All Posts By

Advieswijzer Kantoor aan huis

By nieuws

Er is onder meer een verschil in de behandeling van een zogeheten kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte. Daarnaast gelden er voor een ondernemer met een eenmanszaak, vof of maatschap andere regels dan voor een ondernemer met een bv. En hoe zit het eigenlijk met de btw? In deze advieswijzer komen de verschillende regels aan de orde.

Kwalificerende werkruimte

Als eerste is het van belang om vast te stellen of sprake is van een fiscaal kwalificerende ruimte. Hiervoor moet je werkruimte voldoen aan het zelfstandigheids- en het inkomenscriterium.

Zelfstandigheidscriterium

Je werkruimte voldoet aan het zelfstandigheidscriterium als deze een zodanige zelfstandigheid bezit dat deze duidelijk te onderscheiden is. De werkruimte moet in ieder geval over een eigen ingang en over eigen sanitair beschikken. Het komt erop neer dat de werkruimte ook aan een derde verhuurd zou kunnen worden.

Let op! Een werkplek in een woon-, slaap- of zolderkamer wordt in ieder geval niet als kwalificerende werkruimte aangemerkt. Een tot kantoor verbouwde garage met eigen ingang en sanitair kan dat wel zijn.

Inkomenscriterium

Je werkruimte voldoet aan het inkomenscriterium als jij je inkomen voor een groot gedeelte in of vanuit deze ruimte verdient. Is dit jouw enige werkruimte, dan moet jij je inkomen voor ten minste 30% in de ruimte én voor ten minste 70% in of vanuit de ruimte verdienen. Heb je nog een andere werkruimte buiten je woning, dan moet jij je inkomen voor ten minste 70% in de werkruimte verdienen.

Ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Omdat de werkruimte eigendom is van de eigenaar (natuurlijk persoon) en niet van de eenmanszaak, vof of maatschap, is het voor het bepalen van de fiscale winst noodzakelijk om onderscheid te maken tussen zaken die wel en zaken die niet voor de onderneming worden gebruikt. Dit noemen we vermogensetikettering.

De werkruimte moet bij (nagenoeg) volledig zakelijk gebruik en kan in beginsel bij gemengd gebruik worden aangemerkt als ondernemingsvermogen als deze juridisch of bouwkundig splitsbaar is van de woning.

Indien de werkruimte niet juridisch of bouwkundig splitsbaar is,  kun je ervoor kiezen om de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen aan te merken, als ten tijde van verwerving van de woning ten minste 10% van de woning bestemd was om te worden gebruikt ten behoeve van de onderneming. In de overige gevallen vormt de werkruimte privévermogen of kun je het pand splitsen in overeenstemming met het gebruik in een deel privévermogen en een deel ondernemingsvermogen (de werkruimte). In dit laatste geval zal de werkruimte over het algemeen niet voldoen aan het zelfstandigheidscriterium dat nodig is voor een kwalificerende werkruimte.

 De fiscale behandeling van je werkruimte is afhankelijk van de wijze waarop deze geëtiketteerd is: als privévermogen of als ondernemingsvermogen.

Let op! Ook als minder dan 10% van de woning ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt, kun je de woning als ondernemingsvermogen aanmerken als je aannemelijk kan maken dat de woning mede dienstbaar is aan het bedrijf. Bijvoorbeeld omdat er bij de aankoop sprake was van een koppelaankoop van het bedrijf en de woning, er vanuit de woning toezicht mogelijk is op het bedrijf, er een gemeenschappelijke toegangsweg is en dergelijke.

Een woning behoort verplicht tot het ondernemingsvermogen als je deze voor 90% of meer zakelijk gebruikt.

Woning is privévermogen

De kosten van een niet-kwalificerende werkruimte kun je niet van je winst aftrekken. Op deze werkruimte is gewoon de eigenwoningregeling van toepassing.

Let op! De inrichtingskosten, zoals een bureau, zijn ook niet aftrekbaar van de winst. Maar indien er sprake is van zakelijk gebruik, kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen als je zelf btw-belaste prestaties verricht.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven als bezitting en schuld in box 3. De kosten van de werkruimte mag je van je winst aftrekken. Deze aftrekpost is echter gemaximeerd op het voordeel dat je ten aanzien van de werkruimte in box 3 moet aangeven. Deze aftrek is een percentage van de WOZ-waarde van je werkruimte. Dit percentage is voor het jaar 2026 vastgesteld op 6%.

Daarnaast mag je ook de kosten die normaal gesproken voor rekening van een huurder (de huurderslasten) zouden komen, in aftrek brengen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld energiekosten, kosten van de inboedelverzekering en kosten van klein onderhoud. Ook nu zijn de inrichtingskosten niet aftrekbaar, maar kun je hiervoor in beginsel wel investeringsaftrek krijgen en de btw terugvragen.

Woning is ondernemingsvermogen

Indien de werkruimte als ondernemingsvermogen is geëtiketteerd, kun je de kosten aftrekken van je winst. De werkruimte valt dan niet onder de eigenwoningregeling, maar wordt belast als onderdeel van je winst uit onderneming. Dit betekent dat voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt en dat bijvoorbeeld een eventuele boekwinst bij verkoop belast is.

Indien je de gehele woning (inclusief de werkruimte) als ondernemingsvermogen hebt geëtiketteerd, kun je alle kosten (met uitzondering van huurderslasten met betrekking tot het woondeel) aftrekken van je winst. Voor het privégebruik van uw woning moet je wel een bijtelling ter grootte van een bepaald percentage van de WOZ-waarde in aanmerking nemen.

Voor de meeste woningen is dit in 2026 1,10%. Bij een niet-kwalificerende werkruimte moet je daarbij uitgaan van de WOZ-waarde van de gehele woning. Bij een kwalificerende werkruimte moet je uitgaan van de WOZ-waarde van de woning exclusief de werkruimte. Bij gesplitste vermogensetikettering (woondeel privévermogen/bedrijfsdeel ondernemingsvermogen) blijft de bijtelling bij een kwalificerende werkruimte achterwege.

Werkruimte in huurwoning

Indien sprake is van een werkruimte in een huurwoning, kun je een evenredig deel van de huur en de huurderslasten in aftrek brengen als sprake is van een kwalificerende werkruimte.

Het is niet mogelijk om aftrek te krijgen voor een niet-kwalificerende werkruimte, ook niet als je het huurrecht als ondernemingsvermogen etiketteert.

Ondernemers met een bv

Onderneem je vanuit een bv, dan geldt ook het onderscheid tussen een kwalificerende en een niet-kwalificerende werkruimte.

Kwalificerende werkruimte

De werkruimte valt voor jou, als dga, in box 1 (de tbs-regeling). Dit betekent dat de vergoeding op zakelijke gronden moet worden vastgesteld. De vergoeding is voor de bv aftrekbaar van de winst en vormt voor de dga, na aftrek van alle aan de werkruimte toe te rekenen kosten, inkomen in box 1. Op dit belaste inkomen mag je nog wel de terbeschikkingstellingsvrijstelling van 12% in aftrek brengen.

Op een kwalificerende werkruimte is de eigenwoningregeling niet van toepassing. Dit betekent dat je voor de bepaling van het eigenwoningforfait de werkruimte niet meetelt: de waarde van de werkruimte en het deel van de (hypothecaire) geldlening dat daarbij hoort, moeten worden aangegeven op de balans van je werkzaamheid in box 1. Je hebt ook geen last van de aftrekbeperkingen inzake hypotheekrente, zoals de maximering van de aftrek tot een tarief van 37,56% (2026).

Niet-kwalificerende werkruimte

Een niet-kwalificerende werkruimte valt onder de eigenwoningregeling: het eigenwoningforfait wordt berekend over de woning inclusief de werkruimte. Een eventuele vergoeding voor de werkruimte wordt voor de dga behandeld als loon. Het is echter mogelijk om de vergoeding als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Je bv betaalt dan geen belasting, zolang het totaal van aangewezen vergoedingen en verstrekkingen niet hoger is dan de vrije ruimte. Wordt deze vrije ruimte overschreden, dan betaalt je bv 80% eindheffing over de overschrijding. De loonkosten zijn voor de bv aftrekbaar van de winst.

Btw en ondernemers met een eenmanszaak, vof of maatschap

Voor de btw is van belang of de zaken, zoals een werkruimte, zijn gebruikt ten behoeve van je onderneming en of je hiermee btw-belaste omzet behaalt. Als dat het geval is, kun je deze zaken voor de btw zakelijk etiketteren en de voorbelasting met betrekking tot het zakelijke gebruik in aftrek brengen. Je kunt hierbij denken aan btw op energie, onderhoud en inrichting.

Btw en ondernemers met een bv

Indien je, als dga, de werkruimte aan je bv verhuurt, moet dat een btw-belaste verhuur zijn om tot aftrek van de btw te komen. 

De Belastingdienst is echter vaak van oordeel dat er met de verhuur van een onzelfstandige werkruimte niet wordt deelgenomen aan de markt voor verhuur van bedrijfsruimte. De verhuur zou dan geen economische activiteit zijn en daarmee buiten de btw-sfeer vallen. Als er wel sprake is van een economische activiteit, is de Belastingdienst vaak van oordeel dat sprake is van verhuur van woonruimte als er ook privé van de werkruimte gebruik gemaakt kan worden. De verhuur van woonruimte is btw vrijgesteld en zorgt daarmee ook ervoor dat de voorbelasting niet aftrekbaar is.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2025:3538) oordeelde in een casus dat btw-belaste verhuur wel mogelijk voor een onzelfstandig deel van een woning in een situatie waarin het privégebruik van dat deel ondergeschikt was aan het zakelijke gebruik. De staatssecretaris heeft cassatie ingesteld. Het wachten is op het oordeel van de Hoge Raad.

Tip! Overleg met onze adviseurs over de vraag of je in een soortgelijke situatie mogelijk recht op aftrek van de btw kunt hebben.

Tot slot

De fiscale regels met betrekking tot de werkruimte zijn erg ingewikkeld. Neem voor je eigen situatie daarom contact met ons op.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

 

Advieswijzer Scholing en Personeel

By nieuws

Subsidieregeling Praktijkleren 

De subsidieregeling Praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijkleerplaatsen aan te bieden. Je ontvangt een tegemoetkoming voor de kosten die je als werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling of student. Ook kun je een tegemoetkoming krijgen voor de loon- en begeleidingskosten voor een promovendus of een technologisch ontwerper in opleiding (toio). 
De subsidieregeling richt zich vooral op: 

  • kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt voor wie toegang tot de arbeidsmarkt een probleem is; 
  • studenten die een opleiding volgen in sectoren waar een tekort ontstaat aan gekwalificeerd personeel; 
  • wetenschappelijk personeel dat onmisbaar is voor de Nederlandse kenniseconomie. 

Let op! De Subsidieregeling Praktijkleren loopt vooralsnog door tot en met1 januari 2029.. Je kunt dus tot en met het studiejaar 2027-2028 nog gebruikmaken van de subsidie. 

Voor welke leerlingen kun je subsidie aanvragen? 

Je komt niet voor elke leerling die bij je werkt voor subsidie in aanmerking. De regeling geldt voor de volgende doelgroepen: 

  • Leerlingen die een leer-werktraject of entreeopleiding volgen in het vmbo, gericht op het behalen van een startkwalificatie op het niveau van een basisberoepsopleiding. Het 3e en 4e leerjaar van deze opleiding komt in aanmerking voor de subsidie onder voorwaarde dat elke week sprake is van binnenschools onderwijs 
  • Leerlingen die een bbl-opleiding (beroepsbegeleidende leerweg) in het mbo volgen. 
  • Studenten die een duale of deeltijd hbo-opleiding Techniek, Gezondheidszorg, Gedrag en Maatschappij of Landbouw en Natuurlijke omgeving volgen, gericht op een volledig diploma. Het gaat hierbij om opleidingen die een praktijkdeel als verplicht onderdeel kennen. Voor andere hbo-opleidingen bestaat geen recht op de subsidie.  
  • Promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s) die zijn aangesteld of een arbeidsovereenkomst hebben bij een universiteit of een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) of de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) of in dienst zijn bij een werkgever maar begeleid worden door de universiteit, NWO of KNAW. 
  • Leerlingen in het laatste schooljaar van het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) die onderwijs volgen in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of in een leer-werktraject of entreeopleiding binnen het uitstroomprofiel ‘vervolgonderwijs’. 
  • Leerlingen die in het laatste jaar van het Praktijkonderwijs (PRO) zitten en een praktijkleerplaats bij de werkgever hebben. 

Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie isvoor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren.  

Let op! Voor studenten aan de beroepsopleidende leerweg (bol) aan EVC-trajecten en specifieke maatwerktrajecten (geen mbo bbl-opleidingen) kom je niet in aanmerking voor subsidie. Hetzelfde geldt voor afstudeerstages. 

Tip! Sommige buitenlandse opleidingen komen ook in aanmerking voor subsidie als deze vergelijkbaar zijn met een Nederlandse opleiding voor mbo (bbl) of hbo (duaal/deeltijd in de sectoren Techniek, Gezondheidszorg, Gedrag en Maatschappij of Landbouw en Natuurlijke omgeving). Je dient dan wel in het bezit te zijn van een verklaring dat de buitenlandse opleiding vergelijkbaar is. Deze verklaring kun je aanvragen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). 

Wat is een praktijkleerplaats? 

De subsidie wordt, met uitzondering van promovendi en toio’s, toegekend per gerealiseerde praktijkleerplaats. 

  • Voor het vmbo, mbo-bbl, entreeopleiding vmbo, VSO en PRO wordt onder een gerealiseerde praktijkleerplaats verstaan: het aantal weken waarin in de periode 1 augustus tot en met 31 juli daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaatsvindt. Om voor de maximale subsidie in aanmerking te komen, dient minimaal 40 weken onderricht in de praktijk in het studiejaar te hebben plaatsgevonden. 
  • Voor het hbo wordt onder een gerealiseerde praktijkleerplaats verstaan: het aantal weken waarin in de periode 1 september tot en met 31 augustus daadwerkelijk onderricht in de praktijk van het beroep plaatsvindt. Om voor de maximale subsidie in het HBO in aanmerking te komen, dient minimaal 42 weken begeleiding in de praktijk te hebben plaatsgevonden in het studiejaar.  

Let op! Elke week waarin begeleiding is gegeven, telt mee. Het maakt hierbij niet uit op hoeveel dagen in die week begeleiding is gegeven. Een week waarin geen begeleiding is gegeven, bijvoorbeeld door ziekte of vakantie, telt niet mee als gerealiseerde praktijkleerplaats. Het subsidiebedrag wordt dan naar rato verlaagd.  

Let op! Je kunt ook subsidie aanvragen als je minder dan 40 of 42 weken begeleiding heeft gegeven. De subsidie bedraagt dan echter niet maximaal € 2.800 maar wordt pro rata verminderd. Zo bedraagt de maximale subsidie bij hbo bij 21 weken begeleiding € 1.400 (50% van € 2.800).  

De hoogte van de subsidie voor een promovendus is afhankelijk van het aantal maanden (maximaal 12) maal de arbeidsduur per week (maximaal 36) waarin de werkgever de loonkosten betaalt. Verricht een promovendus bijvoorbeeld 6 maanden onderzoek gedurende 18 uur per week, dan bedraagt de maximale subsidie € 700 (6/12 * 18/36 * € 2.800). Voor de toio is de hoogte van de subsidie afhankelijk van het aantal maanden (per studiejaar) waarin aan de ontwerpopdracht is gewerkt maal het aantal arbeidsuren per week met een maximum van 36 uur per week. 

Voorwaarden voor subsidie 

Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je (aantoonbaar) een erkend leerbedrijf zijn voor vmbo’ers/ mbo’ers, bepaalde leerlingen uit het VSO/PRO en leerlingen uit de entreeopleiding vmbo. Als het gaat om hbo’ers, promovendi en toio’s, moet je door een onderwijsinstelling zijn aangemerkt als een onderneming die een goede begeleiding geeft. Daarnaast moet je voldoen aan de volgende voorwaarden: 

  • Er is een geldige, gedateerde en ondertekende overeenkomst. Dit is bij vmbo of een bij een werkgever in dienst zijnde promovendus of toio een leer-werkovereenkomst, bij VSO en PRO een stageovereenkomst, bij mbo-bbl en hbo een praktijkleerovereenkomst. Voor elk van deze overeenkomsten gelden eigen nadere voorwaarden. 
  • De beroepsopleiding van de leerling valt binnen de doelgroepen waarvoor de subsidie geldt. 
  • Je kunt in je administratie per leerling laten zien dat de leerling aanwezig was, je de voorwaarden en de afspraken uit de overeenkomst naleeft en de student begeleidt. 

Voor het vmbo,mbo, Hbo, de entreeopleiding vmbo en PRO/VSO gelden nog de volgende aanvullende voorwaarden: 

 Niveau  Voorwaarden
 vmbo 3e en 4e leerjaar – buitenschools praktijkgedeelte met minimaal 640 klokuren en maximaal 1280 klokuren per studiejaar dat loopt van 1 augustus tot en met 31 juli
 mbobbl – minimaal 200 begeleide onderwijsuren per studiejaar door de onderwijsinstelling- praktijkgedeelte minimaal 610 klokuren per studiejaar lopend van 1 augustus tot en met 31 juli.

– opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo)
 entreeopleiding vmbo – het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 610 klokuren per studiejaar
 PRO/VSO

– het praktijkgedeelte bedraagt minimaal 640 klokuren en maximaal 1.280 klokuren per schooljaar.

– minimaal één dag per week binnenschools onderwijs

– maximaal vier stagedagen per week

– duur van de stage is maximaal 50% van de uren dat onderwijs wordt verzorgd.

– het schooljaar loopt van 1 augustus tot en met 31 juli.

 Hbo – opleiding gericht op volledig diploma en opgenomen in Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO). Het studiejaar loopt van 1 september tot en met 31 augustus.

– het praktijkdeel is een verplicht onderdeel van de opleiding

Let op! Voor alle leerlingen en studenten geldt dat zij moeten zijn ingeschreven voor de opleiding in het Register Onderwijs Deelnemers (ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Bovendien wordt de subsidie alleen verstrekt gedurende de nominale duur van de opleiding. 

Let op!Alleen voor een Toio of promovendus van een van de aangewezen (voornamelijk openbare) universiteiten kan een subsidie van toepassing zijn. 

Administratieve verplichtingen

Om in aanmerking te komen voor de subsidie, moet je de volgende gegevens in je administratie vastleggen: 

  • een getekende en gedateerde overeenkomst; 
  • een aanwezigheidsregistratie van de deelnemer bij de beroepspraktijkvorming. Je kunt bijvoorbeeld gebruikmaken van je digitale tijdschrijfsysteem, een presentielijst of een geldig arbeidscontract in combinatie met een verzuimregistratie; 
  • een administratie waaruit de begeleiding van de deelnemer blijkt en de wijze waarop de kwalificaties van de beroepsvorming zijn behaald. Hierbij moet je denken aan een werkboek van de leerling en gespreks-, beoordelings- en evaluatieverslagen; en 
  • Hoogte van de subsidie

Omdat de subsidie afhankelijk is van het aantal subsidieaanvragen en het beschikbare budget, is de hoogte van de subsidie voor het studiejaar 2025/2026 nog niet zeker. De verdeling van de beschikbare subsidie vindt jaarlijks plaats na afloop van het studiejaar over alle werkgevers die tijdig een aanvraag hebben ingediend én voldoen aan de eisen voor de subsidie. Het subsidiebedrag is gemaximeerd op € 2.800 per praktijkleerplaats als de leerling of student het gehele jaar bij je gewerkt heeft. 

Tip! Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie is voor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Het aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren. 

Aanvraag van de subsidie 

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) voert de regeling uit. De subsidie geldt per studiejaar. Je vraagt de subsidie na afloop van de begeleiding aan. Voor het studiejaar 2025/2026 kun jede subsidie vanaf 2 juni 2026 09:00 tot en met uiterlijk 17 september 2026 (uiterlijk 17.00 uur) aanvragen. Aanvragen die later door RVO.nl worden ontvangen, komen niet in aanmerking voor subsidie. 

Let op! Vanaf 2025 moet je de subsidie aanvragen via het nieuwe aanvraagportaal van het RVO. Verzorg je niet zelf de aanvraag, zorg dan dat degene die dat voor je doet op tijd over de daarvoor benodigde ketenmachtiging beschikt. 

Tip! Om de aanvraag te kunnen doen, heb je eHerkenning (minimaal niveau 3 met machtiging RVO-diensten) nodig. Voorkom dat je te laat beschikt over eHerkenning en vraag deze indien nodig tijdig aan. 

Let op! RVO.nl kan nog tot vijf jaar na het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt controles uitvoeren. Je hebt dan ook de plicht om alle relevante documenten te bewaren tot vijf jaar na afloop van het studiejaar waarvoor subsidie is verstrekt 

Subsidieregeling praktijkleren derde leerweg 

De Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg 2026 is een tegemoetkoming in de kosten die een erkend leerbedrijf maakt voor de begeleiding op de werkvloer van een werkende of werkzoekende die een mbo-opleiding in de derde leerweg doet. De derde leerweg in het mbo is een aanvulling op de beroepsopleidende leerweg (bol; 4 dagen school, 1 dag stage) en de beroepsbegeleidende leerweg (bbl; 4 dagen werken, 1 dag school). In de derde leerweg kunnen delen van een mbo-opleiding worden gedaan, grotendeels of geheel op de werkvloer, wat kan leiden tot een mbo-certificaat (door de Minister van OCW vastgesteld arbeidsmarktrelevant onderdeel van een mbo-opleiding) of een praktijkverklaring (mbo-opleiding op maat op basis van de behoefte van de werkgever en de werkende of werkzoekende). 

Ook in 2026 is een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg waarschijnlijk weer mogelijk. Hiervoor loopt een internetconsultatie van 8 juni 2026 tot 5 juli 2026. Deze regeling is het vervolg van de subsidieregeling derde leerweg, die liep van 14 december 2021 tot 31 maart 2026. Het voorstel is om de regeling tot 2031 voort te zetten. Als de regeling conform het voorstel in de internetconsultatie wordt ingevoerd, geldt het hiernavolgende.

De aanvraagperiode loopt dan van maandag 2 november 2026 9.00 uur tot vrijdag 27 november 2026 17.00 uur. 

  • De subsidieregeling bedraagt naar verwachting maximaal € 2.700 en is alleen beschikbaar voor praktijkplaatsen voor mbo-studenten in de derde leerweg (overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen deeltijd (odt)) die werkzoekenden zijn of betaalde arbeid verrichten.
  • De student moet voor de aanvraagperiode zijn ingeschreven voor de opleiding in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs . 

Als erkend leerbedrijf kun je de subsidie voor maximaal 40 weken krijgen in een periode van 52 weken.

  • De aanvraag moet tijdens het aanvraagtijdvak worden ingediend, binnen een jaar na de afronding van de praktijkplaats. -RVO zal de regeling uitvoeren. 

Subsidie voor groepshulpen kinderopvang 

Kinderopvangorganisaties kunnen in 2026 van 2 november 2026 09.00 uur tot en met 27 november 2026 17.00 subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats van een groepsondersteuner (voorheen groepshulp)n. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van deze groepsondersteuners n en is aan te vragen bij RVO.nl. Het doel is dat door de subsidie meer groepsondersteuners worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang. 

De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepsondersteuner per week werkt. Een organisatie kan in 2026 voor maximaal tiengroepsondersteuners n subsidie aanvragen. 

De subsidie kent een aantal voorwaarden. Zo moet een groepsondersteuner een arbeidsovereenkomst van ten minste 12 maanden hebben met een startdatum vanaf 1 augustus 2023 of later. Ook moet de groepshulp deelnemen aan de opleiding mbo-bbl of mbo-derde leerweg (OVO/ODT) op niveau 1 en 2, gericht op het behalen van een praktijkverklaring, mbo-certificaat of diploma of een aangewezen mbo-3 certificaat. Deze scholing moet tussen 1 augustus 2023 en 31 oktober 2026 zijn gestart. Verder is vereist dat de kinderopvangorganisatie voor de groepsondersteuner ook subsidie heeft gekregen via de Subsidieregeling Praktijkleren of Praktijkleren in de derde leerweg. Voor de groepsondersteuner mag niet al eerder deze subsidie ontvangen zijn. 

Financiële bijdrage van O&O-fondsen 

Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen kunnen financieel bijdragen aan de scholing van werknemers in hun branche. Deze fondsen worden meestal in het leven geroepen door de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde branche en worden gevuld met bijdragen van aangesloten bedrijven. Afspraken hierover worden gemaakt in bijvoorbeeld cao’s. Alle O&O-fondsen hebben loopbaanadviseurs in dienst die kunnen helpen bij scholings- en opleidingstrajecten voor je werknemers. Sommige O&O-fondsen bieden ook zelf cursussen aan of ontwikkelen scholingsprojecten voor de branche. Wil je een financiële bijdrage van het O&O-fonds ontvangen, neem dan contact op met je brancheorganisatie, want de exacte mogelijkheden en voorwaarden verschillen per sector. 

Tip! Bekijk hier een overzicht van alle erkende O&O-fondsen. 

SLIM-subsidie mkb 2025-2029 

De SLIM subsidie is een subsidie voor werkgevers voor het verder laten ontwikkelen van werknemers in maatschappelijk cruciale sectoren van het mkb.  

Slim-subsidie is in 2026 mogelijk voor: 

a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming; 
b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen; 
c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode. 

De SLIM-subsidie kent in 2026 twee regelingen: voor individuele mkb-ondernemingen en voor samenwerkingsverbanden in het mkb. 

SLIM individuele mkb-ondernemingen 

Zowel kleine als middelgrote ondernemingen kunnen een beroep doen op deze regeling. Het subsidiepercentage voor kleine mkb-ondernemingen bedraagt in 2026 60%. 

Per aanvraag kan maximaal € 24.999 subsidie worden aangevraagd. Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000.  

Vooraf kan 50% van het subsidiebedrag als voorschot worden betaald. 
Voor de SLIM-regeling voor mkb-ondernemingen zijn in 2026 twee aanvraagtijdvakken: (reeds verlopen) van 7 april 20269.00 uur tot en met 4 mei 202617.00 uur én van 10 augustus2026 9.00 uur tot en met 7 september 2026 17.00 uur 

SLIM samenwerkingsverbanden in het mkb 

Het subsidiepercentage van de SLIM-subsidie voor samenwerkingsverbanden in het mkb bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Per aanvraag kan maximaal € 500.000 subsidie worden aangevraagd (maximaal € 200.000 per samenwerkingspartner). Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenvervoer over de weg € 100.000. De subsidiabele kosten moeten minimaal € 210.000 bedragen. 

Samenwerkingsverbanden kunnen een voorschot krijgen van 25% van het verleende subsidiebedrag. Als het initiatief langer dan 12 maanden duurt, kan aanvullend nog een voorschot van 50% van het subsidiebedrag aangevraagd worden als in de eerste 12 maanden minimaal 50% van de projectkosten gemaakt zijn. 

Voor het opstellen van een controleverklaring door een accountant – dit is bij subsidies van € 125.000 of meer verplicht –, wordt een vaste vergoeding van € 3.000 verstrekt 

Overige Regelingen 

Regionale maatregelen 
In een groot aantal regio’s en branches zijn er specifieke regionale maatregelen om scholing te stimuleren. Ga dan ook na of je gemeente of branche wellicht een bruikbare regeling heeft. 

Tip! Op de website leeroverzicht.nl, een initiatief van het Ministerie van OCW en het Ministerie van SZW, kun je zoeken in veel verschillende regelingen. Hierin zijn ook regionale subsidieregelingen opgenomen. 

Opleidingskosten in mindering op transitievergoeding

Eindigt de arbeidsovereenkomst met een werknemer en moet de werkgever een transitievergoeding betalen? Dan kunnen door de werkgever gemaakte transitiekosten en inzetbaarheidskosten verrekend worden met de transitievergoeding.  

Let op! Transitiekosten zijn kosten gericht op het voorkomen van werkeloosheid of het bekorten van de periode van werkeloosheid. Inzetbaarheidskosten zijn kosten die tijdens de dienstbetrekking zijn gemaakt gericht op het bevorderen van de bredere inzetbaarheid van de werknemer. 

De werkgever mag deze kosten in beginsel op de transitievergoeding in mindering brengen, tenzij de verworven kennis en vaardigheden in overwegende mate zijn aangewend om de functie die de werknemer bij aanvang van de activiteiten verrichtte uit te oefenen. De kosten mogen ook niet in mindering komen als deze verband houden met verplichtingen van de werkgever in het kader van de re-integratie (eerste of tweede spoor). 

Voor het in mindering brengen van de kosten gelden daarnaast, naast elkaar, onder meer de volgende voorwaarden: 

  • de scholing moet gericht zijn op bredere inzetbaarheid van de werknemer buiten de eigen organisatie; 
  • de werknemer heeft vooraf inzicht gekregen in de kosten en schriftelijk ingestemd met de verrekening; en 
  • de kosten moeten in redelijke verhouding staan tot het doel. 
  • De kosten zijn gemaakt in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de transitievergoeding verschuldigd is. 

Studiekostenbeding mag niet voor bepaalde opleidingen

Een studiekostenbeding is voor bepaalde opleidingen niet  toegestaan. Dit is aan de orde als: 

  • het scholing noodzakelijk voor het kunnen (blijven) uitvoeren van de huidige functie; 
  • scholing noodzakelijk is voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en 
  • de scholing verplicht is op grond van de wet of de cao.  

In deze gevallen moet de scholing kosteloos zijn, de studietijd moet als arbeidstijd worden aangemerkt en de scholing moet zo veel als mogelijk in de reguliere werktijd plaatsvinden. Denk bij een wettelijk verplichte opleiding aan een opleiding op grond van de Arbowet. 

Ook de algemene scholingsplicht (artikel 7:611a lid 1 BW) valt onder de regeling. Onder deze algemene scholingsplicht moet de werkgever de werknemer in staat stellen scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, voor het voortzetten van de arbeidsovereenkomst als de functie van de werknemer komt te vervallen of hij niet langer in staat is deze te vervullen. Er bestaat een lijst met ‘gereglementeerde beroepen, waarin uiteenlopende beroepen staan, zoals registerloods, deskundige asbestverwijderaar, deskundige duiker, beëdigd tolk of fysiotherapeut. Als het beroep van de werknemer op die lijst vermeld staat, is onder voorwaarden, een studiekostenbeding wel mogelijk, tenzij de opleiding alsnog in een cao verplicht wordt gesteld. In die laatste situatie is een studiekostenbeding niet mogelijk. 

Disclaimer 
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen. 

Controleer recht op LKV 2025 bij overgang van een onderneming

By nieuws

Lkv’s 

In 2025 waren er nog vier soorten lkv’s: voor oudere werknemers, voor arbeidsbeperkte werknemers, voor het herplaatsen van arbeidsbeperkte werknemers en voor de doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden. 

Let op! Elk lkv kent zijn eigen voorwaarden. De voorwaarden in 2025 kunnen op bepaalde onderdelen verschillen van de huidige voorwaarden in 2026. 

Beschikking Wtl 2025 

De beschikking Wtl 2025 ontvang je vóór 1 augustus 2026. Het bevat jouw lkv-bedrag voor 2025. De definitieve berekening vind je in de bijlage bij de beschikking. 

Let op! De Belastingdienst betaalt dit bedrag binnen zes weken na de dagtekening van je beschikking aan je uit. 

Recht op lkv bij overgang van onderneming 

Bij overgang van een onderneming ging de Belastingdienst ervan uit dat het recht op lkv niet mee over zou gaan naar de nieuwe werkgever. De Hoge Raad oordeelde echter in mei 2024 dat het lkv bij zo’n overgang niet vervalt. 

Als in 2025 sprake was van een overgang van de onderneming, dan bleef het recht op lkv dus bestaan, mits ook aan de voorwaarden voor het lkv werd voldaan. Zo moet onder meer de oorspronkelijke doelgroepverklaring geldig zijn in 2025 en moet je die ook in je administratie hebben opgenomen. Je moest in de aangifte loonheffingen 2025 het vinkje aanzetten om het recht te behouden. Was je dit in 2025 vergeten, dan kon je dit nog tot uiterlijk 1 mei 2026 corrigeren. 

Controleer beschikking goed 

Was in 2025 sprake van overgang van een onderneming? Controleer dan of dit goed is opgenomen in de beschikking Wtl 2025. De Belastingdienst heeft laten weten dit niet altijd goed in de beschikking Wtl 2025 verwerkt te hebben. 

Klopt jouw beschikking niet, kom dan op tijd in bezwaar. Dat geldt uiteraard niet alleen voor fouten bij de overgang van de onderneming, maar ook bij andere fouten. 

Let op!Op dit tijd betekent binnen zes weken na dagtekening van de beschikking. 

Fout in aangiften 2025? 

Zat er een fout in je aangiften over 2025, dan had je de fout uiterlijk 1 mei 2026 via een correctiebericht moeten corrigeren. Alleen dan heeft het UWV dit meegenomen in de berekening van de lkv’s 2025. 

Let op! Ontdek je de fout nu pas? Dan heb je daar dus niets meer aan voor je lkv’s 2025. Je bent echter nog wel verplicht om een correctiebericht in te dienen. De gegevens worden namelijk wel opgenomen in de polisadministratie van het UWV.

Teruggave bpm bij export bestelauto van vóór 1 januari 2025?

By nieuws

Bpm bestelauto 

Voor een bestelauto is net als voor een personenauto bpm verschuldigd. Tot 1 januari 2025 konden ondernemers hiervoor echter onder voorwaarden een ondernemersvrijstelling krijgen. De Belastingdienst heeft antwoord gegeven op de vraag of bij export van een gebruikte bestelauto van vóór 2025 teruggave van bpm plaatsvindt, als voor deze bestelauto eerder bpm is betaald. 

Bpm betaald

De Belastingdienst gaat in het antwoord uit van een situatie waarbij voor een bestelauto met een datum van eerste toelating van vóór 2025, eerder bpm was betaald. Dit gold voor situaties waarbij niet of niet langer aan de voorwaarden voor de bpm ondernemersvrijstelling was voldaan. Zo was de vrijstelling onder meer niet van toepassing als minder dan 10% van de met de bestelauto gereden kilometers zakelijk was. 

Na vijf jaar vrij van bpm 

Onder de tot 2025 geldende regeling was, als niet langer aan de voorwaarden werd voldaan, slechts bpm verschuldigd als na het tijdstip waarop een bestelauto voor het eerst in gebruik was genomen, een periode van minder dan vijf jaar was verstreken. Zo kon een bestelauto dus na vijf jaar ook bpm-vrij verkocht worden aan een particulier. 

Andere regels bij export 

De vraag was of bij export recht bestaat op een teruggaaf van rest-bpm op het moment dat voor zo’n bestelauto van vóór 2025 al meer dan vijf jaar zijn verstreken na de datum van eerst ingebruikname. De Belastingdienst maakt duidelijk dat bij export andere regels gelden: ook na vijf jaar kan nog steeds een deel van de bpm teruggekregen worden bij export van een bestelauto van vóór 2025. Voorwaarde is wel dat voor die bestelauto daadwerkelijk eerder bpm is betaald. 

Teruggave afhankelijk van leeftijd 

Hoeveel bpm er teruggegeven wordt, is afhankelijk van de leeftijd van de auto. Hoe ouder de auto, hoe lager de bpm-teruggave. Er bestaat nog recht op teruggave tot een periode van 17 jaar en 10 maanden na de eerste ingebruikname. Daarna krijgt men bij export geen bpm meer terug. 

Let op! De antwoorden van de Belastingdienst hebben alleen betrekking op bestelauto’s waarvan de datum van eerste toelating vóór 1 januari 2025 lag. 

 

Geen gebruikelijk loon in voorperiode bv

By nieuws

Gebruikelijkloonregeling 

Iedereen met een aanmerkelijk belang in een bv, bijvoorbeeld een dga met minimaal 5% van de aandelen, is verplicht jaarlijks een gebruikelijk loon uit de bv op te nemen als hij ook werkzaamheden verricht voor de bv. Op dit gebruikelijk loon wordt loonbelasting ingehouden. Het is in de inkomstenbelasting belast in box 1 (met verrekening van de ingehouden loonbelasting) en aftrekbaar voor de bv als loonkosten.  

Eenmanszaak wordt bv 

Stel een eenmanszaak wordt omgezet in een bv. Dit gebeurt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026, terwijl de oprichtingsakte van de bv per 31 maart 2026 bij de notaris wordt gepasseerd. Vanaf welke datum moet aan de dga dan een gebruikelijk loon worden toegekend? De Belastingdienst heeft bevestigd dat tijdens de voorperiode van de bv, in deze casus van 1 januari 2026 tot 31 maart 2026, geen gebruikelijk loon van toepassing is.  

Geen dienstbetrekking 

In de voorperiode van de bv bestaat namelijk nog geen dienstbetrekking tussen de dga en de bv omdat de bv juridisch nog niet bestaat. Dit betekent dat er ook nog geen gebruikelijk loon aan de dga kan worden toegerekend. 

Let op! De dga geniet gedurende deze periode wel andere inkomsten uit arbeid. 

Bevestigd door rechtspraak 

Het niet van toepassing zijn van gebruikelijk loon in de voorperiode is ook al bij het tot stand komen van de gebruikelijkloon wetgeving en door latere rechtspraak bevestigd. 

Wél aanmerkelijk belang 

In een besluit heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven dat er bij de dga in de voorperiode wel een aanmerkelijk belang bestaat voor wat betreft het beschikbaar stellen van vermogen aan de bv. De dga heeft namelijk het recht om alle nog uit te geven aandelen in zijn bv te verwerven, terwijl het economische belang van de nog uit te geven aandelen al bij hem ligt. Deze inkomsten uit het ter beschikking stellen van vermogen aan de bv over de voorperiode zijn daarom dus al wel belast in box 2.

Hoe waardeer je vorderingen en schulden in box 3?

By nieuws

Waarde in het economische verkeer 

De wet bepaalt dat vorderingen en schulden in box 3 gewaardeerd moeten worden op de waarde in het economische verkeer. De Belastingdienst heeft aangegeven dat de waarde in het economische verkeer bij van vorderingen en schulden normaal gesproken gelijk is aan de nominale waarde hiervan, als sprake is van zakelijke condities. 

Contante waarde bij vaste rente 

Betreft het een vordering of schuld met een vaste rente? Dan is de waarde in het economische verkeer gelijk aan de contante waarde als de marktrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de vaste rente. 

Goedkeuring Belastingdienst 

Het berekenen van de waarde in het economische verkeer is administratief bewerkelijk. Bovendien geven banken altijd de nominale waardes door aan de Belastingdienst. Om die reden keurt de Belastingdienst goed dat je in box 3 uitgaat van de nominale waarde in plaats van de waarde in het economische verkeer. 

Voorwaarden goedkeuring 

Deze goedkeuring geldt alleen als je consistent kiest voor de nominale waarde. Dit betekent dat je de nominale waarde gebruikt voor de berekening van het forfaitair rendement maar ook voor de berekening van het werkelijke rendement volgens de tegenbewijsregeling box 3. 

Let op!De goedkeuring geldt totdat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking treedt. Dit is voorzien per 1 januari 2028.

Vernietiging verzuimboetes Douane van juli 2021 tot juli 2024

By nieuws

Vernietiging verzuimboetes 

De Douane kan in de periode tussen 1 juli 2021 en 1 juli 2024 een verzuimboete opgelegd hebben als je een onjuiste aangifte deed of onjuiste inlichtingen gaf. Die boetes blijken geen juridische basis te hebben. Daarom vernietigt de Douane deze boetes. 

Gevolgen 

Wat er na de vernietiging van de verzuimboete gebeurt, is onder meer afhankelijk van de vraag of je de verzuimboete wel of niet betaald hebt. 

  • Betaalde je de verzuimboete nog niet, dan hoef je ook niet meer te betalen. 
  • Betaalde je de verzuimboete al wel, dan betaalt de Douane dit bedrag aan je terug. Dit is anders als je nog openstaande bedragen bij de Douane hebt. In dat geval verrekent de Douane de betaalde verzuimboete met deze openstaande bedragen. 

Let op! Kwam je in bezwaar tegen de verzuimboete, dan zal de Douane je bezwaar toewijzen en de verzuimboete vernietigen. 

Afwikkeling tot 1 januari 2027 

Je hoeft niet in actie te komen. De Douane vernietigt de verzuimboete automatisch en betaalt, indien van toepassing, de verzuimboete aan je terug. 

Let op! De Douane is hier wel even mee bezig. Je kunt contact opnemen met de Douane als je op 1 januari 2027 nog steeds geen bericht hebt gehad. 

Verzuimboetes vanaf 1 juli 2024 

Alleen de verzuimboetes opgelegd tussen 1 juli 2021 en 1 juli 2024 worden vernietigd. De verzuimboetes vanaf 1 juli 2024 hebben wel een juridische basis. Deze blijven dan ook intact. 

Definitief geen teruggaaf box 3 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers

By nieuws

Kerstarrest 

De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. 

Om uitvoering te geven aan het rechtsherstel, voerde de wetgever voor de jaren 2017 tot en met 2022 de Wet rechtsherstel box 3 (hierna: Herstelwet) in. Elke belastingplichtige van wie de aanslag inkomstenbelasting (hierna: IB) op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond, kreeg rechtsherstel volgens deze Herstelwet. 

Dit gold niet voor belastingplichtigen van wie de aanslag IB op 24 december 2021 wel al onherroepelijk vaststond. Voor deze belastingplichtigen, de zogenaamde niet-bezwaarmakers, is de massaalbezwaarplusprocedure (MB+-procedure) ingevoerd. 

MB+-procedure 

De uitspraak van de Hoge Raad van 25 juni 2026 is gedaan in twee proefprocedures die onderdeel zijn van die MB+-procedure. In de MB+-procedure stond de vraag centraal of mensen die niet of te laat bezwaar maakten tegen box 3 toch hun box 3-inkomen over de jaren 2017 tot en met 2020 mogen berekenen op basis van werkelijk rendement. 

De Hoge Raad oordeelde in mei 2022 al dat deze mensen dat niet mogen, omdat zij niet of te laat bezwaar indienden. De koepel- en belangenorganisaties (Bond voor Belastingbetalers, Consumentenbond, NOB, RB en SRA) meenden dat in de uitspraak van de Hoge Raad nog niet met alles rekening was gehouden. Daar ging de MB+-procedure over. 

Uitspraak Hoge Raad 

De Hoge Raad heeft uitgesproken geen reden te zien om terug te komen op de uitspraak van mei 2022, ook niet op basis van de argumenten die eerder nog niet aan de orde waren gekomen. De Hoge Raad is van oordeel dat er ook geen sprake is van discriminatie ten opzichte van belastingplichtigen die wel op tijd bezwaar maakten. Ook het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn niet geschonden, aldus de Hoge Raad. 

Dit betekent dat de Hoge Raad bij zijn standpunt blijft dat niet-bezwaarmakers geen recht op teruggaaf van box 3 over de jaren 2017 tot en met 2020 hebben. 

Wat betekent dit voor jouw aanslagen IB? 

De twee uitspraken van 25 juni 2026 zijn niet alleen van belang voor de betreffende belastingplichtigen, maar voor elke belastingplichtigen die is aangesloten bij de MB+-procedure. 

Stonden ook jouw aanslagen IB op 24 december 2021 onherroepelijk vast en diende je daarna een verzoek om ambtshalve vermindering in? Dan zijn deze verzoeken onderdeel van de MB+-procedure. De Hoge Raad heeft daarover op 25 juni 2026 beslist dat deze verzoeken niet gehonoreerd hoeven te worden. Je krijgt daarom definitief geen teruggaaf box 3 over deze jaren. 

Let op! Dit betekent ook dat je voor die jaren geen beroep kunt doen op de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juni 2024. In dit zogenaamde D-dag-arrest bepaalde de Hoge Raad dat de Herstelwet naar aanleiding van het Kerstarrest ook niet door de beugel kon. Sindsdien wordt rechtsherstel toegepast volgens de door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten. Als deze MB+-procedure positief was afgelopen, hadden de niet-bezwaarmakers ook hierop een beroep kunnen doen. Dat is nu dus ook definitief van de baan. 

Eerste stap in vereenvoudiging winstbelastingen

By nieuws

Vereenvoudiging winstbelastingen 

Het project over de vereenvoudiging van winstbelastingen gaat over winst uit onderneming in box 1 van de inkomstenbelasting, over de vennootschapsbelasting, de dividendbelasting en de bronbelasting. 

Enquête 

Via een enquête probeert het ministerie voorbeelden en ervaringen te verzamelen over onderdelen in de fiscale wet- en regelgeving die in de praktijk als complex ervaren worden of die tot veel administratieve lasten leiden. Ondernemers, bedrijven, adviseurs, brancheorganisaties en andere belanghebbenden kunnen hun ervaringen delen via de enquête. 

Let op! De enquête is een eerste stap in het project over de vereenvoudiging van de winstbelastingen. Naar aanleiding van de enquêtes zal nader onderzoek gedaan worden naar de knelpunten. Ook zullen gesprekken hierover gevoerd worden met bedrijven en organisaties.

De enquête vind je via de internetconsultatie vereenvoudiging winstbelastingen of rechtstreeks via deze link

Ideeën over stimulering tweedehandsmarkt elektrische auto’s

By nieuws

Greentimerregeling 

Het kabinet heeft de gedachte om een nieuwe bijtellingskorting te introduceren voor elektrische auto’s tussen de vijf en acht jaar oud. Deze regeling zou de naam Greentimerregeling moeten krijgen. Het idee van deze regeling is dat de elektrische auto’s langer aan werknemers ter beschikking worden gesteld dan de huidige vijf jaar. Na afloop van deze verlengde terbeschikkingstelling, is de auto goedkoper. In tegenstelling tot nu heeft de auto dan wel de juiste prijs voor de Nederlandse tweedehandsmarkt voor particulieren. 

Het kabinet heeft onderzoek laten doen naar de greentimerregeling op basis van een verlaagd bijtellingspercentage van 14-15% over de oorspronkelijke cataloguswaarde. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de greentimerregeling met name interessant is voor de huidige gebruikers van de youngtimerregeling. 

Let op! Het kabinet besluit in augustus of en zo ja wanneer, de greentimerregeling wordt ingevoerd. Dit zal mede afhangen van het besluit over de aanpassingen in de youngtimerregeling. 

Advies Formule E-team 

Het Formule E-team (met daarin onder andere BOVAG, RAI, ANWB, Natuur en Milieu, VER en VNA) heeft het kabinet ook nog over een aantal andere maatregelen geadviseerd. Deze maatregelen worden richting de zomer 2026 verder uitgedacht en doorgerekend. Daarna moet nog een politieke weging en besluitvorming hierover plaatsvinden. 

Subsidie voor tweedehands elektrische auto’s 

Het zou dan gaan om een tijdelijke subsidie voor particulieren ten bate van de aanschaf van een tweedehands elektrische auto. Het subsidiebedrag zou vergelijkbaar zijn met de eerdere subsidieregeling: ongeveer 2.000 euro per auto. 

Inruilregeling 

Een variant op de subsidieregeling is een regeling die bij de sloop van een oudere fossiele brandstofauto een slooppremie oplevert. Die slooppremie zou dan alleen gebruikt kunnen worden voor de aanschaf van een tweedehands elektrische auto. Het idee is om de regeling toe te spitsen op de lagere (midden-) inkomens. 

Verlaagde energiebelasting voor publieke laadpalen 

Een ander advies is de herintroductie van een verlaagd energiebelastingtarief voor publieke AC-laadpalen tot 50.000 kWh. Dit was er ook in de jaren tot en met 2023. Het is wel de vraag hoe snel dit kan worden ingevoerd. De Belastingdienst geeft aan dit uitvoeringstechnisch pas per 1 januari 2030 te kunnen. Daarnaast moet hier goedkeuring voor komen van den Europese Commissie.