Category

nieuws

Vanaf 22 september opnieuw subsidie SDE++ aanvragen

By nieuws

Vanaf 22 september 2026 is de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) subsidie opnieuw beschikbaar. Met de SDE++ regeling worden grootschalige duurzame energieprojecten gesubsidieerd. Hiervoor komt dit jaar naar verwachting € 8 miljard beschikbaar.

Hoeveel subsidie?

Windmolen

De subsidie is gericht op projecten die duurzame energie produceren of de uitstoot van broeikasgassen verminderen. De omvang van de subsidie varieert en is afhankelijk van de marktprijs van de opgewekte energie of de verminderde CO2-uitstoot die gerealiseerd wordt. Bij een hogere prijs krijgt u daarom minder subsidie, bij een lagere prijs juist meer.

Bestaande en nieuwe categorieën

De SDE++ is dit jaar beschikbaar voor bestaande en nieuwe categorieën van subsidiabele projecten. Zo blijven projecten voor zonne-energie, aardwarmte, waterstof en CO2-afvang en -opslag in aanmerking komen voor de subsidie. Nieuw zijn onder meer zonne-energie projecten langs wegen en spoor, proces-geïntegreerde warmtepompen en nieuwe categorieën CO2-afvang en opslag met koolstofarme waterstof.

Susidie evenwichtig verdeeld

Om de subsidie evenwichtig te kunnen verdelen, wordt ook dit jaar gebruikgemaakt van vijf fasen. Op die manier wordt binnen de subsidie budget gereserveerd voor bepaalde categorieën of technieken.

Aanvragen subsidie

De aanvraagperiode van de SDE++ start op dinsdag 22 september 2026 9.00 uur en sluit op donderdag 22 oktober 2026, 17:00. 

Let op!Deze aanvraagperiode van een maand is opgedeeld in vijf fasen. Wanneer u uw subsidie aan moet vragen, hangt af van de subsidie-intensiteit van uw project. Met behulp van een rekentool op RVO.nl kunt u de subsidie-intensiteit berekenen voor uw project en weet u wanneer u uw aanvraag kunt indienen. 

eHerkenning

Voor uw aanvraag is eHerkenning niveau 3 of DigiD nodig. Heeft u eHerkenning nodig, vraag dit dan tijdig aan als u hier nog niet over beschikt. 

Vergunning nodig?

Heeft u voor uw installatie een vergunning nodig, vraag die dan op tijd aan. Als u de SDE++ aanvraagt, moet u namelijk over alle benodigde vergunningen beschikken. Kopieën hiervan dient u mee te sturen met uw aanvraag.

Voorwaarden

Voor de subsidie gelden tal van voorwaarden. Zo mag u op het moment van aanvragen van de subsidie nog geen opdracht hebben gegeven tot de bouw van uw productie-installatie. U vindt hier alle informatie. 

Uitzondering verbod contante betalingen vanaf € 3.000

By nieuws

Vanaf 1 januari 2026 geldt een verbod op contante betalingen vanaf € 3.000 voor goederen. Hierbij geldt een uitzondering voor aankopen buiten de EU. Andere uitzonderingen worden niet ingevoerd.

Verbod contante betalingen vanaf € 3.000

Geld

Contante betalingen vanaf € 3.000 zijn vanaf 1 januari 2026 in Nederland verboden. Het verbod geldt voor alle ondernemers die in of vanuit Nederland goederen aan- of verkopen, ongeacht in welke sector zij werkzaam zijn. Daarbij maakt het niet uit of de ondernemer aan- of verkoopt aan een andere ondernemer of aan een particulier. Verder maakt het ook niet uit of de transactie in Nederland plaatsvindt of in het buitenland. In alle gevallen zijn contante betalingen aan of van in Nederland gevestigde ondernemers vanaf € 3.000 niet toegestaan.

Let op!Particuliere verkopers vallen buiten de verbodsbepaling. Een particulier die bijvoorbeeld via Marktplaats iets verkoopt aan een andere particulier, mag dus nog wel een contante betaling boven de € 3.000 accepteren.

Uitzondering voor aankopen buiten de EU

Voor aankopen buiten de EU geldt bij de handhaving van het verbod een uitzondering. Een in Nederland gevestigde ondernemer kan daarom wel een aankoop buiten de EU van € 3.000 of meer contant betalen.

Geen andere uitzonderingen

Vertegenwoordigers van verschillende voertuig-, metaal- en scheepvaartbranches waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen, hebben met de minister van Financiën gesproken over knelpunten die door het verbod op contante betalingen ontstaan. Deze gesprekken hebben de minister er echter niet toegebracht om voor deze sectoren een uitzondering te maken.

De minister is namelijk niet van plan om een bredere uitzondering toe te staan voor specifieke goederen of sectoren of transacties met buitenlandse partijen. Dit zou in strijd zijn met het doel van het verbod op contante betaling, niet te handhaven zijn en niet goed aansluiten bij het in 2027 in te voeren Europese verbod op contante betalingen.

Europees verbod

Vanaf 10 juli 2027 geldt ook een Europees verbod op contante betalingen vanaf € 10.000. Dit Europese verbod betekent niet dat de grens in Nederland dan verhoogd wordt naar € 10.000. EU-landen mogen namelijk zelf de grens voor contante betalingen bepalen, zolang deze vanaf 10 juli 2027 maar onder de € 10.000 ligt.

Goederen, vanaf 10 juli 2027 ook diensten

Het verbod geldt nu alleen nog voor de handel in goederen. Een verbod op contante betalingen voor diensten volgt vanaf 10 juli 2027 bij de invoering van het Europese verbod. De grens voor diensten komt in Nederland, net als voor goederen, op € 3.000 te liggen.

Btw-suppletie 2025 vóór 1 april 2026 voorkomt belastingrente

By nieuws

Droeg u te weinig btw af over het jaar 2025, dan berekent de Belastingdienst geen belastingrente als u uw btw-suppletie over het jaar 2025 vóór 1 april 2026 indient.

Hoogte belastingrente

Overheid

Over de hoogte van de belastingrente liep de afgelopen jaren een rechtszaak. Uiteindelijk heeft de hoogste rechtsinstantie, de Hoge Raad, geoordeeld dat de belastingrente voor de btw niet te hoog is. Vanaf 1 januari 2026 bedraagt deze belastingrente 5%.

Voorkom belastingrente

U kunt deze belastingrente voorkomen door vóór 1 april 2026 uw btw-suppletie over het jaar 2025 in te dienen. Dus heeft u in 2025 te weinig btw aangegeven in uw btw-aangifte en dus te weinig btw afgedragen, corrigeer dit dan vóór 1 april 2026 met een btw-suppletie.

Let op!Ontvangt de Belastingdienst uw btw-suppletie 2025 niet vóór 1 april 2026, dan berekent de Belastingdienst vanaf 1 januari 2026 5% belastingrente.

Boete

U bent verplicht om een btw-suppletie in te dienen binnen acht weken nadat u constateerde dat u zo’n suppletie moet doen. Doet u dat niet, dan kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen.

Let op! De termijn van acht weken kan nog korter zijn. U moet uw btw-suppletie namelijk ook indienen voordat u weet of redelijkerwijs moet weten dat de Belastingdienst al bekend was of zou worden met de te weinig aangegeven of afgedragen btw.

Digitaal

Doet u zelf uw btw-suppletie, dan doet u dat digitaal via het formulier ‘Suppletie omzetbelasting’. U vindt dit als u bent ingelogd op Mijn Belastingdienst Zakelijk.

Btw-suppletie tot en met € 1.000

Bedraagt uw btw-suppletie € 1.000 of minder, dan verwerkt u de correctie in uw eerstvolgende btw-aangifte. U dient dan dus geen btw-suppletie in.

Tip! De Belastingdienst legt geen vergrijpboetes op als uw btw-suppletie € 1.000 of minder bedraagt.

Waarde verpachte gronden box 3 2025

By nieuws

De Belastingdienst heeft voor 2025 de uitgangspunten en normen voor de waarde van verpachte gronden gepubliceerd. Met behulp hiervan kan op praktische wijze de waarde van verpachte grond berekend worden voor uw aangifte inkomstenbelasting (IB) 2025.

Waarde in het economische verkeer

Agrarisch

Uw verpachte gronden in box 3 moet u in uw aangifte IB aangeven tegen de waarde in het economische verkeer. Om de berekening hiervan te vereenvoudigen heeft de Belastingdienst uitgangspunten en normen voor het jaar 2025 gepubliceerd. Met behulp hiervan kunt u de waarde berekenen.

Let op!U bent niet verplicht om gebruik te maken van deze uitgangspunten en normen. U kunt de waarde ook vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. U moet dit dan wel onderbouwen.

Alleen voor gras – of akkerland

De uitganspunten en normen kunnen alleen gebruikt worden voor verpachte gronden die in gebruik zijn als gras- of akkerland. Voor alle andere gebruikstoepassingen moet u de waarde vaststellen op basis van de werkelijke feiten en omstandigheden. Dit geldt bijvoorbeeld voor tuinland, glastuinbouw en bollenland.

Let op! Kijk in de brochure van de Belastingdienst voor meer soorten grond waarvoor u de uitgangspunten en normen niet kunt toepassen. Hier vindt u ook de andere voorwaarden en de wijze waarop u de waarde moet berekenen.

Hoge Raad verduidelijkt te verstrekken informatie WOZ-taxatie

By nieuws

Gemeentes zijn verplicht om op verzoek informatie te geven over de gegevens waarop uw WOZ-waarde is gebaseerd. Op deze manier wordt een informatieachterstand voorkomen en daarmee onnodige procedures. In een recente zaak heeft de Hoge Raad verduidelijkt welke gegevens hiertoe behoren en welke niet.

Wel afschriften, geen uitleg

Woning

De Hoge Raad geeft aan dat op verzoek de afschriften van de betreffende gegevens moeten worden verstrekt en dat deze ook per gemeente kunnen verschillen, maar dat hierover geen uitleg hoeft te worden gegeven. Of de gegevens nuttig of noodzakelijk zijn voor de waardebepaling, is niet van belang. De bronnen van de betreffende gegevens hoeft een gemeente echter niet aan te geven. 

Gebruik internet

De gemeente moet ook inzage geven tot informatie wat gaat over eventueel gebruikte berekeningen. Ook zaken die een belastingplichtige zelf kan vinden, bijvoorbeeld via internet, moeten ter beschikking worden gesteld. Het vermelden van een site op internet kan in beginsel voldoende zijn, tenzij de site niet meer beschikbaar is. 

Taxatieverslag niet altijd voldoende

Is door een gemeente een taxatieverslag gebruikt, dan is dit alleen niet voldoende als er ook gegevens zijn gebruikt die hier niet in staan, maar wel bij de waardebepaling zijn gebruikt. De informatieverplichting geldt bovendien niet alleen voor het pand waarvoor de WOZ-waarde is bepaald, maar ook voor de vergelijkingsobjecten waar deze waarde mede op is gebaseerd.

Objectkenmerken

Voor wat betreft de factoren waarop de waarde kan worden bepaald, noemt de Hoge Raad primaire en secundaire objectkenmerken. Bij primaire objectkenmerken gaat het onder meer om het type woning, het bouwjaar, de gebruiksoppervlakte en perceeloppervlakte. Bij de secundaire kenmerken gaat het met name om zaken als kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (KOUDVL-kenmerken) van een woning. Hierop toegepaste correcties vanwege afwijkingen van het gemiddelde dienen ook als gegeven te worden verstrekt, maar de basis waarop deze correcties zijn gebaseerd weer niet, aldus de Hoge Raad. Hetzelfde geldt voor correcties gebaseerd op een al dan niet aanwezigheid van een reserve in een Vereniging van Eigenaren.

Kennis en ervaring valt buiten informatieplicht

Gemeentes hoeven daarentegen geen informatie te verstrekken die gebaseerd is op kennis en ervaring, of van de bronnen ervan. Hiervan kunnen immers geen afschriften worden verstrekt, zo meent de Hoge Raad.

Bewijslast

De bewijslast dat niet de benodigde gegevens door de gemeente zijn verstrekt, ligt bij de belastingplichtige. Dit is echter anders als deze niet over deze gegevens kan beschikken, omdat ze in bezit zijn van de gemeente en deze de gegevens niet heeft verstrekt. In dat geval dient de gemeente aan te tonen dat de gevraagde gegevens niet aan de waardebepaling van de woning hebben bijgedragen.

Btw-aftrek werkkamer ook bij privégebruik

By nieuws

Kan een dga een werkkamer in zijn woning met btw verhuren aan zijn bv en daardoor recht hebben op aftrek van btw met betrekking tot die werkkamer? Ook als die werkkamer ook in privé gebruikt wordt?

Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?

Bouw woning met werkkamer en garage

Bedrijfspand

Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen.
In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.

De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.

De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.

Aftrek btw bouwkosten werkkamer en garage?

De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.

Economische activiteit?

De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.

Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.

Rechtstreeks en onmiddellijk verband?

Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.

Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.

Btw-belaste verhuur?

De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.

Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.

Conclusie: btw-belaste verhuur én aftrek btw

Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.

Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.

Nieuwe regelhulp voor nabestaanden ondernemers

By nieuws

Als een ondernemer overlijdt, moeten nabestaanden tal van zaken regelen die samenhangen met het bedrijf. Voor deze nabestaanden is er op het Ondernemersplein een nieuwe online regelhulp beschikbaar.

Rechtsvorm

Strategie

In de online regelhulp komt u aan de hand van een ingevulde vragenlijst automatisch terecht bij de vraagstukken die in de betreffende situatie geregeld dienen te worden. Allereerst moet u aangeven welke rechtsvorm van toepassing is. De regelhulp is met name bestemd voor eenmanszaken, bv’s, vof’s en maatschappen. Vervolgens wordt gevraagd of een testament beschikbaar is. 

Vervolgvragen 

Vervolgens kunt u aangeven of er personeel in dienst is en of het bedrijf over schulden beschikt. Dit zorgt namelijk voor extra te regelen zaken. Ook dient te worden aangegeven hoe het bedrijf gehuisvest is en of, en door wie, het wordt voortgezet. 

Branches

De regelhulp speelt tevens in op twee specifieke branches, de agrarische en medische branche, en de hiermee samenhangende problemen.

Volgorde van belang

Na invulling van de regelhulp verschijnt een overzicht van de te regelen zaken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in zaken die zo snel mogelijk geregeld moeten worden, dan wel binnen enkele maanden en zaken waarvan het regelen nog wel even kan wachten.

Tips en advies

De opsomming van de te regelen zaken is ook voorzien van de nodige tips en adviezen. Ook wordt ingegaan op de mogelijke gevolgen voor het personeel en welke instanties hierbij behulpzaam kunnen zijn.

Tip! In een situatie als deze helpen wij u uiteraard graag met het regelen van zaken en geven u daar deskundig advies bij. 

Behoud LKV bij overgang van onderneming en nieuwe werkgever

By nieuws

De Eerste Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen voor behoud van het loonkostenvoordeel (LKV) bij overgang van een onderneming en een nieuwe werkgever. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2027.

LKV’s zijn bedoeld om werkgevers te stimuleren mensen met een kwetsbare positie in dienst te nemen en te houden. In 2026 kan daarvoor – onder voorwaarden – onder meer een beroep gedaan worden op het LKV arbeidsgehandicapte werknemers en het LKV banenafspraak.

Let op!Voor het LKV banenafspraak is vanaf 2026 geen doelgroepverklaring meer nodig. De wet heeft daarom alleen nog gevolgen voor het LKV arbeidsgehandicapte werknemer.

Arrest Hoge Raad

Bouw

Bij overgang van een onderneming ging de Belastingdienst ervan uit dat het recht op LKV niet mee overgaat naar de nieuwe werkgever. De Hoge Raad oordeelde echter in mei 2024 dat het LKV bij zo’n overgang niet vervalt.

Let op!Is in 2026 sprake van een overgang van de onderneming, dan blijft het recht op het LKV dus bestaan, mits ook aan de voorwaarden voor de LKV wordt voldaan. Zo moet onder meer de oorspronkelijke doelgroepverklaring geldig zijn. U moet in de aangifte loonheffingen 2026 het vinkje aanzetten om het recht te behouden.

Wet Behoud LKV bij overgang van onderneming

Op 3 februari 2026 heeft de Eerste Kamer een wetsvoorstel voor behoud van het LKV bij overgang van een onderneming aangenomen. Na inwerkingtreding van deze wet wordt een doelgroepverklaring niet langer alleen verleend aan een specifieke werknemer, maar ook gekoppeld aan een werkgever.

De nieuwe werkgever na overgang van de onderneming kan dan een doelgroepverklaring nieuwe werkgever aanvragen en het LKV arbeidsgehandicapte werknemer voor de resterende looptijd voor de werknemer genieten. De nieuwe werkgever moet dan wel het vinkje aanzetten in zijn aangifte loonheffingen.

Ook voor nieuwe werkgever zonder overgang van onderneming

De nieuwe wet biedt ook de mogelijkheid om het LKV te behouden als een werknemer bij een nieuwe werkgever in dienst treedt, zonder dat sprake is van een overgang van een onderneming. Ook deze nieuwe werkgever kan een doelgroepverklaring nieuwe werkgever aanvragen en daarmee een beroep doen op de resterende duur van het LKV arbeidsgehandicapte werknemer.

Let op! De exacte inwerkingtreding van de wet is nog niet gepubliceerd, maar beoogd is een inwerkingtreding per 1 januari 2027.

Belastingvrije vergoedingen tijdelijke verblijfkosten 2026

By nieuws

Tijdelijke verblijfkosten zijn de kosten die uw werknemers maken tijdens zakelijke reizen. Deze kunt u, onder voorwaarden, belastingvrij vergoeden aan uw werknemers. U kunt wellicht aansluiten bij de bedragen die ambtenaren belastingvrij krijgen als ze op dienstreis zijn.

Belastingvrije tijdelijke verblijfkosten

Horeca

De vergoeding van de tijdelijke verblijfskosten kan alleen belastingvrij als voldaan wordt aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling. Uw werknemer moet dan een zogenaamde ambulante werknemer zijn. Dat is het geval als uw werknemer steeds naar verschillende arbeidsplaatsen reist of als hij doorgaans één keer per week op maximaal 20 dagen naar dezelfde arbeidsplaats reist.

Let op! Het gaat om een aaneengesloten periode waarin de 20 dagen vallen. Bij een incidentele onderbreking loopt de referentieperiode waarin de 20 dagen berekend worden gewoon door. Bij een langere onderbreking begint een nieuwe referentieperiode voor het tellen van de maximale 20 dagen. 

De gerichte vrijstelling voor tijdelijke verblijfkosten kan ook gelden in de situatie dat een werknemer om zakelijke redenen (nog) niet bij de plaats van het werk gaat wonen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij tijdelijke projecten of als een werknemer nog in de proeftijd zit.

Aansluiten bij vergoeding ambtenaren op dienstreis

Het is toegestaan om voor de vergoeding van de tijdelijke verblijfkosten aan te sluiten bij de onbelaste verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren op dienstreis kunnen krijgen.

U mag dat doen voor werknemers die met dezelfde soort kosten worden geconfronteerd als ambtenaren op dienstreis. Dat is aannemelijk als sprake is van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden als ambtenaren op dienstreis. Er moet ook sprake zijn van een dienstreis. Zo zal bijvoorbeeld voor een bouwvakker die voor een periode van vier weken werkzaam is op een project, geen sprake zijn van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden.

Verder is vereist dat u vergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekent aan uw werknemers als volgens de cao Rijk. Dit betekent overigens niet dat u ook alle vergoedingen moet betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. U moet hierbij meer denken aan bijvoorbeeld de minimale verblijfsduur en de in de cao Rijk genoemde hoogte van de vergoedingen.

Vrijgestelde bedragen binnenlandse dienstreizen 2026

De vergoedingen en gericht vrijgestelde bedragen voor ambtenaren op binnenlandse dienstreizen zijn in 2026:

Verblijfkosten Vergoeding cao Rijk Gericht vrijgesteld
Kleine uitgave overdag € 7,35  € 6,56
Kleine uitgaven ’s avonds € 21,92  € 13,12
 Logies € 164,52  € 162,74
Ontbijt € 16,07  € 16,07
Lunch € 22,19  € 12,97
Avondmaaltijd € 33,57  € 32,56

Let op!Behalve dat u moet aansluiten bij deze vergoedingen, moet u dus ook dezelfde voorwaarden hanteren. De bedragen en voorwaarden vindt u in onderdeel 10.2 van de cao Rijk.

Betaalbewijzen en werkelijke kosten

Uit de voorwaarden komt onder meer naar voren dat een ambtenaar die de kosten van de dienstreis declareert geen betaalbewijzen hoeft bij te voegen van bovenstaande uitgaven. 

U kunt deze kosten daarom ook aan uw werknemer vergoeden zonder dat deze een factuur of betaalbewijs hiervan overlegt. Uiteraard moet wel aannemelijk worden gemaakt dat de werknemer daadwerkelijk voor het werk heeft gereisd en overnacht. 

Ook moet de werknemer daadwerkelijk kosten maken. Voor een werknemer die (nagenoeg) geen kosten maakt, kunt u niet aansluiten bij de gerichte vrijgestelde vergoeding in de cao Rijk.

Let op! Voor zover de vergoeding hoger is dan het gericht vrijgestelde bedrag, vormt dat meerdere individueel loon bij de werknemer. U kunt er ook voor kiezen het meerdere, mits gebruikelijk, aan te wijzen in de vrije ruimte.

Buitenlandse dienstreizen 2026

Ook voor buitenlandse dienstreizen geldt dat aangesloten moet worden bij de voorwaarden en bedragen in de cao Rijk (zie onderdeel 10.3 van de cao Rijk). De berekening van de bedragen voor buitenlandse dienstreizen is afhankelijk van de tijdelijke verblijfplaats. Een overzicht vindt u in bijlage 6 van de cao Rijk.

Tip! Wilt u voor werknemers aansluiten bij de verblijfkostenvergoedingen die ambtenaren krijgen op een buitenlandse dienstreis of heeft u andere vragen, neem dan voor meer informatie contact met ons op.

 

Voorgenomen wijzigingen nieuwe box 3

By nieuws

Minister van Financiën Eelco Heinen liet eind februari weten dat hij het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wil aanpassen. Wat die aanpassingen precies inhouden, is nog niet duidelijk. Wat weten we al wel?

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

Overheid

De Tweede Kamer stemde op12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.

Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Van deze vermogensbestanddelen behoort (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement.

Coalitieakkoord en opdrachten Tweede Kamer

In het coalitieakkoord is de wens opgenomen om het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting (met enkele uitzonderingen) om te vormen naar een volledige vermogenswinstbelasting. De Tweede Kamer stemde ook niet van harte in met het wetsvoorstel en gaf de regering de opdracht mee om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op een volledige vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief de dekkingsopties daarvoor.

Daarnaast gaf de Tweede Kamer de regering nog een aantal andere opdrachten mee, waaronder:

  • het uitwerken van een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven en bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel;
  • het mogelijk voor 1 januari 2028 reeds actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage en het doen van aanvullend onderzoek naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en het doen van een verkenning naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Let op!Onlangs gaf de Tweede Kamer de regering ook nog de opdracht om in het nieuwe box 3-stelsel een achterwaartse verliesverrekening van minimaal één jaar te introduceren.

Reactie staatssecretaris

De staatssecretaris van Financiën, Eelco Eerenberg, geeft in een Kamerbrief van 6 maart 2026 aan dat het kabinet er niet voor kiest om het huidige box 3-stelsel langer dan tot en met 2027 voort te zetten. Invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 is belangrijk, omdat het huidige systeem onhoudbaar is, aldus de staatssecretaris.

Het kabinet overweegt wel om het nieuwe box 3-stelsel op twee momenten aan te passen:

  1. Het eerste moment betreft het aanpassen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt. Het kabinet gaat in overleg met de Tweede Kamer om opties uit te werken die de vermogensaanwasbelasting verbeteren. Verder kijkt het kabinet naar invoering van een achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029. Dit zou betekenen dat verliezen voor het eerst achterwaarts verrekend kunnen worden met box 3-inkomen uit 2028. Of een en ander uitvoerbaar is gezien de ICT-capaciteit, wordt momenteel in kaart gebracht. Ook de invulling van de budgettaire dekking is nog niet bekend.
  2. Het tweede moment betreft het doorontwikkelen van een box 3-stelsel naar een volledige vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Dit kost tijd vanuit het perspectief van wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en de gegevensuitwisseling door financiële instellingen. Ook de budgettaire impact moet worden meegewogen. Over het traject van deze doorontwikkeling stuurt de staatssecretaris voor de zomer van 2026 een Kamerbrief.

Verbetering definitie startende ondernemingen

In maart wordt een apart wetsvoorstel ter internetconsultatie aangeboden, waarin een verbeterde definitie van startende ondernemingen is opgenomen. De definitie van startende ondernemingen in het huidige wetsvoorstel sluit onvoldoende aan bij de kenmerken van start-ups en scale-ups. Het aparte wetsvoorstel verbetert dat en wordt met ingang van 1 januari 2028 in de Wet werkelijk rendement box 3 opgenomen.

Let op! Op Prinsjesdag 2026 zal waarschijnlijk pas echt duidelijk worden welke aanpassingen nog gedaan worden in het huidige wetsvoorstel. Op dat moment zal ook de budgettaire dekking van deze aanpassingen bekend moeten zijn.