbetalen vanaf dit nummer doet de Dienst Toeslagen voor het eerst op maandag 22 juni 2026.

Let op!
Ook hier geldt dat bij betaling op het oude rekeningnummer, de betaling vooralsnog wordt doorgesluisd naar het nieuwe rekeningnummer.

Belastingdienst waarschuwt voor phishing
Vanwege de wijziging van de rekeningnummers, waarschuwt de Belastingdienst nadrukkelijk voor phishing. Criminelen proberen namelijk regelmatig via e-mail, sms, whatsapp of per telefoon een niet-bestaande belastingschuld bij belastingplichtigen te innen. De Belastingdienst int belastingen echter nooit op die manier. Twijfel je of een bericht echt is, volg dan het stappenplan op de website van de Belastingdienst en controleer het rekeningnummer.


3. Youngtimer per 1 januari 2027 naar privé?

In verband met de wijzigingen in de youngtimerregeling wil je een youngtimer overbrengen naar privé per 1 januari 2027. Kan dat en is een besluit daarover nu al verstandig?

Youngtimerregeling
Met ingang van 1 januari 2027 bedraagt de bijtelling voor privégebruik van een auto die 25 jaar (en langer) geleden voor het eerst in gebruik is genomen, 35% van de waarde in het economisch verkeer. Alle jongere auto’s vallen onder de gewone bijtellingsregels. Tot en met 2025 lag de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling nog op 15 jaar, in 2026 ligt deze leeftijdsgrens op 16 jaar.

In verband met deze wijzigingen is het wellicht fiscaal aantrekkelijker om de youngtimer niet langer zakelijk te rijden. Maar kun je de youngtimer zonder meer overbrengen naar privé?

IB-onderneming
Rijd je de youngtimer vanuit je onderneming in de inkomstenbelasting (IB-onderneming), bijvoorbeeld vanuit je eenmanszaak, en heb je de auto als ondernemingsvermogen geëtiketteerd? Dan kun je de auto niet zonder meer overbrengen naar privé. Zo’n keuzeherziening is alleen toegestaan bij bijzondere omstandigheden.

Gelukkig heeft de Belastingdienst laten weten dat de wetswijziging waarbij de leeftijdsgrens wordt verhoogd naar 25 jaar zo’n bijzondere omstandigheid kan zijn. Je moet dan wel aannemelijk maken dat je de auto bij aanschaf niet als ondernemingsvermogen had geëtiketteerd als de leeftijdsgrens toen ook al op 25 jaar had gelegen. Dat aannemelijk maken zal over het algemeen niet zo moeilijk zijn.

Let op!
Het bovenstaande is alleen van toepassing als de auto keuzevermogen vormt. Is de auto verplicht ondernemingsvermogen, dan kun je deze niet etiketteren als privévermogen. Neem voor meer informatie over je eigen situatie contact op met onze adviseurs.

Bv
Is de youngtimer vanuit je bv aan je ter beschikking gesteld? Dan kun je de youngtimer naar privé overbrengen door deze tegen de waarde in het economisch verkeer in privé te kopen. In tegenstelling tot de situatie bij een IB-onderneming heb je hiervoor geen bijzondere omstandigheden nodig.

Nog wachten?
Wellicht is het verstandig om nog even te wachten met een definitief besluit over het overbrengen van de youngtimer naar privé. De Tweede Kamer heeft de regering namelijk verzocht om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden en niet in één keer. Dit zou dan wel gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economisch verkeer.

Let op!
Het is op dit moment nog niet bekend of en zo ja hoe, de regering aan het verzoek tegemoetkomt.


4. Uitbreiding OSS, deels al van 1 januari 2027

De OSS wordt waarschijnlijk vanaf 1 januari 2027 al uitgebreid voor leveringen van gas, elektriciteit, warmte en koude aan consumenten.

OSS
Lever je als in Nederland gevestigde btw-ondernemer goederen of diensten aan klanten in een ander EU-land die geen btw-aangifte doen? En moet je de over die goederen of diensten verschuldigde btw aangeven in dat andere EU-land? Dan kun je er in een aantal situaties voor kiezen om de verschuldigde buitenlandse btw aan te geven via een zogenoemde OSS-aangifte.

De OSS staat voor One Stop Shop en biedt je de mogelijkheid om via het éénloketsysteem in Nederland de btw aan te geven die je in het andere EU-land verschuldigd bent. Dat doe je dan één keer per kwartaal. De Belastingdienst stuurt dan je melding en betaling naar de Belastingdienst van dat andere EU-land.

Uitbreiding OSS
In het op 26 maart 2026 bij de Tweede Kamer ingediende wetvoorstel ‘Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie’ wordt de OSS vanaf 1 januari 2027 uitgebreid voor leveringen van elektriciteit, gas, warmte en koude aan consumenten (B2C-leveringen, ofwel Business to Consumer-leveringen).

Daarnaast wordt de OSS in het wetsvoorstel per 1 juli 2028 verder uitgebreid voor B2C-montageleveringen, B2C-leveringen aan boord van schepen, luchtvaartuigen of treinen, en bepaalde binnenlandse B2C-leveringen.Verder wordt in het wetsvoorstel vanaf 1 juli 2028 een nieuwe btw-regeling geïntroduceerd voor de overbrenging van eigen goederen, de zogenoemde overbrengingsregeling.

Uitbreiding btw-verleggingsregelingen
Vanwege het wetsvoorstel wordt per 1 juli 2028 ook een aanvullende verleggingsregeling ingevoerd. Dat leidt ertoe dat buitenlandse ondernemers die in Nederland zijn gevestigd en hier geen vaste inrichting en Nederlands btw-identificatienummer hebben, de verschuldigde btw vaker kunnen verleggen naar de Nederlandse afnemer.

Implementatie onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese VIDA-richtlijn
De voorgestelde wetswijzigingen gaan over een van de drie onderwerpen uit de Europese richtlijn VAT In the Digital Age (hierna: VIDA-richtlijn). De andere twee onderwerpen worden via aparte wetsvoorstellen geïmplementeerd in de Nederlandse btw-wetgeving. De Europese VIDA-richtlijn gaat over de volgende drie onderwerpen:

  1. De introductie van elektronische facturering en digitale rapportageverplichtingen (vanaf 1 juli 2030).
  2. Regels voor de platformeconomie in de vorm van de invoering van een zogenoemde platformfictie voor het verrichten van bepaalde diensten (vanaf uiterlijk 1 juli 2028).
  3. De enkele btw-registratie (gedeeltelijk vanaf 1 januari 2027 en voor het grootste deel vanaf 1 juli 2028). Voor dit onderdeel is dus op 26 maart 2026 het hiervoor vermelde Nederlandse wetsvoorstel ingediend.

Waarom wordt de OSS uitgebreid?
De OSS wordt uitgebreid om de administratieve lasten te verlichten voor ondernemers met grensoverschrijdende transacties aan consumenten in andere EU-landen en om belemmeringen voor hun deelname aan de interne markt weg te nemen.

Door de uitbreiding van de OSS krijgen ondernemers de mogelijkheid om zich voor meer B2C-leveringen in één EU-land te registreren voor de btw. In dat EU-land kunnen die ondernemers de in de andere EU-landen verschuldigde btw aangeven en afdragen. Dit vermindert de administratieve lasten.

Let op!
Een ondernemer is niet verplicht om voor de OSS te kiezen. Een ondernemer kan de eventueel in het buitenland betaalde btw op inkopen en investeringen niet in aftrek brengen in de OSS-aangifte. Dit kan een reden zijn om niet te kiezen voor de OSS en toch buitenlandse btw-aangiften te blijven doen.

Let op!
Het wetsvoorstel is nu nog in behandeling bij de Tweede Kamer. Als de Tweede Kamer instemt, moet daarna ook de Eerste Kamer nog instemmen.


5. Geen teruggaaf box 3 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers?

In de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) staat de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement. Een AG heeft de Hoge Raad geadviseerd om dit niet toe te staan. Niet-bezwaarmakers hebben volgens de AG dus geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020. De Hoge Raad hoeft een advies van een AG overigens niet te volgen. Het wachten is daarom op het oordeel van de Hoge Raad. Wanneer de Hoge Raad zich hierover uitspreekt is nog niet bekend. In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad hoef je geen nadere actie te ondernemen.


6. In 2026 nog compensatie transitievergoeding langdurig zieke

Een werkgever kan compensatie vragen voor een transitievergoeding die hij verschuldigd is bij ontslag van een werknemer die meer dan twee jaar ziek is. Het vorige kabinet was van plan om deze compensatie vanaf 1 juli 2026 alleen nog aan kleine werkgevers te geven, maar de inwerkingtreding is uitgesteld tot 1 januari 2027. Het huidige kabinet is overigens van plan om de compensatie van de transitievergoeding van een langdurig zieke per 1 januari 2028 voor alle werkgevers af te schaffen. Ook een kleine werkgever heeft dus, als dit plan doorgaat, vanaf 1 januari 2028 geen recht meer op compensatie.

Nieuwsbrief april 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief april 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 13 april 2026, 20:00 uur.


1. Ongewenste effecten 12% pseudo-eindheffing fossiele auto van de zaak

Vanaf 2027 geldt een 12% pseudo-eindheffing voor de fossiele personenauto van de zaak. De Tweede Kamer heeft de regering verzocht om te werken aan oplossingen voor ongewenste effecten van deze regeling.

Pseudo-eindheffing voor personenauto met CO2-uitstoot
Met ingang van 1 januari 2027 wordt een 12% pseudo-eindheffing in de loonbelasting ingevoerd. Vanaf dat moment is een werkgever 12% pseudo-eindheffing verschuldigd over de cataloguswaarde van een personenauto met CO2-uitstoot die hij aan een werknemer ter beschikking stelt.

Let op!
Voor personenauto’s die een werkgever al vóór 1 januari 2027 ter beschikking heeft gesteld, geldt overgangsrecht. Voor deze personenauto’s geldt de heffing voor de werkgever pas vanaf 18 september 2030. Wijzigt een werknemer van werkgever en neemt hij de personenauto mee, dan vervalt het overgangsrecht voor die personenauto en geldt voor de nieuwe werkgever wel meteen de pseudo-eindheffing.

Heffing bij fossiel vervangend vervoer
De pseudo-eindheffing is de hele maand van toepassing, ook als een fossiele personenauto slechts enkele uren of een dag ter beschikking wordt gesteld in die maand. Dit betekent dat bij een vervangende personenauto met een CO2-uitstoot groter dan nul, de werkgever in die maand 12% eindheffing verschuldigd is over de cataloguswaarde van de vervangende personenauto.

Schadeherstel- en verhuurbedrijven
De Tweede Kamer heeft dit ongewenste effect van de nieuwe eindheffing ook opgemerkt. De pseudo-eindheffing zou schadeherstel- en verhuurbedrijven in de huidige vorm immers min of meer dwingen tot een volledig elektrisch wagenpark met ingang van 2027. Dat is irreëel gezien de lopende afspraken van deze bedrijven met betrekking tot het wagenpark en vanwege onvoldoende laadcapaciteit (en door de netcongestie ook geen zicht op snelle uitbreiding van die capaciteit).

Rijscholen
Daarnaast leidt de pseudo-eindheffing tot extra administratieve lasten voor onder andere rijscholen. Een elektrische personenauto is namelijk een automaat. Om te leren schakelen zal een lesauto daarom altijd een brandstofauto moeten zijn (met een CO2-uitstoot groter dan nul). Het bijhouden van een rittenregistratie om aan te tonen dat er niet privé met de personenauto wordt gereden is gezien het gebruik van de lesauto onwerkbaar. Lesauto’s gaan immers niet van A naar B, maar rijden willekeurig rond tijdens de lessen.

Wegnemen ongewenste effecten
Daarom verzoekt de Tweede Kamer de regering om in overleg met de sector te werken aan oplossingen voor deze ongewenste effecten van de pseudo-eindheffing.


2. Europese Commissie stelt nieuw vennootschapsmodel voor

De Europese Commissie (EC) wil het mogelijk maken om snel en zonder startkapitaal een Europese bv op te richten: de EU Inc. De EU Inc. kan in meerdere landen activiteiten verrichten, zodat het concurrentievermogen van Europese bedrijven verbetert.

Eenvoud belangrijkst
De eenvoud van het plan is het belangrijkst. Wie momenteel in verschillende EU-lidstaten actief wil zijn, moet vaak in iedere lidstaat een apart bedrijf oprichten in de vorm van bijvoorbeeld een dochtermaatschappij. Daarvoor gelden in iedere lidstaat aparte voorwaarden en regels met betrekking tot onder meer startkapitaal en registratie. Via een EU Inc. wordt dit met een geharmoniseerd aantal regels sterk vereenvoudigd. De keuze voor een EU Inc. is optioneel.

Snel en goedkoop
De oprichting van een EU Inc. kan binnen 48 uur volledig digitaal plaatsvinden voor minder dan € -100. Er is ook geen kapitaalvereiste. Verder wordt er een centraal EU-register met bedrijfsgegevens ingevoerd en ontvangen de bedrijven na registratie automatisch belasting- en btw-nummers. Ook faillissementsprocedures verlopen volledig digitaal.

Optieplannen
EU Inc.-bedrijven kunnen optieplannen voor hun werknemers starten, waarbij pas bij verkoop van de opties met de Belastingdienst hoeft te worden afgerekend. Investeren wordt vereenvoudigd door formele procedures en tussenpersonen bij aandelentransacties af te schaffen. Lidstaten kunnen zelf beslissen of ze de EU Inc. toegang verlenen tot de beurs, waarbij bescherming kan worden geboden tegen vijandige overnames.

Meerdere nieuwe initiatieven
De EU kondigde meerdere nieuwe initiatieven aan, zoals het zoveel mogelijk digitaliseren van de communicatie tussen bedrijven en overheid. Ook is het de bedoeling dat er aparte gerechtelijke Kamers komen voor EU Inc.-bedrijven. Verder streeft men naar volledig grensoverschrijdend telewerken voor start en scale-ups. Andere initiatieven betreffen het verbeteren van toegang tot kapitaal en een evaluatie van Europese durfkapitaalfondsen, het scheppen van gelijke fiscale kaders en een vermindering van de administratieve lasten.

Invoering via verordening
De EU Inc. zal via een verordening worden ingevoerd. Het voordeel is dat dit een directe werking heeft in alle lidstaten. Een nadeel is dat unanieme steun voor een verordening vereist is. Dit brengt het risico mee dat landen tijdens de onderhandelingen uitzonderingen willen toevoegen. Het streven is de besluitvorming inzake de EU Inc. nog in 2026 af te ronden.


3. Nieuwe wijziging youngtimerregeling per 2027

Eind vorig jaar is de youngtimerregeling gewijzigd. De Tweede Kamer heeft de regering onlangs echter verzocht de verhoging van de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling niet in één keer, maar geleidelijk te laten plaatsvinden.

Youngtimerregeling in 2026
Met ingang van 2026 is de youngtimerregeling gewijzigd. In 2026 bedraagt daardoor de bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, 35% van de waarde in het economisch verkeer. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op 15 jaar.

Overgangsregeling in 2026
Is de auto in 2026 jonger dan 16 jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast. Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 15 jaar of ouder was, geldt een overgangsregeling. Voor deze auto mag heel 2026 nog uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Huidige wettelijke regels youngtimerregeling vanaf 2027
Met ingang van 1 januari 2027 gaat, onder de huidige wettelijke regels, de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling in een keer naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.

Nieuwe wijziging youngtimerregeling vanaf 2027
De Tweede Kamer meent dat de korte overgangsperiode in de huidige youngtimerregeling voor onbedoelde neveneffecten zorgt voor verkopers en gebruikers van youngtimers. De Tweede Kamer vindt dan ook dat de regering moet afzien van de verhoging van de leeftijdsgrens in één keer naar 25 jaar met ingang van 1 januari 2027. De Tweede Kamer verzoekt de regering om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden. Dit zou dan gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economische verkeer.

E-timerregeling?
De Tweede Kamer doet ook het verzoek om een e-timerregeling uit te werken om te voorkomen dat elektrische leaseauto’s die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease massaal naar het buitenland worden geëxporteerd.


4. Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups

Het kabinet wil start-ups en scale-ups fiscaal stimuleren met twee maatregelen: belastingheffing in box 3 door middel van vermogenswinst (in plaats van vermogensaanwas) én een lagere loonheffing op het inkomen uit aandelenopties voor werknemers. Ter financiering worden de meewerkaftrek en stakingsaftrek in de IB afgeschaft.

Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3
In het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement volgens de hoofdregel belast volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeontwikkelingen tot het werkelijke rendement behoren. Op de hoofdregel geldt een uitzondering voor onroerende zaken en start en scale-ups. Het werkelijke rendement wordt voor die vermogensbestanddelen berekend volgens een vermogenswinstbelasting: alleen gerealiseerde waardeontwikkelingen (bijvoorbeeld bij verkoop) horen dan tot het werkelijke rendement.

Let op!
De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028. De Eerste Kamer moet nog stemmen over het wetsvoorstel.

Definitie start-up en scale-up
In het oorspronkelijke wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is opgenomen dat de vermogenswinstbelasting geldt voor startende ondernemingen. Dit wordt gewijzigd in start-ups en scale-ups. In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen start-ups en scale-ups is een definitie opgenomen van een start-up en een scale-up: een bedrijf dat een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie.

Let op!
Onder een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de sector.

Om een start-up of scale-up te zijn volgens die definitie, mogen de aandelen of winstbewijzen niet verhandeld worden op een gereguleerde markt of voor meer dan 25% in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt.

Let op!
Bij RVO kan straks een beschikking aangevraagd worden of sprake is van een start-up of scale-up.

Lagere loonheffing aandelenopties
In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen start-ups en scale-ups is ook een maatregel opgenomen die medewerkersparticipatie bij start-ups en scale-ups stimuleert door een lagere loonheffing. Op inkomen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups wordt hiertoe een korting van 35% toegepast, waardoor de grondslag waarover loonheffing wordt berekend 65% van het inkomen bedraagt. Het effectieve loonheffingentarief wordt daarmee ongeveer 32% waarmee het ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2. Naast de lagere loonheffing wordt ook het heffingsmoment verplaatst naar het moment van daadwerkelijke verkoop van de aandelen die verkregen zijn bij de uitoefening van het aandelenoptierecht.

Let op!
De regeling gaat ook gelden voor aandelenopties die zijn uitgegeven op of na 17 april 2025 mits de loonheffing over het inkomen uit de aandelenopties zich nog niet heeft voorgedaan.

Afschaffing meewerkaftrek en stakingsaftrek
Om de hiervoor gemelde fiscale stimulatie van de start-ups en scale-ups te financieren worden de meewerkaftrek en de stakingsaftrek in de inkomstenbelasting per 1 januari 2027 met 75% versoberd en per 1 januari 2030 volledig afgeschaft.

Internetconsultatie
Het wetsvoorstel ligt nu ter internetconsulatie. Tot en met 29 april 2026 kan iedereen hierop reageren. In het kader van eventuele staatssteun moet de lagere loonheffing op aandelenopties nog voor goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën is voornemens om het wetsvoorstel in september bij de Tweede Kamer in te dienen. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1januari 2027 in werking te laten treden.


5. Voorkom belastingrente met tijdige aangifte of voorlopige aanslag

De Belastingdienst berekent 5% belastingrente als een (voorlopige) aanslag IB of Vpb 2025 vanaf 1 juli 2026 wordt opgelegd. De belastingrente wordt dan berekend over de periode die begint op 1 juli 2026 en die eindigt zes weken na dagtekening van de (voorlopige) aanslag. De belastingrente kunt u voorkomen door vóór 1 mei 2026 uw aangifte IB 2025 juist en volledig in te dienen. Voor de Vpb moet u dat doen vóór 1 juni 2026. U kunt de belastingrente ook voorkomen door vóór 1 mei 2026 een juiste en volledige aanslag IB 2025 of Vpb 2025 aan te vragen.


6. Andere partnerverdeling na rechtsherstel box 3 toegestaan!

Kreeg u box 3-belasting terug van de Belastingdienst na het Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021? Dan kan het zijn dat een andere verdeling van uw box 3 inkomen tussen u en uw fiscale partner gunstiger was. De Belastingdienst vond dat u echter niet meer anders kon verdelen, maar de Hoge Raad vindt dat dit wel kon. U had daar dan wel een verzoek voor moeten doen binnen zes weken na de beschikking waarin de Belastingdienst de box 3-belasting verminderde. Verminderde de Belastingdienst bijvoorbeeld op 20 juli 2022 uw aangifte IB 2022, dan had u binnen zes weken na 20 juli 2022 moeten verzoeken om een andere verdeling. Deed u dat op tijd, dan moet de Belastingdienst de andere verdeling toestaan, aldus de Hoge Raad.

Nieuwsbrief maart 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief maart 2026


Let op!

Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 16 maart 2026, 20:00 uur.


1. Voorgenomen wijzigingen nieuwe box 3

Minister van Financiën Eelco Heinen liet eind februari weten dat hij het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wil aanpassen. Wat die aanpassingen precies inhouden, is nog niet duidelijk. Wat weten we al wel?

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
De Tweede Kamer stemde op12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen, ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in start-ups en scale-ups. Van deze vermogensbestanddelen behoort (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement.

Coalitieakkoord en opdrachten Tweede Kamer
In het coalitieakkoord is de wens opgenomen om het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting (met enkele uitzonderingen) om te vormen naar een volledige vermogenswinstbelasting. De Tweede Kamer stemde ook niet van harte in met het wetsvoorstel en gaf de regering de opdracht mee om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op een volledige vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief de dekkingsopties daarvoor.

Daarnaast gaf de Tweede Kamer de regering nog een aantal andere opdrachten mee, waaronder:

  • het uitwerken van een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven en bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel;
  • het mogelijk voor 1 januari 2028 reeds actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage en het doen van aanvullend onderzoek naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en het doen van een verkenning naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Let op!
Onlangs gaf de Tweede Kamer de regering ook nog de opdracht om in het nieuwe box 3-stelsel een achterwaartse verliesverrekening van minimaal één jaar te introduceren.

Reactie staatssecretaris
De staatssecretaris van Financiën, Eelco Eerenberg, geeft in een Kamerbrief van 6 maart 2026 aan dat het kabinet er niet voor kiest om het huidige box 3-stelsel langer dan tot en met 2027 voort te zetten. Invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 is belangrijk, omdat het huidige systeem onhoudbaar is, aldus de staatssecretaris.

Het kabinet overweegt wel om het nieuwe box 3-stelsel op twee momenten aan te passen:

  1. Het eerste moment betreft het aanpassen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt. Het kabinet gaat in overleg met de Tweede Kamer om opties uit te werken die de vermogensaanwasbelasting verbeteren. Verder kijkt het kabinet naar invoering van een achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029. Dit zou betekenen dat verliezen voor het eerst achterwaarts verrekend kunnen worden met box 3-inkomen uit 2028. Of een en ander uitvoerbaar is gezien de ICT-capaciteit, wordt momenteel in kaart gebracht. Ook de invulling van de budgettaire dekking is nog niet bekend.
  2. Het tweede moment betreft het doorontwikkelen van een box 3-stelsel naar een volledige vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Dit kost tijd vanuit het perspectief van wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en de gegevensuitwisseling door financiële instellingen. Ook de budgettaire impact moet worden meegewogen. Over het traject van deze doorontwikkeling stuurt de staatssecretaris voor de zomer van 2026 een Kamerbrief.


Verbetering definitie startende ondernemingen

In maart wordt een apart wetsvoorstel ter internetconsultatie aangeboden, waarin een verbeterde definitie van startende ondernemingen is opgenomen. De definitie van startende ondernemingen in het huidige wetsvoorstel sluit onvoldoende aan bij de kenmerken van start-ups en scale-ups. Het aparte wetsvoorstel verbetert dat en wordt met ingang van 1 januari 2028 in de Wet werkelijk rendement box 3 opgenomen.

Let op!
Op Prinsjesdag 2026 zal waarschijnlijk pas echt duidelijk worden welke aanpassingen nog gedaan worden in het huidige wetsvoorstel. Op dat moment zal ook de budgettaire dekking van deze aanpassingen bekend moeten zijn.


2. Uitspraak Belastingdienst inzake hoogte belastingrente

De Belastingdienst heeft collectieve uitspraken gedaan op bezwaar over de hoogte van belastingrente op de vennootschapsbelasting (Vpb) en die van de inkomstenbelasting (IB) en overige belastingen. Wat betekent dit voor u?

Wat voorafging: massaal bezwaar en Hoge Raad
Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag Vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar. Een paar maanden later werden ook de tijdige bezwaren tegen de hoogte van de belastingrente op een aanslag IB en overige belastingmiddelen aangewezen als massaal bezwaar.

De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.

Collectieve uitspraken
Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 deed de Belastingdienst deze collectieve uitspraken voor zowel de Vpb als de IB en overige belastingen.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar Vpb
Zoals verwacht, verklaart de Belastingdienst alle bezwaren tegen de belastingrente Vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen vanaf het jaar 2022.

Hoogte belastingrente Vpb
De belastingrente Vpb gaat berekend worden naar het percentage dat geldt voor de overige belastingen (waaronder de IB), zie onderstaande tabel.

Periode Vpb Andere belastingen
1-1-2022 t/m 30-06-2023 8% 4%
1-7-2023 t/m 31-12-2023 8% 6%
1-1-2024 t/m 31-12-2024 10% 7,5%
1-1-2025 t/m 31-12-2025 9% 6,5%
Vanaf 1-1-2026 7,5% 5%


Let op!

In de IT-systemen van de Belastingdienst zijn inmiddels al de lagere belastingrentepercentages opgenomen. Aanslagen Vpb met een dagtekening na 7 februari 2026 worden daarom al met de lagere belastingrentepercentages berekend.

Automatisch bericht
Maakt u (of wij namens u) tijdig bezwaar tegen de belastingrente op een aanslag Vpb, dan ontvangt u binnen zes maanden een vermindering van de belastingrente van de Belastingdienst. Deze vermindering wordt berekend volgens de percentages in de derde kolom van de tabel.

Let op!
Ontving u een aanslag Vpb met belastingrente met een dagtekening van 17 januari 2026 tot en met 7 februari 2026, dan hoeft u zelf geen actie te ondernemen. U hoeft dus geen bezwaar te maken. De Belastingdienst zal uit eigen beweging de belastingrente opnieuw berekenen met de lagere percentages.

Nog wel actie vereist
Voor aanslagen Vpb met belastingrente met een dagtekening van 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026 is misschien nog wel actie vereist. De Belastingdienst verlaagt voor deze aanslagen namelijk de belastingrente niet uit zichzelf. Is er daarom nog geen bezwaar ingediend, dien dan een verzoek in om ambtshalve vermindering.

Let op!
Heeft de aanslag Vpb met belastingrente een dagtekening vóór 5 december 2025 en is daartegen geen tijdig bezwaar ingediend? Dan is er helaas niets meer mogelijk. Een verzoek om ambtshalve vermindering voor deze aanslagen wijst de Belastingdienst namelijk af. Dit is anders als het een voorlopige aanslag betreft. Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb kunt u namelijk een verzoek tot vermindering uiterlijk tot zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag Vpb indienen.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar IB en overige belastingen
De Belastingdienst verklaart alle bezwaren tegen de belastingrente IB en overige belastingen in de massaalbezwaarprocedure ongegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de IB en overige belastingen afwijst. U krijgt hier niet zelf een bericht over.

Let op!
Had u uitstel van betaling voor de belastingrente, dan krijgt u van de Belastingdienst nog wel een bericht dat het uitstel van betaling wordt ingetrokken.


3. Belastingvrije vergoedingen tijdelijke verblijfkosten 2026

Tijdelijke verblijfkosten zijn de kosten die uw werknemers maken tijdens zakelijke reizen. Deze kunt u, onder voorwaarden, belastingvrij vergoeden aan uw werknemers. U kunt wellicht aansluiten bij de bedragen die ambtenaren belastingvrij krijgen als ze op dienstreis zijn.

Belastingvrije tijdelijke verblijfkosten
De vergoeding van de tijdelijke verblijfskosten kan alleen belastingvrij als voldaan wordt aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling. Uw werknemer moet dan een zogenaamde ambulante werknemer zijn. Dat is het geval als uw werknemer steeds naar verschillende arbeidsplaatsen reist of als hij doorgaans één keer per week op maximaal 20 dagen naar dezelfde arbeidsplaats reist.

Let op!
Het gaat om een aaneengesloten periode waarin de 20 dagen vallen. Bij een incidentele onderbreking loopt de referentieperiode waarin de 20 dagen berekend worden gewoon door. Bij een langere onderbreking begint een nieuwe referentieperiode voor het tellen van de maximale 20 dagen.

De gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten kan ook gelden in de situatie dat een werknemer om zakelijke redenen (nog) niet bij de plaats van het werk gaat wonen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tijdelijke projecten of als een werknemer nog in de proeftijd zit.

Aansluiten bij vergoeding ambtenaren op dienstreis
Het is toegestaan om voor de vergoeding van de tijdelijke verblijfkosten aan te sluiten bij de onbelaste verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren op dienstreis kunnen krijgen. U mag dat doen voor werknemers die met dezelfde soort kosten worden geconfronteerd als ambtenaren op dienstreis. Dat is aannemelijk als sprake is van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden als ambtenaren op dienstreis. Er moet ook sprake zijn van een dienstreis. Zo zal bijvoorbeeld voor een bouwvakker die voor een periode van vier weken werkzaam is op een project, geen sprake zijn van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden.

Verder is vereist dat u vergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekent aan uw werknemers als volgens de cao Rijk. Dit betekent overigens niet dat u ook alle vergoedingen moet betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. U moet hierbij meer denken aan bijvoorbeeld de minimale verblijfsduur en de in de cao Rijk genoemde hoogte van de vergoedingen.

Vrijgestelde bedragen binnenlandse dienstreizen 2026
De vergoedingen en gericht vrijgestelde bedragen voor ambtenaren op binnenlandse dienstreizen zijn in 2026:

Verblijfkosten Vergoeding cao Rijk Gericht vrijgesteld
Kleine uitgave overdag € 7,35 € 6,56
Kleine uitgaven ‘s avonds € 21,92 € 13,12
Logies € 164,52 € 162,74
Ontbijt € 16,07 € 16,07
Lunch € 22,19 € 12,97
Avondmaaltijd € 33,57 € 33,56


Let op!

Behalve dat u moet aansluiten bij deze vergoedingen, moet u dus ook dezelfde voorwaarden hanteren. De bedragen en voorwaarden vindt u in onderdeel 10.2 van de cao Rijk.

Betaalbewijzen en werkelijke kosten
Uit de voorwaarden komt onder meer naar voren dat een ambtenaar die de kosten van de dienstreis declareert geen betaalbewijzen hoeft bij te voegen van bovenstaande uitgaven.
U kunt deze kosten daarom ook aan uw werknemer vergoeden zonder dat deze een factuur of betaalbewijs hiervan overlegt. Uiteraard moet wel aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer daadwerkelijk voor het werk heeft gereisd en overnacht. Ook moet de werknemer daadwerkelijk kosten maken. Voor een werknemer die (nagenoeg) geen kosten maakt, kunt u niet aansluiten bij de gerichte vrijgestelde vergoeding in de cao Rijk.

Let op!
Voor zover de vergoeding hoger is dan het gericht vrijgestelde bedrag, vormt dat meerdere individueel loon bij de werknemer. U kunt er ook voor kiezen het meerdere, mits gebruikelijk, aan te wijzen in de vrije ruimte.

Buitenlandse dienstreizen 2026
Ook voor buitenlandse dienstreizen geldt dat aangesloten moet worden bij de voorwaarden en bedragen in de cao Rijk (zie onderdeel 10.3 van de cao Rijk). De berekening van de bedragen voor buitenlandse dienstreizen is afhankelijk van de tijdelijke verblijfplaats. Een overzicht vindt u in bijlage 6 van de cao Rijk.

Tip!
Wilt u voor werknemers aansluiten bij de verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren krijgen op een buitenlandse dienstreis of heeft u andere vragen, neem dan voor meer informatie contact met ons op.


4. Uitzondering verbod contante betalingen vanaf € 3.000

Vanaf 1 januari 2026 geldt een verbod op contante betalingen vanaf € 3.000 voor goederen. Hierbij geldt een uitzondering voor aankopen buiten de EU. Andere uitzonderingen worden niet ingevoerd.

Verbod contante betalingen vanaf € 3.000
Contante betalingen vanaf € 3.000 zijn vanaf 1 januari 2026 in Nederland verboden. Het verbod geldt voor alle ondernemers die in of vanuit Nederland goederen aan- of verkopen, ongeacht in welke sector zij werkzaam zijn. Daarbij maakt het niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. Verder maakt het ook niet uit of de transactie in Nederland plaatsvindt of in het buitenland. In alle gevallen zijn contante betalingen aan of van in Nederland gevestigde ondernemers vanaf € 3.000 niet toegestaan.

Let op!
Particuliere verkopers vallen buiten de verbodsbepaling. Een particulier die bijvoorbeeld via Marktplaats iets verkoopt aan een andere particulier, mag dus nog wel een contante betaling boven de € 3.000 accepteren.

Uitzondering voor aankopen buiten de EU
Voor aankopen buiten de EU geldt bij de handhaving van het verbod een uitzondering. Een in Nederland gevestigde ondernemer kan daarom wel een aankoop buiten de EU van € 3.000 of meer contant betalen.

Geen andere uitzonderingen
Vertegenwoordigers van verschillende voertuig-, metaal- en scheepvaartbranches waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen, hebben met de minister van Financiën gesproken over knelpunten die door het verbod op contante betalingen ontstaan. Deze gesprekken hebben de minister er echter niet toegebracht om voor deze sectoren een uitzondering te maken.

De minister is namelijk niet van plan om een bredere uitzondering toe te staan voor specifieke goederen of sectoren of transacties met buitenlandse partijen. Dit zou in strijd zijn met het doel van het verbod op contante betaling, niet te handhaven zijn en niet goed aansluiten bij het in 2027 in te voeren Europese verbod op contante betalingen.

Europees verbod
Vanaf 10 juli 2027 geldt ook een Europees verbod op contante betalingen vanaf € 10.000. Dit Europese verbod betekent niet dat de grens in Nederland dan verhoogd wordt naar € 10.000. EU-landen mogen namelijk zelf de grens voor contante betalingen bepalen, zolang deze vanaf 10 juli 2027 maar onder de € 10.000 ligt.

Goederen, vanaf 10 juli 2027 ook diensten
Het verbod geldt nu alleen nog voor de handel in goederen. Een verbod op contante betalingen voor diensten volgt vanaf 10 juli 2027 bij de invoering van het Europese verbod. De grens voor diensten komt in Nederland, net als voor goederen, op € 3.000 te liggen.


5. Meer duidelijkheid voor zzp’ers en opdrachtgevers

Het kabinet schrapt een deel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (Vbar) dat al bij de Tweede Kamer ligt. Het gaat om het deel dat moest verduidelijken wanneer iemand als zelfstandige of als werknemer werkt. In plaats daarvan wordt de komende tijd het initiatiefwetsvoorstel Zelfstandigenwet nader uitgewerkt. Dit moet zorgen voor meer duidelijkheid voor zzp’ers en opdrachtgevers. Het kabinet wil wel het deel uit het wetsvoorstel Vbar dat laagbetaalde werkenden beschermt, snel in werking laten treden. Na inwerkingtreding kunnen werkenden met een uurloon tot € 38 dan een beroep doen op het rechtsvermoeden dat zij werknemer zijn. Zij hebben dan dezelfde rechten als iemand in loondienst (denk aan loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen, ontslagbescherming), tenzij de opdrachtgever kan aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.


6. Definitieve forfaits banktegoeden en schulden box 3 2025

De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden zijn onlangs voor 2025 vastgesteld op 1,37%, respectievelijk 2,70%. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag 2025 werd nog rekening gehouden met de voorlopige forfaits van 1,44%, respectievelijk 2,61%. Het definitieve forfait voor overige bezittingen was met 5,88% al langer bekend. De voorlopige en definitieve forfaits voor 2026 zijn overigens ook al vastgesteld: voor banktegoeden voorlopig op 1,28%, voor schulden voorlopig op 2,70% en voor overige bezittingen definitief op 6,00%. Als uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling.

Special Lonen 2026

By nieuwsbrief

Special Lonen 2026


De Special Lonen 2026 is een handig naslagwerk voor u als werkgever of als hr-medewerker.

Deze special bevat actuele cijfers en relevante wet- en regelgeving op onder meer het gebied van de loonbelasting, het gebruikelijk loon, de auto van de zaak, de WKR, subsidies voor de werkgever, diverse arbeidsrechtelijke zaken en pensioenen. 

Aan het einde van dit document is een aantal tabellen met cijfers en tarieven voor 2026 opgenomen.

Klik hier voor de special