All Posts By

Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aangenomen

By nieuws

De Eerste Kamer heeft op 11 november 2025 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, Wtta, aangenomen. Uitleners, dus zowel uitzendbureaus als andere bedrijven die werknemers uitlenen, mogen dit alleen doen als ze daarvoor een toelating (vergunning) hebben.

Doel Wtta

Bouw

De Wtta beoogt werknemers, met name arbeidsmigranten, beter te beschermen alsmede eerlijke concurrentie tussen bedrijven te bevorderen. Het toelatingsstelsel geldt expliciet niet voor collegiale uitleen waarbij geen winst gemaakt wordt of bij intra-concern-terbeschikkingstelling.

Procedure aanmelding

Op 1 januari 2027 gaan de wet en het toelatingsstelsel in. Bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, moeten tussen 1 mei 2027 en 30 juni 2027 een toelating aanvragen. Het beoordelen van de bedrijven begint vanaf 1 juli 2027.

Let op! Voor bedrijven die werknemers willen blijven uitlenen, is het raadzaam zich voor die datum bij de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) te melden. Deze bedrijven mogen dan namelijk doorgaan met uitlenen totdat de NAU een besluit heeft genomen over de toelating. Lees hier meer over op toelatinguitleenmarkt.nl.

Voorwaarden

Uitleners moeten – om toegang te krijgen – een VOG indienen en een waarborgsom van € 100.000 overmaken. Voor startende bedrijven bedraagt de waarborgsom in eerste instantie € 50.000 en na zes maanden nogmaals € 50.000. Daarnaast moeten uitleners bewijzen dat ze bestaande wet- en regelgeving naleven, zoals het uitbetalen van het wettelijk minimumloon. Alleen dan kunnen ze een toelating krijgen om personeel uit te lenen.

Tip! Bedrijven die zich aan de regels houden, krijgen de waarborgsom na vier jaar teruggestort.

Uitvoering 

De uitvoering van de wet ligt bij de NAU. Die beslist over de toelating van uitleners. Ook verzamelt de NAU signalen uit de markt en adviseert over verbeteringen. Daarnaast wijst de NAU de inspectie-instellingen aan die controleren of uitleners voldoen aan alle wet- en regelgeving. De NAU start vanaf 2026 met haar eerste werkzaamheden, zoals het aanwijzen van inspectie-instellingen en het openen van het aanmeldloket voor uitleners.

Let op! De NAU houdt ook een openbaar register bij van alle toegelaten bedrijven. Bedrijven die gebruikmaken van uitzendkrachten mogen dit vanaf 1 januari 2028 alleen nog doen via toegelaten uitleners.

Handhaving

Op 1 januari 2028 gaat de Nederlandse arbeidsinspectie handhaven. Uitleners die zonder toelating actief zijn op de arbeidsmarkt krijgen een boete. De Nederlandse Arbeidsinspectie is met 135 fte uitgebreid om de pakkans te vergoten. Ook zijn op verschillende plekken hulppunten geopend om arbeidsmigranten te helpen met vragen of problemen. De komende periode komen er nog meer hulppunten bij.

Let op! Genoemde boete geldt ook voor inleners die gebruikmaken van uitzendbureaus zonder vergunning.

Mogelijkheid andere partnerverdeling na rechtsherstel box 3

By nieuws

De Belastingdienst vermindert uw box 3-inkomen na de massaalbezwaarprocedure. Uw definitieve aanslag staat dan onherroepelijk vast. Kunt u dan uw box 3-inkomen nog anders verdelen met uw fiscale partner? De Belastingdienst vindt van niet, maar een AG adviseert de Hoge Raad dit toe te staan.

Kerstarrest

Euro

De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het zogenaamde Kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. Een beroep bij de rechtbank is dan niet meer mogelijk.

Andere verdeling box 3-inkomen partners

Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure kwamen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast te staan. Op grond van de wet is het daarom niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na 4 februari 2022 aan te passen.

De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Met dit nieuwe box 3-inkomen zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst staat dit echter niet meer toe, omdat de aanslagen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast zijn komen te staan.

Vragen rechtbank aan Hoge Raad

Rechtbank Den Haag twijfelt aan het standpunt van de Belastingdienst. Onder meer omdat op 4 februari 2022 nog niet duidelijk was wat de collectieve uitspraak voor het box 3-inkomen van individuele belastingplichtigen zou betekenen. De nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen werden immers pas ná die tijd bekend. De rechtbank stelde daarom de volgende vragen aan de Hoge Raad:

  1. Kan de verdeling van het box 3-inkomen nog gewijzigd worden als een aanslag onherroepelijk vast is komen te staan na een collectieve uitspraak op bezwaar als op dat moment de gevolgen van die uitspraak nog niet duidelijk zijn voor een individuele belastingplichtige?
  2. Zo ja, tot wanneer kunnen fiscale partners dan een verzoek tot wijziging doen?

Advies AG

AG Koopman adviseert de Hoge Raad om het wijzigen van de verdeling tussen fiscale partners in deze situatie toe te staan. De AG vindt dat een verzoek tot wijziging mogelijk moet zijn tot zes weken na de beschikking waarin het rechtsherstel is opgenomen. Het wachten is nu op het eindoordeel van de Hoge Raad.

Let op! Is het in uw situatie optimaler om te kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen? Doe dan zo spoedig mogelijk een verzoek daartoe – waar mogelijk binnen zes weken na de rechtsherstelbeschikking – samen met uw fiscale partner. Mogelijk kan later door de Belastingdienst aan dit verzoek tegemoetgekomen worden. Een en ander zal afhankelijk zijn van de antwoorden van de Hoge Raad.

Verruiming richtlijnen betalingsonmacht griffierecht

By nieuws

Als u het niet eens bent met een aanslag of andere beslissing van de belastinginspecteur, kunt u hiertegen bezwaar aantekenen. Wordt dit afgewezen, dan kunt u in beroep bij de rechter en daarna eventueel in hoger beroep en cassatie. Voor een behandeling door de rechter moet u in principe griffierecht betalen.

Griffierecht

Juridisch

Voor de behandeling van een ingesteld beroep, hoger beroep en beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De hoogte ervan hangt af van de instantie waar u procedeert, van de vraag of u al dan niet een natuurlijk persoon bent en van de belastingsoort waartegen u procedeert. De hoogte van het griffierecht varieert in 2025 van € 53 tot € 579.

Betalingsonmacht

Om de rechtsgang zo min mogelijk te beperken, is geregeld dat onvermogenden geen griffierecht hoeven te betalen. Bij een zaak die onlangs speelde voor de Hoge Raad, maakte de Hoge Raad nieuwe richtlijnen bekend over de vraag wanneer sprake is van onvermogen.

Wanneer onvermogen?

De Hoge Raad geeft aan dat sprake is van onvermogen als een belastingplichtige een maandelijks netto-inkomen heeft dat minder is dan 95% van de voor een alleenstaande geldende maximale bijstandsnorm. De werkelijke gezinssamenstelling is hiervoor niet van belang. Bovendien mag een belastingplichtige niet beschikken over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Ook het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner moet hierbij in aanmerking worden genomen.

Toetsmoment

De hoogte van het inkomen en vermogen worden bepaald in de periode tussen het moment dat de griffier voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn.

Verruiming

De nieuwe richtlijnen betekenen een verruiming van de vrijstelling tot betaling van griffierecht. In een eerder arrest uit 2015 werd nog uitgegaan van onvermogen als het inkomen minder dan 90% van genoemde bijstandsnorm bedroeg. 

Let op! De verruimde vrijstelling geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2021.

Een hond mee naar het werk een arbeidsvoorwaarde?

By nieuws

In het arbeidsrecht zien rechters zich regelmatig geconfronteerd met bijzondere vragen. Zo ook recentelijk in een zaak waar de vraag centraal stond of het een arbeidsvoorwaarde was om een hond mee te mogen nemen naar het werk.

Wat speelde er?

Kantoor

Een fysiotherapeut was het gewend om zijn hond mee naar het werk te nemen. Hij was niet de enige, ook zijn collega’s deden dat. Op een bepaald moment besloot de werkgever dat honden met ingang van 1 juli 2024 niet langer werden toegelaten op het werk. De werknemers ageerden hiertegen met als gevolg dat de maatregel werd uitgesteld tot 1 mei 2025. 

De fysiotherapeut legde zich er niet bij neer en startte een kort geding. Hij was van mening dat er sprake was van een verworven recht door het langjarige gebruik binnen de organisatie. De organisatie daarentegen gaf aan dat het onder haar instructierecht viel en dat er signalen van overlast waren geweest en er risico’s voor de hygiëne, veiligheid en aansprakelijkheid bestonden.

Wat oordeelde de rechter?

De rechter refereerde aan het Pontmeyer-arrest van een aantal jaren geleden waarin de Hoge Raad diverse gezichtspunten had geformuleerd om te kunnen beoordelen of sprake is van een verworven recht. Denk hierbij aan de volgende zaken:

  1. de inhoud van de gedragslijn; 
  2. de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen; 
  3. de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd;
  4. hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard;
  5. de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien; en 
  6. de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.

De hond mee blijkt verworven recht

De rechter schaarde zich in deze casus achter de fysiotherapeut. Het was duidelijk dat de fysiotherapeut zijn hond sinds zijn indiensttreding had meegenomen naar het werk, net als zes andere collega’s op dezelfde locatie. Het was voor de werknemer niet mogelijk een hondenuitlaatservice in te schakelen vanwege de ligging van zijn huis. Bovendien waren er geen bezwaren gekomen vanuit cliënten. Als er wel bezwaren waren, ging de hond in de bench. De hond kwam niet in eetruimten, sanitaire ruimten en kantoren. Ook had de werkgever tot eind mei nooit bezwaar gemaakt tegen het meenemen van de hond. Hierdoor mocht de werknemer erop vertrouwen dat hij de hond in het kader van zijn arbeidsovereenkomst mocht meenemen naar het werk en dat er inmiddels sprake was van een arbeidsvoorwaarde geworden.

Vanuit de werkgever was onvoldoende onderbouwd welk zwaarwegend bedrijfsbelang de werkgever had om de hond niet langer toe te staan. Ook was er geen eenzijdig wijzigingsbeding overeengekomen. De werkgever was dus afhankelijk van de instemming van de werknemer die hij niet had gekregen. 

Conclusie in deze zaak was daarmee dat het meenemen van de hond naar het werk een arbeidsvoorwaarde was. 

Let op! Deze uitspraak geldt specifieke voor de situatie in deze casus.

Meer uitzonderingen vermogenstoets toeslagen

By nieuws

Een van de voorwaarden voor het recht op toeslagen is dat de ontvanger ervan over niet te veel vermogen mag beschikken. Deze zogenaamde vermogenstoets geldt alleen niet voor de kinderopvangtoeslag. Een aantal specifieke vermogensbestanddelen is van de vermogenstoets uitgezonderd. Vanaf 2026 wordt dit aantal uitgebreid.

Vermogenstoets

Portemonnee

Voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget is voor 2025 bepaald dat geen recht op deze toeslagen bestaat als de ontvanger ervan meer dan € 141.896 aan vermogen bezit. Heeft de ontvanger een toeslagpartner, dan mag het gezamenlijke vermogen niet meer zijn dan € 179.429. Voor de huurtoeslag geldt een maximaal vermogen van € 37.395, met een partner geldt een maximum van € 74.790. Genoemde maxima worden jaarlijks geïndexeerd.

Uitzonderingen

Op de vermogenstoets geldt voor een aantal vermogensbestanddelen een uitzondering, vanuit de gedachte dat het niet rechtvaardig zou zijn als het bezit van dergelijk vermogen aan een toeslag in de weg zou staan. Denk bijvoorbeeld aan de financiële ondersteuning die zorgmedewerkers ontvingen in verband met langdurige post-COVID klachten. Afhankelijk van het vermogensbestanddeel geldt een uitzondering voor drie of tien jaar.

Nieuwe uitzonderingen

Aan de lijst met uitzonderingen worden met ingang van 2026 twee nieuwe uitzonderingen toegevoegd. Dit betreft tegemoetkomingen die zijn uitgekeerd aan nabestaanden van een gedupeerde overleden aanvrager.

De andere nieuwe uitzondering betreft de wettelijke rente die uitkerende instanties verschuldigd zijn als een uitgezonderde uitkering niet tijdig wordt uitbetaald. Deze uitzondering geldt voor de periode die ook geldt voor het betreffende uitgezonderde vermogensbestanddeel.

Wel of geen btw over verhuur vakantiewoning

By nieuws

Als u een vakantiewoning bezit en deze deels verhuurt, moet u mogelijk btw in rekening brengen als u voor deze verhuur wordt aangemerkt als btw-ondernemer. Wanneer u wel of niet een btw-ondernemer bent, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Btw-ondernemer of niet?

Zonnepanelen

Voor de heffing van btw bij verhuur van een vakantiewoning is dus van belang of u hiervoor al dan niet als btw-ondernemer wordt aangemerkt. De verhuur moet dan zodanig zijn dat sprake is van exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen. De vraag is wanneer hiervan sprake is. Die vraag is niet in alle gevallen eenvoudig te beantwoorden en afhankelijk van de feiten en omstandigheden.

Duurzaam

Van belang daarbij is met name of de verhuur van de vakantiewoning erop gericht is om duurzaam opbrengst hieruit te krijgen. Daarvan zal bij een incidentele verhuur van de vakantiewoning geen sprake zijn. Vraag daarbij is uiteraard wanneer de verhuur incidenteel is. Daar zijn helaas geen harde cijfers voor beschikbaar.

Let op! In een ver verleden was er een goedkeuring dat er geen sprake was van btw-ondernemerschap als de vakantiewoning was aangeschaft met het oogmerk om deze in de eerste plaats zelf te gebruiken. Goedgekeurd was dat er in ieder geval vanuit gegaan mocht worden dat er sprake was van btw-ondernemerschap als de vakantiewoning minstens 140 dagen per jaar verhuurd werd. Het besluit waarin deze goedkeuring was opgenomen, is echter medio 2009 al ingetrokken. Voor de beoordeling of wel of niet sprake is van btw-ondernemerschap, kunt u daarom geen gebruikmaken van deze getalsmatige beoordeling.

Vooroverleg

Twijfelt u of u wel of niet btw-ondernemer bent voor de verhuur van uw vakantiewoning? U kunt door middel van een verzoek tot vooroverleg de Belastingdienst vragen een standpunt hierover in te nemen. Verschilt u van mening, dan kunt u de zaak altijd voorleggen aan de belastingrechter door in beroep te gaan tegen de beslissing van de Belastingdienst over al dan niet in rekening gebrachte btw.

Btw-vrijgesteld of btw-belast

Bent u btw-ondernemer voor de verhuur van uw vakantiewoning, dan moet nog bepaald worden of er sprake is van een btw-vrijgestelde verhuur of een btw-belaste verhuur is. Over het algemeen zal de verhuur btw-belast zijn (nu nog met 9% btw, vanaf 1 januari 2026 met 21% btw). Dat kan anders zijn als het verhuur van een woning betreft voor een langere periode aan één persoon.

Tip! Overleg over uw eigen situatie met één van onze adviseurs.

Voor- of nadeel?

Het in rekening moeten brengen van btw lijkt nadelig, maar kent ook een voordelige kant. Het betekent immers ook dat de btw die bij aanschaf van de vakantiewoning mogelijk betaald is en de btw over de exploitatiekosten (zoals onderhoud, energie, schoonmaakkosten en bemiddelingsfee), aftrekbaar is. Welk deel ervan aftrekbaar is, hangt weer af van de mate van btw-belaste verhuur en het eigen gebruik.

Voorbeeld
U koopt in 2025 een vakantiewoning voor € 121.000 (inclusief btw). De vakantiewoning wordt in 2025 voor 70% btw-belast verhuurd en staat dan niet aan u ter beschikking. Voor 30% wordt de vakantiewoning door u zelf gebruikt. Van de btw bij aankoop van € 21.000 kunt u dan in 2025 € 14.700 (70%) terugvragen in uw btw-aangifte.

Let op!Als de verhouding tussen de btw-belaste verhuur en het eigen gebruik in de jaren wijzigt, kan het zijn dat u een deel van de afgetrokken btw op de aanschaf van de vakantiewoning terug moet betalen of dat u een deel van de niet-afgetrokken btw alsnog in aftrek kunt brengen.

9% of 21%?

Als de verhuur van uw vakantiewoning btw-belast is, brengt u in 2025 9% btw in rekening. Houd er rekening mee dat dit percentage vanaf 2026 21% bedraagt.

Let op! Ontvangt u in 2025 al vooruitbetaling voor verhuur die in 2026 plaatsvindt? Dan moet u daarover in 2025 al 21% btw berekenen.

Meer WBSO in 2026

By nieuws

De eerste schijf van de WBSO wordt in 2026 eenmalig geïndexeerd met 2,9%. Hierdoor loopt de eerste schijf in 2026 door tot € 391.020.

WBSO

Industrie

Onder de WBSO, Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, kunt u als werkgever een fiscale tegemoetkoming krijgen voor de loonkosten die gemoeid zijn bij Research & Development. Heeft u recht op WBSO, dan verrekent u de toegekende tegemoetkoming met de af te dragen loonheffing. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de kosten van Research & Development. 

Tip! Een startende onderneming krijgt een hogere tegemoetkoming.

Hogere eerste schijf

De Tweede Kamer heeft een voorstel tot wetswijziging aangenomen om de eerste schijf in de WBSO in 2026 eenmalig te indexeren met 2,9%. Deze eerste schijf stijgt daardoor van € 380.000 in 2025 naar € 391.020 in 2026. Aangezien er al jarenlang geld in de WBSO-regeling overblijft (in 2024 € 116 miljoen) was er ruimte voor deze indexatie.

Let op! De Tweede Kamer heeft ook een verzoek bij de ministeries van EZK en Financiën neergelegd om in het Belastingplan 2027 een voorstel te doen om de schijfgrens structureel te indexeren.

Wat betekent dit?

De verhoging van de eerste schijf betekent het volgende.

 Tarief/Grens  2025  2025
 Tarief 1e schijf  36%  36%
 Tarief 1e schijf starters  50%  50%
 Grens 1e schijf  € 380.000  € 391.020
 Tarief 2e schijf  16%  16%

Verzilveringsproblematiek

De Tweede Kamer heeft de regering ook verzocht om een oplossing uit te werken voor de verzilveringsproblematiek in de WBSO. Start- en scale-ups kunnen de WBSO namelijk vaak niet volledig verzilveren, omdat hun loonsom in de beginfase te laag is. De Tweede Kamer stelt hierbij een carry-forwardmogelijkheid voor.

Let op! Dit voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.

Villabelasting blijft in stand

By nieuws

Gerechtshof Amsterdam heeft de villabelasting onlangs in een gerechtelijke uitspraak in stand gehouden. Het beroep van de belastingplichtige op strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel faalde en er was ook geen strijd met Europees recht.

Villabelasting

Huis

De villabelasting betreft de belastingheffing in de inkomstenbelasting over de waarde van eigen woningen voor zover die waarde hoger is dan € 1.330.000 (bedrag 2025). Over de waarde boven de € 1.330.000 wordt 2,35% bij het inkomen geteld als eigenwoningforfait.

In strijd met Europees recht?

Over de vraag of de villabelasting in strijd is met Europees Recht lopen (waarschijnlijk) meerdere gerechtelijke procedures. In een van die procedures oordeelde rechtbank Noord-Holland op 15 oktober 2024 dat de villabelasting niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM en het eigendomsrecht van artikel 1 EP EVRM.

De belastingplichtige ging in hoger beroep. Gerechtshof Amsterdam oordeelde op 21 oktober 2025 echter ook dat de villabelasting in stand bleef. Het beroep van de belastingplichtige op strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalde. Ook van strijd met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP EVRM was volgens het gerechtshof geen sprake.

Let op! Mogelijk gaat de belastingplichtige nog in cassatie bij de Hoge Raad.

Geen massaal bezwaar

De procedure over de villabelasting is door de Belastingdienst niet aangewezen als massaal bezwaar. Dit betekent dat als u zich ook wilt beroepen op strijdigheid met Europees recht, u hierover individueel moet procederen. De eerste stap is het indienen van een tijdig bezwaarschrift. Tijdig wil zeggen: binnen zes weken na dagtekening van de definitieve aanslag. 

Wilt u hier meer over weten? Neem dan contact op met onze adviseurs.

Periodiek gift aftrekbaar bij stoppen met betalen?

By nieuws

Wat zijn de fiscale gevolgen als u de verplichtingen voor een periodieke gift niet nakomt, u stopt met betalen?

Periodieke giften

Euro

Uw giften zijn periodiek als u minimaal vijf jaar achter elkaar jaarlijks eenzelfde bedrag geeft aan dezelfde ANBI. U kunt het volledige bedrag van zo’n periodieke gift in uw aangifte inkomstenbelasting aftrekken als u de gift heeft vastgelegd in een notariële of schriftelijke overeenkomst. In deze overeenkomst moet ook vastliggen wanneer de jaarlijkse gift stopt (uiterlijk bij uw overlijden). Redenen voor het stoppen kunnen zijn dat de ANBI zijn ANBI-status verliest, het faillissement van de ANBI of als u arbeidsongeschikt of werkeloos raakt.

Let op! Het voordeel van een periodieke gift ten opzichte van een andere gift is dat u geen rekening hoeft te houden met de niet-aftrekbare drempel of het plafond dat voor andere giften geldt.

Terugdraaien aftrek bij stoppen gift?

Aan de Belastingdienst is gevraagd wat de fiscale gevolgen zijn als u een periodieke gift afspreekt met een ANBI in een notariële of schriftelijke overeenkomst en u na één jaar stopt met betalen. Betekent dit dan dat de gift die u wel betaalde dan niet meer aftrekbaar is als periodieke gift omdat u niet de verplichte minimale vijf jaar haalt?

Let op! U kunt de periodieke gift niet zomaar stoppen. U bent immers verplichtingen aangegaan in een notariële of onderhandse akte en zult de medewerking van de ANBI nodig hebben om de periodieke gift te stoppen.

Volgens de Belastingdienst blijft de gift die u al betaalde aftrekbaar als periodieke gift. De voorwaarde hierbij is wel dat er bij het aangaan van de notariële of schriftelijke schenking aan alle voorwaarden voor een periodieke gift is voldaan. Alleen dan blijft de gift gewoon aftrekbaar. Dus ook als u de jaarlijkse gift stopt en dus niet meer voldoet aan de afspraken in de schenkingsovereenkomst.

Let op! De Belastingdienst merkt wel op dat als uit de feiten en omstandigheden blijkt dat bij het afsluiten van de schenkingsovereenkomst al duidelijk was dat u invloed had op de looptijd van de periodieke gift, er dan vanaf aanvang al geen periodieke gift was. Ook de eerste betaling is dan al niet aftrekbaar als periodieke gift.

Beperking aftrek EIA en MIA vanaf 2029

By nieuws

De Tweede Kamer heeft een voorstel tot wetswijziging aangenomen waardoor de aftrek van EIA en MIA vanaf 2029 beperkt kan worden.

EIA en MIA

Agrarisch

Ondernemers in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting die investeren in bedrijfsmiddelen van de Energielijst kunnen met de energie-investeringsaftrek (EIA) in 2026 in aanmerking komen voor een investeringsaftrek van 40% van het investeringsbedrag.

Ondernemers in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting die investeren in milieu-investeringen van de Milieulijst kunnen in 2026 met de milieu-investeringsaftrek (MIA) in aanmerking komen voor een investeringsaftrek die kan oplopen tot 45% van het investeringsbedrag.

In 2025 is voor de EIA € 431 miljoen en voor de MIA € 189 miljoen budget beschikbaar.

Let op! De Energielijst en Milieulijst worden elk jaar aangepast. De lijsten voor het volgende jaar worden over het algemeen pas aan het einde van het jaar gepubliceerd. Het is daarom nog niet bekend welke bedrijfsmiddelen op de lijsten voor 2026 staan.

Geen negatieve winst door aftrek EIA en MIA vanaf 2029

De Tweede Kamer wil graag een fiscale ontwijkingsconstructie in de inkomstenbelasting met de EIA en MIA tegengaan. Om die reden is een voorstel tot wetswijziging aangenomen die ertoe leidt dat vanaf 2029 aftrek van EIA en MIA in de inkomstenbelasting niet tot negatieve winst kan leiden. Met de voor deze maatregel benodigde structuuraanpassing in de systemen is rekening gehouden door de maatregel pas per 2029 in te laten gaan.

Let op! Dit voorstel tot wetswijziging geldt alleen voor ondernemers in de inkomstenbelasting en niet voor ondernemers in de vennootschapsbelasting.

Voorwaartse verrekening

De ondernemer die de EIA en/of MIA vanaf 2029 niet volledig in aftrek kan brengen in een jaar, kan het niet-afgetrokken bedrag wel ‘sparen’. Het niet-afgetrokken bedrag kan in de volgende negen kalenderjaren alsnog in aanmerking genomen worden, als er in die jaren wel voldoende winst is.

Let op! Vorderingen en schulden tussen fiscale partners en vorderingen van minderjarige kinderen op hun ouders en de daarmee corresponderende schulden van die ouders worden sinds 2023 tegen elkaar weggestreept en dus genegeerd in box 3. In zo’n geval worden ook de schuld en de vordering die ontstaan door de schenking vrij van recht niet in box 3 meegenomen.

Let op! Het voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.