All Posts By

Standaard betalingsregeling Belastingdienst voor particulieren

By nieuws

Betalingsregeling twaalf maanden 

De standaardbetalingsregeling heeft een looptijd van maximaal twaalf maanden vanaf het moment dat de Belastingdienst de betalingsregeling toestaat. De particulier moet zijn belastingschuld in gelijke maandelijkse termijnen terugbetalen. De maandelijkse termijn bedraagt minimaal €20. 

Voor welke schulden? 

De betalingsregeling geldt in beginsel voor alle belastingaanslagen die de particulier op het moment van het aanvragen heeft openstaan. De volgende aanslagen gaan echter niet mee in de standaard betalingsregeling: 

  • voorlopige aanslagen inkomstenbelasting van het lopende jaar, 
  • conserverende aanslagen;
  • aanslagen waarvoor al een verzoek om uitstel van betaling i.v.m. bezwaar of beroep in behandeling of toegewezen is. 

Wanneer geen standaard betalingsregeling? 

Er zijn verschillende redenen voor de Belastingdienst om de standaard betalingsregeling niet te verlenen. Zo staat de Belastingdienst de standaardregeling niet toe als de belastingschulden €100.000 of hoger zijn of als de particulier nieuw opkomende schulden meer dan incidenteel niet volledig heeft voldaan. Verder zal de Belastingdienst geen standaardregeling toestaan als de nakoming van de betalingsregeling onvoldoende gewaarborgd is. 

Let op! In die gevallen waarin de standaard betalingsregeling niet wordt toegestaan, zal de Belastingdienst het verzoek om een betalingsregeling niet automatisch afwijzen. De Belastingdienst beoordeelt dan eerst nog of de particulier in aanmerking komt voor een niet-standaard betalingsregeling. 

Verrekening tijdens betalingsregeling 

Heeft de particulier gedurende de betalingsregeling recht op een belastingteruggave? Dan verrekent de Belastingdienst deze met de openstaande belastingschulden. 

Tip! Op verzoek van de particulier kan de Belastingdienst er voor kiezen om de teruggave niet te verrekenen. 

Let op! De voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting van het lopende jaar wordt in principe niet verrekend. 

Hoe aanvragen? 

De standaard betalingsregeling kan mondeling, schriftelijk of digitaal worden aangevraagd. 

Let op! De standaard betalingsregeling kan alleen worden aangevraagd door particulieren. Ex-ondernemers worden in dit verband ook als particulier aangemerkt! 

Invorderingsrente 

Ook een particulier zonder betalingsproblemen kan een beroep doen op de standaard betalingsregeling. Een particulier die liever in termijnen betaalt dan in één keer, kan dit dus regelen. Houd er wel rekening mee dat de Belastingdienst gedurende de betalingsregeling invorderingsrente berekent. 

Naheffing parkeerbelasting bij maximum parkeerduur

By nieuws

Betaalperiode beperkt 

In een zaak die speelde voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, was in de betreffende situatie in Groningen het voldoen van parkeerbelasting beperkt tot een periode van maximaal twee uur. Langer parkeren was toegestaan, maar dan moest er opnieuw actie worden ondernomen om parkeerbelasting te betalen. 

Parkeerduur niet beperkt, dus naheffing terecht 

Omdat de parkeerduur in deze zaak niet was beperkt tot twee uur, maar er na die periode opnieuw een parkeerticket kon worden gekocht, was volgens het gerechtshof de naheffing parkeerbelasting terecht. De parkeerder die langer dan twee uur stond, had immers niet betaald voor de verschuldigde belasting die voldaan had moeten worden. 

Afwijkend wanneer parkeerduur beperkt is 

Het gerechtshof merkte op dat de betreffende situatie afwijkt van die waarin de parkeerduur is beperkt. Belanghebbende had in dat verband tevergeefs verwezen naar een arrest van de Hoge Raad, waarin de Hoge Raad besliste dat dan geen naheffing kan volgen. In die zaak had een automobilist in Hilversum voor de maximale parkeerduur van één uur parkeerbelasting betaald, maar na dat ene uur zijn auto gewoon laten staan. De naheffing parkeerbelasting was in die casus onterecht, omdat er na het uur door hem helemaal niet meer geparkeerd mocht worden op de betreffende parkeerplaats. Er hoefde dus voor die periode ook geen parkeerbelasting betaald te worden. 

Parkeerboete als alternatief 

Staat een auto geparkeerd op een plaats waar deze auto niet meer mág parkeren omdat de maximale parkeerduur is overtreden, dan kan de gemeente dus geen naheffingsaanslag parkeerbelasting opleggen. De gemeente kan echter wel een parkeerboete opleggen. Dat kan zelfs als het technisch wel mogelijk is om voor een langere periode te betalen. Het ‘teveel’ betaalde wordt dan dus niet automatisch beschouwd als betaalde parkeerbelasting voor een periode waarin helemaal niet meer geparkeerd had mogen worden. 

Praktische oplossing 

Parkeercontroleurs die een naheffing parkeerbelasting op mogen leggen, mogen niet altijd ook een boete opleggen als wordt geparkeerd terwijl dat niet meer is toegestaan. Gemeentes dienen in die gevallen na te denken over hoe dan toch adequaat kan worden opgetreden tegen te lang parkeren. Uiteraard kan een wel bevoegde collega worden opgetrommeld, of net als tegenwoordig in Hilversum met een scanauto eerst de overtreding vastgelegd worden, waarna men vervolgens handmatig de juiste sanctie oplegt. Uiteraard kan men ook, net als in de casus in Groningen, parkeerders verplichten regelmatig een nieuw parkeerkaartje te kopen. 

Parkeerbelasting alleen te voldoen bij aanvang 

In een ander zaak besliste gerechtshof Amsterdam overigens anders dan gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het gerechtshof besliste dat de parkeerder in die zaak de belasting voor opvolgende tijdvakken (na de maximumperiode van een uur die in die zaak gold) niet kon voldoen. In de Gemeentewet en in de Verordening was namelijk opgenomen dat de parkeerbelasting uitsluitend kon worden voldaan bij aanvang van het parkeren. 

Slimme tachograaf verplicht voor meer voertuigen

By nieuws

Voordeel slimme tachograaf 

Een tachograaf houdt de rij- en rusttijden van de chauffeur bij, evenals de snelheid en de afgelegde afstand. Een slimme tachograaf houdt daarnaast automatisch bij of de grens wordt gepasseerd. Het voordeel hiervan is dat de chauffeur dan niet meer handmatig de landcode hoeft te wijzigen. 

Verplichte slimme tachograaf tot 1 juli 2026 

De slimme tachograaf was tot 1 juli 2026 al verplicht voor bussen en touringcars die meer dan acht personen vervoeren (zonder de bestuurder mee te rekenen). Ook was de slimme tachograaf al verplicht voor vrachtwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kilo.  

Let op! De maximummassa is het eigen gewicht van het voertuig plus het maximale laadvermogen. 

Uitbreiding vanaf 1 juli 2026 

Vanaf 1 juli 2026 is het verplichte gebruik van slimme tachografen uitgebreid. De slimme tachograaf geldt vanaf die datum ook voor onder andere bestelbussen en auto’s met een aanhangwagen. Het voertuig moet een toegestane maximummassa tussen 2.501 en 3.500 kilo hebben en er moet in het buitenland goederen mee vervoerd worden of er moet sprake zijn van cabotagevervoer. Cabotagevervoer betekent dat je bedrijf in Nederland is gevestigd, maar dat met je bedrijfsvoertuig in een ander EU-land goederen of mensen vervoerd worden. 

Tip! De toegestane maximummassa staat vermeld op het kentekenbewijs. 

Vrijstellingen verplichte tachograaf 

Er geldt ook een aantal vrijstellingen van de tachograafplicht, bijvoorbeeld voor campers en kampeerwagens met een toegestane maximummassa tot en met 7.500 gram. 

Ook vrijgesteld zijn voertuigen voor het vervoeren van apparatuur door professionals, zoals het gereedschap van een loodgieter. Hiervoor geldt als voorwaarde dat het voertuig maximaal twaalf uur per week (op basis van een werkweek van 40 uur) mag worden gebruikt en alleen in een straal van 100 kilometer rondom de vestiging van het bedrijf. 

Let op! De slimme tachograafplicht geldt alleen als met het voertuig ook goederen worden vervoerd in het buitenland. De bestelbus of auto met aanhangwagen van de loodgieter die alleen in Nederland goederen vervoerd hoeft dus geen slimme tachograaf te hebben, ook niet als de loodgieter meer dan twaalf uur per week van het voertuig gebruik maakt. 

Verder zijn vrijgesteld volledig elektrische voertuigen en voertuigen met waterstofbrandstofcel die een toegestane maximummassa tussen de 3.501 en 4.250 kilogram hebben en binnen 100 kilometer van de vestigingsplaats en binnen Nederland blijven. 

Voertuigen tussen de 2.501 en 3.500 kilo die alleen voor de onderneming of de bestuurder worden gebruikt, zijn ook vrijgesteld. Als extra voorwaarde geldt dan dat het vervoeren van producten niet het hoofddoel van de onderneming of bestuurder mag zijn. 

Let op! Op de site van de ILT tref je ook een overzicht aan van alle nationale en internationale vrijstellingen inzake de tachograafplicht. 

Controle door ILT 

De controle op de slimme tachograaf wordt uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Bij overtreding van de regels of wanneer geen slimme tachograaf is geïnstalleerd kunnen boetes volgen en kan de vervoersvergunning worden ingetrokken.  

Mkb houdt adem in: investeringen ‘on hold’

By nieuws

Dit blijkt uit het SRA-Branches in Zicht-onderzoek 2026. Voor dit onderzoek zijn 7061 jaarrekeningen van mkb-bedrijven (exclusief zzp’ers) geanalyseerd. Meer dan 99% van alle bedrijven in Nederland behoort tot het mkb (Staat van het mkb, 2025).  

Investeringen uitgesteld 

Het SRA-onderzoek laat zien dat ondernemers hun investeringen uitstellen. Het eigen vermogen en de liquide middelen zijn toegenomen en ondernemers hebben minder geleend om investeringen te financieren.  

“Over 2025 zien we een magere winstgroei ten opzichte van de omzet, waardoor er steeds minder geld overblijft voor investeringen. We zien onzekerheid door de toegenomen personeels- en inkoopkosten en inconsistent overheidsbeleid. Daarbovenop liggen grote opgaven, zoals personeelskrapte, netcongestie, AI, digitalisering en is er onzekerheid door de onrust in het Midden-Oosten”, aldus Van der Kwaak.  

Afvlakking winstgroei 

Uit de BiZ-analyse blijkt dat de omzet van het mkb over 2025 met 6,4% toenam ten opzichte van het jaar ervoor, terwijl de winststijging 3,4% bedroeg. Achter de omzettoename van 6,4% gaat bovendien voor een groot deel inflatie schuil (3,3%). 

De helft van alle ondernemingen zag de winst dalen, waarvan 24% met 50% of meer. De oorzaak ligt in de toename van de inkoopkosten (6,1%) en de personeelskosten (8,5%). De micro-ondernemingen (met 2-10 medewerkers) hebben naar verhouding het minst gepresteerd: 52% zag de winst dalen (versus 50% gemiddeld in het mkb).  

Tot de coronaperiode steeg het winstpercentage in het mkb elk jaar ongeveer juist twee keer zo hard als de omzetstijging, terwijl de afgelopen jaren de winstgroei in relatie tot de omzet flink afvlakte. 

41% van de ondernemers noemt hogere kosten het grootste effect van onzekerheid en het personeelstekort de grootste belemmering voor de productiviteit (Staat van het mkb, 2025). 

 Omzet- en winstontwikkeling mkb

Grote verschillen tussen branches 

Op brancheniveau liepen de cijfers flink uiteen. Op sectorniveau was de winstdaling gemiddeld het grootst bij bouw (-11,2%), horeca (-4,8%) en retail (-2,7%). Positieve uitschieters met een bovengemiddelde winsttoename waren specialistische zakelijke diensten (15,5%), industrie (13,3%), logistiek en zorg (beide 5%).  

Regionale verschillen 

De vier grote steden kenden het grootste aandeel ondernemingen met een daling van de winst: 55% (versus 50% voor heel Nederland). Hiervan had 31% een winstdaling van 50% of meer (versus 24% mkb-gemiddeld).  

Over het onderzoek 

Het SRA-onderzoek Branches in Zicht 2026 bevat de belangrijkste financiële kengetallen van het Nederlandse mkb. Het onderzoek is gebaseerd op een grootschalige cijferanalyse van 7061 jaarrekeningen over 2025 uit het SRA-benchmarkplatform BiZ, dat in totaal over de jaren heen 500.000 jaarrekeningen bevat. De cijfers zijn rechtstreeks afkomstig van de jaarrekeningen van klanten van SRA-accountantskantoren. De betrouwbaarheid is gegarandeerd, omdat de data volledig automatisch en anoniem worden verzameld vanuit de software. De massa, validiteit en actualiteit van deze data zijn uniek. 

Dit rapport bevat, naast de gemiddelde prestaties over 2025 in het mkb als geheel, ook de financiële prestaties (omzet, winst, kosten) van ondernemers in de branches bouw, detailhandel, horeca, industrie, logistiek, medische zorg en specialistische zakelijke dienstverlening.  

Over SRA 

SRA is de grootste vereniging van accountantskantoren werkzaam voor het mkb. Sinds 1989 vormen wij een landelijke vereniging van 386 zelfstandige accountantskantoren, die 1.060 vestigingen, 3.900 accountants (AA’s en RA’s), 1.800 fiscalisten (NOB en RB) en in totaal 22.500 professionals met elkaar verbindt. De SRA-kantoren bedienen 65% van het mkb. 

Advieswijzer Verenigingen en Stichtingen

By nieuws

Een aantal belangrijke actualiteiten hebben wij daarom voor je op een rij gezet, zoals:

  • Wat is het verschil tussen een ANBI en een SBBI?
  • Is jouw instelling een ANBI of een SBBI?
  • Moet je vennootschapsbelasting betalen?
  • Kom je in aanmerking voor vrijwilligersaftrek en hoeveel mag je jouw vrijwilligers vergoeden?
  • Wat houdt de kantineregeling in?

Wanneer ANBI?

ANBI staat voor algemeen nut beogende instelling. Jouw vereniging of stichting kan alleen een ANBI zijn als ze zich voor minstens 90% inzet voor het algemeen nut en door de Belastingdienst als een ANBI is aangemerkt. Om een ANBI te kunnen zijn, moet aan een groot aantal voorwaarden en verplichtingen worden voldaan. Neem voor meer informatie hierover contact met ons op.

Let op!Een ANBI moet verplicht een groot aantal gegevens op haar internetsite publiceren. Zo moet een ANBI de balans, de staat van baten en lasten en een toelichting hierop binnen zes maanden na het boekjaar op de site zetten. Zorg dat jouw vereniging of stichting aan deze verplichting voldoet. Welke gegevens een ANBI nog meer moet publiceren, staat op de site van de Belastingdienst.

Bewijslast

Als een instelling als ANBI wil worden aangemerkt, ligt de bewijslast bij de instelling dat met de activiteiten van de instelling het algemeen belang wordt gediend. Het algemeen belang moet niet alleen statutair zijn vastgelegd, maar de activiteiten van de ANBI moeten ook hiermee in overeenstemming zijn. Dit betekent dat de werkzaamheden van de ANBI gericht moeten zijn op concrete doelen die tot het algemeen nut kunnen worden gerekend. 

Als voorbeeld. In een rechtszaak richtte een vereniging zich op activiteiten in het kader van het algemeen nut, maar ook op activiteiten met het oog op ontspanning en vermaak van de leden. Zonder nadere onderbouwing waren laatstgenoemde activiteiten niet aan te merken als gericht op het algemeen belang. Nu deze onderbouwing ontbrak, was de ANBI-status terecht geweigerd, aldus de rechtbank.

In een andere rechtszaak stond de vraag centraal of een stichting die als doel had om eenzaamheid te bestrijden, voldeed aan de eisen voor een ANBI. De stichting probeerde genoemd doel te bereiken door via een site eenzame mensen met elkaar in contact te brengen met dezelfde interesses. Ook organiseerde de stichting burenhulp. De rechtbank kwam tot de conclusie dat de stichting voldeed aan de voorwaarden die gelden voor een ANBI. De activiteiten van de stichting konden namelijk worden aangemerkt als ‘welzijn’, een begrip dat volgens wetsgeschiedenis ruim moet worden geïnterpreteerd, aldus de rechtbank.

Voordelen ANBI

De status van ANBI heeft een groot aantal voordelen. Zo betaalt een ANBI onder meer geen schenk- of erfbelasting over schenkingen en erfenissen die zij gebruikt voor het algemeen belang, komt een ANBI in aanmerking voor teruggaaf van een deel van de energiebelasting, bestaan er in de vennootschapsbelasting een aantal fiscale voordelen en zijn giften aan een ANBI bij de schenker onder voorwaarden aftrekbaar in de inkomsten- of vennootschapsbelasting.

ANBI oprichten

Wie een ANBI wil oprichten, kan tegenwoordig terecht op een speciale website van de Belastingdienst. De website biedt informatie over ANBI’s, bevat een link naar een aanvraagformulier voor een ANBI en biedt de mogelijkheid in contact te komen met het zogenaamde ANBI-team van de Belastingdienst. De speciale site is met name bedoeld voor degenen die een kleinere of middelgrote ANBI willen oprichten en de aanvrager te helpen bij zijn aanvraag om – via een praktische uitleg – zaken inzichtelijker te maken.

Bestedingscriterium verduidelijkt

Een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan nodig voor het uitvoeren van haar activiteiten als ANBI. De Belastingdienst heeft verduidelijkt onder welke voorwaarden investeringen en uitgaven zijn toegestaan zonder de ANBI-status in gevaar te brengen. Zo moet een investering door een ANBI het doel van de ANBI rechtstreeks bevorderen of verwezenlijken. Ook mag de uitgave geen zakelijke activiteit betreffen primair bedoeld om voordeel te behalen. Verder is bepaald dat als geïnvesteerd wordt via een organisatie, ook deze organisatie het bedrag moet gebruiken in lijn met het doel van de ANBI. 

Ook is verduidelijkt dat bestuurders van de ANBI niet bij een investering in een organisatie betrokken mogen zijn. Daarnaast is bepaald dat de investering in de administratie en het beleidsplan als investering van algemeen nut moeten worden opgenomen. 

Let op! ANBI’s die niet of nog niet voldoen aan de gestelde voorwaarden, dienen dit te melden bij hun inspecteur. Deze kan een termijn stellen waarbinnen alsnog aan de verplichtingen moet worden voldaan. Gebeurt dit niet, dan kan een ANBI de status van ANBI verliezen.

Tip! Een ANBI kan door de Belastingdienst ook worden aangewezen als een culturele ANBI. Uw instelling moet dan voor minstens 90% actief zijn op cultureel gebied. Een culturele instelling kan gebruikmaken van een aantal extra faciliteiten.

Wanneer SBBI?

Als jouw vereniging of stichting geen ANBI is, is er wellicht wel sprake van een sociaal belang behartigende instelling (SBBI). Een SBBI is een instelling die geen ANBI is, maar wel een sociaal belang behartigt. Voorbeelden van SBBI’s zijn een muziekvereniging, een sportvereniging, een toneelvereniging of een lokale scoutinggroep. Het voordeel van een SBBI is dat zij geen schenk- of erfbelasting betaalt over schenkingen of erfenissen die zij gebruikt voor een sociaal belang. Overleg met ons over de voorwaarden voor een SBBI.

Let op! Over een schenking die een SBBI doet van meer dan € 2.769 (2026) is door de ontvanger van de schenking wel gewoon schenkbelasting verschuldigd, tenzij deze zelf een ANBI of SBBI is.
Vennootschapsbelasting

Vaak zal een stichting of vereniging niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Dit is echter wel het geval als sprake is van het drijven van een onderneming. Belangrijke criteria zijn deelname aan het economisch verkeer en het streven naar winst (winstoogmerk).

Let op! In de statuten wordt vaak opgenomen dat de stichting of vereniging geen winstoogmerk heeft. Dit is geen vrijwaring voor de vennootschapsbelasting. Bepalend is vooral de feitelijke aanwezigheid van overschotten.

Winstvrijstelling

Behaalt uw stichting of vereniging winst, dan kan er een vrijstelling van toepassing zijn als de winst onder bepaalde grenzen blijft. De vrijstelling is van toepassing als de winst in een jaar niet meer bedraagt dan € 15.000 dan wel in het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaar samen niet meer bedraagt dan € 75.000. De vrijstelling geldt voor alle stichtingen en verenigingen. 

 De volledige vrijstelling is ook van toepassing op stichtingen en verenigingen die nog geen vijf jaar bestaan. Dit is beslist in een arrest van de Hoge Raad. Als een vereniging of stichting voor de vrijstelling in aanmerking komt, past de Belastingdienst deze automatisch toe. Als er aangifte is gedaan, volgt er een nihilaanslag. De Belastingdienst beveelt stichtingen en verenigingen aan om bij de aangifte te vermelden dat de vrijstelling van toepassing is. Dit kan door bij ‘expliciet uitspraak Belastingdienst gevraagd’ te vermelden ‘vrijgesteld op grond van artikel 6 Wet Vpb’.

Tip! Jouw stichting of vereniging kan ervoor kiezen de vrijstelling niet toe te passen, bijvoorbeeld als men een verlies wil verrekenen. Deze keuze wordt gemaakt voor een periode van minimaal vijf jaar. Na die tijd kan er opnieuw voor gekozen worden om de vrijstelling niet toe te passen. Als je de vrijstelling niet toe wilt passen, moet je een brief sturen naar het belastingkantoor. Dit moet voordat de aangifte vennootschapsbelasting over het eerste jaar van de periode van vijf jaar is afgehandeld.

Bestedingsreserve

Stichtingen en verenigingen die zijn aangemerkt als culturele ANBI en stichtingen en verenigingen die een sociaal belang behartigen en hun winst voor minstens 70% behalen met behulp van vrijwilligers, kunnen een bestedingsreserve vormen. Voldoet jouw instelling aan deze voorwaarden, dan mag (een deel van) de winst voor belastingheffing gereserveerd worden in een bestedingsreserve. Er moet dan wel een bestedingsvoornemen zijn en de gereserveerde winsten moeten in beginsel in het jaar of binnen vijf jaar na afloop van het jaar worden besteed. Na deze termijn valt de bestedingsreserve in de winst.

Aftrek fondswervende activiteiten

Fondswervende activiteiten van een ANBI kunnen in aftrek komen van de winst. Er geldt wel een aantal voorwaarden. Zo moeten de activiteiten voor minstens 30% met behulp van vrijwilligers worden verricht. Stichtingen en verenigingen die geen ANBI zijn, kunnen – als zij uitsluitend fondswervende activiteiten verrichten – onder voorwaarden de uitkeringen aan een ANBI van de winst in aftrek brengen. Zo moeten ook hier de activiteiten voor minstens 30% met behulp van vrijwilligers worden verricht. Ook moet kenbaar worden gemaakt dat de opbrengst uit de fondswervende activiteiten voor minimaal 90% naar een algemeen nuttig doel gaat en moet de uitkering zijn gedaan binnen zes maanden na afloop van het jaar waarin de gelden zijn verworven.

Vrijwilligersaftrek

Een ANBI en een SBBI kunnen onder bepaalde voorwaarden gebruikmaken van de vrijwilligersaftrek in de vennootschapsbelasting. Als SBBI kun je alleen gebruikmaken van de vrijwilligersaftrek als de winst voor minstens 70% wordt behaald met behulp van vrijwilligers. Onder de vrijwilligersaftrek kan de winst van jouw vereniging of stichting verminderd worden met een fictieve beloning van de vrijwilligers op basis van het minimumloon, verminderd met de daadwerkelijke beloning. Als je aannemelijk maakt dat een hoger loon dan het minimumloon gebruikelijk is, mag je rekening houden met dat hogere loon.

Belastingplicht culturele instellingen

Culturele instellingen kunnen voor de vennootschapsbelasting belaste en onbelaste activiteiten verrichten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een museum, waarbij de winst behaald met de museumwinkel belast is en de winst behaald met de culturele activiteiten onbelast. Als met deze culturele activiteiten een verlies geleden wordt, kan dit verlies echter niet verrekend worden met de winst van de museumwinkel.

Om die reden hebben culturele instellingen de mogelijkheid om te kiezen voor volledige belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Bij volledige belastingplicht kan het verlies uit de onbelaste activiteit wel verrekend worden met de winst uit de belaste activiteit. Een dergelijke keuze geldt voor een periode van tien jaar.

Tip! Een culturele instelling kan gebruikmaken van de winstvrijstelling, ook als gekozen is voor volledige belastingplicht.

Loonbelasting

ANBI’s kunnen gebruikmaken van de vrijwilligersregeling in de loonbelasting. Is jouw stichting of vereniging aangemerkt als ANBI, dan hoef je geen loonheffing in te houden op een vergoeding aan een vrijwilliger. De vergoeding mag niet meer bedragen dan € 220 per maand en maximaal € 2.200 per jaar (2026). Betaal je een uurvergoeding, dan beschouwt de Belastingdienst een bedrag van maximaal € 5,75 (of € 3,40 voor een vrijwilliger jonger dan 21 jaar) per uur als vrijwilligersvergoeding.

Het gebeurt in de praktijk vaak dat een vrijwilliger afziet van een kostenvergoeding. Hierdoor wordt de vergoeding een gift die de vrijwilliger onder voorwaarden kan aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting. Dat kan alleen als voldaan wordt aan de drie volgende voorwaarden:

  1. jouw organisatie verklaart dat de vrijwilliger recht heeft op de vergoeding;
  2. jouw organisatie is bereid en in staat om de vergoeding uit te betalen;
  3. de vrijwilliger kan aanspraak maken op de vergoeding en heeft de vrijheid daarover te beschikken.

Let op! De vrijwilliger kan alleen de kosten aftrekken als de ANBI een ‘vrijwilligersverklaring’ invult. Deze is beschikbaar op de site van de Belastingdienst (zoekterm ‘vrijwilligersverklaring’).

Tip! Is jouw vereniging of stichting geen ANBI, maar wel een sportorganisatie of een organisatie die geen aangifte vennootschapsbelasting hoeft te doen? Dan kun je ook de vrijwilligersregeling toepassen.

De Belastingdienst heeft aangegeven of het koppelen van een vrijwilligersvergoeding aan een jaarlijkse gift aan een ANBI, als periodieke gift kan worden aangemerkt. Aangegeven wordt dat wanneer een jaarlijkse gift gekoppeld is aan de te ontvangen vergoeding als vrijwilliger bij dezelfde vereniging (ANBI), dit niet leidt tot een periodieke gift. Voor een periodieke gift is namelijk vereist dat minstens vijf jaar hetzelfde bedrag wordt geschonken. Daarbij is ook vereist dat alle geschonken bedragen jaarlijks even groot moeten zijn. Bij een koppeling aan de verdiensten als vrijwilliger is hiervan echter geen sprake. De gift kan in beginsel wel als ‘andere gift’ in aftrek van het inkomen komen, maar dit is fiscaal minder aantrekkelijk. De gift is dan namelijk slechts aftrekbaar voor zover het bedrag meer dan 1% van het verzamelinkomen bedraagt met een minimum van € 60 en kent dan een maximum van 10% van dit verzamelinkomen. Een periodieke gift kan wel deels worden bereikt door een ontkoppeling van de gift en de vergoeding als vrijwilliger. Zo kan een schenkingsovereenkomst worden gesloten, waarbij aan de vereniging minstens vijf jaar lang een vast bedrag wordt geschonken en waarbij de te ontvangen vergoeding als vrijwilliger hiermee wordt verrekend. Is in die situatie de vergoeding echter minder dan de jaarlijks afgesproken gift, dan zal wel het verschil moeten worden bijbetaald door de vrijwilliger.

Omzetbelasting

De sportvrijstelling in de omzetbelasting moet verplicht worden toegepast als aan de voorwaarden wordt voldaan. De vrijstelling geldt ook voor diensten die sportorganisaties verlenen aan niet-leden, bijvoorbeeld het verzorgen van een training.

Instellingen die geen winst beogen en een sportaccommodatie ter beschikking stellen die onmisbaar is voor de sportbeoefening, vallen ook onder de vrijstelling. 

Door de btw-vrijstelling die geldt voor het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie, is de voorbelasting niet aftrekbaar. Om dit nadeel te compenseren, is er een subsidieregeling voor gemeenten en sportorganisaties. De subsidie voor gemeenten,  de Specifieke uitkering stimulering sport (SPUK), bedraagt 18% van alle btw-belaste sportuitgaven. Voor sportinstellingen is de subsidie BOSA beschikbaar (Stimulering bouw en onderhoud van sportaccommodaties). Deze subsidie bedraagt maximaal 20% van bouw-, onderhoud- en materiaalkosten, met een maximum van € 2,5 miljoen per jaar. Een subsidie van minder dan € 2.500 wordt niet verstrekt. Voor sommige activiteiten in het kader van verduurzaming en toegankelijkheid geldt een extra subsidie van maximaal 10%. Voor sommige activiteiten in het kader van het bevorderen van de veiligheid geldt een extra subsidie van maximaal 30%. 

Btw-vrijstelling fondsenwerving

Fondswervende activiteiten van bepaalde aangewezen instellingen waarvan de primaire activiteiten zijn vrijgesteld van btw (waaronder ziekenhuizen, verpleeghuizen, instellingen voor jeugdwerk, sportverenigingen en culturele, sociale en religieuze instellingen) zijn in het geheel vrijgesteld van btw als de fondswervende leveringen niet meer dan € 68.067 en de fondswervende diensten niet meer dan € 22.689 per jaar bedragen.

Let op! Voor sportverenigingen geldt een afwijkend grensbedrag voor fondswervende diensten van € 50.000. Daarnaast mogen sportverenigingen geen gebruikmaken van de kantineregeling. Dit betekent dat de kantineontvangsten meetellen voor het maximumbedrag van de fondswervende leveringen van € 68.067 per jaar.

Bij overschrijding van een van de grensbedragen komt de fondsverwerving in de normale heffing van de btw terecht. Dit geldt niet als de overschrijding veroorzaakt wordt door bijzondere, eenmalige omstandigheden of als de overschrijding redelijkerwijs niet was te voorzien. De grensbedragen voor leveringen en diensten gelden onafhankelijk van elkaar. Overschrijding in één categorie betekent dus niet automatisch dat de andere categorie ook in de btw betrokken moet worden.

Tip! Giften, donaties en contributies (zonder expliciete tegenprestatie) worden voor de grensbedragen niet meegerekend.

Bepaalde organisaties, bijvoorbeeld muziekverenigingen, dorpshuizen en buurtverenigingen, kunnen de kantineregeling toepassen. De kantineontvangsten zijn dan vrijgesteld als deze inclusief btw niet meer bedragen dan € 68.067 per jaar. Deze vrijstelling geldt naast de vrijstelling voor fondsenwerving. Dit betekent dat de kantineontvangsten niet meetellen voor de grensbedragen.

WBTR en stemrecht

Besturen van verenigingen en stichtingen hebben te maken met de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR).

De WBTR is bedoeld om wanbestuur binnen verenigingen en stichtingen zo veel mogelijk te voorkomen. Met de WBTR wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regels die al gelden voor besturen van nv’s en bv’s. Onder meer omvat de aansprakelijkheid van bestuurders ook met aansprakelijkheid bij faillissement als er sprake is van een ernstig verzuim, bijvoorbeeld als voor bepaalde risico’s geen verzekering is afgesloten. Verder staat in de WBTR onder meer ook dat een bestuurder van een vereniging of stichting niet mag deelnemen aan vergaderingen over een bepaald onderwerp als hij ook een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang van de vereniging of stichting. Ook mag hij in die gevallen niet deelnemen aan de besluitvorming.

Ook mag een bestuurder nooit meer stemmen uitbrengen dan de rest van het bestuur samen. Een voor 1 juli 2021 bestaande afwijkende statutaire regeling is geldig tot 1 juli 2026 of tot de eerstvolgende statutenwijziging als dit eerder is. Verder is geregeld dat als in een vereniging of stichting met een klein bestuur geen van de bestuursleden nog in functie is of afwezig is, formeel geen besluiten meer genomen kunnen worden. De statuten dienen dan te bepalen hoe besluiten dan toch genomen kunnen worden, bijvoorbeeld via een commissie.

Convenant Belastingdienst en organisaties goede doelen

Goede doelen hebben te maken met één loket voor het aanvragen van een erkenning en van de ANBI-status. Hiertoe hebben organisaties van goede doelen met de Belastingdienst een convenant afgesloten. Om fraude te voorkomen, kunnen goede doelen een erkenning aanvragen bij het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF). Zo weten donateurs dat ze te maken hebben met een bonafide organisatie. Daarnaast kunnen goede doelen de ANBI-status aanvragen. De kwaliteitseisen voor het verkrijgen van de erkenning zijn gelijk aan die voor de ANBI-status. 

Giftenaftrek: bewijs vereist

Donateurs moeten hun gift kunnen bewijzen om deze af te kunnen trekken. Een ontvangstbewijs of verklaring is hiervoor niet voldoende.

Hogere giftenaftrek culturele ANBI

Voor giften aan culturele ANBI’s geldt een hogere giftenaftrek. Particulieren mogen deze giften voor de giftenaftrek verhogen met 25% (met een maximum van € 1.250 per jaar). Dit geldt zowel voor eenmalige als voor periodieke giften. Ondernemingen in de vennootschapsbelasting mogen een gift aan een culturele ANBI verhogen met 50% (met een maximum van € 2.500 per jaar).

Gift aan steunstichting SBBI

Een steunstichting SBBI is een stichting die speciaal is opgericht om geld in te zamelen voor een jubileum van een SBBI op het gebied van sport en muziek. Een gift aan een steunstichting SBBI is aftrekbaar.

Let op! Een steunstichting moet voldoen aan bepaalde voorwaarden. Kijk hier voor meer informatie.

Periodieke gift eenvoudiger

Een periodieke gift aan een ANBI of een niet-vennootschapsbelastingplichtige vereniging met minimaal 25 leden is aftrekbaar als deze gift wordt vastgelegd in minimaal een onderhandse akte van schenking. Een notariële akte kan ook, maar is geen vereiste. Voorwaarde is onder meer dat de periodieke gift is vastgelegd voor een looptijd van minimaal vijf jaar (of eindigt bij eerder overlijden).

UBO-register

Voor een aantal juridische entiteiten, waaronder stichtingen en verenigingen, bestaat de plicht om geregistreerd te zijn in het zogenaamde UBO-register. Entiteiten die hieraan niet voldoen, kunnen te maken krijgen met sancties. UBO staat voor ‘ultimate beneficial owner’, ofwel de uiteindelijke belanghebbende. Dit is de persoon die de uiteindelijke eigenaar is van of de uiteindelijke zeggenschap heeft over een bv, stichting, vereniging of andere organisatie waarvoor de registratieplicht geldt. Het UBO-register is vooral bedoeld om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Je kunt een vereniging of stichting registreren in het UBO-register via de KVK.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Teruggave belastingrente vennootschapsbelasting van start

By nieuws

Aanleiding: arrest Hoge Raad

Naar aanleiding van een uitspraak waarin een rechtbank oordeelde dat de belastingrente op een aanslag vpb te hoog was, werden er veel bezwaarschriften ingediend. Dit was aanleiding om tijdige bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb aan te wijzen als massaal bezwaar. 

De Hoge Raad oordeelde vervolgens op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor overige belastingen geldt.

Collectieve uitspraak op bezwaar vpb

Bij een aanwijzing massaal bezwaar doet de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak, maar één collectieve uitspraak op bezwaar. Op 25 februari 2026 verklaarde de Belastingdienst in een collectieve uitspraak alle bezwaren tegen de belastingrente vpb in de massaalbezwaarprocedure gegrond.

Hoogte belastingrente vpb

Conform het arrest van de Hoge Raad wordt de belastingrente vpb gelijk aan de belastingrente voor de overige belastingen. Zie hiervoor onderstaande tabel.

Periode Belastingsrente Vpb was Belastingrente Vpb wordt
1-1-2022 t/m 30-06-2023 8% 4%
1-7-2023 t/m 31-12-2023 8% 6%
1-1-2024 t/m 31-12-2024 10% 7,5%
1-1-2025 t/m 31-12-2025 9% 6,5%
Vanaf 1-1-2026 7,5% 5%

Belastingdienst vermindert belastingrente

Inmiddels is de Belastingdienst vanaf begin juli 2026 begonnen met het teruggeven van de te veel berekende belastingrente. Die teruggave gaat de Belastingdienst niet voor elke aanslag vpb met belastingrente toepassen, maar alleen voor de volgende twee groepen:

  • alle op tijd ingediende bezwaren die vallen onder de massaalbezwaarprocedure, en 
  • alle aanslagen vpb met belastingrente die een dagtekening hebben tussen 16 januari 2026 en 14 februari 2026.

Let op! Aanslagen vpb met belastingrente met een dagtekening vanaf 14 februari 2026 zijn volgens de Belastingdienst al berekend met het nieuwe rentepercentage.

Voor 25 augustus 2026

De aanslagen die onder de massaalbezwaarprocedure vallen moet de Belastingdienst binnen zes maanden na de collectieve uitspraak verminderen. Dit betekent dat deze aanslagen voor 25 augustus 2026 verminderd moeten zijn.

Lijst met 55 negatief beoordeelde fiscale regelingen

By nieuws

Achtergrond

Al langer bestaat de wens om het belastingstelsel eenvoudiger en doelmatiger te maken. Een manier om dat te bereiken is het schrappen van negatief beoordeelde fiscale regelingen. Bijkomend voordeel hiervan is dat er financiële middelen vrijkomen om andere beleidsopgaven te dekken.

De Tweede Kamer heeft op 26 februari 2026 ook een motie aangenomen om de in het coalitieakkoord opgenomen vrijheidsbijdrage op een andere manier te financieren, bijvoorbeeld door het afschaffen of versoberen van negatief beoordeelde fiscale regelingen.

Negatief beoordeelde regelingen

De staatssecretaris geeft aan dat van de 124 geëvalueerde fiscale regelingen er 55 negatief zijn. Negatief kan betekenen dat ze niet doeltreffend, niet doelmatig en/of te complex zijn. Het totale budgettaire belang van deze regelingen is ongeveer 90 miljard euro.

Voorstellen

Het kabinet heeft over een deel van de 55 negatief beoordeelde fiscale regelingen al de volgende voorstellen gedaan:

  • verlagen van de startersaftrek voor ondernemers in de inkomstenbelasting per 2027 en afschaffen per 2028,
  • afschaffen van de gerichte vrijstelling voor korting op branche-eigen producten per 2027,
  • afschaffen van de aftrek voor specifiek zorgkosten per 2028,
  • afschaffen van het verlaagde btw-tarief op sierteelt per 2028, en 
  • samenvoegen van EIA, MIA en Vamil tot één investeringsregeling.

Andere negatief beoordeelde regelingen

In de lijst van 55 negatief beoordeelde fiscale regelingen hebben, buiten de hiervoor genoemde regelingen, nog andere regelingen het label “reden voor overheidsingrijpen” gekregen. Dit betekent overigens niet dat deze regelingen per definitie op de nominatie staan om af te schaffen. Overheidsingrijpen kan ook aanpassen van de regeling betekenen. Het gaat om de volgende regelingen:

  • aftrek van alimentatie en het belasten van alimentatie,
  • reisaftrek OV,
  • startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting,
  • fiscale faciliteiten Natuurschoonwet,
  • liquidatie- en stakingsverliesregeling,
  • willekeurige afschrijving op zeeschepen,
  • arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting,
  • salderingsregeling energiebelasting,
  • inputvrijstelling energiebelasting voor elektriciteitsopwekking,
  • verlaagd btw-tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen,
  • verlaagd btw-tarief personenvervoer,
  • btw-vrijstelling werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede politieke, godsdienstige, levensbeschouwelijke en liefdadige organisaties,
  • vrijstelling assurantiebelasting brede weersverzekering, transportverzekeringen, exportkredietverzekeringen, luchtvaartuigen.

Prinsjesdag 2026

Het kabinet beslist in augustus welke negatief beoordeelde fiscale regelingen afgeschaft of aangepast worden. De verwachting is dat het met name zal gaan om de regelingen waarvoor al voorstellen voor zijn gedaan, zoals hiervoor beschreven. Op Prinsjesdag 2026 wordt een en ander bekendgemaakt.

Let op! Als een negatief beoordeelde fiscale regeling op Prinsjesdag overeind blijft, wil dat niet zeggen dat deze op een later moment niet alsnog kan worden aangepakt.

Advieswijzer Kantoor aan huis

By nieuws

Er is onder meer een verschil in de behandeling van een zogeheten kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte. Daarnaast gelden er voor een ondernemer met een eenmanszaak, vof of maatschap andere regels dan voor een ondernemer met een bv. En hoe zit het eigenlijk met de btw? In deze advieswijzer komen de verschillende regels aan de orde.

Kwalificerende werkruimte

Als eerste is het van belang om vast te stellen of sprake is van een fiscaal kwalificerende ruimte. Hiervoor moet je werkruimte voldoen aan het zelfstandigheids- en het inkomenscriterium.

Zelfstandigheidscriterium

Je werkruimte voldoet aan het zelfstandigheidscriterium als deze een zodanige zelfstandigheid bezit dat deze duidelijk te onderscheiden is. De werkruimte moet in ieder geval over een eigen ingang en over eigen sanitair beschikken. Het komt erop neer dat de werkruimte ook aan een derde verhuurd zou kunnen worden.

Let op! Een werkplek in een woon-, slaap- of zolderkamer wordt in ieder geval niet als kwalificerende werkruimte aangemerkt. Een tot kantoor verbouwde garage met eigen ingang en sanitair kan dat wel zijn.

Inkomenscriterium

Je werkruimte voldoet aan het inkomenscriterium als jij je inkomen voor een groot gedeelte in of vanuit deze ruimte verdient. Is dit jouw enige werkruimte, dan moet jij je inkomen voor ten minste 30% in de ruimte én voor ten minste 70% in of vanuit de ruimte verdienen. Heb je nog een andere werkruimte buiten je woning, dan moet jij je inkomen voor ten minste 70% in de werkruimte verdienen.

Ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Omdat de werkruimte eigendom is van de eigenaar (natuurlijk persoon) en niet van de eenmanszaak, vof of maatschap, is het voor het bepalen van de fiscale winst noodzakelijk om onderscheid te maken tussen zaken die wel en zaken die niet voor de onderneming worden gebruikt. Dit noemen we vermogensetikettering.

De werkruimte moet bij (nagenoeg) volledig zakelijk gebruik en kan in beginsel bij gemengd gebruik worden aangemerkt als ondernemingsvermogen als deze juridisch of bouwkundig splitsbaar is van de woning.

Indien de werkruimte niet juridisch of bouwkundig splitsbaar is,  kun je ervoor kiezen om de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen aan te merken, als ten tijde van verwerving van de woning ten minste 10% van de woning bestemd was om te worden gebruikt ten behoeve van de onderneming. In de overige gevallen vormt de werkruimte privévermogen of kun je het pand splitsen in overeenstemming met het gebruik in een deel privévermogen en een deel ondernemingsvermogen (de werkruimte). In dit laatste geval zal de werkruimte over het algemeen niet voldoen aan het zelfstandigheidscriterium dat nodig is voor een kwalificerende werkruimte.

 De fiscale behandeling van je werkruimte is afhankelijk van de wijze waarop deze geëtiketteerd is: als privévermogen of als ondernemingsvermogen.

Let op! Ook als minder dan 10% van de woning ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt, kun je de woning als ondernemingsvermogen aanmerken als je aannemelijk kan maken dat de woning mede dienstbaar is aan het bedrijf. Bijvoorbeeld omdat er bij de aankoop sprake was van een koppelaankoop van het bedrijf en de woning, er vanuit de woning toezicht mogelijk is op het bedrijf, er een gemeenschappelijke toegangsweg is en dergelijke.

Een woning behoort verplicht tot het ondernemingsvermogen als je deze voor 90% of meer zakelijk gebruikt.

Woning is privévermogen

De kosten van een niet-kwalificerende werkruimte kun je niet van je winst aftrekken. Op deze werkruimte is gewoon de eigenwoningregeling van toepassing.

Let op! De inrichtingskosten, zoals een bureau, zijn ook niet aftrekbaar van de winst. Maar indien er sprake is van zakelijk gebruik, kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen als je zelf btw-belaste prestaties verricht.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven als bezitting en schuld in box 3. De kosten van de werkruimte mag je van je winst aftrekken. Deze aftrekpost is echter gemaximeerd op het voordeel dat je ten aanzien van de werkruimte in box 3 moet aangeven. Deze aftrek is een percentage van de WOZ-waarde van je werkruimte. Dit percentage is voor het jaar 2026 vastgesteld op 6%.

Daarnaast mag je ook de kosten die normaal gesproken voor rekening van een huurder (de huurderslasten) zouden komen, in aftrek brengen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld energiekosten, kosten van de inboedelverzekering en kosten van klein onderhoud. Ook nu zijn de inrichtingskosten niet aftrekbaar, maar kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen.

Woning is ondernemingsvermogen

Indien de werkruimte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd, kun je de kosten aftrekken van je winst. De werkruimte valt dan niet onder de eigenwoningregeling, maar wordt belast als onderdeel van je winst uit onderneming. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt en dat bijvoorbeeld een eventuele boekwinst bij verkoop belast is.

Indien je de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen hebt geëtiketteerd, kun je alle kosten (met uitzondering van huurderslasten met betrekking tot het woondeel) aftrekken van je winst. Voor het privégebruik van uw woning moet je wel een bijtelling ter grootte van een bepaald percentage van de WOZ-waarde in aanmerking nemen.

Voor de meeste woningen is dit in 2026 1,10%. Bij een niet-kwalificerende werkruimte moet je daarbij uitgaan van de WOZ-waarde van de gehele woning. Bij een kwalificerende werkruimte moet je uitgaan van de WOZ-waarde van de woning exclusief de werkruimte. Bij gesplitste vermogensetikettering (woondeel privévermogen/bedrijfsdeel ondernemingsvermogen) blijft de bijtelling bij een kwalificerende werkruimte achterwege.

Werkruimte in huurwoning

Indien sprake is van een werkruimte in een huurwoning, kun je een evenredig deel van de huur en de huurderslasten in aftrek brengen als sprake is van een kwalificerende werkruimte.

Het is niet mogelijk om aftrek te krijgen voor een niet-kwalificerende werkruimte, ook niet als je het huurrecht als ondernemingsvermogen etiketteert.

Ondernemers met een bv

Onderneem je vanuit een bv, dan geldt ook het onderscheid tussen een kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte.

Kwalificerende werkruimte

De werkruimte valt voor jou, als dga, in box 1 (de tbs-regeling). Dit betekent dat de vergoeding op zakelijke gronden moet worden vastgesteld. De vergoeding is voor de bv aftrekbaar van de winst en vormt voor de dga, na aftrek van alle aan de werkruimte toe te rekenen kosten, inkomen in box 1. Op dit belaste inkomen mag je nog wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12% in aftrek brengen.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat je voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven op de balans van je werkzaamheid in box 1. Je hebt ook geen last van de aftrekbeperkingen inzake hypotheekrente, zoals de maximering van de aftrek tot een tarief van 37,56% (2026).

Niet-kwalificerende werkruimte

Een niet-kwalificerende werkruimte valt onder de eigenwoningregeling: het eigenwoningforfait wordt berekend over de woning inclusief de werkruimte. Een eventuele vergoeding voor de werkruimte wordt voor de dga behandeld als loon. Het is echter mogelijk om de vergoeding als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Je bv betaalt dan geen belasting, zolang het totaal van aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet hoger is dan de vrije ruimte. Wordt deze vrije ruimte overschreden, dan betaalt je bv 80% eindheffing over de overschrijding. De loonkosten zijn voor de bv aftrekbaar van de winst.

Btw en ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Voor de btw is van belang of de zaken, zoals een werkruimte, zijn gebruikt ten behoeve van je onderneming en of je hiermee btw-belaste omzet behaalt. Als dat het geval is, kun je deze zaken voor de btw zakelijk etiketteren en de voorbelasting met betrekking tot het zakelijke gebruik in aftrek brengen. Je kunt hierbij denken aan btw op energie, onderhoud en inrichting.

Btw en ondernemers met een bv

Indien je, als dga, de werkruimte aan je bv verhuurt, moet dat een btw-belaste verhuur zijn om tot aftrek van de btw te komen. 

De Belastingdienst is echter vaak van oordeel dat er met de verhuur van een onzelfstandige werkruimte niet wordt deelgenomen aan de markt voor verhuur van bedrijfsruimte. De verhuur zou dan geen economische activiteit zijn en daarmee buiten de btw-sfeer vallen. Als er wel sprake is van een economische activiteit, is de Belastingdienst vaak van oordeel dat sprake is van verhuur van woonruimte als er ook privé van de werkruimte gebruik gemaakt kan worden. De verhuur van woonruimte is btw vrijgesteld en zorgt daarmee ook ervoor dat de voorbelasting niet aftrekbaar is.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2025:3538) oordeelde in een casus dat btw-belaste verhuur wel mogelijk voor een onzelfstandig deel van een woning in een situatie waarin het privégebruik van dat deel ondergeschikt was aan het zakelijke gebruik. De staatssecretaris heeft cassatie ingesteld. Het wachten is op het oordeel van de Hoge Raad.

Tip! Overleg met onze adviseurs over de vraag of je in een soortgelijke situatie mogelijk recht op aftrek van de btw kunt hebben.

Tot slot

De fiscale regels met betrekking tot de werkruimte zijn erg ingewikkeld. Neem voor je eigen situatie daarom contact met ons op.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 

Advieswijzer Scholing en Personeel

By nieuws

Subsidieregeling Praktijkleren 

De subsidieregeling Praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijkleerplaatsen aan te bieden. Je ontvangt een tegemoetkoming voor de kosten die je als werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling of student. Ook kun je een tegemoetkoming krijgen voor de loon- en begeleidingskosten voor een promovendus of een technologisch ontwerper in opleiding (toio). 
De subsidieregeling richt zich vooral op: 

  • kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt voor wie toegang tot de arbeidsmarkt een probleem is; 
  • studenten die een opleiding volgen in sectoren waar een tekort ontstaat aan gekwalificeerd personeel; 
  • wetenschappelijk personeel dat onmisbaar is voor de Nederlandse kenniseconomie. 

Let op! De Subsidieregeling Praktijkleren loopt vooralsnog door tot en met1 januari 2029.. Je kunt dus tot en met het studiejaar 2027-2028 nog gebruikmaken van de subsidie. 

Voor welke leerlingen kun je subsidie aanvragen? 

Je komt niet voor elke leerling die bij je werkt voor subsidie in aanmerking. De regeling geldt voor de volgende doelgroepen: 

  • Leerlingen die een leer-werktraject of entreeopleiding volgen in het vmbo, gericht op het behalen van een startkwalificatie op het niveau van een basisberoepsopleiding. Het 3e en 4e leerjaar van deze opleiding komt in aanmerking voor de subsidie onder voorwaarde dat elke week sprake is van binnenschools onderwijs 
  • Leerlingen die een bbl-opleiding (beroepsbegeleidende leerweg) in het mbo volgen. 
  • Studenten die een duale of deeltijd hbo-opleiding Techniek, Gezondheidszorg, Gedrag en Maatschappij of Landbouw en Natuurlijke omgeving volgen, gericht op een volledig diploma. Het gaat hierbij om opleidingen die een praktijkdeel als verplicht onderdeel kennen. Voor andere hbo-opleidingen bestaat geen recht op de subsidie.  
  • Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s) die zijn aangesteld of een arbeidsovereenkomst hebben bij een universiteit of een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) of de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) of in dienst zijn bij een werkgever maar begeleid worden door de universiteit, NWO of KNAW. 
  • Leerlingen in het laatste schooljaar van het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) die onderwijs volgen in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of in een leer-werktraject of entreeopleiding binnen het uitstroomprofiel ‘vervolgonderwijs’. 
  • Leerlingen die in het laatste jaar van het Praktijkonderwijs (PRO) zitten en een praktijkleerplaats bij de werkgever hebben. 

Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie isvoor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren.  

Let op! Voor studenten aan de beroepsopleidende leerweg (bol) aan EVC-trajecten en specifieke maatwerktrajecten (geen mbo bbl-opleidingen) kom je niet in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor afstudeerstages. 

Tip! Sommige buitenlandse opleidingen komen ook in aanmerking voor subsidie als deze vergelijkbaar zijn met een Nederlandse opleiding voor mbo (bbl) of hbo (duaal/deeltijd in de sectoren Techniek, Gezondheidszorg, Gedrag en Maatschappij of Landbouw en Natuurlijke omgeving). Je dient dan wel in het bezit te zijn van een verklaring dat de buitenlandse opleiding vergelijkbaar is. Deze verklaring kun je aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). 

Wat is een praktijkleerplaats? 

De subsidie wordt, met uitzondering van promovendi en toio’s, toegekend per gerealiseerde praktijkleerplaats. 

  • Voor het vmbo, mbo-bbl, entreeopleiding vmbo, VSO en PRO wordt onder een gerealiseerde praktijkleerplaats verstaan: het aantal weken waarin in de periode 1 augustus tot en met 31 juli daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaatsvindt. Om voor de maximale subsidie in aanmerking te komen, dient minimaal 40 weken onderricht in de praktijk in het studiejaar te hebben plaatsgevonden. 
  • Voor het hbo wordt onder een gerealiseerde praktijkleerplaats verstaan: het aantal weken waarin in de periode 1 september tot en met 31 augustus daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaatsvindt. Om voor de maximale subsidie in het HBO in aanmerking te komen, dient minimaal 42 weken begeleiding in de praktijk te hebben plaatsgevonden in het studiejaar.  

Let op! Elke week waarin begeleiding is gegeven, telt mee. Het maakt hierbij niet uit op hoeveel dagen in die week begeleiding is gegeven. Een week waarin geen begeleiding is gegeven, bijvoorbeeld door ziekte of vakantie, telt niet mee als gerealiseerde praktijkleerplaats. Het subsidiebedrag wordt dan naar rato verlaagd.  

Let op! Je kunt ook subsidie aanvragen als je minder dan 40 of 42 weken begeleiding heeft gegeven. De subsidie bedraagt dan echter niet maximaal € 2.800 maar wordt pro rata verminderd. Zo bedraagt de maximale subsidie bij hbo bij 21 weken begeleiding € 1.400 (50% van € 2.800).  

De hoogte van de subsidie voor een promovendus is afhankelijk van het aantal maanden (maximaal 12) maal de arbeidsduur per week (maximaal 36) waarin de werkgever de loonkosten betaalt. Verricht een promovendus bijvoorbeeld 6 maanden onderzoek gedurende 18 uur per week, dan bedraagt de maximale subsidie € 700 (6/12 * 18/36 * € 2.800). Voor de toio is de hoogte van de subsidie afhankelijk van het aantal maanden (per studiejaar) waarin aan de ontwerpopdracht is gewerkt maal het aantal arbeidsuren per week met een maximum van 36 uur per week. 

Voorwaarden voor subsidie 

Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je (aantoonbaar) een erkend leerbedrijf zijn voor vmbo’ers/ mbo’ers, bepaalde leerlingen uit het VSO/PRO en leerlingen uit de entreeopleiding vmbo. Als het gaat om hbo’ers, promovendi en toio’s, moet je door een onderwijsinstelling zijn aangemerkt als een onderneming die een goede begeleiding geeft. Daarnaast moet je voldoen aan de volgende voorwaarden: 

  • Er is een geldige, gedateerde en ondertekende overeenkomst. Dit is bij vmbo of een bij een werkgever in dienst zijnde promovendus of toio een leer-werkovereenkomst, bij VSO en PRO een stageovereenkomst, bij mbo-bbl en hbo een praktijkleerovereenkomst. Voor elk van deze overeenkomsten gelden eigen nadere voorwaarden. 
  • De beroepsopleiding van de leerling valt binnen de doelgroepen waarvoor de subsidie geldt. 
  • Je kunt in je administratie per leerling laten zien dat de leerling aanwezig was, je de voorwaarden en de afspraken uit de overeenkomst naleeft en de student begeleidt. 

Voor het vmbo,mbo, Hbo, de entreeopleiding vmbo en PRO/VSO gelden nog de volgende aanvullende voorwaarden: 

 Niveau  Voorwaarden
 vmbo 3e en 4e leerjaar – buitenschools praktijkgedeelte met minimaal 640 klokuren en maximaal 1280 klokuren per studiejaar dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli
 mbobbl – minimaal 200 begeleide onderwijsuren per studiejaar door de onderwijsinstelling- praktijkgedeelte minimaal 610 klokuren per studiejaar lopend van 1 augustus tot en met 31 juli.

– opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo)
 entreeopleiding vmbo – het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 610 klokuren per studiejaar
 PRO/VSO

– het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 640 klokuren en maximaal 1.280 klokuren per schooljaar.

– minimaal één dag per week binnenschools onderwijs

– maximaal vier stagedagen per week

– duur van de stage is maximaal 50% van de uren dat onderwijs wordt verzorgd.

– het schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli.

 Hbo – opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Het studiejaar loopt van 1 september tot en met 31 augustus.

– het praktijkdeel is een verplicht onderdeel van de opleiding

Let op! Voor alle leerlingen en studenten geldt dat zij moeten zijn ingeschreven voor de opleiding in het Register Onderwijs Deelnemers (ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Bovendien wordt de subsidie alleen verstrekt gedurende de nominale duur van de opleiding. 

Let op!Alleen voor een Toio of promovendus van een van de aangewezen (voornamelijk openbare) universiteiten kan een subsidie van toepassing zijn. 

Administratieve verplichtingen

Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je de volgende gegevens in je administratie vastleggen: 

  • een getekende en gedateerde overeenkomst; 
  • een aanwezigheidsregistratie van de deelnemer bij de beroepspraktijkvorming. Je kunt bijvoorbeeld gebruikmaken van je digitale tijdschrijfsysteem, een presentielijst of een geldig arbeidscontract in combinatie met een verzuimregistratie; 
  • een administratie waaruit de begeleiding van de deelnemer blijkt en de wijze waarop de kwalificaties van de beroepsvorming zijn behaald. Hierbij moet je denken aan een werkboek van de leerling en gespreks-, beoordelings- en evaluatieverslagen; en 
  • Hoogte van de subsidie

Omdat de subsidie afhankelijk is van het aantal subsidieaanvragen en het beschikbare budget, is de hoogte van de subsidie voor het studiejaar 2025/2026 nog niet zeker. De verdeling van de beschikbare subsidie vindt jaarlijks plaats na afloop van het studiejaar over alle werkgevers die tijdig een aanvraag hebben ingediend én voldoen aan de eisen voor de subsidie. Het subsidiebedrag is gemaximeerd op € 2.800 per praktijkleerplaats als de leerling of student het gehele jaar bij je gewerkt heeft. 

Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie is voor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Het aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren. 

Aanvraag van de subsidie 

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voert de regeling uit. De subsidie geldt per studiejaar. Je vraagt de subsidie na afloop van de begeleiding aan. Voor het studiejaar 2025/2026 kun jede subsidie vanaf 2 juni 2026 09:00 tot en met uiterlijk 17 september 2026 (uiterlijk 17.00 uur) aanvragen. Aanvragen die later door RVO.nl worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor subsidie. 

Let op! Vanaf 2025 moet je de subsidie aanvragen via het nieuwe aanvraagportaal van het RVO. Verzorg je niet zelf de aanvraag, zorg dan dat degene die dat voor je doet op tijd over de daarvoor benodigde ketenmachtiging beschikt. 

Tip! Om de aanvraag te kunnen doen, heb je eHerkenning (minimaal niveau 3 met machtiging RVO-diensten) nodig. Voorkom dat je te laat beschikt over eHerkenning en vraag deze indien nodig tijdig aan. 

Let op! RVO.nl kan nog tot vijf jaar na het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt controles uitvoeren. Je hebt dan ook de plicht om alle relevante documenten te bewaren tot vijf jaar na afloop van het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt 

Subsidieregeling praktijkleren derde leerweg 

De Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg 2026 is een tegemoetkoming in de kosten die een erkend leerbedrijf maakt voor de begeleiding op de werkvloer van een werkende of werkzoekende die een mbo-opleiding in de derde leerweg doet. De derde leerweg in het mbo is een aanvulling op de beroepsopleidende leerweg (bol; 4 dagen school, 1 dag stage) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl; 4 dagen werken, 1 dag school). In de derde leerweg kunnen delen van een mbo-opleiding worden gedaan, grotendeels of geheel op de werkvloer, wat kan leiden tot een mbo-certificaat (door de Minister van OCW vastgesteld arbeidsmarktrelevant onderdeel van een mbo-opleiding) of een praktijkverklaring (mbo-opleiding op maat op basis van de behoefte van de werkgever en de werkende of werkzoekende). 

Ook in 2026 is een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg waarschijnlijk weer mogelijk. Hiervoor loopt een internetconsultatie van 8 juni 2026 tot 5 juli 2026. Deze regeling is het vervolg van de subsidieregeling derde leerweg, die liep van 14 december 2021 tot 31 maart 2026. Het voorstel is om de regeling tot 2031 voort te zetten. Als de regeling conform het voorstel in de internetconsultatie wordt ingevoerd, geldt het hiernavolgende.

De aanvraagperiode loopt dan van maandag 2 november 2026 9.00 uur tot vrijdag 27 november 2026 17.00 uur. 

  • De subsidieregeling bedraagt naar verwachting maximaal € 2.700 en is alleen beschikbaar voor praktijkplaatsen voor mbo-studenten in de derde leerweg (overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen deeltijd (odt)) die werkzoekenden zijn of betaalde arbeid verrichten.
  • De student moet voor de aanvraagperiode zijn ingeschreven voor de opleiding in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs . 

Als erkend leerbedrijf kun je de subsidie voor maximaal 40 weken krijgen in een periode van 52 weken.

  • De aanvraag moet tijdens het aanvraagtijdvak worden ingediend, binnen een jaar na de afronding van de praktijkplaats. -RVO zal de regeling uitvoeren. 

Subsidie voor groepshulpen kinderopvang 

Kinderopvangorganisaties kunnen in 2026 van 2 november 2026 09.00 uur tot en met 27 november 2026 17.00 subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats van een groepsondersteuner (voorheen groepshulp)n. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van deze groepsondersteuners n en is aan te vragen bij RVO.nl. Het doel is dat door de subsidie meer groepsondersteuners worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang. 

De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepsondersteuner per week werkt. Een organisatie kan in 2026 voor maximaal tiengroepsondersteuners n subsidie aanvragen. 

De subsidie kent een aantal voorwaarden. Zo moet een groepsondersteuner een arbeidsovereenkomst van ten minste 12 maanden hebben met een startdatum vanaf 1 augustus 2023 of later. Ook moet de groepshulp deelnemen aan de opleiding mbo-bbl of mbo-derde leerweg (OVO/ODT) op niveau 1 en 2, gericht op het behalen van een praktijkverklaring, mbo-certificaat of diploma of een aangewezen mbo-3 certificaat. Deze scholing moet tussen 1 augustus 2023 en 31 oktober 2026 zijn gestart. Verder is vereist dat de kinderopvangorganisatie voor de groepsondersteuner ook subsidie heeft gekregen via de Subsidieregeling Praktijkleren of Praktijkleren in de derde leerweg. Voor de groepsondersteuner mag niet al eerder deze subsidie ontvangen zijn. 

Financiële bijdrage van O&O-fondsen 

Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen kunnen financieel bijdragen aan de scholing van werknemers in hun branche. Deze fondsen worden meestal in het leven geroepen door de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde branche en worden gevuld met bijdragen van aangesloten bedrijven. Afspraken hierover worden gemaakt in bijvoorbeeld cao’s. Alle O&O-fondsen hebben loopbaanadviseurs in dienst die kunnen helpen bij scholings- en opleidingstrajecten voor je werknemers. Sommige O&O-fondsen bieden ook zelf cursussen aan of ontwikkelen scholingsprojecten voor de branche. Wil je een financiële bijdrage van het O&O-fonds ontvangen, neem dan contact op met je brancheorganisatie, want de exacte mogelijkheden en voorwaarden verschillen per sector. 

Tip! Bekijk hier een overzicht van alle erkende O&O-fondsen. 

SLIM-subsidie mkb 2025-2029 

De SLIM subsidie is een subsidie voor werkgevers voor het verder laten ontwikkelen van werknemers in maatschappelijk cruciale sectoren van het mkb.  

Slim-subsidie is in 2026 mogelijk voor: 

a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming; 
b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen; 
c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode. 

De SLIM-subsidie kent in 2026 twee regelingen: voor individuele mkb-ondernemingen en voor samenwerkingsverbanden in het mkb. 

SLIM individuele mkb-ondernemingen 

Zowel kleine als middelgrote ondernemingen kunnen een beroep doen op deze regeling. Het subsidiepercentage voor kleine mkb-ondernemingen bedraagt in 2026 60%. 

Per aanvraag kan maximaal € 24.999 subsidie worden aangevraagd. Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000.  

Vooraf kan 50% van het subsidiebedrag als voorschot worden betaald. 
Voor de SLIM-regeling voor mkb-ondernemingen zijn in 2026 twee aanvraagtijdvakken: (reeds verlopen) van 7 april 20269.00 uur tot en met 4 mei 202617.00 uur én van 10 augustus2026 9.00 uur tot en met 7 september 2026 17.00 uur 

SLIM samenwerkingsverbanden in het mkb 

Het subsidiepercentage van de SLIM-subsidie voor samenwerkingsverbanden in het mkb bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Per aanvraag kan maximaal € 500.000 subsidie worden aangevraagd (maximaal € 200.000 per samenwerkingspartner). Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenvervoer over de weg € 100.000. De subsidiabele kosten moeten minimaal € 210.000 bedragen. 

Samenwerkingsverbanden kunnen een voorschot krijgen van 25% van het verleende subsidiebedrag. Als het initiatief langer dan 12 maanden duurt, kan aanvullend nog een voorschot van 50% van het subsidiebedrag aangevraagd worden als in de eerste 12 maanden minimaal 50% van de projectkosten gemaakt zijn. 

Voor het opstellen van een controleverklaring door een accountant – dit is bij subsidies van € 125.000 of meer verplicht –, wordt een vaste vergoeding van € 3.000 verstrekt 

Overige Regelingen 

Regionale maatregelen 
In een groot aantal regio’s en branches zijn er specifieke regionale maatregelen om scholing te stimuleren. Ga dan ook na of je gemeente of branche wellicht een bruikbare regeling heeft. 

Tip! Op de website leeroverzicht.nl, een initiatief van het Ministerie van OCW en het Ministerie van SZW, kun je zoeken in veel verschillende regelingen. Hierin zijn ook regionale subsidieregelingen opgenomen. 

Opleidingskosten in mindering op transitievergoeding

Eindigt de arbeidsovereenkomst met een werknemer en moet de werkgever een transitievergoeding betalen? Dan kunnen door de werkgever gemaakte transitiekosten en inzetbaarheidskosten verrekend worden met de transitievergoeding.  

Let op! Transitiekosten zijn kosten gericht op het voorkomen van werkeloosheid of het bekorten van de periode van werkeloosheid. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die tijdens de dienstbetrekking zijn gemaakt gericht op het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van de werknemer. 

De werkgever mag deze kosten in beginsel op de transitievergoeding in mindering brengen, tenzij de verworven kennis en vaardigheden in overwegende mate zijn aangewend om de functie die de werknemer bij aanvang van de activiteiten verrichtte uit te oefenen. De kosten mogen ook niet in mindering komen als deze verband houden met verplichtingen van de werkgever in het kader van de re-integratie (eerste of tweede spoor). 

Voor het in mindering brengen van de kosten gelden daarnaast, naast elkaar, onder meer de volgende voorwaarden: 

  • de scholing moet gericht zijn op bredere inzetbaarheid van de werknemer buiten de eigen organisatie; 
  • de werknemer heeft vooraf inzicht gekregen in de kosten en schriftelijk ingestemd met de verrekening; en 
  • de kosten moeten in redelijke verhouding staan tot het doel. 
  • De kosten zijn gemaakt in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de transitievergoeding verschuldigd is. 

Studiekostenbeding mag niet voor bepaalde opleidingen

Een studiekostenbeding is voor bepaalde opleidingen niet  toegestaan. Dit is aan de orde als: 

  • het scholing noodzakelijk voor het kunnen (blijven) uitvoeren van de huidige functie; 
  • scholing noodzakelijk is voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en 
  • de scholing verplicht is op grond van de wet of de cao.  

In deze gevallen moet de scholing kosteloos zijn, de studietijd moet als arbeidstijd worden aangemerkt en de scholing moet zo veel als mogelijk in de reguliere werktijd plaatsvinden. Denk bij een wettelijk verplichte opleiding aan een opleiding op grond van de Arbowet. 

Ook de algemene scholingsplicht (artikel 7:611a lid 1 BW) valt onder de regeling. Onder deze algemene scholingsplicht moet de werkgever de werknemer in staat stellen scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst als de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen. Er bestaat een lijst met ‘gereglementeerde beroepen, waarin uiteenlopende beroepen staan, zoals registerloods, deskundige asbestverwijderaar, deskundige duiker, beëdigd tolk of fysiotherapeut. Als het beroep van de werknemer op die lijst vermeld staat, is onder voorwaarden, een studiekostenbeding wel mogelijk, tenzij de opleiding alsnog in een cao verplicht wordt gesteld. In die laatste situatie is een studiekostenbeding niet mogelijk. 

Disclaimer 
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen. 

Controleer recht op LKV 2025 bij overgang van een onderneming

By nieuws

Lkv’s 

In 2025 waren er nog vier soorten lkv’s: voor oudere werknemers, voor arbeidsbeperkte werknemers, voor het herplaatsen van arbeidsbeperkte werknemers en voor de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden. 

Let op! Elk lkv kent zijn eigen voorwaarden. De voorwaarden in 2025 kunnen op bepaalde onderdelen verschillen van de huidige voorwaarden in 2026. 

Beschikking Wtl 2025 

De beschikking Wtl 2025 ontvang je vóór 1 augustus 2026. Het bevat jouw lkv-bedrag voor 2025. De definitieve berekening vind je in de bijlage bij de beschikking. 

Let op! De Belastingdienst betaalt dit bedrag binnen zes weken na de dagtekening van je beschikking aan je uit. 

Recht op lkv bij overgang van onderneming 

Bij overgang van een onderneming ging de Belastingdienst ervan uit dat het recht op lkv niet mee over zou gaan naar de nieuwe werkgever. De Hoge Raad oordeelde echter in mei 2024 dat het lkv bij zo’n overgang niet vervalt. 

Als in 2025 sprake was van een overgang van de onderneming, dan bleef het recht op lkv dus bestaan, mits ook aan de voorwaarden voor het lkv werd voldaan. Zo moet onder meer de oorspronkelijke doelgroepverklaring geldig zijn in 2025 en moet je die ook in je administratie hebben opgenomen. Je moest in de aangifte loonheffingen 2025 het vinkje aanzetten om het recht te behouden. Was je dit in 2025 vergeten, dan kon je dit nog tot uiterlijk 1 mei 2026 corrigeren. 

Controleer beschikking goed 

Was in 2025 sprake van overgang van een onderneming? Controleer dan of dit goed is opgenomen in de beschikking Wtl 2025. De Belastingdienst heeft laten weten dit niet altijd goed in de beschikking Wtl 2025 verwerkt te hebben. 

Klopt jouw beschikking niet, kom dan op tijd in bezwaar. Dat geldt uiteraard niet alleen voor fouten bij de overgang van de onderneming, maar ook bij andere fouten. 

Let op!Op dit tijd betekent binnen zes weken na dagtekening van de beschikking. 

Fout in aangiften 2025? 

Zat er een fout in je aangiften over 2025, dan had je de fout uiterlijk 1 mei 2026 via een correctiebericht moeten corrigeren. Alleen dan heeft het UWV dit meegenomen in de berekening van de lkv’s 2025. 

Let op! Ontdek je de fout nu pas? Dan heb je daar dus niets meer aan voor je lkv’s 2025. Je bent echter nog wel verplicht om een correctiebericht in te dienen. De gegevens worden namelijk wel opgenomen in de polisadministratie van het UWV.