Category

nieuwsbrief

Nieuwsbrief juli 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief juli 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 13 juli 2026, 20:00 uur.


1. Aanpassingen 12% pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s

De staatssecretaris van Financiën heeft aanpassingen aangekondigd voor de 12% pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s van de zaak. Deze eindheffing gaat in op 1 januari 2027.

12% pseudo-eindheffing
Een werkgever die een personenauto aan een werknemer ter beschikking stelt, ofwel een auto van de zaak, moet vanaf 2027 een pseudo-eindheffing aan de Belastingdienst betalen van 12% over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm.

Let op!
Deze heffing geldt ook voor de dga die een fossiele personenauto van de zaak rijdt. Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet door de heffing geraakt worden, maar mogelijk krijgt hij wel te maken met de pseudo-eindheffing voor zijn personeel.

Voorwaarden

  • voor de pseudo-eindheffing zijn dat de werkgever:
  • een personenauto ter beschikking stelt aan een werknemer,
  • die de werknemer ook privé mag gebruiken en
  • die een CO2-uitstoot heeft groter dan nul.

Let op!
Auto’s die geen personenauto zijn, bijvoorbeeld bestelbusjes, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Datzelfde geldt voor volledig elektrische en waterstof aangedreven personenauto’s.

Uitsluitend zakelijk gebruik?
Ook personenauto’s die uitsluitend zakelijk worden gebruikt, vallen straks niet onder de pseudo-eindheffing. Uitsluitend zakelijk gebruik zal echter niet snel voorkomen, omdat het woon-werkverkeer voor de pseudo-eindheffing niet zakelijk, maar privé is.

Al pseudo-eindheffing vanaf één dag!
De pseudo-eindheffing geldt voor de hele kalendermaand, ook als in die kalendermaand maar een of enkele dagen een fossiele personenauto aan een werknemer ter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing geldt dan dus niet voor die ene of enkele dag(en), maar voor de hele maand!

Aanpassingen
De praktijk heeft overlegd met het Ministerie van Financiën over knelpunten in de pseudo-eindheffing. Voor een aantal hiervan heeft de staatssecretaris aanpassingen aangekondigd:

  • Zo geldt bij tijdelijke vervanging van een ‘vaste’ personenauto bij schade, reparatie, onderhoud of bandenwissel de pseudo-eindheffing straks niet voor de vervangende personenauto. Deze uitzondering geldt maximaal voor een periode van veertien aaneengesloten kalenderdagen.
  • Verder komt er een vrijstelling van de pseudo-eindheffing voor de terbeschikkingstelling van een fossiele personenauto voor één periode van maximaal zeven aaneengesloten dagen per kalenderjaar. Deze vrijstelling vervalt per 1 januari 2031.
  • Tot slot geldt de pseudo-eindheffing straks niet voor lesauto’s.

Let op!
Bij de evaluatie van de pseudo-eindheffing in 2030 zal beoordeeld worden of deze aanpassingen effectief en nog nodig zijn.

Overgangsregeling verlengd naar 1 januari 2031
Personenauto’s die al voor 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling. Deze zou oorspronkelijk lopen tot 17 september 2030, maar de staatssecretaris heeft aangekondigd deze te willen verlengen naar 1 januari 2031. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.

Geen oplossing voor pseudo-eindheffing bij wisseling werkgever
De pseudo-eindheffing zal er waarschijnlijk voor zorgen dat werkgevers vanaf 2027 de oude fossiele personenauto van nieuwe werknemers niet willen overnemen van de vorige werkgever. Op dat moment eindigt namelijk het overgangsrecht, omdat de personenauto door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking wordt gesteld.

Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt, maar wil hier geen aanpassingen op doen. Dit betekent dat de werknemer bij wisseling van werkgever waarschijnlijk vaak geconfronteerd zal worden met een afkoopsom van de leaseauto.

Let op!
Het overgangsrecht blijft wel van toepassing als de personenauto gedurende de overgangstermijn aan een andere werknemer ter beschikking wordt gesteld.

Wel een oplossing bij fusies en overnames
De staatssecretaris heeft aangegeven dat bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, wel een uitzondering mogelijk is. Hier is geen wettelijke aanpassing voor nodig, dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.

Heffingsrecht in ander land
Tot slot heeft de staatssecretaris nog uitleg gegeven over berekening van de pseudo-eindheffing als het heffingsrecht van een ter beschikking gestelde fossiele personenauto op grond van een belastingverdrag deels is toegewezen aan een ander land. In dat geval mag deze verdeling ook worden toegepast op de pseudo-eindheffing.


2. Sportschool en personal trainer voor dga onbelast?

Kan een bv de kosten van de sportschool en een personal trainer van de dga onbelast vergoeden? Een rechtbank vond in een casus van vóór 2022 dat dit kon. Maar hoe zit dat vanaf 2022, toen de wet op dit punt gewijzigd is?

Gerichte vrijstelling arbovoorziening tot 2022
De casus voor de rechtbank ging over jaren vóór 2022. Een bv betaalde de kosten van de sportschool en een personal trainer voor de dga. De bv vond dat de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing was, omdat de bv als werkgever zo zorgdroeg voor de gezondheid van de werknemer(s). De rechtbank was het met de werkgever eens en paste de vrijstelling toe.

Let op!
De bv vergoedde ook de kosten van de partner van de dga. Nu de partner geen werknemer was van de bv, was dat niet mogelijk volgens de rechtbank.

Gebruikelijkheidstoets
De vergoeding van de kosten van de sportschool en de personal trainer was ongebruikelijk volgens de Belastingdienst. Om die reden zou de gerichte vrijstelling niet toegepast kunnen worden. De bewijslast dat iets ongebruikelijk is, ligt bij de Belastingdienst. Die kon het standpunt niet onderbouwen met data. De rechtbank ging daarom niet mee in het standpunt van de Belastingdienst.

Let op!
Dat de rechtbank in deze casus de vergoeding van de sportschool en de personal trainer niet ongebruikelijk vond, wil niet zeggen dat dit in andere casussen ook zo is. De rechtbank deed een uitspraak in deze specifieke casus en heeft niet in zijn algemeenheid geoordeeld dat de vergoeding van de sportschool en een personal trainer gebruikelijk is.

Wat betekent de uitspraak van de rechtbank?
Kan iedere dga de kosten van de sportschool en een personal trainer onbelast door de bv laten vergoeden? Nee, helaas niet.

Allereerst is het nog niet bekend of de Belastingdienst hoger beroep instelt tegen deze uitspraak. Het zou dus nog kunnen dat een gerechtshof in hoger beroep tot een ander oordeel komt.

Bovendien zijn de regels voor de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen met ingang van 2022 gewijzigd. Om die reden is het nog maar de vraag of de rechtbank voor de jaren vanaf 2022 tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen in deze casus. Het is dus niet zo dat elke dga nu de kosten van de sportschool en de personal trainer onbelast door zijn bv kan laten vergoeden.

Gerichte vrijstelling arbovoorziening vanaf 2022
Tot 2022 gold de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbobeleid dat de werkgever voert op grond van de
Arbowet. Vanaf 2022 geldt de gerichte vrijstelling alleen nog voor voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbowet. Ofwel, de niet-verplichte arbovoorzieningen vallen niet meer onder de gerichte vrijstelling vanaf 2022.

Sportschool en personal trainer vanaf 2022
Het is de vraag of het vergoeden van de kosten van de sportschool en een personal trainer een verplichting van de werkgever is op grond van de Arbowet. Als dat zo is, kan de arbovrijstelling worden toegepast.

De Belastingdienst is in ieder geval van mening dat de arbovrijstelling niet aan de orde is bij voorzieningen die evident gericht zijn op de bevordering van de algemene gezondheid van werknemers. De Belastingdienst zal toepassing van de arbovrijstelling op de vergoeding van de sportschool en personal trainer vanaf 2022 daarom zeer waarschijnlijk afwijzen.

Let op!
De Belastingdienst heeft ook aangegeven dat een voorziening die gericht is op de algemene gezondheid van de werknemer, in een individueel geval toch een verplichte arbovoorziening kan zijn. Hiervoor moet de werknemer in ieder geval een gezondheidsrisico lopen vanwege de arbeid die hij verricht. Er gelden nog meer voorwaarden. Neem hiervoor, en voor de beoordeling van je eigen specifieke situatie, contact op met onze adviseurs.


3. Fiscaal aantrekkelijk obligatieplan voor (sport)vereniging

De Belastingdienst heeft zich uitgesproken over de mogelijkheid voor een vereniging om via obligatieleningen van de leden op een fiscaal aantrekkelijke manier geld aan te trekken. Hoe werkt dit?

Obligatieplan
In de casus die voorgelegd is bij de Belastingdienst wilde een sportvereniging geld ophalen voor de realisatie van een aantal sportfaciliteiten. Het obligatieplan dat daarvoor bedacht was, werkte als volgt:

  • Een lid van de vereniging leent via een obligatielening geld uit aan de vereniging.
  • Deze obligatielening wordt in een bepaald aantal jaren afgelost door de vereniging.
  • Op de obligatielening wordt door de vereniging een zakelijke rente vergoed.
  • Het lid maakt met de vereniging een akte van schenking op, waarbij het lid jaarlijks gedurende minimaal vijf jaar een vast bedrag aan de vereniging schenkt.
  • De door de vereniging te betalen aflossing en rente op de obligatielening worden verrekend met deze jaarlijkse schenking.
  • Het verstrekken van een obligatielening door een lid gaat altijd gepaard met de periodieke schenking zoals hiervoor beschreven.

Let op!
De sportvereniging in deze casus voldeed aan de definitie die geldt voor het aftrekbaar zijn van een periodieke gift aan een vereniging. Een vereniging voldoet hieraan als ze niet aan
de vennootschapsbelasting is onderworpen of daarvan is vrijgesteld. Daarnaast moet de vereniging volledige rechtsbevoegdheid en minimaal 25 leden hebben.

Periodieke gift aftrekbaar?
De vraag aan de Belastingdienst was of de periodieke gift die het lid aan de sportvereniging doet, aftrekbaar is als periodieke gift. De Belastingdienst heeft hierop geantwoord dat sprake is van een aftrekbare periodieke gift als het een reële geldlening betreft met een zakelijk rentepercentage. Uiteraard moet ook aan de overige voorwaarden voor de periodieke giftenaftrek worden voldaan.

Let op!
De overige voorwaarden voor periodieke giftenaftrek zijn opgenomen op de website van de Belastingdienst.

Reële geldlening
Voor een reële geldlening is volgens de Belastingdienst in ieder geval een terugbetalingsverplichting nodig. Verder moet de geldlening voldoende realiteitswaarde hebben. Dit betekent dat:

  • het bedrag van de geldlening door het lid daadwerkelijk moet worden overgemaakt naar de vereniging;
  • in de overeenkomst de duur van de geldlening is opgenomen;
  • de vereniging ook over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen.

Zakelijke rente
De Belastingdienst geeft aan dat het niet mogelijk is om op voorhand een vast zakelijk rentepercentage te benoemen. Dit is namelijk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Desondanks geeft de Belastingdienst aan dat onder de feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven, aangesloten kan worden bij de rente op Nederlandse staatsobligaties met een vergelijkbare looptijd, vermeerderd met een beperkte risico-opslag.

Overleg met adviseur
Overweeg je met je vereniging een vergelijkbaar fiscaal aantrekkelijk obligatieplan? Overleg dan met onze adviseurs. De uitspraak van de Belastingdienst betekent namelijk niet dat elk obligatieplan zonder meer aan de voorwaarden voldoet. Zo kan er onder meer discussie ontstaan over de vraag of de vereniging over de vereiste middelen beschikt om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen of over de zakelijkheid van het rentepercentage.


4. Standaard betalingsregeling Belastingdienst voor particulieren

Met ingang van 1 juli 2026 hanteert de Belastingdienst in beginsel een standaard betalingsregeling voor particulieren die om uitstel van betaling vragen. Wat houdt dit in?

Betalingsregeling twaalf maanden
De standaardbetalingsregeling heeft een looptijd van maximaal twaalf maanden vanaf het moment dat de Belastingdienst de betalingsregeling toestaat. De particulier moet zijn belastingschuld in gelijke maandelijkse termijnen terugbetalen. De maandelijkse termijn bedraagt minimaal € 20.

Voor welke schulden?
De betalingsregeling geldt in beginsel voor alle belastingaanslagen die de particulier op het moment van het aanvragen heeft openstaan. De volgende aanslagen gaan echter niet mee in de standaard betalingsregeling:

  • voorlopige aanslagen inkomstenbelasting van het lopende jaar;
  • conserverende aanslagen;
  • aanslagen waarvoor al een verzoek om uitstel van betaling i.v.m. bezwaar of beroep in behandeling of toegewezen is.

Wanneer geen standaard betalingsregeling?
Er zijn verschillende redenen voor de Belastingdienst om de standaard betalingsregeling niet te verlenen. Zo staat de Belastingdienst de standaardregeling niet toe als de belastingschulden € 100.000 of hoger zijn of als de particulier nieuw opkomende schulden meer dan incidenteel niet volledig heeft voldaan. Verder zal de Belastingdienst geen standaardregeling toestaan als de nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is.

Let op!
In die gevallen waarin de standaard betalingsregeling niet wordt toegestaan, zal de Belastingdienst het verzoek om een betalingsregeling niet automatisch afwijzen. De Belastingdienst beoordeelt dan eerst nog of de particulier in aanmerking komt voor een niet-standaard betalingsregeling.

Verrekening tijdens betalingsregeling
Heeft de particulier gedurende de betalingsregeling recht op een belastingteruggave? Dan verrekent de Belastingdienst deze met de openstaande belastingschulden.

Tip!
Op verzoek van de particulier kan de Belastingdienst ervoor kiezen om de teruggave niet te verrekenen.

Let op!
De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting van het lopende jaar wordt in principe niet verrekend.

Hoe aanvragen?
De standaard betalingsregeling kan mondeling, schriftelijk of digitaal worden aangevraagd.

Let op!
De standaard betalingsregeling kan alleen worden aangevraagd door particulieren. Ex-ondernemers worden in dit verband ook als particulier aangemerkt!

Invorderingsrente
Ook een particulier zonder betalingsproblemen kan een beroep doen op de standaard betalingsregeling. Een particulier die liever in termijnen betaalt dan in één keer, kan dit dus regelen. Houd er wel rekening mee dat de Belastingdienst gedurende de betalingsregeling invorderingsrente berekent.


5. Definitief geen teruggaaf box 3 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers

De Hoge Raad heeft op 25 juni 2026 uitgesproken dat niet-bezwaarmakers geen recht hebben op rechtsherstel box 3. Het gaat hier om het rechtsherstel voor de jaren 2017 tot en met 2020 van alle op 24 december 2021 (datum van het Kerstarrest) al onherroepelijk vaststaande aanslagen. Voor deze belastingplichtigen, de zogenaamde niet-bezwaarmakers, was de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) ingevoerd. Deze niet-bezwaarmakers kunnen voor die jaren 2017-2020 ook geen beroep doen op het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In dit zogenaamde D-dag-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de Herstelwet naar aanleiding van het Kerstarrest ook niet door de beugel kon. Sindsdien wordt rechtsherstel toegepast op basis van het werkelijk rendement volgens de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten. Als de MB+-procedure positief was afgelopen, hadden de niet-bezwaarmakers ook hierop een beroep kunnen doen. Dat is nu dus ook definitief van de baan.


6. Rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst bij uurtarief tot € 38

De Eerste Kamer heeft ingestemd met het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Het rechtsvermoeden houdt in dat het vermoeden van een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen voor iedereen die voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van minder dan € 38 per uur. Lukt het de opdrachtgever niet om dit rechtsvermoeden te weerleggen? Dan bestaat recht op alle bescherming die het arbeidsrecht biedt, zoals recht op doorbetaling bij vakanties en ontslagbescherming. De wet treedt op een nog nader te bepalen datum in werking; de verwachting is uiterlijk 31 december 2026. Het rechtsvermoeden is van toepassing op elke arbeidsrelatie die bestaat op de dag van inwerkingtreding van de wet en op elke arbeidsrelatie die op die dag of na die dag ingaat.
voorgaande procedure.

Update Special Lonen 2026

By nieuwsbrief

Update Special Lonen 2026


De Special Lonen 2026 is een handig naslagwerk voor jou als werkgever of als hr-medewerker.

Deze special bevat actuele cijfers en relevante wet- en regelgeving op onder meer het gebied van de loonbelasting, het gebruikelijk loon, de auto van de zaak, de WKR, subsidies voor de werkgever, diverse arbeidsrechtelijke zaken en pensioenen. Aan het einde van dit document is een aantal tabellen met cijfers en tarieven voor 2026 opgenomen.

Klik hier voor de special

Nieuwsbrief juni 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief juni 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 15 juni 2026, 20:00 uur.


1. Belastingvrij bedrag reiskosten € 0,25 vanaf 1 januari 2026

Vanaf 22 mei 2026 bestaat de mogelijkheid om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 rekening te houden met een belastingvrij bedrag voor reiskosten van € 0,25 per kilometer. Wat betekent dit voor werkgevers, werknemers, ondernemers, vrijwilligers en particulieren?

Werkgevers en werknemers
Werkgevers mogen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 aan hun werknemers een onbelaste reiskostenvergoeding geven van € 0,25 per kilometer. Tot nu toe bedroeg dit onbelaste bedrag in 2026 nog € 0,23 per kilometer.

Dit bedrag is van toepassing op woon-werkverkeer en op zakelijke kilometers. Het is niet relevant van welk vervoermiddel de werknemer gebruikmaakt. De vergoeding geldt dan ook voor gemaakte reizen per auto, fiets, lopend of met het openbaar vervoer.

Let op!
Het kabinet roept werkgevers op om gebruik te maken van deze maximale onbelaste reiskostenvergoeding, maar een werkgever is niet verplicht om daadwerkelijk € 0,25 per kilometer aan de werknemer te vergoeden. De hoogte van de vergoeding is en blijft een afspraak tussen werkgever en werknemer.

Tip!
Als een werknemer met het openbaar vervoer reist, kan een werkgever er ook voor kiezen om de werkelijke kosten van het openbaar vervoer onbelast te vergoeden. Dat kon al en is dus niet veranderd.

Tip!
Werkgevers die gebruikmaken van de terugwerkende kracht mogen – waar nodig – met correctieberichten de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding verwerken in de al ingediende aangiften loonheffingen van 2026.

Ondernemers en resultaatgenieters
De verhoging van € 0,23 naar € 0,25 geldt ook voor ondernemers in de inkomstenbelasting (IB) en resultaatgenieters. Zij kunnen straks in hun aangifte IB 2026 voor het hele jaar 2026 rekening houden met aftrekbare zakelijke reiskosten tegen een bedrag van € 0,25 cent per kilometer.

Vrijwilligers
Een vrijwilliger die afziet van zijn recht op een reiskostenvergoeding mag in zijn aangifte IB 2026 bij het berekenen van zijn giftenaftrek ook rekening houden met € 0,25 per kilometer voor zijn kilometers in heel 2026.

Let op!
Alleen het bedrag is gewijzigd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. De overige voorwaarden voor deze aftrek zijn ongewijzigd. Daaraan moet je dus nog steeds voldoen voordat je toekomt aan de aftrek.

Particulieren
Ook particulieren kunnen in hun aangifte IB 2026 voor het hele jaar rekeninghouden met € 0,25 per kilometer. Het gaat hierbij om:

  • aftrek van reiskosten naar onder meer een arts of andere medisch hulpverlener en een apotheek,
  • aftrek van reiskosten voor ziekenbezoek, en
  • aftrek van reiskosten in verband met weekenduitgaven voor gehandicapten.

Let op!
Ook voor deze aftrekken gelden nadere voorwaarden. Die zijn niet gewijzigd en daaraan moet je dus nog steeds voldoen om gebruik te kunnen maken van de aftrek van € 0,25 per kilometer.

Structureel
De goedkeuring om € 0,25 in plaats van € 0,23 onbelast te vergoeden, is opgenomen in een beleidsbesluit. Op Prinsjesdag 2026 zal een en ander in een wetsvoorstel worden opgenomen. De verhoging van € 0,23 naar € 0,25 is ook niet alleen voor 2026, maar structureel. Dit betekent dat de € 0,25 ook na 2026 nog van toepassing is.

Goedkoop onbeperkt treinreizen
Het kabinet denkt nog verder mee om de gevolgen van de hoge brandstofprijzen te verlagen. Zo kan van vanaf 15 juni 2026 voor € 49 per maand in de daluren (doordeweeks tussen 9-16 uur en van 18.30-6.30 uur en in weekenden en op feestdagen de hele dag) onbeperkt met de trein gereisd worden. Dit kan voor maximaal twee keer een maand. De laatste dag voor dit reisproduct is 31 augustus 2026. Daarom kun je uiterlijk op 31 juli 2026 zo’n abonnement afsluiten om er tot 31 augustus 2026 mee te reizen.

Let op!
Een dergelijk product om onbeperkt in de daluren te reizen bij de NS bestond al. Het heet Flex Dal Vrij en kost normaal € 127,95 per maand. In de periode van 15 juni tot 1 september 2026 kost dit € 49 per maand.


2. Gebruik van AI op de werkvloer

Kunstmatige intelligentie, ook wel aangeduid als Artificial Intelligence (AI), is niet langer weg te denken in het dagelijks leven en de werkvloer. Sta je als werkgever voldoende stil bij het gebruik van AI op de werkvloer?

AI op de werkvloer
Werknemers maken graag en veel gebruik van de vele mogelijkheden die AI biedt. Vaak ontbreekt een beleid over hoe om te gaan met AI. Dat dit niet zonder risico is, blijkt uit twee rechtbankuitspraken.

Social media posts
In een rechtszaak die voorkwam bij Rechtbank Overijssel verzorgde een marketingmedewerkster de socialmediaposts voor klanten van haar werkgever. Haar werkgever was echter niet tevreden over haar functioneren: ze kwam vaak te laat en liet de posts op social media door AI opstellen. Klanten waren niet tevreden over (het niveau van) haar werk. Dit had tot gevolg dat de werkgever omzetschade had geleden, omdat klanten naar de concurrent overstapten of weigerden de facturen te betalen.

De werkgever wilde de schade op de werkneemster verhalen. Dit is echter alleen mogelijk bij opzet dan wel bewuste roekeloosheid. Dat was hier niet aan de orde. Bovendien kon de werkgever niet hard maken dat er klanten waren vertrokken en dat hij omzetschade had geleden. Verder bleek nergens uit dat hij de werkneemster op haar gedrag had aangesproken of dat er instructies of vereisten waren gedeeld waaraan de socialmediaposts moesten voldoen.

De werkgever mocht de schade dus niet op de werkneemster verhalen. Hij had dit dan ook ten onrechte verrekend met haar loon.

Vragen aan ChatGPT
In een zaak bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant had een recruitmentconsultant een conflict over zijn re-integratie. Zijn werkgever had hem op staande voet ontslagen, omdat hij via zijn bedrijfslaptop aan ChatGPT had gevraagd hoe hij een hoge ontslagvergoeding kon vorderen van zijn werkgever.

De werkgever had in de ontslagbrief de werknemer het verwijt gemaakt dat hij met de in ChatGPT ingevoerde informatie zijn geheimhoudingsplicht had geschonden. Nergens was echter uit gebleken dat de werknemer bedrijfsgeheimen van de werkgever had gedeeld. De werknemer had alleen informatie gedeeld over zijn arbeidsrelatie met de werkgever. Dit handelen van de werknemer was in beperkte mate verwijtbaar en niet voldoende voor een ontslag op staande voet.

AI-beleid
Organisaties zijn sinds 2 februari 2025 op grond van de AI-Verordening al verplicht te zorgen voor voldoende ‘AI-geletterdheid’ onder werknemers, zodat ze verantwoord AI kunnen gebruiken. Dit betekent dat werkgevers een informatieplicht hebben naar hun werknemers over de sociale, ethische en praktische aspecten van AI-gebruik.

Het is dus van belang een specifiek AI-beleid te hebben waarin staat wat wel en niet is toegestaan.

Tip!
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft hierover een praktische leidraad gepubliceerd ‘Aan de slag met AI-geletterdheid’. Ook de Rijksoverheid heeft een ‘Gids AI-Verordening’ gemaakt over AI-gebruik.


3. Basisboete € 10.000 bij contante betalingen vanaf € 3.000

Handelaren in goederen mogen vanaf 1 januari 2026 geen contante betalingen meer doen of betalingen accepteren vanaf € 3.000. Het basisbedrag van de boete bij overtreding van dit verbod is een vast bedrag van – in principe – € 10.000.

Contante betalingen vanaf € 3.000
Voor ondernemers die goederen aan- of verkopen zijn vanaf 1 januari 2026 contante betalingen vanaf € 3.000 niet meer toegestaan. Het maakt daarbij niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. In alle gevallen zijn contante betalingen vanaf € 3.000 niet meer toegestaan.

Let op!
Een particulier mag wel een contante betaling boven de € 3.000 van een andere particulier accepteren, bijvoorbeeld bij een verkoop op marktplaats.

De grens van € 3.000 heeft als doel het witwassen van contant geld afkomstig uit illegale transacties te bemoeilijken en zodoende ook terrorisme te bestrijden. De grens moet daarnaast waarborgen dat het betalingsverkeer wel toegankelijk blijft.

Basisbedrag boete € 10.000
De boete voor overtreding van het verbod is vastgesteld op een vast basisbedrag van € 10.000. De Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI), onderdeel van het Ministerie van Financiën, houdt toezicht op naleving van het verbod.

Lagere of hogere boete
Bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld draagkracht, kunnen aanleiding zijn om de boete te verlagen. Aan de andere kant kan herhaaldelijk overtreden van het verbod aanleiding zijn om de boete te verhogen. Zo kan een boete van € 20.000 worden opgelegd als binnen vijf jaar na een boete wederom het verbod overtreden wordt.

Let op!
Er kan ook strafrechtelijk worden opgetreden op grond van de Wet op de economische delicten.


4. Wetsvoorstel loontransparantie ingediend

Op 21 mei 2026 is het wetsvoorstel ‘implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen’ ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wet moet een einde maken aan de huidige nog bestaande loonverschillen tussen mannen en vrouwen.

Loonkloof mannen en vrouwen
Volgens het CBS verdienden vrouwen in het bedrijfsleven in 2024 gemiddeld 14,5% minder per uur dan mannen. Bij de overheid was dit gemiddeld 4,5% per uur minder. Dit verschil komt vaak doordat vrouwen minder vaak een leidinggevende positie hebben, vaker werkzaam zijn in sectoren waar de lonen wat lager liggen of door verschillen in opleidingsniveau.

Let op!
Ook bij hetzelfde werk verdienden vrouwen gemiddeld 6,1% minder in het bedrijfsleven en 1,7% minder bij de overheid dan mannen.

Richtlijn
Het wetsvoorstel ‘implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen’ moet ervoor zorgen dat werknemers meer inzicht krijgen in de loonverschillen tussen mannen en vrouwen. Met het wetsvoorstel wordt de Europese richtlijn Loontransparantie in de Nederlandse wet opgenomen.

Loontransparantie
Transparantie begint straks al in de sollicitatiefase. Werkgevers moeten sollicitanten dan tijdig informeren over het salaris of de salarisbandbreedte die bij een functie hoort. Tijdig wil zeggen voordat onderhandelingen over het loon plaatsvinden. Werkgevers mogen daarnaast niet langer aan sollicitanten vragen wat hun huidige salaris is of vroegere salaris was.

Functiewaarderingssysteem
In de wet wordt ook opgenomen dat vrouwen en mannen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid hetzelfde loon ontvangen. Werkgevers moeten straks een objectief systeem hebben voor het waarderen en indelen van de functies in hun organisatie. Op die manier kan een werknemer zien op basis van welke uitgangspunten hij in een bepaalde schaal is ingedeeld en welke treden hij nog kan doorlopen. Daarnaast moeten werkgevers duidelijk maken hoe hun beloningsbeleid in de praktijk wordt toegepast. Deze criteria moeten objectief, inzichtelijk en uitlegbaar zijn.

Informatierecht werknemers
Na invoering van de wet:

  • mogen werknemers inzage vragen in de criteria voor loon en loonniveaus, en
  • moeten werknemers op verzoek informatie krijgen over hun eigen loon en de gemiddelde lonen binnen hun functiegroep, uitgesplitst naar geslacht.

Let op!
Werkgevers moeten hun werknemers jaarlijks informeren over deze rechten en hoe zij hiervan gebruik kunnen maken.

Werkgevers met minimaal vijftig werknemers moeten straks aan werknemers ook makkelijk toegang geven tot de criteria voor de loonontwikkeling.

Rapportageplicht
De wet zorgt ervoor dat bedrijven met minimaal 100 werknemers straks regelmatig rapporteren over het loonverschil in hun organisatie. Op de website van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) worden in de toekomst rapportages gepubliceerd van bedrijven die onder de rapportageplicht vallen.

Let op!
Deze rapportages laten alleen zien of er binnen organisaties loonverschillen, uitgedrukt in percentages, bestaan tussen groepen werknemers die gelijk of gelijkwaardig werk doen.

Werkgevers met minimaal 250 werknemers moeten deze rapportage straks jaarlijks doen, werkgevers met minimaal 100, maar minder dan 250 werknemers, elke drie jaar.

Ondersteuning werkgevers
Er komt informatie beschikbaar voor werkgevers over hoe ze om moeten gaan met deze verplichtingen. Momenteel werkt het Ministerie van SZW samen met onder meer vakbonden en werkgeversorganisaties aan voorlichting en hulpmiddelen voor werkgevers.

Inwerkingtreding 1 januari 2027
Als de Tweede en Eerste Kamer instemmen met het wetsvoorstel, is het de bedoeling dat de wet op 1 januari 2027 in werking treedt. Dat lijkt snel, maar eigenlijk had de richtlijn al op 7 juni 2026 in de wet moeten zijn opgenomen.

Let op!
Als de wet ingaat op 1 januari 2027, moeten bedrijven met meer dan 150 werknemers uiterlijk in juni 2028 rapporteren over de loonverschillen in 2027. Werkgevers vanaf 100 tot 150 werknemers hoeven pas voor het eerst te rapporteren in 2031 over de loonverschillen in 2030.


5. Compensatie transitievergoeding vervalt volledig vanaf 2027

De compensatieregeling voor de transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheid verdwijnt per 1 januari 2027 volledig voor alle werkgevers. Dit in tegenstelling tot eerdere berichten, waarin deze compensatieregeling voor kleine werkgevers zou blijven bestaan tot 1 januari 2028. Nieuw is ook dat de compensatieregeling voor de transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd of na overlijden, volledig verdwijnt per 1 januari 2027. Er komt wel overgangsrecht voor situaties waarin al vóór 1 januari 2027 het opzegverbod tijdens ziekte afloopt of waarin de werkgever vóór 1 januari 2027 bij het UWV toestemming vraagt voor ontslag vanwege de bedrijfsbeëindiging.


6. Tweede Kamer: meer zekerheid voor flexwerkers

De Tweede Kamer is akkoord met het wetsvoorstel Meer zekerheid voor flexwerkers. Als de Eerste Kamer ook instemt, wordt de onderbrekingstermijn na drie tijdelijke contracten drie jaar (nu is dat nog zes maanden). Voor scholieren/studenten met een bijbaan en voor seizoensarbeid blijft dit zes, respectievelijk drie maanden. Voor uitzendkrachten wordt de onderbrekingstermijn na zes tijdelijke contracten ook drie jaar (nu: zes maanden). De periode waarin zes tijdelijk contracten mogelijk zijn, wordt voor hen twee jaar (nu: drie jaar). De periode waarin zij elke dag kunnen worden ontslagen of geen vaste uren hebben, wordt één jaar (nu: anderhalf jaar). Nulurencontracten worden, behalve voor scholieren/studenten met een bijbaan en AOW’ers, verboden. In plaats daarvan komt een bandbreedtecontract met een maximumaantal uren niet meer dan 130% van het minimumaantal uren. Deze maatregel gaan waarschijnlijk in 2028 in. Vanaf 2027 krijgen uitzendkrachten wel al recht op arbeidsvoorwaarden die gelijk zijn aan die van werknemers van de inlener.

Nieuwsbrief mei 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief mei 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 11 mei 2026, 20:00 uur.


1. Arbeidsovereenkomst bij uurtarief tot € 38?

Op 21 april 2026 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel over het invoeren van een rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. De beoogde inwerkingtreding is 1 juli 2026.

Rechtsvermoeden bij uurtarief tot € 38
Na inwerkingtreding van de wet wordt de persoon die voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van minder dan € 38,00 per uur, vermoed een arbeidsovereenkomst te hebben bij die ander.

Op deze manier wordt de rechtspositie van deze werkenden beschermd. Overigens betreft het een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat opdrachtgevers het rechtsvermoeden kunnen tegenspreken door aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Slaagt de opdrachtgever hier niet in, dan is er sprake van schijnzelfstandigheid en bestaat er recht op de bescherming die het arbeidsrecht biedt, zoals recht op doorbetaalde vakantie en ontslagbescherming.

Het kabinet verwacht dat dit rechtsvermoeden in de praktijk een preventieve en normerende werking heeft, zodat kwetsbare werkenden minder snel in een situatie van schijnzelfstandigheid terechtkomen.

Indexatie op basis van de cao-loonontwikkeling
De Tweede Kamer heeft nog een belangrijk amendement aangenomen. Het was de bedoeling om genoemd uurtarief twee keer per jaar aan te passen in lijn met de aanpassingen van het wettelijk minimumloon. Op basis van het aangenomen amendement zal de indexatie van het uurtarief echter plaatsvinden aan de hand van de cao-loonontwikkeling.

Beoogde inwerkingtreding 1 juli 2026
De inwerkingtreding van het rechtsvermoeden op basis van het uurtarief is 1 juli 2026. De Tweede Kamer heeft dus al ingestemd, maar de Eerste Kamer moet zich hierover nog buigen.


2. Vanaf 1 mei ander rekeningnummer voor Belastingdienst

De Belastingdienst én de Dienst Toeslagen stappen per 1 mei 2026 over van de ING naar de Rabobank. Dit betekent dat ook de rekeningnummers wijzigen.

Wat betekent dit voor jou?
Als je belasting moet betalen, krijg je hierover bericht van de Belastingdienst. Het nieuwe rekeningnummer staat bij het bericht over de te betalen belasting.

Let op!
Het nieuwe rekeningnummer heeft geen gevolgen voor de manier van betalen. Zo blijven bijvoorbeeld internetbetalingen gewoon mogelijk.

Het meest gebruikte nieuwe rekeningnummer van de Belastingdienst wordt NL04 RABO 0200112244. Maar let op, voor sommige belastingen worden andere nieuwe rekeningnummers gebruikt.

Let op bij periodieke betalingen
Betaal je de Belastingdienst periodiek via een automatische incasso, dan hoef je niets te doen. De betalingen worden automatisch overgemaakt naar het nieuwe rekeningnummer.

Je moet alleen opletten wanneer je een periodieke betaling anders hebt geregeld, bijvoorbeeld via een periodieke overboeking bij je bank. In dat geval moet je wel zelf zorgen dat het rekeningnummer wordt aangepast.

Gebruik oude nummer gaat (nog) goed
Gebruik je per ongeluk het ‘oude’ rekeningnummer voor een betaling aan de Belastingdienst, dan wordt je betaling vooralsnog gewoon doorgesluisd naar de Belastingdienst en daar verwerkt. De Belastingdienst heeft hierover afspraken gemaakt met de ING, zodat belastingplichtigen niet de dupe worden.

Vanaf 20 april 2026 ander nummer inkomstenbelasting
Voor het betalen van een voorlopige of definitieve aanslag inkomstenbelasting kun je al vanaf 20 april 2026 het nieuwe rekeningnummer gebruiken.

Toeslagen
De Dienst Toeslagen stapt ook over naar de Rabobank en heeft vanaf 1 mei 2026 dus ook een nieuw rekeningnummer. Vanaf die datum kun je aan de Dienst Toeslagen betalen op het nieuwe rekeningnummer NL04 RABO 0200112244. Uitbetalen vanaf dit nummer doet de Dienst Toeslagen voor het eerst op maandag 22 juni 2026.

Let op!
Ook hier geldt dat bij betaling op het oude rekeningnummer, de betaling vooralsnog wordt doorgesluisd naar het nieuwe rekeningnummer.

Belastingdienst waarschuwt voor phishing
Vanwege de wijziging van de rekeningnummers, waarschuwt de Belastingdienst nadrukkelijk voor phishing. Criminelen proberen namelijk regelmatig via e-mail, sms, whatsapp of per telefoon een niet-bestaande belastingschuld bij belastingplichtigen te innen. De Belastingdienst int belastingen echter nooit op die manier. Twijfel je of een bericht echt is, volg dan het stappenplan op de website van de Belastingdienst en controleer het rekeningnummer.


3. Youngtimer per 1 januari 2027 naar privé?

In verband met de wijzigingen in de youngtimerregeling wil je een youngtimer overbrengen naar privé per 1 januari 2027. Kan dat en is een besluit daarover nu al verstandig?

Youngtimerregeling
Met ingang van 1 januari 2027 bedraagt de bijtelling voor privégebruik van een auto die 25 jaar (en langer) geleden voor het eerst in gebruik is genomen, 35% van de waarde in het economisch verkeer. Alle jongere auto’s vallen onder de gewone bijtellingsregels. Tot en met 2025 lag de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling nog op 15 jaar, in 2026 ligt deze leeftijdsgrens op 16 jaar.

In verband met deze wijzigingen is het wellicht fiscaal aantrekkelijker om de youngtimer niet langer zakelijk te rijden. Maar kun je de youngtimer zonder meer overbrengen naar privé?

IB-onderneming
Rijd je de youngtimer vanuit je onderneming in de inkomstenbelasting (IB-onderneming), bijvoorbeeld vanuit je eenmanszaak, en heb je de auto als ondernemingsvermogen geëtiketteerd? Dan kun je de auto niet zonder meer overbrengen naar privé. Zo’n keuzeherziening is alleen toegestaan bij bijzondere omstandigheden.

Gelukkig heeft de Belastingdienst laten weten dat de wetswijziging waarbij de leeftijdsgrens wordt verhoogd naar 25 jaar zo’n bijzondere omstandigheid kan zijn. Je moet dan wel aannemelijk maken dat je de auto bij aanschaf niet als ondernemingsvermogen had geëtiketteerd als de leeftijdsgrens toen ook al op 25 jaar had gelegen. Dat aannemelijk maken zal over het algemeen niet zo moeilijk zijn.

Let op!
Het bovenstaande is alleen van toepassing als de auto keuzevermogen vormt. Is de auto verplicht ondernemingsvermogen, dan kun je deze niet etiketteren als privévermogen. Neem voor meer informatie over je eigen situatie contact op met onze adviseurs.

Bv
Is de youngtimer vanuit je bv aan je ter beschikking gesteld? Dan kun je de youngtimer naar privé overbrengen door deze tegen de waarde in het economisch verkeer in privé te kopen. In tegenstelling tot de situatie bij een IB-onderneming heb je hiervoor geen bijzondere omstandigheden nodig.

Nog wachten?
Wellicht is het verstandig om nog even te wachten met een definitief besluit over het overbrengen van de youngtimer naar privé. De Tweede Kamer heeft de regering namelijk verzocht om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden en niet in één keer. Dit zou dan wel gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economisch verkeer.

Let op!
Het is op dit moment nog niet bekend of en zo ja hoe, de regering aan het verzoek tegemoetkomt.


4. Uitbreiding OSS, deels al van 1 januari 2027

De OSS wordt waarschijnlijk vanaf 1 januari 2027 al uitgebreid voor leveringen van gas, elektriciteit, warmte en koude aan consumenten.

OSS
Lever je als in Nederland gevestigde btw-ondernemer goederen of diensten aan klanten in een ander EU-land die geen btw-aangifte doen? En moet je de over die goederen of diensten verschuldigde btw aangeven in dat andere EU-land? Dan kun je er in een aantal situaties voor kiezen om de verschuldigde buitenlandse btw aan te geven via een zogenoemde OSS-aangifte.

De OSS staat voor One Stop Shop en biedt je de mogelijkheid om via het éénloketsysteem in Nederland de btw aan te geven die je in het andere EU-land verschuldigd bent. Dat doe je dan één keer per kwartaal. De Belastingdienst stuurt dan je melding en betaling naar de Belastingdienst van dat andere EU-land.

Uitbreiding OSS
In het op 26 maart 2026 bij de Tweede Kamer ingediende wetvoorstel ‘Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie’ wordt de OSS vanaf 1 januari 2027 uitgebreid voor leveringen van elektriciteit, gas, warmte en koude aan consumenten (B2C-leveringen, ofwel Business to Consumer-leveringen).

Daarnaast wordt de OSS in het wetsvoorstel per 1 juli 2028 verder uitgebreid voor B2C-montageleveringen, B2C-leveringen aan boord van schepen, luchtvaartuigen of treinen, en bepaalde binnenlandse B2C-leveringen.Verder wordt in het wetsvoorstel vanaf 1 juli 2028 een nieuwe btw-regeling geïntroduceerd voor de overbrenging van eigen goederen, de zogenoemde overbrengingsregeling.

Uitbreiding btw-verleggingsregelingen
Vanwege het wetsvoorstel wordt per 1 juli 2028 ook een aanvullende verleggingsregeling ingevoerd. Dat leidt ertoe dat buitenlandse ondernemers die in Nederland zijn gevestigd en hier geen vaste inrichting en Nederlands btw-identificatienummer hebben, de verschuldigde btw vaker kunnen verleggen naar de Nederlandse afnemer.

Implementatie onderdeel ‘enkele btw-registratie’ van de Europese VIDA-richtlijn
De voorgestelde wetswijzigingen gaan over een van de drie onderwerpen uit de Europese richtlijn VAT In the Digital Age (hierna: VIDA-richtlijn). De andere twee onderwerpen worden via aparte wetsvoorstellen geïmplementeerd in de Nederlandse btw-wetgeving. De Europese VIDA-richtlijn gaat over de volgende drie onderwerpen:

  1. De introductie van elektronische facturering en digitale rapportageverplichtingen (vanaf 1 juli 2030).
  2. Regels voor de platformeconomie in de vorm van de invoering van een zogenoemde platformfictie voor het verrichten van bepaalde diensten (vanaf uiterlijk 1 juli 2028).
  3. De enkele btw-registratie (gedeeltelijk vanaf 1 januari 2027 en voor het grootste deel vanaf 1 juli 2028). Voor dit onderdeel is dus op 26 maart 2026 het hiervoor vermelde Nederlandse wetsvoorstel ingediend.

Waarom wordt de OSS uitgebreid?
De OSS wordt uitgebreid om de administratieve lasten te verlichten voor ondernemers met grensoverschrijdende transacties aan consumenten in andere EU-landen en om belemmeringen voor hun deelname aan de interne markt weg te nemen.

Door de uitbreiding van de OSS krijgen ondernemers de mogelijkheid om zich voor meer B2C-leveringen in één EU-land te registreren voor de btw. In dat EU-land kunnen die ondernemers de in de andere EU-landen verschuldigde btw aangeven en afdragen. Dit vermindert de administratieve lasten.

Let op!
Een ondernemer is niet verplicht om voor de OSS te kiezen. Een ondernemer kan de eventueel in het buitenland betaalde btw op inkopen en investeringen niet in aftrek brengen in de OSS-aangifte. Dit kan een reden zijn om niet te kiezen voor de OSS en toch buitenlandse btw-aangiften te blijven doen.

Let op!
Het wetsvoorstel is nu nog in behandeling bij de Tweede Kamer. Als de Tweede Kamer instemt, moet daarna ook de Eerste Kamer nog instemmen.


5. Geen teruggaaf box 3 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers?

In de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) staat de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement. Een AG heeft de Hoge Raad geadviseerd om dit niet toe te staan. Niet-bezwaarmakers hebben volgens de AG dus geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020. De Hoge Raad hoeft een advies van een AG overigens niet te volgen. Het wachten is daarom op het oordeel van de Hoge Raad. Wanneer de Hoge Raad zich hierover uitspreekt is nog niet bekend. In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad hoef je geen nadere actie te ondernemen.


6. In 2026 nog compensatie transitievergoeding langdurig zieke

Een werkgever kan compensatie vragen voor een transitievergoeding die hij verschuldigd is bij ontslag van een werknemer die meer dan twee jaar ziek is. Het vorige kabinet was van plan om deze compensatie vanaf 1 juli 2026 alleen nog aan kleine werkgevers te geven, maar de inwerkingtreding is uitgesteld tot 1 januari 2027. Het huidige kabinet is overigens van plan om de compensatie van de transitievergoeding van een langdurig zieke per 1 januari 2028 voor alle werkgevers af te schaffen. Ook een kleine werkgever heeft dus, als dit plan doorgaat, vanaf 1 januari 2028 geen recht meer op compensatie.

Nieuwsbrief april 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief april 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 13 april 2026, 20:00 uur.


1. Ongewenste effecten 12% pseudo-eindheffing fossiele auto van de zaak

Vanaf 2027 geldt een 12% pseudo-eindheffing voor de fossiele personenauto van de zaak. De Tweede Kamer heeft de regering verzocht om te werken aan oplossingen voor ongewenste effecten van deze regeling.

Pseudo-eindheffing voor personenauto met CO2-uitstoot
Met ingang van 1 januari 2027 wordt een 12% pseudo-eindheffing in de loonbelasting ingevoerd. Vanaf dat moment is een werkgever 12% pseudo-eindheffing verschuldigd over de cataloguswaarde van een personenauto met CO2-uitstoot die hij aan een werknemer ter beschikking stelt.

Let op!
Voor personenauto’s die een werkgever al vóór 1 januari 2027 ter beschikking heeft gesteld, geldt overgangsrecht. Voor deze personenauto’s geldt de heffing voor de werkgever pas vanaf 18 september 2030. Wijzigt een werknemer van werkgever en neemt hij de personenauto mee, dan vervalt het overgangsrecht voor die personenauto en geldt voor de nieuwe werkgever wel meteen de pseudo-eindheffing.

Heffing bij fossiel vervangend vervoer
De pseudo-eindheffing is de hele maand van toepassing, ook als een fossiele personenauto slechts enkele uren of een dag ter beschikking wordt gesteld in die maand. Dit betekent dat bij een vervangende personenauto met een CO2-uitstoot groter dan nul, de werkgever in die maand 12% eindheffing verschuldigd is over de cataloguswaarde van de vervangende personenauto.

Schadeherstel- en verhuurbedrijven
De Tweede Kamer heeft dit ongewenste effect van de nieuwe eindheffing ook opgemerkt. De pseudo-eindheffing zou schadeherstel- en verhuurbedrijven in de huidige vorm immers min of meer dwingen tot een volledig elektrisch wagenpark met ingang van 2027. Dat is irreëel gezien de lopende afspraken van deze bedrijven met betrekking tot het wagenpark en vanwege onvoldoende laadcapaciteit (en door de netcongestie ook geen zicht op snelle uitbreiding van die capaciteit).

Rijscholen
Daarnaast leidt de pseudo-eindheffing tot extra administratieve lasten voor onder andere rijscholen. Een elektrische personenauto is namelijk een automaat. Om te leren schakelen zal een lesauto daarom altijd een brandstofauto moeten zijn (met een CO2-uitstoot groter dan nul). Het bijhouden van een rittenregistratie om aan te tonen dat er niet privé met de personenauto wordt gereden is gezien het gebruik van de lesauto onwerkbaar. Lesauto’s gaan immers niet van A naar B, maar rijden willekeurig rond tijdens de lessen.

Wegnemen ongewenste effecten
Daarom verzoekt de Tweede Kamer de regering om in overleg met de sector te werken aan oplossingen voor deze ongewenste effecten van de pseudo-eindheffing.


2. Europese Commissie stelt nieuw vennootschapsmodel voor

De Europese Commissie (EC) wil het mogelijk maken om snel en zonder startkapitaal een Europese bv op te richten: de EU Inc. De EU Inc. kan in meerdere landen activiteiten verrichten, zodat het concurrentievermogen van Europese bedrijven verbetert.

Eenvoud belangrijkst
De eenvoud van het plan is het belangrijkst. Wie momenteel in verschillende EU-lidstaten actief wil zijn, moet vaak in iedere lidstaat een apart bedrijf oprichten in de vorm van bijvoorbeeld een dochtermaatschappij. Daarvoor gelden in iedere lidstaat aparte voorwaarden en regels met betrekking tot onder meer startkapitaal en registratie. Via een EU Inc. wordt dit met een geharmoniseerd aantal regels sterk vereenvoudigd. De keuze voor een EU Inc. is optioneel.

Snel en goedkoop
De oprichting van een EU Inc. kan binnen 48 uur volledig digitaal plaatsvinden voor minder dan € -100. Er is ook geen kapitaalvereiste. Verder wordt er een centraal EU-register met bedrijfsgegevens ingevoerd en ontvangen de bedrijven na registratie automatisch belasting- en btw-nummers. Ook faillissementsprocedures verlopen volledig digitaal.

Optieplannen
EU Inc.-bedrijven kunnen optieplannen voor hun werknemers starten, waarbij pas bij verkoop van de opties met de Belastingdienst hoeft te worden afgerekend. Investeren wordt vereenvoudigd door formele procedures en tussenpersonen bij aandelentransacties af te schaffen. Lidstaten kunnen zelf beslissen of ze de EU Inc. toegang verlenen tot de beurs, waarbij bescherming kan worden geboden tegen vijandige overnames.

Meerdere nieuwe initiatieven
De EU kondigde meerdere nieuwe initiatieven aan, zoals het zoveel mogelijk digitaliseren van de communicatie tussen bedrijven en overheid. Ook is het de bedoeling dat er aparte gerechtelijke Kamers komen voor EU Inc.-bedrijven. Verder streeft men naar volledig grensoverschrijdend telewerken voor start en scale-ups. Andere initiatieven betreffen het verbeteren van toegang tot kapitaal en een evaluatie van Europese durfkapitaalfondsen, het scheppen van gelijke fiscale kaders en een vermindering van de administratieve lasten.

Invoering via verordening
De EU Inc. zal via een verordening worden ingevoerd. Het voordeel is dat dit een directe werking heeft in alle lidstaten. Een nadeel is dat unanieme steun voor een verordening vereist is. Dit brengt het risico mee dat landen tijdens de onderhandelingen uitzonderingen willen toevoegen. Het streven is de besluitvorming inzake de EU Inc. nog in 2026 af te ronden.


3. Nieuwe wijziging youngtimerregeling per 2027

Eind vorig jaar is de youngtimerregeling gewijzigd. De Tweede Kamer heeft de regering onlangs echter verzocht de verhoging van de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling niet in één keer, maar geleidelijk te laten plaatsvinden.

Youngtimerregeling in 2026
Met ingang van 2026 is de youngtimerregeling gewijzigd. In 2026 bedraagt daardoor de bijtelling voor privégebruik van een auto die zestien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, 35% van de waarde in het economisch verkeer. In 2025 lag de leeftijdsgrens voor deze regeling nog op 15 jaar.

Overgangsregeling in 2026
Is de auto in 2026 jonger dan 16 jaar, maar vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedraagt de bijtelling in 2026 25% van de cataloguswaarde. Heeft een dergelijke auto geen CO2-uitstoot, dan kan tot een cataloguswaarde van € 30.000 in 2026 een bijtellingspercentage van 21% worden toegepast. Voor de auto die in 2025 al aan dezelfde werknemer ter beschikking werd gesteld en die in 2025 15 jaar of ouder was, geldt een overgangsregeling. Voor deze auto mag heel 2026 nog uitgegaan worden van een bijtelling van 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Huidige wettelijke regels youngtimerregeling vanaf 2027
Met ingang van 1 januari 2027 gaat, onder de huidige wettelijke regels, de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling in een keer naar 25 jaar. Er geldt dan geen overgangsrecht meer.

Nieuwe wijziging youngtimerregeling vanaf 2027
De Tweede Kamer meent dat de korte overgangsperiode in de huidige youngtimerregeling voor onbedoelde neveneffecten zorgt voor verkopers en gebruikers van youngtimers. De Tweede Kamer vindt dan ook dat de regering moet afzien van de verhoging van de leeftijdsgrens in één keer naar 25 jaar met ingang van 1 januari 2027. De Tweede Kamer verzoekt de regering om de verhoging naar 25 jaar vanaf 1 januari 2027 geleidelijk te laten plaatsvinden. Dit zou dan gecombineerd kunnen worden met een hoger bijtellingspercentage dan 35% over de waarde in het economische verkeer.

E-timerregeling?
De Tweede Kamer doet ook het verzoek om een e-timerregeling uit te werken om te voorkomen dat elektrische leaseauto’s die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease massaal naar het buitenland worden geëxporteerd.


4. Nieuwe fiscale regelingen voor startups en scale-ups

Het kabinet wil start-ups en scale-ups fiscaal stimuleren met twee maatregelen: belastingheffing in box 3 door middel van vermogenswinst (in plaats van vermogensaanwas) én een lagere loonheffing op het inkomen uit aandelenopties voor werknemers. Ter financiering worden de meewerkaftrek en stakingsaftrek in de IB afgeschaft.

Wetsvoorstel werkelijk rendement box 3
In het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 wordt het werkelijke rendement volgens de hoofdregel belast volgens een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat zowel de gerealiseerde als de ongerealiseerde waardeontwikkelingen tot het werkelijke rendement behoren. Op de hoofdregel geldt een uitzondering voor onroerende zaken en start en scale-ups. Het werkelijke rendement wordt voor die vermogensbestanddelen berekend volgens een vermogenswinstbelasting: alleen gerealiseerde waardeontwikkelingen (bijvoorbeeld bij verkoop) horen dan tot het werkelijke rendement.

Let op!
De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028. De Eerste Kamer moet nog stemmen over het wetsvoorstel.

Definitie start-up en scale-up
In het oorspronkelijke wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 is opgenomen dat de vermogenswinstbelasting geldt voor startende ondernemingen. Dit wordt gewijzigd in start-ups en scale-ups. In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen start-ups en scale-ups is een definitie opgenomen van een start-up en een scale-up: een bedrijf dat een onderneming drijft die gericht is op snelle groei door middel van een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel dat zijn oorsprong vindt in innovatie.

Let op!
Onder een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van meer mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die tot lagere marginale kosten leidt en schaalvoordelen biedt. Onder innovatie wordt verstaan het ontwikkelen of verbeteren van producten, diensten, processen of technologieën, waarbij sprake is van technische vernieuwing of significante functionele verbetering ten opzichte van de sector.

Om een start-up of scale-up te zijn volgens die definitie, mogen de aandelen of winstbewijzen niet verhandeld worden op een gereguleerde markt of voor meer dan 25% in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt.

Let op!
Bij RVO kan straks een beschikking aangevraagd worden of sprake is van een start-up of scale-up.

Lagere loonheffing aandelenopties
In het wetsvoorstel Wet fiscale maatregelen start-ups en scale-ups is ook een maatregel opgenomen die medewerkersparticipatie bij start-ups en scale-ups stimuleert door een lagere loonheffing. Op inkomen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups wordt hiertoe een korting van 35% toegepast, waardoor de grondslag waarover loonheffing wordt berekend 65% van het inkomen bedraagt. Het effectieve loonheffingentarief wordt daarmee ongeveer 32% waarmee het ongeveer gelijk is aan het tarief in box 2. Naast de lagere loonheffing wordt ook het heffingsmoment verplaatst naar het moment van daadwerkelijke verkoop van de aandelen die verkregen zijn bij de uitoefening van het aandelenoptierecht.

Let op!
De regeling gaat ook gelden voor aandelenopties die zijn uitgegeven op of na 17 april 2025 mits de loonheffing over het inkomen uit de aandelenopties zich nog niet heeft voorgedaan.

Afschaffing meewerkaftrek en stakingsaftrek
Om de hiervoor gemelde fiscale stimulatie van de start-ups en scale-ups te financieren worden de meewerkaftrek en de stakingsaftrek in de inkomstenbelasting per 1 januari 2027 met 75% versoberd en per 1 januari 2030 volledig afgeschaft.

Internetconsultatie
Het wetsvoorstel ligt nu ter internetconsulatie. Tot en met 29 april 2026 kan iedereen hierop reageren. In het kader van eventuele staatssteun moet de lagere loonheffing op aandelenopties nog voor goedkeuring voorgelegd worden aan de Europese Commissie. De staatssecretaris van Financiën is voornemens om het wetsvoorstel in september bij de Tweede Kamer in te dienen. Het streven is om de lagere loonheffing op aandelenopties per 1januari 2027 in werking te laten treden.


5. Voorkom belastingrente met tijdige aangifte of voorlopige aanslag

De Belastingdienst berekent 5% belastingrente als een (voorlopige) aanslag IB of Vpb 2025 vanaf 1 juli 2026 wordt opgelegd. De belastingrente wordt dan berekend over de periode die begint op 1 juli 2026 en die eindigt zes weken na dagtekening van de (voorlopige) aanslag. De belastingrente kunt u voorkomen door vóór 1 mei 2026 uw aangifte IB 2025 juist en volledig in te dienen. Voor de Vpb moet u dat doen vóór 1 juni 2026. U kunt de belastingrente ook voorkomen door vóór 1 mei 2026 een juiste en volledige aanslag IB 2025 of Vpb 2025 aan te vragen.


6. Andere partnerverdeling na rechtsherstel box 3 toegestaan!

Kreeg u box 3-belasting terug van de Belastingdienst na het Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021? Dan kan het zijn dat een andere verdeling van uw box 3 inkomen tussen u en uw fiscale partner gunstiger was. De Belastingdienst vond dat u echter niet meer anders kon verdelen, maar de Hoge Raad vindt dat dit wel kon. U had daar dan wel een verzoek voor moeten doen binnen zes weken na de beschikking waarin de Belastingdienst de box 3-belasting verminderde. Verminderde de Belastingdienst bijvoorbeeld op 20 juli 2022 uw aangifte IB 2022, dan had u binnen zes weken na 20 juli 2022 moeten verzoeken om een andere verdeling. Deed u dat op tijd, dan moet de Belastingdienst de andere verdeling toestaan, aldus de Hoge Raad.

Nieuwsbrief maart 2026

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief maart 2026


Let op!

Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 16 maart 2026, 20:00 uur.


1. Voorgenomen wijzigingen nieuwe box 3

Minister van Financiën Eelco Heinen liet eind februari weten dat hij het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wil aanpassen. Wat die aanpassingen precies inhouden, is nog niet duidelijk. Wat weten we al wel?

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
De Tweede Kamer stemde op12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen, ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in start-ups en scale-ups. Van deze vermogensbestanddelen behoort (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement.

Coalitieakkoord en opdrachten Tweede Kamer
In het coalitieakkoord is de wens opgenomen om het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting (met enkele uitzonderingen) om te vormen naar een volledige vermogenswinstbelasting. De Tweede Kamer stemde ook niet van harte in met het wetsvoorstel en gaf de regering de opdracht mee om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op een volledige vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief de dekkingsopties daarvoor.

Daarnaast gaf de Tweede Kamer de regering nog een aantal andere opdrachten mee, waaronder:

  • het uitwerken van een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven en bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel;
  • het mogelijk voor 1 januari 2028 reeds actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage en het doen van aanvullend onderzoek naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en het doen van een verkenning naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Let op!
Onlangs gaf de Tweede Kamer de regering ook nog de opdracht om in het nieuwe box 3-stelsel een achterwaartse verliesverrekening van minimaal één jaar te introduceren.

Reactie staatssecretaris
De staatssecretaris van Financiën, Eelco Eerenberg, geeft in een Kamerbrief van 6 maart 2026 aan dat het kabinet er niet voor kiest om het huidige box 3-stelsel langer dan tot en met 2027 voort te zetten. Invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 is belangrijk, omdat het huidige systeem onhoudbaar is, aldus de staatssecretaris.

Het kabinet overweegt wel om het nieuwe box 3-stelsel op twee momenten aan te passen:

  1. Het eerste moment betreft het aanpassen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt. Het kabinet gaat in overleg met de Tweede Kamer om opties uit te werken die de vermogensaanwasbelasting verbeteren. Verder kijkt het kabinet naar invoering van een achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029. Dit zou betekenen dat verliezen voor het eerst achterwaarts verrekend kunnen worden met box 3-inkomen uit 2028. Of een en ander uitvoerbaar is gezien de ICT-capaciteit, wordt momenteel in kaart gebracht. Ook de invulling van de budgettaire dekking is nog niet bekend.
  2. Het tweede moment betreft het doorontwikkelen van een box 3-stelsel naar een volledige vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Dit kost tijd vanuit het perspectief van wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en de gegevensuitwisseling door financiële instellingen. Ook de budgettaire impact moet worden meegewogen. Over het traject van deze doorontwikkeling stuurt de staatssecretaris voor de zomer van 2026 een Kamerbrief.


Verbetering definitie startende ondernemingen

In maart wordt een apart wetsvoorstel ter internetconsultatie aangeboden, waarin een verbeterde definitie van startende ondernemingen is opgenomen. De definitie van startende ondernemingen in het huidige wetsvoorstel sluit onvoldoende aan bij de kenmerken van start-ups en scale-ups. Het aparte wetsvoorstel verbetert dat en wordt met ingang van 1 januari 2028 in de Wet werkelijk rendement box 3 opgenomen.

Let op!
Op Prinsjesdag 2026 zal waarschijnlijk pas echt duidelijk worden welke aanpassingen nog gedaan worden in het huidige wetsvoorstel. Op dat moment zal ook de budgettaire dekking van deze aanpassingen bekend moeten zijn.


2. Uitspraak Belastingdienst inzake hoogte belastingrente

De Belastingdienst heeft collectieve uitspraken gedaan op bezwaar over de hoogte van belastingrente op de vennootschapsbelasting (Vpb) en die van de inkomstenbelasting (IB) en overige belastingen. Wat betekent dit voor u?

Wat voorafging: massaal bezwaar en Hoge Raad
Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag Vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar. Een paar maanden later werden ook de tijdige bezwaren tegen de hoogte van de belastingrente op een aanslag IB en overige belastingmiddelen aangewezen als massaal bezwaar.

De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.

Collectieve uitspraken
Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 deed de Belastingdienst deze collectieve uitspraken voor zowel de Vpb als de IB en overige belastingen.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar Vpb
Zoals verwacht, verklaart de Belastingdienst alle bezwaren tegen de belastingrente Vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen vanaf het jaar 2022.

Hoogte belastingrente Vpb
De belastingrente Vpb gaat berekend worden naar het percentage dat geldt voor de overige belastingen (waaronder de IB), zie onderstaande tabel.

Periode Vpb Andere belastingen
1-1-2022 t/m 30-06-2023 8% 4%
1-7-2023 t/m 31-12-2023 8% 6%
1-1-2024 t/m 31-12-2024 10% 7,5%
1-1-2025 t/m 31-12-2025 9% 6,5%
Vanaf 1-1-2026 7,5% 5%


Let op!

In de IT-systemen van de Belastingdienst zijn inmiddels al de lagere belastingrentepercentages opgenomen. Aanslagen Vpb met een dagtekening na 7 februari 2026 worden daarom al met de lagere belastingrentepercentages berekend.

Automatisch bericht
Maakt u (of wij namens u) tijdig bezwaar tegen de belastingrente op een aanslag Vpb, dan ontvangt u binnen zes maanden een vermindering van de belastingrente van de Belastingdienst. Deze vermindering wordt berekend volgens de percentages in de derde kolom van de tabel.

Let op!
Ontving u een aanslag Vpb met belastingrente met een dagtekening van 17 januari 2026 tot en met 7 februari 2026, dan hoeft u zelf geen actie te ondernemen. U hoeft dus geen bezwaar te maken. De Belastingdienst zal uit eigen beweging de belastingrente opnieuw berekenen met de lagere percentages.

Nog wel actie vereist
Voor aanslagen Vpb met belastingrente met een dagtekening van 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026 is misschien nog wel actie vereist. De Belastingdienst verlaagt voor deze aanslagen namelijk de belastingrente niet uit zichzelf. Is er daarom nog geen bezwaar ingediend, dien dan een verzoek in om ambtshalve vermindering.

Let op!
Heeft de aanslag Vpb met belastingrente een dagtekening vóór 5 december 2025 en is daartegen geen tijdig bezwaar ingediend? Dan is er helaas niets meer mogelijk. Een verzoek om ambtshalve vermindering voor deze aanslagen wijst de Belastingdienst namelijk af. Dit is anders als het een voorlopige aanslag betreft. Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb kunt u namelijk een verzoek tot vermindering uiterlijk tot zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag Vpb indienen.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar IB en overige belastingen
De Belastingdienst verklaart alle bezwaren tegen de belastingrente IB en overige belastingen in de massaalbezwaarprocedure ongegrond. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de IB en overige belastingen afwijst. U krijgt hier niet zelf een bericht over.

Let op!
Had u uitstel van betaling voor de belastingrente, dan krijgt u van de Belastingdienst nog wel een bericht dat het uitstel van betaling wordt ingetrokken.


3. Belastingvrije vergoedingen tijdelijke verblijfkosten 2026

Tijdelijke verblijfkosten zijn de kosten die uw werknemers maken tijdens zakelijke reizen. Deze kunt u, onder voorwaarden, belastingvrij vergoeden aan uw werknemers. U kunt wellicht aansluiten bij de bedragen die ambtenaren belastingvrij krijgen als ze op dienstreis zijn.

Belastingvrije tijdelijke verblijfkosten
De vergoeding van de tijdelijke verblijfskosten kan alleen belastingvrij als voldaan wordt aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling. Uw werknemer moet dan een zogenaamde ambulante werknemer zijn. Dat is het geval als uw werknemer steeds naar verschillende arbeidsplaatsen reist of als hij doorgaans één keer per week op maximaal 20 dagen naar dezelfde arbeidsplaats reist.

Let op!
Het gaat om een aaneengesloten periode waarin de 20 dagen vallen. Bij een incidentele onderbreking loopt de referentieperiode waarin de 20 dagen berekend worden gewoon door. Bij een langere onderbreking begint een nieuwe referentieperiode voor het tellen van de maximale 20 dagen.

De gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten kan ook gelden in de situatie dat een werknemer om zakelijke redenen (nog) niet bij de plaats van het werk gaat wonen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tijdelijke projecten of als een werknemer nog in de proeftijd zit.

Aansluiten bij vergoeding ambtenaren op dienstreis
Het is toegestaan om voor de vergoeding van de tijdelijke verblijfkosten aan te sluiten bij de onbelaste verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren op dienstreis kunnen krijgen. U mag dat doen voor werknemers die met dezelfde soort kosten worden geconfronteerd als ambtenaren op dienstreis. Dat is aannemelijk als sprake is van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden als ambtenaren op dienstreis. Er moet ook sprake zijn van een dienstreis. Zo zal bijvoorbeeld voor een bouwvakker die voor een periode van vier weken werkzaam is op een project, geen sprake zijn van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden.

Verder is vereist dat u vergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekent aan uw werknemers als volgens de cao Rijk. Dit betekent overigens niet dat u ook alle vergoedingen moet betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. U moet hierbij meer denken aan bijvoorbeeld de minimale verblijfsduur en de in de cao Rijk genoemde hoogte van de vergoedingen.

Vrijgestelde bedragen binnenlandse dienstreizen 2026
De vergoedingen en gericht vrijgestelde bedragen voor ambtenaren op binnenlandse dienstreizen zijn in 2026:

Verblijfkosten Vergoeding cao Rijk Gericht vrijgesteld
Kleine uitgave overdag € 7,35 € 6,56
Kleine uitgaven ‘s avonds € 21,92 € 13,12
Logies € 164,52 € 162,74
Ontbijt € 16,07 € 16,07
Lunch € 22,19 € 12,97
Avondmaaltijd € 33,57 € 33,56


Let op!

Behalve dat u moet aansluiten bij deze vergoedingen, moet u dus ook dezelfde voorwaarden hanteren. De bedragen en voorwaarden vindt u in onderdeel 10.2 van de cao Rijk.

Betaalbewijzen en werkelijke kosten
Uit de voorwaarden komt onder meer naar voren dat een ambtenaar die de kosten van de dienstreis declareert geen betaalbewijzen hoeft bij te voegen van bovenstaande uitgaven.
U kunt deze kosten daarom ook aan uw werknemer vergoeden zonder dat deze een factuur of betaalbewijs hiervan overlegt. Uiteraard moet wel aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer daadwerkelijk voor het werk heeft gereisd en overnacht. Ook moet de werknemer daadwerkelijk kosten maken. Voor een werknemer die (nagenoeg) geen kosten maakt, kunt u niet aansluiten bij de gerichte vrijgestelde vergoeding in de cao Rijk.

Let op!
Voor zover de vergoeding hoger is dan het gericht vrijgestelde bedrag, vormt dat meerdere individueel loon bij de werknemer. U kunt er ook voor kiezen het meerdere, mits gebruikelijk, aan te wijzen in de vrije ruimte.

Buitenlandse dienstreizen 2026
Ook voor buitenlandse dienstreizen geldt dat aangesloten moet worden bij de voorwaarden en bedragen in de cao Rijk (zie onderdeel 10.3 van de cao Rijk). De berekening van de bedragen voor buitenlandse dienstreizen is afhankelijk van de tijdelijke verblijfplaats. Een overzicht vindt u in bijlage 6 van de cao Rijk.

Tip!
Wilt u voor werknemers aansluiten bij de verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren krijgen op een buitenlandse dienstreis of heeft u andere vragen, neem dan voor meer informatie contact met ons op.


4. Uitzondering verbod contante betalingen vanaf € 3.000

Vanaf 1 januari 2026 geldt een verbod op contante betalingen vanaf € 3.000 voor goederen. Hierbij geldt een uitzondering voor aankopen buiten de EU. Andere uitzonderingen worden niet ingevoerd.

Verbod contante betalingen vanaf € 3.000
Contante betalingen vanaf € 3.000 zijn vanaf 1 januari 2026 in Nederland verboden. Het verbod geldt voor alle ondernemers die in of vanuit Nederland goederen aan- of verkopen, ongeacht in welke sector zij werkzaam zijn. Daarbij maakt het niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. Verder maakt het ook niet uit of de transactie in Nederland plaatsvindt of in het buitenland. In alle gevallen zijn contante betalingen aan of van in Nederland gevestigde ondernemers vanaf € 3.000 niet toegestaan.

Let op!
Particuliere verkopers vallen buiten de verbodsbepaling. Een particulier die bijvoorbeeld via Marktplaats iets verkoopt aan een andere particulier, mag dus nog wel een contante betaling boven de € 3.000 accepteren.

Uitzondering voor aankopen buiten de EU
Voor aankopen buiten de EU geldt bij de handhaving van het verbod een uitzondering. Een in Nederland gevestigde ondernemer kan daarom wel een aankoop buiten de EU van € 3.000 of meer contant betalen.

Geen andere uitzonderingen
Vertegenwoordigers van verschillende voertuig-, metaal- en scheepvaartbranches waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen, hebben met de minister van Financiën gesproken over knelpunten die door het verbod op contante betalingen ontstaan. Deze gesprekken hebben de minister er echter niet toegebracht om voor deze sectoren een uitzondering te maken.

De minister is namelijk niet van plan om een bredere uitzondering toe te staan voor specifieke goederen of sectoren of transacties met buitenlandse partijen. Dit zou in strijd zijn met het doel van het verbod op contante betaling, niet te handhaven zijn en niet goed aansluiten bij het in 2027 in te voeren Europese verbod op contante betalingen.

Europees verbod
Vanaf 10 juli 2027 geldt ook een Europees verbod op contante betalingen vanaf € 10.000. Dit Europese verbod betekent niet dat de grens in Nederland dan verhoogd wordt naar € 10.000. EU-landen mogen namelijk zelf de grens voor contante betalingen bepalen, zolang deze vanaf 10 juli 2027 maar onder de € 10.000 ligt.

Goederen, vanaf 10 juli 2027 ook diensten
Het verbod geldt nu alleen nog voor de handel in goederen. Een verbod op contante betalingen voor diensten volgt vanaf 10 juli 2027 bij de invoering van het Europese verbod. De grens voor diensten komt in Nederland, net als voor goederen, op € 3.000 te liggen.


5. Meer duidelijkheid voor zzp’ers en opdrachtgevers

Het kabinet schrapt een deel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (Vbar) dat al bij de Tweede Kamer ligt. Het gaat om het deel dat moest verduidelijken wanneer iemand als zelfstandige of als werknemer werkt. In plaats daarvan wordt de komende tijd het initiatiefwetsvoorstel Zelfstandigenwet nader uitgewerkt. Dit moet zorgen voor meer duidelijkheid voor zzp’ers en opdrachtgevers. Het kabinet wil wel het deel uit het wetsvoorstel Vbar dat laagbetaalde werkenden beschermt, snel in werking laten treden. Na inwerkingtreding kunnen werkenden met een uurloon tot € 38 dan een beroep doen op het rechtsvermoeden dat zij werknemer zijn. Zij hebben dan dezelfde rechten als iemand in loondienst (denk aan loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen, ontslagbescherming), tenzij de opdrachtgever kan aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.


6. Definitieve forfaits banktegoeden en schulden box 3 2025

De definitieve forfaits voor banktegoeden en schulden zijn onlangs voor 2025 vastgesteld op 1,37%, respectievelijk 2,70%. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag 2025 werd nog rekening gehouden met de voorlopige forfaits van 1,44%, respectievelijk 2,61%. Het definitieve forfait voor overige bezittingen was met 5,88% al langer bekend. De voorlopige en definitieve forfaits voor 2026 zijn overigens ook al vastgesteld: voor banktegoeden voorlopig op 1,28%, voor schulden voorlopig op 2,70% en voor overige bezittingen definitief op 6,00%. Als uw werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling.

Special Lonen 2026

By nieuwsbrief

Special Lonen 2026


De Special Lonen 2026 is een handig naslagwerk voor u als werkgever of als hr-medewerker.

Deze special bevat actuele cijfers en relevante wet- en regelgeving op onder meer het gebied van de loonbelasting, het gebruikelijk loon, de auto van de zaak, de WKR, subsidies voor de werkgever, diverse arbeidsrechtelijke zaken en pensioenen. 

Aan het einde van dit document is een aantal tabellen met cijfers en tarieven voor 2026 opgenomen.

Klik hier voor de special

Nieuwsbrief december 2025

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief december 2025


Let op!

Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met dinsdag 16 december 2025, 20:00 uur.


1. Leeftijd youngtimer naar 25 jaar in 2027

Heeft u een oudere auto van de zaak? Houd er dan rekening mee dat de leeftijd in de youngtimerregeling in 2026 verhoogd wordt naar zestien jaar en vanaf 2027 naar 25 jaar. Wat betekent dit voor u?

Youngtimerregeling
Heeft u als IB-ondernemer, dga of werknemer een auto van de zaak die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen? Dan bedraagt de bijtelling in 2025 geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer.

Verhoging leeftijd in 2026 en vanaf 2027
In deze youngtimerregeling gaat iets veranderen. De Tweede en Eerste Kamer hebben namelijk een wetswijziging aangenomen waardoor de leeftijdsgrens voor deze auto’s in 2026 verhoogd wordt naar zestien jaar en vanaf 2027 zelfs naar 25 jaar.

Overgangsregeling in het jaar 2026
Voor het jaar 2026 heeft het kabinet op het laatste moment nog een overgangsregeling aangekondigd voor auto’s die in de loop van het jaar 2025 vijftien jaar oud zijn geworden of dat nog worden. In een besluit wordt goedgekeurd dat de huidige youngtimerregeling in 2026 van toepassing blijft op al in 2025 ter beschikking gestelde auto’s of ter beschikking staande auto’s als deze in 2026 zestien jaar oud worden. Voor deze auto’s mag daarom in het hele jaar 2026 de bijtelling berekend worden op 35% van de waarde in het economische verkeer, dus ook als ze op dat moment nog geen zestien jaar oud zijn.

Let op!
Voorwaarde is wel dat de auto in 2026 aan dezelfde werknemer of IB-ondernemer ter beschikking staat als in 2025.

Er geldt een keuze. Mocht het gunstiger zijn om in plaats van 35% van de waarde in het economische verkeer, 25% van de cataloguswaarde bij te tellen, dan kan daarvoor gekozen worden. Deze keuze is waarschijnlijk alleen mogelijk zolang de auto nog geen zestien jaar oud is.

Wat betekent dit?
Stel dat u een auto van de zaak heeft die op 30 september 2010 voor het eerst in gebruik werd genomen. Vanaf oktober 2025 bedraagt de bijtelling van deze auto dan geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer van deze auto.

Als de oorspronkelijke cataloguswaarde € 50.000 bedroeg en de waarde in het economisch verkeer in oktober 2025 € 8.000, bedraagt de maandelijkse bijtelling vanaf oktober 2025 geen € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000), maar € 233,33 (1/12 van 35% van € 8.000).

Vanwege het verhogen van de leeftijdsgrens naar zestien jaar zou de maandelijkse bijtelling vanaf januari tot en met september 2026 weer € 1.041,67 bedragen. Vanwege de goedkeuring van het kabinet mag in deze maanden echter ook een bijtelling van € 233,33 worden toegepast (bij een waarde in het economische verkeer van € 8.000). Van oktober tot en met december 2026 kunt u op grond van de wettelijke bepaling ook nog profiteren van de youngtimerregeling met een maandelijkse bijtelling van € 233,33 (even uitgaande van een gelijkblijvende waarde in het economisch verkeer).

Door de verhoging van de leeftijdsgrens naar 25 jaar bedraagt uw maandelijkse bijtelling vanaf januari 2027 echter € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000).

Let op!
Heeft u een oudere auto van de zaak of bent u van plan zo’n auto aan te schaffen? Houd dan rekening met deze wijzigingen in de youngtimerregeling.

Waarom?
De wetswijziging om de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling te verhogen, is ingegeven door een wetswijziging waardoor in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling voor auto’s zonder CO2-uitstoot wordt toegestaan. Hiervoor moest budgettaire dekking komen en dat is gevonden in de verhoging van de leeftijdsgrens van de auto.


2. Toch nog lagere bijtelling elektrische auto in 2026 en 2027

De Tweede en Eerste Kamer hebben een wetswijziging aangenomen om in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling voor een elektrische auto van de zaak toe te staan. Oorspronkelijk zou de lagere bijtelling met ingang van 2026 vervallen.

Bijtelling nieuwe elektrische auto in 2025
Als een werkgever in 2025 een nieuwe auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking stelt aan een werknemer, geldt daarvoor in 2025 een bijtelling van 17% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Deze bijtelling blijft geldig gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.

Bijtelling nieuwe waterstofauto en auto met zonnepanelen in 2025
De beperking van de17%-bijtelling tot de eerste € 30.000 cataloguswaarde geldt alleen voor elektrische auto’s. Is er sprake van een auto zonder CO2-uitstoot die rijdt op waterstof, dan bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde. Ook voor een auto die voorzien is van geïntegreerde zonnepanelen die voldoen aan een aantal voorwaarden bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde.

Nieuwe auto vanaf 2026
De lagere bijtelling voor een in 2026 ter beschikking gestelde nieuwe auto zonder CO2-uitstoot zou vervallen. De Tweede en Eerste Kamer hebben echter een wetswijziging aangenomen waardoor voor auto’s zonder CO2-uitstoot in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling geldt.

Deze lagere bijtelling bedraagt voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. In 2027 is dit 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Voor een nieuwe auto op waterstof en een nieuwe auto met zonnepanelen gelden dezelfde percentages. Net als nu geldt de beperking tot € 30.000 niet.

Vanaf 2028 vervalt dan de lagere bijtelling voor in 2028 ter beschikking gestelde nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.

Let op!
In de wetswijziging is opgenomen dat de lagere bijtelling, net als nu, geldig blijft gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.

Ook voor dga en de IB-ondernemer
De lagere bijtelling in 2026 en 2027 geldt niet alleen voor nieuwe auto’s die door een werkgever aan een werknemer ter beschikking worden gesteld. Deze geldt ook voor de dga en de IB-ondernemer met een auto van de zaak.


3. Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aangenomen

De Eerste Kamer heeft op 11 november 2025 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen. Uitleners, dus zowel uitzendbureaus als andere bedrijven die werknemers uitlenen, mogen dit vanaf 1 januari 2028 alleen doen als ze daarvoor een toelating (vergunning) hebben.

Doel Wtta
De Wtta beoogt werknemers, met name arbeidsmigranten, beter te beschermen alsmede eerlijke concurrentie tussen bedrijven te bevorderen. Het toelatingsstelsel geldt expliciet niet voor collegiale uitleen waarbij geen winst gemaakt wordt of bij intra-concern-terbeschikkingstelling.

Procedure aanmelding
Op 1 januari 2027 gaan de wet en het toelatingsstelsel in. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een toelating aanvragen. Het beoordelen van de bedrijven begint vanaf 1 juli 2027.

Let op!
Voor bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, is het raadzaam zich voor die datum bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) te melden. Deze bedrijven mogen dan namelijk doorgaan met uitlenen totdat de NAU een besluit heeft genomen over de toelating. Lees hier meer over op toelatinguitleenmarkt.nl.

Voorwaarden
Uitleners moeten – om toegang te krijgen – een VOG indienen en een waarborgsom van € 100.000 overmaken. Voor startende bedrijven bedraagt de waarborgsom in eerste instantie € 50.000 en na zes maanden nogmaals € 50.000. Daarnaast moeten uitleners bewijzen dat ze bestaande wet- en regelgeving naleven, zoals het uitbetalen van het wettelijk minimumloon. Alleen dan kunnen ze een toelating krijgen om personeel uit te lenen.

Tip!
Bedrijven die zich aan de regels houden, krijgen de waarborgsom na vier jaar teruggestort.

Uitvoering
De uitvoering van de wet ligt bij de NAU. Die beslist over de toelating van uitleners. Ook verzamelt de NAU signalen uit de markt en adviseert over verbeteringen. Daarnaast wijst de NAU de inspectie-instellingen aan die controleren of uitleners voldoen aan alle wet- en regelgeving. De NAU start vanaf 2026 met haar eerste werkzaamheden, zoals het aanwijzen van inspectie-instellingen en het openen van het aanmeldloket voor uitleners.

Let op!
De NAU houdt ook een openbaar register bij van alle toegelaten bedrijven. Bedrijven die gebruikmaken van uitzendkrachten mogen dit vanaf 1 januari 2028 alleen nog doen via toegelaten uitleners.

Handhaving
Op 1 januari 2028 gaat de Nederlandse arbeidsinspectie handhaven. Uitleners die zonder toelating actief zijn op de arbeidsmarkt krijgen een boete. De Nederlandse Arbeidsinspectie is met 135 fte uitgebreid om de pakkans te vergoten. Ook zijn op verschillende plekken hulppunten geopend om arbeidsmigranten te helpen met vragen of problemen. De komende periode komen er nog meer hulppunten bij.

Let op!
Genoemde boete geldt ook voor inleners die gebruikmaken van uitzendbureaus zonder vergunning.


4. Acceptatieplicht contant geld en de uitzonderingen

Onlangs is wettelijk vastgelegd dat consumenten kleinere betalingen, dat wil zeggen bedragen onder de € 3000, contant moeten kunnen voldoen aan niet-consumenten. Hiervoor gaat een aantal uitzonderingen gelden. Welke zijn dit?

Wettelijke acceptatieplicht contante betalingen
De wettelijke acceptatieplicht betekent dat consumenten contant moeten kunnen betalen aan niet-consumenten. In onder meer winkels en horecagelegenheden wordt het wettelijk verplicht deze contante betalingen door consumenten te accepteren. Het gaat hierbij om contante betalingen tot € 3.000.

Uitzonderingen
Voor bepaalde activiteiten of vanwege de veiligheid komen er uitzonderingen op de wettelijke acceptatieplicht. In het ‘Besluit uitzonderingen acceptatie contant geld’ zijn deze uitzonderingen opgenomen.

Niet gelijktijdig persoonlijk aanwezig
Zo wordt er een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld voor situaties waarbij degene die moet betalen en degene aan wie wordt betaald, niet allebei tegelijk persoonlijk aanwezig zijn. Denk hierbij aan verkoop via een onbemande verkoopautomaat, betalingen bij een parkeerautomaat, bij een onbemand tankstation of een onbemande tolpoort.

Let op!
Deze uitzondering geldt niet als er een natuurlijke persoon aanwezig is die werkzaamheden verricht voor degene aan wie betaald wordt. Als er bijvoorbeeld in een supermarkt een beveiliger of vakkenvuller aanwezig is, maar er zijn alleen zelfscankassa’s, moet er minimaal één zelfscankassa toch contant geld accepteren.

Overeenkomst op afstand
Verder wordt een uitzondering voor de wettelijke acceptatieplicht voorgesteld bij aankopen op afstand: denk aan online, per postorder of telefonisch.

Periodieke betalingen
Ook periodieke betalingen, zoals de betaling van huur, energie, abonnementen of een verzekeringspremie, vallen erbuiten.

Buiten de verkoopruimte
Vanwege de veiligheid wordt voorgesteld om betalingen die plaatsvinden buiten een verkoopruimte, bijvoorbeeld wanneer er moet worden afgerekend aan de deur aan een maaltijdbezorger, uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht.

Let op!
Een mobiele verkoopruimte, zoals een marktkraam, valt niet onder deze uitzondering.

In het openbaar vervoer
Ook de verkoop van vervoersbewijzen in het openbaar vervoer wordt, vanwege de veiligheid, uitgezonderd van de wettelijke acceptatieplicht.

Niet van 22.00 uur tot 6.00 uur
Om veiligheidsredenen wordt verder voorgesteld om betalingen tussen 22.00 uur en 6.00 uur uit te zonderen van de wettelijke acceptatieplicht. Dit is uiteraard voor horecaondernemers van belang.

Uitzondering bij wezenlijk veiligheidsbelang
De ontvanger van contant geld mag vanwege een wezenlijk veiligheidsbelang ook tijdelijk contant geld weigeren.

Let op!
Deze uitzondering geldt dan echt tijdelijk. Alleen bij ondernemingen met minder dan vier werkzame personen kan hiervoor een permanente uitzondering gelden.

Ook geen wettelijke acceptatieplicht
In onder meer de volgende situaties geldt er (nu ook al) geen acceptatieplicht van contant geld:

  • Betalingen tussen privépersonen
  • Betalingen tussen niet-consumenten
  • Betalingen met meer dan 50 muntstukken

Let op!
Het Besluit waar de bovengenoemde uitzonderingen zijn opgenomen, ligt van 14 november 2025 tot en met 2 januari 2026 ter internetconsultatie. Wilt u hierop reageren, dan kan dit via deze link.

Ingangsdatum nog onbekend
Het is nog onbekend vanaf wanneer de wettelijke acceptatieplicht – en de uitzonderingen daarop – ingaan. De ingangsdatum zal per koninklijk besluit bekendgemaakt worden.


5. Geen hoger forfait en lager heffingsvrij vermogen in box 3

Het voornemen van het kabinet om het forfaitaire rendement op overige bezittingen in 2026 en 2027 met 1,78% te verhogen naar 7,78% in 2026 gaat niet door. Het forfaitaire rendement op overige bezittingen bedraagt in 2026 daarom 6%. Ook het plan om het heffingsvrije vermogen te verlagen van € 57.684 in 2025 naar € 51.396 in 2026 en vanaf 2026 geen indexatie toe te passen, gaat niet door. Door een volledige indexatie bedraagt het heffingsvrije vermogen in 2026 € 59.357. Om dit te bekostigen, wordt de aftrek geen of geringe eigenwoningschuld versneld afgebouwd, waardoor mensen met geen of een lage eigenwoninglening meer belasting gaan betalen. In plaats van een jaarlijks afbouwpercentage van 3,33% wordt het jaarlijkse afbouwpercentage 4,8%. De aftrek zal hierdoor met ingang van 2041 volledig afgebouwd zijn (in plaats van 2048). Aan het tarief in box 3 wordt niets gewijzigd. Net als in 2025 betaalt u in 2026 36% over uw forfaitaire of uw werkelijke rendement.


6. Contante betalingen vanaf € 3.000 per 2026 verboden

Contante betalingen vanaf € 3.000 zijn vanaf 1 januari 2026 in Nederland verboden. Het verbod geldt voor alle ondernemers die goederen aan- of verkopen, ongeacht in welke sector zij werkzaam zijn. Daarbij maakt het niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. In alle gevallen zijn contante betalingen vanaf € 3.000 niet meer toegestaan. Een Europees verbod op contante betalingen vanaf € 10.000 volgt in 2027. Dit betekent niet dat de grens in Nederland dan verhoogd wordt naar € 10.000. EU-landen mogen namelijk zelf de grens voor contante betalingen bepalen, zolang deze vanaf 2027 maar onder de € 10.000 ligt.

Special Update Eindejaarstips 2025

Special Update Eindejaarstips 2025

By nieuwsbrief

Special Update Eindejaarstips 2025

Wat kunt u als ondernemer fiscaal dit jaar nog regelen? Zijn er voor de dga belangrijke aandachtspunten waarop u moet anticiperen? Op welke zaken moet u zich als werkgever voorbereiden voor het nieuwe jaar? En welke andere wijzigingen per 1 januari 2026 zijn voor u handig om te weten?

Klik hier voor de special

Nieuwsbrief november 2025

By nieuwsbrief

Nieuwsbrief november 2025

 

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 17 november 2025, 20:00 uur.


1. Wel of geen loonheffing bij outplacement

Een werknemer gaat uit dienst en u spreekt af dat u het outplacementtraject betaalt. Moet u hierover loonheffing betalen en zo ja, wanneer?

Outplacement
Een outplacementtraject begeleidt een werknemer van zijn huidige baan naar een andere baan. U kunt met uw werknemer afspreken dat u de kosten van het outplacementtraject betaalt. Of hierover loonheffing verschuldigd is en zo ja wanneer, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Outplacement tijdens de dienstbetrekking
Loopt de werknemer het outplacementtraject door terwijl hij nog bij u in dienst is, dan kunt u gebruikmaken van een gerichte vrijstelling. U betaalt hierover dan geen loonheffing en u hoeft ook geen gebruik te maken van uw vrije ruimte.

Let op!
Het voorgaande geldt alleen als de kosten van outplacement voldoen aan de gebruikelijkheidstoets die geldt in de werkkostenregeling.

Outplacement na de dienstbetrekking
Betaalt u het outplacementtraject voor uw werknemer nadat hij bij u uit dienst is, dan kunt u de gerichte vrijstelling niet toepassen, volgens de Belastingdienst. Het outplacementtraject vormt dan namelijk loon uit vroegere dienstbetrekking. De gerichte vrijstelling geldt daarvoor niet.

Outplacement bij vaststellingsovereenkomst
Aan de Belastingdienst zijn vragen gesteld over twee situaties waarin een werkgever en een werknemer een vaststellingsovereenkomst sloten tot beëindiging van het dienstverband:

  • In de ene situatie werd afgesproken dat de werknemer recht had op een outplacementtraject na uitdiensttreding, startte dit outplacementtraject ook pas na uitdiensttreding en werden de facturen ook pas na uitdiensttreding voldaan.
  • In de andere situatie was de afspraak dat de werknemer recht had op een outplacementtraject als de werknemer binnen drie maanden na het einde van het dienstverband geen nieuw werk gevonden had.

De Belastingdienst heeft geantwoord dat in beide situaties het genietingsmoment van het outplacementtraject gelegen is ná uitdiensttreding omdat pas ná uitdiensttreding recht was op het outplacementtraject. In dat geval vormt dit outplacementtraject loon uit vroegere dienstbetrekking en kan de gerichte vrijstelling niet worden toegepast.

Andere afspraken maken?
De werkgevers in de hiervoor beschreven situaties moeten, naast de kosten van outplacement, ook de loonheffing hierover dragen. Als zij dit van tevoren hadden geweten, hadden ze wellicht andere afspraken met de werknemer gemaakt.
Denk daarbij aan het al starten van het outplacementtraject tijdens de dienstbetrekking (zorg dan wel dat alle facturen ook al tijdens de dienstbetrekking zijn betaald). Of aan het maken van de afspraak dat de werkgever een bedrag vergoedt voor outplacement, waarbij de eventuele loonheffingen voor rekening van de werknemer zijn.

Let op!
Bent u met uw werknemer in overleg over een outplacementtraject? Overleg dan met onze adviseurs over de mogelijke fiscale gevolgen voor de loonheffingen.


2. Wijzigingen van de BOR en DSR gaan niet door

Een eerder aangenomen beperking van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en doorschuifregeling voor aandelen (DSR ab) tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%, gaat niet door. Ook wijzigingen van de BOR inzake de familietoets bij aandelen en de verwateringsregeling treden niet in werking.

Beperking tot gewone aandelen
Eind 2024 is een wetsvoorstel aangenomen waarin de BOR en de DSR ab beperkt worden tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5%. Door deze wijziging zouden alleen nog gewone aandelen kwalificeren. Winstbewijzen, opties op aandelen en zogenaamde trackingstocks zouden dan niet meer voor de BOR en DSR ab in aanmerking komen.

Deze wijziging zou in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. De staatssecretaris heeft echter onlangs laten weten dat het huidige kabinet niet van plan is om die datum bekend te maken. Dit betekent dat de beperking tot gewone aandelen met een minimaal belang van 5% niet in werking treedt.

Wijzigingen in familietoets en verwateringsregeling
Eind 2023 zijn wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling door de Tweede en Eerste Kamer aangenomen. Hierdoor zouden kleine aandeelbelangen – ongeacht de grootte, dus ook aandelen in box 3 – in aanmerking komen voor de BOR als een familiegroep een belang heeft van minimaal 25%. Ook zou de verwateringsregeling worden verruimd door de toegang tot de BOR en DSR ab te behouden, ook als de aandelenbelangen verwateren over familieleden onder het huidig toegestane percentage van 0,5%. Deze wijziging zou ook in werking treden op een nog nader bekend te maken datum. Net als de beperking tot gewone aandelen, is het huidige (demissionaire) kabinet ook hiervoor niet van plan om die datum bekend te maken. Ook de wijzigingen in de familietoets en de verwateringsregeling treden daarom niet in werking.

Later alsnog?
De inwerkingtreding van deze wijzigingen in de toegang tot de BOR en DSR ab, de familietoets en de verwateringsregeling waren aan elkaar gekoppeld. Voor al deze wijzigingen geldt dat het demissionair kabinet niet van plan is om hier uitvoering aan te geven. Het is echter niet uit te sluiten dat een volgend kabinet hier nog een ander besluit over neemt.


3. Lagere belastingrente IB en Vpb in 2026

De belastingrente voor de inkomstenbelasting (IB) bedraagt in 2026 hoogstwaarschijnlijk 5%. Voor de vennootschapsbelasting (Vpb) zal dit waarschijnlijk 7,5% zijn. Beide percentages zijn 1,5% lager dan in 2025.

Hoe wordt de nieuwe belastingrente vastgesteld?
De belastingrente wordt één keer per jaar opnieuw vastgesteld. De nieuwe rente gaat dan per 1 januari gelden. In een besluit is vastgelegd hoe dit moet gebeuren. Daarbij geldt als basis de vóór 1 november van het voorafgaande jaar laatste gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties.

Voor de belastingrente voor het jaar 2026 gaat het hierbij om de op 11 juni 2025 gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties. Die bedraagt 2,15%. Voor 1 november 2025 vond geen andere publicatie meer plaats.

Let op!
In het besluit is ook opgenomen dat de belastingrente altijd wordt vastgesteld op een afronding van halve procenten. Leidt de berekening tot een andere belastingrente, dan vindt dus afronding plaats. Verder wordt het belastingrentepercentage ten opzichte van het bestaande belastingrentepercentage maximaal 2% hoger of lager.

Belastingrente IB 2026
Voor de IB wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 3%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 4,5% is. Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de IB in 2026 5% (2,15% + 3% = 5,15%, afgerond op halve procenten is dat dus 5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de IB nog 6,5%.

Let op!
Dit percentage geldt ook voor de meeste andere belastingen, onder meer de loonbelasting, omzetbelasting, dividendbelasting, erfbelasting et cetera.

Belastingrente Vpb 2026
Voor de Vpb wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 5,5%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 5,5% is. Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de Vpb in 2026 7,5% (2,15% + 5,5% = 7,65%, afgerond op halve procenten is dat dus 7,5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de Vpb nog 9%.

Let op!
Dit percentage geldt ook voor de bronbelasting en de minimumbelasting.

Nog geen officiële bekendmaking
Het belastingrentepercentage voor 2026 is nog niet door de Belastingdienst bekendgemaakt. Gebaseerd op het besluit komen de percentages uit op 5 en 7,5%, maar daarvan is dus nog geen officiële bevestiging.

Bezwaar belastingrente
Over de hoogte van de belastingrente loopt een procedure bij de Hoge Raad. Bezwaren tegen de belastingrente zijn aangewezen als zogenaamde massaalbezwaarprocedure. Dit betekent dat degenen die bezwaar maken tegen de belastingrente pas een uitspraak van de Belastingdienst krijgen als de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan.

Let op!
Wilt u aansluiten bij deze massaalbezwaarprocedure, dan moet u op tijd een bezwaar indienen tegen de belastingrente. Neem voor meer informatie hierover contact op met onze adviseurs.


4. Minimumuurloon per 1 januari 2026 omhoog

Het wettelijk minimumuurloon wordt per 1 januari 2026 verhoogd. Wat zijn de nieuwe geïndexeerde uurtarieven?

Vanaf 21 jaar
Door een indexatie van 2,15% zal het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer vanaf 21 jaar vanaf 1 januari 2026 € 14,71 per uur bedragen. Nu bedraagt het wettelijk minimumuurloon voor een werknemer van 21 jaar en ouder nog € 14,40 per uur.

Let op!
De berekening van het indexatiepercentage is gebaseerd op het gemiddelde van de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, in de gepremieerde en gesubsidieerde sector en bij de overheid.

Wettelijk minimumuurloon 15 tot en met 20 jaar
Door de stijging van het wettelijk minimumuurloon voor werknemers van 21 jaar en ouder, stijgt het wettelijk minimumuurloon voor jongere werknemers per 1 januari 2026 als volgt:

Leeftijd Percentage Minimumuurloon
21 jaar en ouder 100,0% € 14,71
20 jaar 80,0% € 11,77
19 jaar 60,0% € 8,83
18 jaar 50,0% € 7,36
17 jaar 39,5% € 5,81
16 jaar 34,5% € 5,07
15 jaar 30,0% € 4,41


Let op!

In de Voorjaarsnota 2025 was door het huidige kabinet afgesproken om het minimumjeugdloon voor jongeren van 16 tot en met 20 jaar vanaf 2027 geleidelijk te verhogen. Het is nog niet bekend of het nieuwe kabinet deze plannen overneemt.

Wettelijk minimumuurloon bbl
Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) geldt voor werknemers in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar een ander percentage. Het wettelijk minimumuurloon voor deze werknemers is per 1 januari 2026 als volgt:

Leeftijd Percentage Minimumuurloon
21 jaar en ouder 100,0% € 14,71
20 jaar 61,5% € 9,05
19 jaar 52,5% € 7,72
18 jaar 45,5% € 6,69
17 jaar 39,5% € 5,81
16 jaar 34,5% € 5,07
15 jaar 30,0% € 4,41


Let op!

In juli 2025 maakte de minister van OC&W bekend dat hij de lagere percentages voor werknemers in de bbl met ingang van 1 januari 2027 wil afschaffen. Dit is nu een plan, dat verder nog niet concreet is.


5. Maximale inhouding huisvesting op minimumloon blijft 25%

Werkgevers mogen in 2025 voor de kosten van huisvesting van een werknemer maximaal 25% van het wettelijk minimumloon inhouden op dit minimumloon. Het plan was om dit percentage vanaf 2026 met 5% per jaar af te bouwen. Vanaf 2030 zou het dan verboden zijn om de kosten van huisvesting in te houden op het wettelijk minimumloon. Dit plan gaat vooralsnog niet door. Het is uiteraard niet uitgesloten dat een nieuw kabinet er alsnog voor kiest om de regeling af te bouwen. Dat zal dan in ieder geval niet per 1 januari 2026 zijn.


6. Moet u op pensioenadvies aan personeel loonheffing inhouden?

Als een werknemer een door u als werkgever betaald pensioenadvies krijgt, is hierover dan wel of geen loonheffing verschuldigd? Vanaf de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioen (Wtp) zijn pensioenuitvoerders verplicht om werknemers te begeleiden bij het maken van een keuze binnen de pensioenregeling. Als het pensioenadvies zich beperkt tot keuzebegeleiding, is dit verplichte advies onbelast voor de loonheffingen. Als meer persoonlijke achtergrondinformatie bij het pensioenadvies wordt betrokken, is het pensioenadvies niet meer beperkt tot keuzebegeleiding. Er is dan sprake van persoonlijk pensioenadvies. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de kosten van een persoonlijk pensioenadvies belast loon vormen voor de werknemer. De Wtp verplicht overigens niet tot een dergelijk uitgebreid advies.

Tip: u kunt er als werkgever voor kiezen om het persoonlijk pensioenadvies aan te wijzen voor de werkkostenregeling. In dat geval wordt bij de werknemer geen loonheffing geheven als u nog vrije ruimte heeft.