Category

nieuws

Advieswijzer schenken en lenen aan kinderen

By nieuws

Kan uw kind een financieel ruggensteuntje goed gebruiken? Bijvoorbeeld voor studiekosten, de aankoop van een woning of bij het verlies van een baan? Of misschien wil uw kind een langgekoesterde droom van een eigen bedrijf verwezenlijken of het stokje van het familiebedrijf overnemen? Uw financiële hulp zou dat mogelijk kunnen maken! Laat u inspireren door deze advieswijzer.

Schenking

Handen schudden

Een veelgebruikte en relatief eenvoudige manier om een kind financieel te ondersteunen, is het schenken van geld. Dit kan op diverse manieren. Door handig gebruik te maken van vrijstellingen en fiscaalvriendelijke schenkingsvormen, kunt u de belastingheffing beperken. Niet alleen op het moment van schenking zelf, maar ook later. Schenken kan namelijk een voordelige manier zijn om het opgebouwde vermogen vóór overlijden al aan de volgende generatie over te dragen. Het financiële steuntje voor nu kan dan ook tegelijkertijd een gelegenheid zijn om na te denken over uw nalatenschapsplanning.

Afhankelijk van de omvang van uw vermogen en de vrijstellingen, kan de erfbelasting voor uw kind(eren) oplopen van 10% tot een waarde van de erfenis tot € 158.669 tot 20% over de waarde van de erfenis vanaf € 158.669. Voor (achter)kleinkinderen bedragen de percentages 18% tot € 158.669 en 36% daarboven (percentages en bedragen voor het jaar 2026). De schijven en tarieven in de schenkbelasting zijn gelijk aan de erfbelasting. Door het plannen van schenkingen tijdens uw leven in de eerste schijf van bijvoorbeeld 10% voor uw kind(eren), kunt u erfbelasting besparen bij uw overlijden in het voordeel van uw erfgenamen!

Let op! Voor mensen met vermogen geldt een hogere eigen bijdrage voor zorg via de Wlz (Wet langdurige zorg). Daarbij wordt altijd gekeken naar het inkomen en vermogen van twee jaar geleden. In 2026 geldt dus het vermogen op 1 januari 2024. Was het vermogen op deze datum hoger dan € 36.952 voor een alleenstaande of € 73.904 voor partners, dan telt 4% van het meerdere mee als inkomen. Wilt u door het schenken van vermogen uw eigen bijdrage Wlz verlagen, houd dan rekening met de wachttijd van twee jaar.

Fiscaalvrije schenkingen

Als ouder kunt u uw kind jaarlijks een bedrag schenken zonder dat daar belasting over betaald moet worden. Voor 2026 is dit bedrag € 6.908. Schenkt u aan een kind dat tussen de 18 en 40 jaar oud is (of van wie de partner tussen de 18 en 40 jaar oud is), dan kan deze vrijstelling eenmalig worden verhoogd naar € 33.129 (2026). 

Voor schenkingen ten behoeve van een kostbare studie of opleiding kan de vrijstelling zelfs eenmalig worden verhoogd naar € 69.009 (2026).

Papieren schenking

U wilt schenken, maar u wilt of kunt nog niet het gehele bedrag in contanten aan uw kind geven. Dan heeft u de mogelijkheid tot een zogenaamde schenking onder schuldigerkenning, ook wel bekend als papieren schenking. U erkent een bedrag schuldig te zijn aan uw kind dat pas opeisbaar is na uw overlijden.

Voordeel is dat u blijft beschikken over het (geschonken) vermogen en liquiditeiten en toch handig gebruikmaakt van de vrijstellingen in de schenkbelasting. Tegelijkertijd bent u vrij om tussentijds op de schuld af te lossen en daarmee uw kind geld te verstrekken. Om met deze schenking ook erfbelasting te besparen, moet u uw kind jaarlijks daadwerkelijk minimaal 6% rente betalen. 

Het is verstandig om de papieren schenking bij een notaris te laten vastleggen. Doet u dat niet en betaalt u de papieren schenking volledig uit tijdens uw leven, dan heef dit geen consequenties. Is de papieren schenking niet notarieel vastgelegd en daadwerkelijk pas opeisbaar bij uw overlijden en betaalt u deze dus niet uit tijdens uw leven, dan telt deze alsnog mee voor de berekening van de erfbelasting.

Let op! De schenking op papier moet zowel door de schenker als de ontvanger in box 3 worden opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting. In het box 3-stelsel in 2026 ontstaat hierbij wel een verschil tussen de belastbaarheid van de vordering en de aftrek van de schuld. Over de vordering die uw kind op u heeft, wordt namelijk een hoger forfaitair percentage (6,00% in 2026) berekend dan het forfaitair percentage waartegen de schuld die u heeft aan uw kind aftrekbaar is. Het exacte percentage voor de schuld is nog niet bekend, maar is voorlopig vastgesteld op 2,70%.  Een verschil dus van 3,30%! Is het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen overigens lager dan het totale forfaitaire rendement, dan kan met een beroep op de tegenbewijsregeling het werkelijke rendement van 6% worden aangehouden.

Tip! Wilt u meerdere jaren achter elkaar een papieren schenking doen aan uw kind, dan bestaat de mogelijkheid om dit in één keer voor meerdere jaren bij de notaris te regelen. Laat u wel goed informeren over de voorwaarden en de voor- en nadelen die hieraan verbonden zijn.

Schenken onder voorwaarden

Een schenking kan via het huwelijksgoederenregime of een samenlevingscontract bij de schoonfamilie van uw (klein)kind terechtkomen. Wilt u dat niet, dan kunt u bij de schenking een zogenaamde uitsluitingsclausule opnemen. De schenking blijft dan eigendom van uw (klein)kind. 

Door het schenken van vermogen kan het op enig moment ook gebeuren dat uw financiële draagkracht onder druk komt te staan. Wilt u schenken zonder financieel afhankelijk te worden van uw kind, dan kunt u ook schenken onder de voorwaarde dat de schenking door u herroepen kan worden.

Let op! Is uw kind getrouwd na 1 januari 2018, dan valt uw schenking niet meer automatisch in de huwelijksgemeenschap. Uw kind kan samen met zijn of haar partner in de huwelijkse voorwaarden echter bepalen dat schenkingen wel tot de gemeenschap behoren. In die situatie is de uitsluitingsclausule desgewenst nog relevant.

Bedrijfsopvolging in de familie

Wilt u uw bedrijf geheel of gedeeltelijk overdragen aan uw kind? Bij schenken van een onderneming kan, onder voorwaarden, gebruikgemaakt worden van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) en de doorschuifregeling (DSR). De BOR betreft een forse vrijstelling in de schenkbelasting en de DSR de mogelijkheid om de te betalen inkomstenbelasting door te schuiven, op voorwaarde dat de onderneming wordt voortgezet. De regelingen gelden alleen voor actieve ondernemingen. Beleggingsactiviteiten vallen voor de BOR geheel en voor de DSRA nagenoeg geheel buiten de regeling. De vrijstelling van de BOR bedraagt in 2026 100% voor ondernemingsvermogen tot € 1.543.500 en 75% daarboven.

Denk na over uw bedrijfsopvolging en laat u daarover goed adviseren. 

Familielening

U kunt uw kinderen natuurlijk ook geld lenen. Het is niet altijd eenvoudig, ook niet voor uw kinderen, om een financiering bij een bank te krijgen. Bij een lage rente op een spaardeposito kan een familielening dan een aantrekkelijke optie zijn. Maak wel zakelijke afspraken en leg de voorwaarden, zoals rente, duur, aflossing, aanwending van de geldsom, opeisbaarheid, opzeggingsgronden en eventuele zekerheden, goed vast. Dit zorgt voor financiële en juridische duidelijkheid voor u en uw kind en voorkomt veelal onnodige fiscale narigheid.

Let op! Houd er rekening mee dat door het box 3-stelsel in 2026 hierbij wel een verschil ontstaat in belastbaarheid. Over de vordering die u op uw kind heeft, wordt namelijk een hoog forfaitair percentage (6% in 2026) berekend in box 3 terwijl de schuld voor uw kind een lager forfaitair percentage kent (voor 2026 voorlopig vastgesteld op 2,70%). Is het werkelijke rendement van het totale box 3-vermogen overigens lager dan het totale forfaitaire rendement, dan kan met een beroep op de tegenbewijsregeling het werkelijke rendement aangehouden worden.

Eigenwoninglening

Via een notariële of onderhandse akte kunt u uw kind geld lenen voor de aanschaf, verbouwing of het onderhoud van een eigen woning. Over de lening ontvangt u van uw kind rente. Voor u behoort de (zakelijke) lening tot uw box 3-vermogen waarvoor het hoge forfaitaire rendementspercentage van 6% in 2026 van toepassing is. Is het werkelijke rendement van uw totale box 3-vermogen overigens lager dan het totale forfaitaire rendement, dan kan met een beroep op de tegenbewijsregeling het werkelijke rendement aangehouden worden.

Is de lening aan uw kind een zogenaamde eigenwoninglening die aan de fiscale voorwaarden voor een eigenwoninglening voldoet? Dan valt die lening voor uw kind niet in box 3 en is de rente aftrekbaar bij uw kind in box 1.

De belangrijkste fiscale voorwaarde is dat de lening binnen dertig jaar volledig en minimaal annuïtair moet worden afgelost. Ook moet uw kind de gegevens van de lening jaarlijks doorgeven in de aangifte inkomstenbelasting. Dat geldt zowel voor een nieuwe lening als voor een wijziging van een bestaande eigenwoninglening.

Let op! Het is verstandig om voor de lening een hypotheek te vestigen. Niet alleen voor de terugbetaling, maar ook om het zakelijke karakter fiscaal te onderbouwen. Voor het vastleggen van een hypotheek moet u bij de notaris zijn.

Lening én schenking

U kunt uw kind extra financieel steunen door bijvoorbeeld de eigenwoninglening aan te vullen met een schenking.  In hetzelfde jaar dat het kind de rente aan u betaalt, zou u uw kind een bedrag kunnen schenken binnen de jaarlijkse schenkingsvrijstelling (2026: € 6.908). Uw kind profiteert bij een eigenwoninglening van de fiscale renteaftrek en bij de schenking van de schenkingsvrijstelling. Per saldo kunt u zo (een deel van) de rente weer belastingvrij teruggeven. De schenking en rentebetaling moeten overigens los van elkaar staan en zeker niet met elkaar worden verrekend, anders valt het fiscale voordeel weg. Overleg met uw adviseur over de mogelijkheden.

Risicodragende deelname

Tot slot nog een laatste tip: heeft uw kind plannen om een onderneming voor zichzelf te beginnen, dan is een geldlening wellicht een voor de hand liggende optie. Maar misschien is een risicodragende deelname van u als financier in het startende bedrijf van uw kind voor beiden interessant. Er zijn vele manieren om dit vorm te geven. Vraag het ons!

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Tweede Kamer akkoord met nieuw box 3-stelsel vanaf 2028

By nieuws

De Tweede Kamer heeft donderdag 12 februari 2026 ingestemd met een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 2028.

Als de Eerste Kamer op een later moment ook instemt met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, wordt vanaf 2028 in box 3 het werkelijke rendement op uw vermogen belast.

Gerealiseerd rendement

Euro

Het werkelijke rendement betreft de zogenaamde reguliere voordelen, bijvoorbeeld de rente op bank- en spaarrekeningen, dividenden op beleggingen en huuropbrengsten. Onder het werkelijke rendement vallen echter ook verkoopwinsten en -verliezen op beleggingen en overige bezittingen.

Ook ongerealiseerd rendement

Naast gerealiseerde rendementen tellen ook ongerealiseerde rendementen mee. De jaarlijkse waardeontwikkelingen van uw beleggingen en overige bezittingen behoren dus ook tot uw werkelijke rendement vanaf 2028. Voor deze bezittingen geldt een zogenaamde vermogensaanwasbelasting.

Bij uitzondering vermogenswinstbelasting

Voor onroerende zaken omvat het werkelijke rendement – naast het directe rendement zoals de huuropbrengst – ook gerealiseerde winsten of verliezen, bijvoorbeeld door verkoop van de onroerende zaak. U hoeft bij onroerende zaken vanaf 2028 echter niet de jaarlijkse waardeontwikkeling tot uw werkelijke rendement te rekenen. Voor onroerende zaken geldt namelijk als uitzondering een vermogenswinstbelasting. Zo’n zelfde uitzondering geldt voor aandelen in start-ups en scale-ups.

Let op!De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht gegeven om een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven uit te werken en te bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel.

Vastgoedbijtelling

Voor onroerende zaken die minder dan 90% van het jaar verhuurd worden, geldt een zogenaamde vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde, als dit hoger is dan de werkelijke huurinkomsten. Dit betekent dat ook als de onroerende zaak in het geheel niet verhuurd wordt, bijvoorbeeld een vakantiewoning voor eigen gebruik, er toch altijd een rendement van 3,35% van de WOZ-waarde in aanmerking moet worden genomen.

Let op!De vastgoedbijtelling ligt onder het vergrootglas van de Tweede Kamer. Zo heeft de Tweede Kamer de regering verzocht het vastgoedbijtellingspercentage waar mogelijk voor 1 januari 2028 al te actualiseren, een aanvullend onderzoek te doen naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en een verkenning te doen naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Kostenaftrek

Bij het berekenen van uw werkelijke rendement mag u vanaf 2028 rekening houden met kosten zoals de betaalde rente, de kosten van een bankrekening, de kosten bij aan- en verkoop van uw beleggingen en overige bezittingen en de onderhouds- en andere periodieke kosten van uw onroerende zaken.

Tarief

Het voorgestelde tarief in box 3 vanaf 2028 bedraagt 36%. U betaalt dan 36% belasting over uw werkelijke rendement, verminderd met een heffingsvrij inkomen van € 1.800.

Let op! Heeft u in een jaar een negatief rendement, dan mag u dat in aftrek brengen op positieve rendementen in de volgende kalenderjaren. Er gaat wel een verliesdrempel van € 500 gelden. De eerste € 500 aan negatief rendement is dus niet verrekenbaar.

Verschil huidig box 3-stelsel

In het huidige box 3-stelsel wordt nog een forfaitair rendement – onderverdeeld in bank- en spaartegoeden, schulden en overige bezittingen – belast. Als uw werkelijke rendement lager is, kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling. In het nieuwe stelsel vanaf 2028 wordt in box 3 alleen nog het werkelijke rendement belast.

De wijze waarop het werkelijke rendement vanaf 2028 berekend wordt, wijkt ook af van de wijze waarop het werkelijke rendement in de jaren tot en met 2027 onder de tegenbewijsregeling berekend wordt.

Vanaf 2028?

Voorwaarde om de beoogde ingangsdatum van het nieuwe box 3-stelsel te halen, was dat de Tweede Kamer uiterlijk 15 maart 2026 zou instemmen. Dat is gelukt. Houd er wel rekening mee dat de Eerste Kamer dus ook nog in moet stemmen. Hiervoor is op dit moment nog geen uiterste datum bekend.

Wijziging naar volledige vermogenswinstbelasting

Het nieuwe box 3-stelsel vanaf 2028 is omstreden. De Tweede Kamer stemde met tegenzin in, met name vanwege de vermogensaanwasbelasting. Ook de nieuwe coalitie heeft in het coalitieakkoord opgenomen dat zij het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting willen omvormen naar een vermogenswinstbelasting. 

De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht meegegeven om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties. Naast deze opdracht gaf de Tweede Kamer de regering nog andere opdrachten mee over verschillende onderdelen van het nieuwe box 3-stelsel.

Gebruikelijk loon na stoppen onderneming

By nieuws

De bv drijft een onderneming. Als deze onderneming in de loop van het jaar stopt, wat betekent dit dan voor het gebruikelijk loon voor bijvoorbeeld de dga in dat jaar?

Wanneer gebruikelijk loon?

Boeket

Iedereen met een aanmerkelijk belang in een bv, bijvoorbeeld een dga met minimaal 5% van de aandelen, moet een gebruikelijk loon in aanmerking nemen als hij ook werkzaamheden verricht voor de bv.

Hoogte gebruikelijk loon

Het gebruikelijk loon moet in 2026 vastgesteld worden op het hoogste bedrag van een van de volgende bedragen:

  •  Het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, of
  • het loon van de meest verdienende werknemer in uw bv of verbonden bv’s, of
  • € 58.000.

Let op! Als u aannemelijk kunt maken dat het berekende gebruikelijk loon hoger is dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, kunt u het gebruikelijk loon vaststellen op dat loon. In de tekst en voorbeelden hierna wordt op deze regel verder niet ingegaan.

Hoogte gebruikelijk loon na einde onderneming

Als de onderneming in een bv in de loop van het jaar stopt, wat betekent dit dan voor de hoogte van het gebruikelijk loon? Het antwoord op deze vraag is mede afhankelijk van de andere werkzaamheden die degene met een aanmerkelijk belang nog verricht voor de bv.

Een en ander wordt verduidelijkt aan de hand van het volgende voorbeeld.

Voorbeeld 2026

Een dga heeft 100% van de aandelen in een bv. In deze bv wordt een winkel geëxploiteerd. De dga verricht fulltime werkzaamheden in de winkel die vergelijkbaar zijn met de werkzaamheden van een vestigingsleider. Het loon van de meest verdienende werknemer in de winkel is op fulltime basis € 39.000 per jaar. Het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking – die van een vestigingsleider van een vergelijkbare winkel – is € 60.000 per jaar op fulltime basis.

Per 1 april 2026 sluit de winkel. De dga verricht tot 1 mei 2026 op fulltime basis nog afsluitende werkzaamheden in verband met de sluiting van de winkel en ontruiming en verkoop van de laatste voorraad. Vanaf 1 mei 2026 bevat de balans van de bv alleen nog een bankrekening, een spaarrekening en een kleine beleggingsportefeuille. De dga verricht vanaf 1 mei 2026 daarom nog nauwelijks werkzaamheden voor de bv. Het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking voor deze werkzaamheden bedraagt op maandbasis ongeveer € 200.

Het gebruikelijk loon van deze dga zou € 60.000 bedragen als hij het hele jaar werkzaam zou zijn geweest in de winkel. Op maandbasis is dat € 5.000. De dga moet dit gebruikelijk loon van € 5.000 in de maanden januari tot en met april 2026 in aanmerking nemen, omdat hij in die maanden ook de werkzaamheden verrichte in de winkel.  In de maanden mei tot en met december 2026 bedraagt het gebruikelijk loon van de dga € 200 per maand. In totaal komt het gebruikelijk loon van deze dga in 2026 uit op € 21.600 (4 x € 5.000 + 8 x € 200).

Voorbeeld 2027

Als de bv uit het voorbeeld in 2027 in stand blijft en het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking in 2027 voor de werkzaamheden van de dga in 2027 ook € 200 per maand bedraagt, hoeft de dga in 2027 geen gebruikelijk loon meer in aanmerking te nemen.

De gebruikelijkloonregeling hoeft namelijk niet toegepast te worden als het gebruikelijk loon in een jaar niet hoger is dan € 5.000.

Let op!De bv mag dan geen loon betalen aan de dga. Betaalt de bv toch een loon uit aan de dga, dan is de gebruikelijkloonregeling wel van toepassing. Ook als dat loon in het jaar niet hoger is dan € 5.000!

Overleg met uw adviseur

Uw eigen situatie is nooit precies gelijk aan het voorgaande gestileerde voorbeeld. Overleg over uw eigen situatie daarom altijd met uw adviseur.

Hospicediensten btw-belast en zo ja, tegen welk tarief?

By nieuws

Personen die in hun laatste levensfase verkeren, kunnen ervoor kiezen om tot aan hun overlijden in een hospice te verblijven. Een hospice levert diensten gericht op persoonlijke verzorging, emotionele ondersteuning van de gast en hun naasten, praktische zorg en palliatieve zorg. Onlangs werd voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de vraag beantwoord of de diensten van een dergelijk hospice met btw belast zijn en zo ja, tegen welk tarief?

Eén of meer prestaties?

Medisch

Het Hof boog zich allereerst over de vraag of er sprake was van één of van meerdere prestaties. Duidelijk was dat het hospice in deze casus gastenkamers ter beschikking stelde, aan de gasten eten en drinken verstrekte en daarnaast algemene zorg verrichtte voor de gasten en hun naasten. Volgens het Hof was er sprake van één ondeelbare prestatie aan de gast, namelijk het verlenen van zorg om een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven te bieden aan gasten in hun laatste levensfase.

Niet splitsen

Volgens het Hof was er geen reden deze prestaties te splitsen. De prestaties waren namelijk zo nauw met elkaar verweven, dat splitsing ervan kunstmatig zou zijn. Ook was er geen sprake van verschillende prestaties met één hoofdprestatie en één of meer bijkomende prestaties. Alleen dan moeten de prestaties wel gesplitst worden.

Geen vrijstelling

Het Hof oordeelde verder dat de prestatie ook niet was vrijgesteld. De prestatie kon niet aangemerkt worden als medische prestatie. Ook kwam deze prestatie niet in aanmerking voor de vrijstelling voor sociale en culturele diensten. Daarnaast kon niet worden geprofiteerd van het destijds nog geldende lage btw-tarief voor hotelovernachtingen, omdat de prestatie veel meer omvatte dan dergelijke verhuur.

Conclusie

Het Hof achtte de prestaties dus belast tegen het normale hoge btw-tarief. Het leverde de stichting die het hospice exploiteerde in deze casus daardoor een forse aftrek op van in rekening gebrachte btw als gevolg van verbouwingswerkzaamheden.

Nieuwsbrief februari 2026

By nieuws

Nieuwsbrief februari 2026

Let op!
Wij willen voldoen aan de wens om actueel te zijn. Het overzicht in deze MKB-Nieuwsbrief is geschreven met de kennis tot en met maandag 16 februari 2026, 20:00 uur.


1. Aan de slag: een selectie van de plannen uit het coalitieakkoord

Vrijdag 30 januari 2026 hebben D66, VVD en CDA het Coalitieakkoord 2026-2030 gepresenteerd. Het akkoord heeft als titel: ‘Aan de slag, Bouwen aan een beter Nederland’. Wij hebben een selectie van de plannen uit het coalitieakkoord op een rij gezet voor onder meer de ondernemer en de werkgever.

Let op!
Het coalitieakkoord omvat de plannen van het minderheidskabinet. Deze plannen zijn nog niet in detail uitgewerkt. Daarnaast moet het minderheidskabinet nog onderhandelen met andere partijen in de Tweede en Eerste Kamer om hiervoor een meerderheid te krijgen. Houd er daarom rekening mee dat bepaalde zaken niet doorgaan of alleen in gewijzigde vorm.

Slanke en slagvaardige overheid
De coalitie wil bouwen aan een slanke en slagvaardige overheid, onder meer door een periodieke Vereenvoudigingswet, waarbij gestart wordt met het schrappen en vereenvoudigen van minimaal 500 regels. Andere voornemens zijn onder meer een efficiencytaakstelling, met als doel de apparaatsuitgaven structureel te verminderen.

Ondernemers
De coalitie erkent dat ondernemers cruciaal zijn voor het bereiken van meer economische groei, voor brede welvaart en voor de uitdagingen van de toekomst. De coalitie wil daarom de ondernemer faciliteren en rust, reinheid en regelmaat creëren door onder meer de volgende plannen:

  • Jaarlijks schrappen of vereenvoudigen van 500 regels (verminderen regeldruk).
  • Versnellen van vergunningsverlening voor bedrijven.
  • Behouden en niet versoberen van de expatregeling, de bedrijfsopvolgingsregeling en de doorschuifregeling
  • WBSO uitbreiden voor ontwikkeling van AI en technologie en vereenvoudigen van de WBSO.
  • Behouden van innovatiebox, verliesverrekening en deelnemingsvrijstelling.
  • Samenvoegen van de EIA, MIA en VAMIL, waar mogelijk tot één robuuste investeringsregeling.
  • Niet verhogen van de vennootschapsbelasting.
  • Rentmeestervennootschap in de wet opnemen als rechtsvorm voor bedrijven en verlagen van administratieve lasten en kosten voor bedrijven die duurzaam willen ondernemen.
  • Oprichten van een Nationale Investeringsinstelling (NII) om de Nederlandse kapitaalmarkt te versterken, onder meer met durfkapitaal voor start- en scale-ups.
  • Kredieten voor het mkb, zoals de BMKB, blijven faciliteren.
  • Zes nieuwe openstellingsrondes SDE++ tot en met 2032, met een jaarlijks openstellingsbudget van € 8 miljard voor de uitrol van duurzame energiebronnen.
  • Budget van € 20 miljard voor de landbouw, natuur en stikstofaanpak, onder meer voor een vrijwillige beëindigingsregeling van veehouderijlocaties, het bieden van incidentele compensatie in zones rondom kwetsbare natuurgebieden en watergebieden, subsidiëring van maatregelen die de stikstofuitstoot van agrarische bedrijven verlagen middels verduurzaming van de bedrijfsvoering en maatregelen met een significante verlaging van stikstof-/ammoniakemissies in de industrie en de mobiliteit.

Let op!
Er is ook een aantal plannen die bij bepaalde ondernemers minder goed ontvangen zullen worden, onder meer de verhoging van het btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten van 9% naar 21% vanaf 2028 en de invoering van een suikertaks op voorgepakte voedingsmiddelen met een suikergehalte van minimaal 6%.

Zzp’ers
De coalitie wil zzp’ers meer ruimte en duidelijkheid geven om te ondernemen. De plannen hiervoor zijn onder meer:

  • Het conceptwetsvoorstel Vbar wordt gesplitst. Het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de Vbar wordt zo spoedig mogelijk ingevoerd. Het andere deel van de Vbar (het verduidelijkingsdeel) wordt vervangen door de Zelfstandigenwet.
  • De behandeling van de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ) gaat door.

Werkgevers
De coalitie heeft ook plannen voor werkgevers, onder andere:

  • Het plan om via de werkkostenregeling werknemers te kunnen helpen met het sneller aflossen van hun studieschulden.
  • Om start- en scale-ups te kunnen laten groeien, wordt het makkelijker om medewerkers deels te betalen in aandelen(opties) en worden mogelijkheden uitgebreid om financiële medewerkersparticipaties fiscaal voordelig te verstrekken.
  • Het plan is om een wettelijke stagevergoeding in te voeren.
  • Voor Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is in het coalitieakkoord structureel geld beschikbaar gemaakt. Op de korte termijn komt er een nieuwe regeling die gericht ingezet wordt in bijvoorbeeld tekortsectoren en kansrijke beroepen. Voor de langere termijn wordt gewerkt aan een stelsel van individuele leerrechten.
  • De transitievergoeding wordt hervormd, zodat deze echt wordt ingezet voor de transitie van werk naar werk. Werkgevers die voldoende hebben geïnvesteerd in bij- of omscholing en re-integratie uit de Wet poortwachter hoeven straks een lagere tot geen transitievergoeding te betalen. De compensatie van de transitievergoeding voor werkgevers bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid vervalt echter voor alle werkgevers met ingang van 2028.
  • Het maximum pensioengevend loon wordt vanaf 2027 tot en met 2032 bevroren op € 137.800 (= bedrag 2026).
  • Vanaf 2028 wordt de WW-duur maximaal 1 jaar. Vanaf 2030 wordt de uitkeringshoogte van de WW in de eerste twee maanden verhoogd naar 80%, wordt de referte-eis verscherpt naar 42 van de 52 weken gewerkt (de ‘42-van-52-eis’) en gaat de opbouw van WW-rechten naar een halve maand per gewerkt jaar.
  • Vanaf 2029 wordt het maximumdagloon met 20% verlaagd. Dit betekent dat de hoogste inkomens een lagere uitkering krijgen, maar ook dat het maximumpremieloon daalt. Om financiële gevolgen (minder premieontvangst door de overheid) te compenseren, komt er een lastenverzwaring, waarover het kabinet nog in overleg gaat met de sociale partners.
  • Het kabinet werkt aan voorstellen om loondoorbetaling bij ziekte meer werkbaar te maken voor werkgevers, met name in het mkb.
  • De Wet loontransparantie wordt ingevoerd, na aanpassingen van onnodige administratieve lasten voor de werkgever.
  • Om de administratieve lasten te beperken, worden (bureaucratische) belemmeringen die nu in de Wet verbetering poortwachter zitten, weggenomen.
  • Het kabinet gaat ongewijzigd door met (bijna) gratis kinderopvang voor werkende ouders.
  • Het kabinet onderzoekt (onorthodoxe) maatregelen om meer uren werken te laten lonen. Onderzocht wordt o.a. het versoepelen van de Wet onderscheid arbeidsduur (voltijdsbonus), een arbeidskorting per uur en een meerurenvoordeel.
  • Het verlofstelsel wordt vereenvoudigd, met het SER-advies ‘Balans in maatschappelijk verlof’ als startpunt.
  • Asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning krijgen na drie maanden in de asielprocedure het recht om te werken. Kansarme asielzoekers krijgen dat recht niet.
  • Werkgevers gaan vanaf 2027, net als burgers, een bijdrage voor de veiligheid betalen. Werkgevers gaan deze vrijheidsbijdrage betalen via een verhoging van de Aof-premie (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 € 1,7 miljard per jaar). Voor burgers vindt inning plaats via een aanpassing van het tarief in de inkomstenbelasting (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 € 3,4 miljard per jaar).

Bouwen en wonen
Bouwen en wonen staat hoog op de agenda van de coalitie. Een aantal voorgenomen maatregelen:

  • Een rem op bezwaarprocedures door de drempels hiervoor te verhogen, het introduceren van één beroepsgang, vaste uitspraaktermijnen en een beperking van de mogelijkheden om een bouw stil te leggen.
  • Structurele vereenvoudiging van wetten en regels in een jaarlijkse Vereenvoudigingswet door onder meer simpelere regels voor optoppen en splitsen te maken (waar mogelijk vergunningsvrij), makkelijker maken van woningdelen en verhuren van een woning in (studenten)kamers, vergunningsvrij maken van familie- en mantelzorgwoningen op eigen terrein en het wegnemen van belemmeringen voor hospitaverhuur.
  • Anders vormgeven van wet- en regelgeving (onder meer Wet betaalbare huur) en het fiscale klimaat op de huurmarkt. Zo wordt het tarief in de overdrachtsbelasting voor de koop van woningen waar de particuliere koper niet zelf in gaat wonen (zoals een woning voor verhuur of vakantiewoning) per 2027 verlaagd van 8 naar 7%.
  • De fiscale behandeling van de eigen woning blijft ongewijzigd.
  • Een doorstroombank of hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek).
  • Objectsubsidies voor gedeelde woonvormen voor jongeren en studenten.
  • Toestaan van permanente bewoning van recreatiewoningen.
  • Eenvoudigere procedures voor de verkoop van woningen door woningbouwcorporaties en uitbreiding van de investeringscapaciteit voor deze corporaties via een faciliteit in de Vpb.

Particulier
Ook voor de particulier bevat het coalitieakkoord plannen. Een greep hieruit:

  • Vanaf 2033 wordt de AOW een-op-een gekoppeld aan de levensverwachting.
  • De aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten worden per 2028 volledig afgeschaft. Voor chronisch zieken komt, onder voorwaarden, via gemeenten een tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken beschikbaar.
  • De coalitie wil het nieuwe box 3-stelsel op werkelijk rendement doorontwikkelen naar een vermogenswinstsystematiek.
  • De coalitie wil het beleggen van spaargeld in de Nederlandse economie stimuleren door de introductie van een EU-beleggingsrekening en mogelijk een win-winlening.
  • Voor de zorgtoeslag worden de vermogensgrenzen vanaf 2028 gelijkgesteld aan het heffingsvrij vermogen in box 3.
  • De verlaging van de brandstofaccijns op benzine loopt door tot en met 2027.
  • Er komt onderzoek naar hervorming van de mrb naar oppervlakte of omvang.
  • Het eigen risico in de Zorgverzekeringswet stijgt in 2027 naar verwachting naar € 460.
  • Vanaf 2028 wordt het eigen risico maximaal 150 euro per behandeling in de medisch-specialistische zorg.
  • Er komt een beter onderscheid tussen professionele organisaties en maatschappelijke verenigingen, de aansprakelijkheid van vrijwilligers wordt beperkt, de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen wordt aangepast en giften worden fiscaal aantrekkelijk gehouden.
  • Vanaf 2030 krijgen nieuwe aanvragers geen IVA-uitkering meer.

Tip!
Hiervoor heeft u een selectie van plannen uit het coalitieakkoord gelezen. Wilt u het hele coalitieakkoord lezen, dan treft u dat hier aan.


2. Tweede Kamer akkoord met nieuw box 3-stelsel vanaf 2028

De Tweede Kamer heeft donderdag 12 februari 2026 ingestemd met een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 2028.

Als de Eerste Kamer op een later moment ook instemt met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, wordt vanaf 2028 in box 3 het werkelijke rendement op uw vermogen belast.

Gerealiseerd rendement
Het werkelijke rendement betreft de zogenaamde reguliere voordelen, bijvoorbeeld de rente op bank- en spaarrekeningen, dividenden op beleggingen en huuropbrengsten. Onder het werkelijke rendement vallen echter ook verkoopwinsten en -verliezen op beleggingen en overige bezittingen.

Ook ongerealiseerd rendement
Naast gerealiseerde rendementen tellen ook ongerealiseerde rendementen mee. De jaarlijkse waardeontwikkelingen van uw beleggingen en overige bezittingen behoren dus ook tot uw werkelijke rendement vanaf 2028. Voor deze bezittingen geldt een zogenaamde vermogensaanwasbelasting.

Bij uitzondering vermogenswinstbelasting
Voor onroerende zaken omvat het werkelijke rendement – naast het directe rendement zoals de huuropbrengst – ook gerealiseerde winsten of verliezen, bijvoorbeeld door verkoop van de onroerende zaak. U hoeft bij onroerende zaken vanaf 2028 echter niet de jaarlijkse waardeontwikkeling tot uw werkelijke rendement te rekenen. Voor onroerende zaken geldt namelijk als uitzondering een vermogenswinstbelasting. Zo’n zelfde uitzondering geldt voor aandelen in start-ups en scale-ups.

Let op!
De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht gegeven om een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven uit te werken en te bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel.

Vastgoedbijtelling
Voor onroerende zaken die minder dan 90% van het jaar verhuurd worden, geldt een zogenaamde vastgoedbijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde, als dit hoger is dan de werkelijke huurinkomsten. Dit betekent dat ook als de onroerende zaak in het geheel niet verhuurd wordt, bijvoorbeeld een vakantiewoning voor eigen gebruik, er toch altijd een rendement van 3,35% van de WOZ-waarde in aanmerking moet worden genomen.

Let op!
De vastgoedbijtelling ligt onder het vergrootglas van de Tweede Kamer. Zo heeft de Tweede Kamer de regering verzocht het vastgoedbijtellingspercentage waar mogelijk voor 1 januari 2028 al te actualiseren, een aanvullend onderzoek te doen naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en een verkenning te doen naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.

Kostenaftrek
Bij het berekenen van uw werkelijke rendement mag u vanaf 2028 rekening houden met kosten zoals de betaalde rente, de kosten van een bankrekening, de kosten bij aan- en verkoop van uw beleggingen en overige bezittingen en de onderhouds- en andere periodieke kosten van uw onroerende zaken.

Tarief
Het voorgestelde tarief in box 3 vanaf 2028 bedraagt 36%. U betaalt dan 36% belasting over uw werkelijke rendement, verminderd met een heffingsvrij inkomen van € 1.800.

Let op!
Heeft u in een jaar een negatief rendement, dan mag u dat in aftrek brengen op positieve rendementen in de volgende kalenderjaren. Er gaat wel een verliesdrempel van € 500 gelden. De eerste € 500 aan negatief rendement is dus niet verrekenbaar.

Verschil huidig box 3-stelsel
In het huidige box 3-stelsel wordt nog een forfaitair rendement – onderverdeeld in bank- en spaartegoeden, schulden en overige bezittingen – belast. Als uw werkelijke rendement lager is, kunt u een beroep doen op de tegenbewijsregeling. In het nieuwe stelsel vanaf 2028 wordt in box 3 alleen nog het werkelijke rendement belast.
De wijze waarop het werkelijke rendement vanaf 2028 berekend wordt, wijkt ook af van de wijze waarop het werkelijke rendement in de jaren tot en met 2027 onder de tegenbewijsregeling berekend wordt.

Vanaf 2028?
Voorwaarde om de beoogde ingangsdatum van het nieuwe box 3-stelsel te halen, was dat de Tweede Kamer uiterlijk 15 maart 2026 zou instemmen. Dat is gelukt. Houd er wel rekening mee dat de Eerste Kamer dus ook nog in moet stemmen. Hiervoor is op dit moment nog geen uiterste datum bekend.

Wijziging naar volledige vermogenswinstbelasting
Het nieuwe box 3-stelsel vanaf 2028 is omstreden. De Tweede Kamer stemde met tegenzin in, met name vanwege de vermogensaanwasbelasting. Ook de nieuwe coalitie heeft in het coalitieakkoord opgenomen dat zij het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting willen omvormen naar een vermogenswinstbelasting.

De Tweede Kamer heeft de regering de opdracht meegegeven om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties. Naast deze opdracht gaf de Tweede Kamer de regering nog andere opdrachten mee over verschillende onderdelen van het nieuwe box 3-stelsel.


3. Belastingrente op een aanslag Vpb: waar staan we nu?

Al eerder informeerden wij u over het arrest van de Hoge Raad over de belastingrente op de vennootschapsbelasting (Vpb). De collectieve uitspraak op bezwaar moet nog worden gedaan. Wat weten we al wel hierover?

Hoge Raad: belastingrente Vpb te hoog
De Hoge Raad oordeelde op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – dat de belastingrente die vanaf 2022 berekend wordt op een aanslag Vpb te hoog is. Daarbij gaf de Hoge Raad aan dat het belastingrentepercentage moet worden vastgesteld op het percentage dat voor andere belastingen geldt.

Massaalbezwaarprocedure
De meeste bezwaren tegen de belastingrente op een aanslag Vpb zijn aangewezen als massaal bezwaar. Dat betekent dat de Belastingdienst niet op elk bezwaar individueel een uitspraak doet, maar één collectieve uitspraak op bezwaar voor alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. De Belastingdienst doet deze uitspraak uiterlijk 26 februari 2026.
Vervolgens past de Belastingdienst binnen zes maanden die collectieve uitspraak toe op alle bezwaren Vpb in de massaalbezwaarprocedure. U ontvangt daarover automatisch bericht van de Belastingdienst.

Inhoud collectieve uitspraak op bezwaar
De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer op 13 februari 2026 geïnformeerd over de inhoud van de collectieve uitspraak op bezwaar: Het arrest van de Hoge Raad is ook van toepassing op de belastingrente Vpb vanaf 2024. Eerder bestond daar nog twijfel over. Dit betekent dat de Belastingdienst alle bezwaren over het belastingrentepercentage voor de Vpb gaat toewijzen. Het oordeel van de Hoge Raad gaat dus gelden voor alle jaren vanaf het jaar 2022.

Hoogte belastingrente Vpb
Na de collectieve uitspraak op bezwaar gaat de Belastingdienst de belastingrente voor de Vpb verlagen van de percentages in de tweede kolom naar de percentages in de laatste kolom van onderstaande tabel:

Periode Vpb Andere belastingen
1-1-2022 t/m 30-06-2023 8% 4%
1-7-2023 t/m 31-12-2023 8% 6%
1-1-2024 t/m 31-12-2024 10% 7,5%
1-1-2025 t/m 31-12-2025 9% 6,5%
Vanaf 1-1-2026 7,5% 5%


Dagtekening aanslag ná 16 januari 2026

De Belastingdienst meldt dat alle belastingaanslagen Vpb met een te hoog belastingrentepercentage die een dagtekening hebben ná 16 januari 2026 automatisch verlaagd worden. U hoeft hier dus zelf geen actie voor te ondernemen, maar houd er rekening mee dat de automatische verlaging nog wel even op zich laat wachten.

Let op!
Ligt de dagtekening van uw belastingaanslag Vpb met belastingrente op of vóór 16 januari 2026 en is de bezwaartermijn nog niet verlopen? Maak dan zekerheidshalve op tijd bezwaar. Hiermee voorkomt u een onnodige discussie met de Belastingdienst op een later moment.

Dagtekening aanslag tot en met 16 januari 2026
Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening tot en met 16 januari 2026 en maakte u op tijd bezwaar, dan loopt de aanslag mee in de massaalbezwaarprocedure zoals hiervoor beschreven. U krijgt dan binnen zes maanden na de collectieve uitspraak automatisch bericht van de Belastingdienst.

Dagtekening aanslag vóór 5 december 2025
Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening vóór 5 december 2025 en maakte u niet op tijd bezwaar, dan stond uw aanslag op 16 januari 2026 (de dag van de uitspraak van de Hoge Raad) al onherroepelijk vast. Het arrest van de Hoge Raad geldt dan helaas niet voor u. De Belastingdienst zal verzoeken om ambtshalve vermindering van deze aanslagen afwijzen.

Dagtekening aanslag vanaf 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026
Heeft uw belastingaanslag Vpb een dagtekening vanaf 5 december 2025 tot en met 16 januari 2026 en maakte u niet op tijd bezwaar, dan geldt het arrest van de Hoge Raad wel voor u. Mogelijk moet u daarvoor nog een verzoek om ambtshalve vermindering doen. Hierover wordt hopelijk meer bekend op het moment dat de Belastingdienst de collectieve uitspraak op bezwaar doet.

Let op!
Ligt de dagtekening van uw belastingaanslag Vpb met belastingrente op of vóór 16 januari 2026 en is de bezwaartermijn nog niet verlopen? Maak dan zekerheidshalve op tijd bezwaar. Hiermee voorkomt u een onnodige discussie met de Belastingdienst op een later moment.

Let op!
Tegen de belastingrente op een voorlopige aanslag Vpb kunt u een verzoek tot vermindering indienen uiterlijk tot zes weken na de dagtekening van de definitieve aanslag. Waarschijnlijk zal de Belastingdienst ook de belastingrente op de voorlopige aanslag automatisch verminderen, maar dat is nog niet zeker. Een tijdig verzoek om vermindering blijft daarom vooralsnog raadzaam.

Belastingrente overige belastingen
De Hoge Raad gaf in het oordeel op 16 januari 2026 – heel kort samengevat – ook mee dat de belastingrente voor overige belastingen (bijvoorbeeld de inkomstenbelasting) niet te hoog is. De Belastingdienst gaat al deze bezwaren in een collectieve uitspraak op bezwaar afwijzen. U krijgt daarvan niet zelf apart bericht van.

Let op!
In de vakliteratuur wordt erop gewezen dat het arrest van de Hoge Raad mogelijk geen volledig uitsluitsel geeft over de belastingrente voor overige belastingen vanaf 1 januari 2024. Hoewel een ander oordeel voor de periode vanaf 1 januari 2024 niet te verwachten is, is op dit moment niet uit te sluiten dat hier mogelijk nog een proefprocedure over gestart wordt.


4. Waarschijnlijk meer btw bij overdracht auto tegen lagere prijs

Stel, een auto wordt tegen een lagere prijs dan de marktwaarde overgedragen van de bv aan een dga. Moet de btw in zo’n geval berekend worden over de lagere prijs of over de werkelijke waarde?

Als een bv een auto aan zijn dga verkoopt, moet dit voor de dividendbelasting en inkomstenbelasting tegen de werkelijke waarde van de auto. Voor de btw bestaat twijfel of dit mogelijk anders is. In verschillende rechtszaken lag de vraag voor of terecht een naheffingsaanslag btw was opgelegd in de situatie waarin het verkoopbedrag voor de btw onder de werkelijke waarde van de auto lag. Twee gerechtshoven en een rechtbank oordeelden hier verschillend over. Advocaat-generaal Ettema adviseert de Hoge Raad in al deze casussen de btw te berekenen over de werkelijke waarde.

Aankoop via verkapt dividend
In de zaak die voorlag bij het gerechtshof Amsterdam nam een dga de auto van zijn bv over tegen een prijs van € 15.000, terwijl de waarde van de auto € 75.000 bedroeg. Voor de rest van de waarde werd voor de dividendbelasting verkapt dividend in aanmerking genomen. De bv berekende alleen btw over € 15.000, maar de Belastingdienst legde aan de bv een naheffingsaanslag btw op over het meerdere van € 60.000. In deze casus bedroeg het tijdsverloop tussen de aankoop van de auto door de bv en de doorverkoop aan de dga ongeveer vier maanden.

In drie andere zaken die voorlagen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch werd een auto met een waarde van € 29.750 en een auto met een waarde van € 25.016 na ongeveer vijf jaar verkocht aan de dga, elk voor € 2.624. In de derde zaak werd een auto met een waarde van € 34.040 na ongeveer 2,5 jaar verkocht aan de dga voor € 2.597. Ook nu werd een verkapt dividend in aanmerking genomen voor de dividendbelasting voor het verschil tussen de waarde en de verkoopprijs.

Verschillend oordeel
Op de vraag of over de werkelijke waarde of over de lagere overeengekomen prijs btw moest worden afgedragen, kwamen de gerechtshoven niet tot hetzelfde oordeel. Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat in de casus die daar voorlag sprake was van misbruik van recht en stelde de Belastingdienst in het gelijk. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat er in de casussen die daar voorlagen, geen sprake was van misbruik van recht en stelde de bv in het gelijk.

Wanneer misbruik van recht?
Misbruik van recht kan worden aangenomen als in strijd met doel en strekking van de wet een belastingvoordeel wordt behaald én dit ook het wezenlijke (= het doorslaggevende) doel van de transactie is.

Let op!
De Belastingdienst heeft de bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van misbruik van recht.

Gerechtshof Amsterdam en A-G: misbruik van recht
Gerechtshof Amsterdam vond dat in de voorliggende casus aan deze definitie was voldaan. De zakelijke motieven die de bv bij het gerechtshof aanvoerde, verklaarden niet waarom de auto tegen een abnormaal lage vergoeding was verkocht. Naar het oordeel van het gerechtshof was het doel van de transactie dan ook gelegen in het belastingvoordeel van de lagere btw voor de dga.

De A-G volgt het gerechtshof in de eindconclusie en adviseert de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond te verklaren. Het in rekening brengen van een abnormaal lage vergoeding kan tot misbruik van recht leiden naar het oordeel van de A-G. Van een abnormaal lage vergoeding is volgens de A-G als snel sprake als de vergoeding lager is dan de marktwaarde, tenzij er een economische verklaring voor de lagere vergoeding is.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch géén, A-G wél misbruik van recht
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vond dat in de voorliggende casussen geen sprake was van misbruik van recht. De stelling van de Belastingdienst dat de auto was overgedragen tegen een abnormaal lage vergoeding was hiervoor volgens het gerechtshof onvoldoende. De Belastingdienst kon ook niet aannemelijk maken dat het btw-belastingvoordeel het hoofddoel van de transactie was.

De A-G denkt daar dus anders over en adviseert de Hoge Raad ook in deze casussen te oordelen dat sprake is van misbruik van recht.

Let op!
Het wachten is nu op de Hoge Raad. Daarbij is het niet zeker of de Hoge Raad het advies van de A-G volgt. Ook zou de Hoge Raad in de zaken nog verschillend kunnen beslissen, omdat de feiten in de zaken niet geheel gelijk zijn aan elkaar.


5. Uber-chauffeurs toch geen werknemers

Bij het gerechtshof Amsterdam stond de vraag centraal of de Uber-chauffeurs die zich in hoger beroep aan de zijde van Uber schaarden, werknemers zijn. Uber had hoger beroep aangetekend tegen een eerdere rechtbankuitspraak in een zaak die FNV had aangespannen. Nadat de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoordde, oordeelde het gerechtshof dat er in deze zaak geen sprake is van werknemers, maar van zelfstandig ondernemers. Van belang voor deze beoordeling waren onder meer de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals de aanschaf en exploitatie van hun voertuig), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Het gerechtshof overwoog nog wel dat de mogelijkheid bestaat dat andere individuele chauffeurs van Uber wél werken op basis van een arbeidsovereenkomst.


6. WNT-norm vanaf 2026 voor alle expatregelingen

Voor de expatregeling gelden strikte voorwaarden. Bij toepassing van de expatregeling (voorheen 30%-regeling) mag in 2026 maximaal 30% van het loon belastingvrij uitbetaald worden. Het loon waarover de 30% kan worden toegepast, is gemaximeerd op de WNT-norm. Vanaf 2026 geldt dit maximum voor alle expatregelingen, dus ook voor werknemers die al vóór 2023 de expatregeling toepasten. In 2026 betekent dit dat onder de expatregeling maximaal € 78.600 (30% van € 262.000) netto kan worden vergoed. Vanaf 2027 gaat het percentage overigens omlaag naar 27%, behalve voor werknemers die vóór 2024 de expatregeling al toepasten.

Advieswijzer Aandachtspunten werken met zelfstandigen

By nieuws

De laatste jaren zijn er steeds meer zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) bijgekomen. Het gaat hierbij om mensen die ofwel volledig als zelfstandige werken, ofwel dit combineren met een dienstverband in loondienst. Werkt u met zzp’ers of bent u een zzp’er? Wat is nu er wettelijk geregeld, waar moet en kunt u op letten en hoe wordt er gehandhaafd?

Voor een werkgever (ofwel opdrachtgever) is het van belang om na te gaan of er wel sprake is van echte zelfstandigheid of dat er sprake is van schijnzelfstandigheid. Een zzp’er die achteraf toch werknemer blijkt te zijn, kan voor de opdrachtgever namelijk flink in de papieren lopen.

Beoordeling arbeidsrelatie

In de jurisprudentie is invulling gegeven aan de vraag wanneer er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Ingevolge de wet (artikel 7:610 BW):

  • moet er sprake zijn van de bevoegdheid van de werkgever om aanwijzingen en instructies te geven (gezagsverhouding);
  • moet de arbeid persoonlijk worden verricht;
  • moet de werkgever als tegenprestatie loon betalen. 

Ten aanzien van het gezagscriterium heeft de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest verduidelijkt dat de rechter ook mag kijken of het werk dat wordt verricht ‘organisatorisch is ingebed’ in de organisatie en daarmee behoort tot de normale bedrijfsarbeid van de onderneming van de werkgever. Dat betreft echter slechts een van de in aanmerking te nemen omstandigheden. Er moet holistisch worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Van belang kunnen onder meer zijn:

  • de aard en duur van de werkzaamheden;
  • de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
  • de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
  • het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
  • de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
  • de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
  • de hoogte van deze beloningen;
  • de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;
  • de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (extern ondernemerschap).

De Hoge Raad heeft in bovengenoemd Deliveroo-arrest geen rangorde aangebracht tussen de diverse gezichtspunten. Inmiddels heeft de Hoge Raad geantwoord op prejudiciële vragen die waren gesteld door het gerechtshof Amsterdam.  In reactie daarop oordeelde de Hoge Raad dat niet één aspect bepalend is. Zelfs als iemand zich vrijelijk mag laten vervangen door een ander, wat duidt op zelfstandigheid, kan het, vanwege alle andere aspecten, nog steeds een arbeidsovereenkomst zijn.

Dit houdt in de praktijk dus in dat hetzelfde werk, voor dezelfde opdrachtgever, voor iemand met ‘ondernemerschap’ géén arbeidsovereenkomst is, en voor iemand zonder ‘ondernemerschap’ wél.
Het begrip ‘ondernemerschap’ ziet op de algemene (ondernemers)situatie van de werkende, en kan dus ook betrekking hebben op omstandigheden buiten de specifieke verhouding tussen de werkende en zijn opdrachtgever.

WZ-toets 

Het wetsvoorstel ‘Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’ is in juli 2025 bij de Tweede Kamer ingediend. Deze wet beoogt de schijnzelfstandigheid op te lossen. Schijnzelfstandigheid ontstaat met name vanwege onduidelijkheid over de invulling van het gezagscriterium. Het wetsvoorstel streeft naar een verduidelijking van dit gezagscriterium in artikel 7:610 BW.

Er wordt gesproken over een WZ-toets, waarbij W staat voor werknemer en Z voor zelfstandige.

Om te kunnen spreken over een werknemer kan gekeken worden naar de volgende indicatoren:

  • De werkgevende is bevoegd om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werkende de werkzaamheden moet uitvoeren en de werkende moet deze ook opvolgen.
  • De werkgevende heeft de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren en is bevoegd om op basis daarvan in te grijpen.  
  • De werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgevende. 
  • De werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie. 
  • Werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten.

Indicatoren die wijzen op werken als zelfstandige binnen de arbeidsrelatie:

  • De financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij de werkende. 
  • De werkende zorgt voor een herkenbare en zelfstandige uitvoering van de werkzaamheden.
  • De werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie van de werkgevende niet structureel aanwezig is. 
  • Er is sprake van een korte duur van de opdracht en/of een beperkt aantal uren per week. 
  • Kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de werkende (buiten de arbeidsrelatie gelegen) voor soortgelijke werkzaamheden (extern ondernemerschap).

Advieswijzer Aandachtspunten werken met zelfstandigen

Ook wordt in het wetsvoorstel VBAR  in een nieuw in te voeren wetsartikel voorgesteld dat er op basis van een bepaald uurloon vastgesteld kan worden of er wel of geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Wanneer een werkende minder dan € 36 – bedrag wordt periodiek geïndexeerd – verdient, is het vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het rechtsvermoeden kan worden ingeroepen door de werkende (of diens vertegenwoordiger). Het gaat hierbij om een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat er niet automatisch een arbeidsovereenkomst ontstaat, maar de werkende kan zich in geval van een tarief onder de norm wel op het rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst beroepen en gemakkelijker een arbeidsovereenkomst opeisen (bij de eigen werkgever en desnoods via de civiele rechter). Het is dan aan de werkgever om dat rechtsvermoeden te ontkrachten.

Schijnzelfstandigheid en de handhaving hierop

Een schijnzelfstandige is iemand die door zichzelf en zijn opdrachtgever als zzp’er wordt aangemerkt, terwijl deze persoon in werkelijkheid werknemer is.

Vanaf 1 mei 2016 geldt de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA). In verband met politieke druk, voortkomend uit in de praktijk bestaande onzekerheid over de toepassing van deze wet, is de handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst opgeschort tot het moment waarop bepaalde knelpunten zijn opgelost. De opschorting duurde tot 1 januari 2025.

Kwaadwillenden

Vanaf 2025 is wel sprake van een zogenaamd handhavingsmoratorium. Dit houdt in dat de Belastingdienst aanwijzingen geeft als er volgens hen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar alleen naheft in uitzonderlijke gevallen van kwaadwillendheid.

De Belastingdienst had al de mogelijkheid kwaadwillenden te beboeten. Van kwaadwillendheid is sprake als de opdrachtgever of opdrachtnemer opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking (en daarmee een oneigenlijk financieel voordeel behaalt en/of het speelveld op een oneerlijke manier aantast). De Belastingdienst handhaaft in alle gevallen van kwaadwillendheid.

De Belastingdienst kan handhaven bij kwaadwillenden als hij de volgende drie criteria alle drie kan bewijzen:

  1. Er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking.
  2. Er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid.
  3. Er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid.

De Belastingdienst legt dus niet meteen een correctieverplichting op, maar de opdrachtgever moet wel de aanwijzingen opvolgen door ofwel de afspraken met de zzp’er zodanig aan te passen dat er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, ofwel door de werkzaamheden van de zzp’er als dienstbetrekking te laten verwerken in de loonaangifte. Hiervoor krijgt de opdrachtgever meestal drie maanden de tijd. Worden de aanwijzingen niet of niet voldoende opgevolgd, dan volgt een correctieverplichting en boete vanaf het moment van het geven van de aanwijzing.

Overgangsregeling handhavingsmoratorium

Het kabinet heeft begin september 2024 aangekondigd dat er een overgangsregeling komt: een jaar waarin werkgevers en werkenden nog geen vergrijpboete krijgen als zij kunnen bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Het kabinet heeft dit besluit genomen, omdat vanuit de markt is gevraagd om duidelijkheid over het opheffen van het handhavingsmoratorium, zodat men zich hierop kan voorbereiden.

Naheffingen

In de praktijk betekent het opheffen van het handhavingsmoratorium dat de Belastingdienst tijdens controles naheffingen kan opleggen als er binnen bedrijven en organisaties sprake is van schijnzelfstandigheid. Wanneer een bedrijf of organisatie niet aan de regels voldoet, kan een naheffing tot maximaal vijf jaar terug worden opgelegd.

Toelichting

De Belastingdienst had een toelichting uitgebracht waarbij werd aangegeven hoe de beoordeling van de arbeidsrelatie zal plaatsvinden. Het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2025 beschreef de wijze waarop de Belastingdienst in 2025 is gaan handhaven.

Bedrijfsbezoek

De Belastingdienst is per 2025 in principe gestart met bedrijfsbezoeken, waarbij met de opdrachtgever een gesprek gevoerd werd over de inhuur van zelfstandigen en extern personeel. Waar nodig werd de opdrachtgever gewezen op aandacht voor de kwalificatie van de arbeidsrelaties en mogelijke risico’s op schijnzelfstandigheid.

Boekenonderzoek

De Belastingdienst kan overigens (alsnog) ook voor een boekenonderzoek kiezen, bijvoorbeeld als de inschatting is dat er grote risico’s zijn of als de opdrachtgever werkt of blijft werken met schijnzelfstandigen. De Belastingdienst kan bij zo’n boekenonderzoek in alle gevallen weer correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen opleggen.

Let op! De Belastingdienst kan daarbij alleen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 corrigeren, tenzij sprake is van kwaadwillendheid.

Handhaving vanaf 2026

Met ingang van 1 januari 2026 zou het handhavingsmoratorium arbeidsrelaties en ook de zachte landing volledig opgeheven worden. Het kabinet heeft eind 2025 echter toch gekozen voor een gedeeltelijke verlenging van de zachte landing. Een volledige verlenging vond het kabinet ongewenst.

De gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.

Let op! Het starten met een bedrijfsbezoek betekent niet dat de Belastingdienst niet alsnog een belastingcontrole kan starten na het bedrijfsbezoek. Die mogelijkheid had de Belastingdienst in 2025 al en dat blijft zo in 2026.

De Belastingdienst kan in 2026 – evenals in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. 

Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd konden worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes. De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. Het kabinet vindt het onwenselijk om (voorwaardelijke) opzet of grove schuld nog langer onbestraft te laten en wil de zachte landing op dit punt daarom niet verlengen.

Let op! De Belastingdienst kan in 2026 ook weer kiezen of ze een belastingcontrole doet over een kalenderjaar of over een recent aangiftetijdvak.

De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.

Let op! De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en ook verzuimboetes opleggen.

Geen goedkeuring meer modelovereenkomsten

Ook is aangegeven dat de Belastingdienst geen modelovereenkomsten meer gaat goedkeuren, omdat modelovereenkomsten geen zekerheid vooraf kunnen geven over het werken buiten dienstverband. Dit hangt namelijk af van hoe er in de praktijk wordt gewerkt, niet van wat er in een contract staat. Alle lopende goedgekeurde modelovereenkomsten zijn wel automatisch tot eind 2029 verlengd. De Belastingdienst kan een modelovereenkomst echter intrekken als deze niet meer voldoet aan wet- en regelgeving en jurisprudentie of als blijkt dat niet volgens de voorwaarden van de modelovereenkomst gewerkt wordt of kan worden.

Verzoek beoordeling en checklist

De Belastingdienst heeft het formulier Verzoek vooroverleg beoordeling arbeidsrelatie gepubliceerd. U kunt dit formulier gebruiken als u wilt dat de Belastingdienst een arbeidsrelatie beoordeelt. Gebruik daarbij ook de Checklist vooroverleg beoordeling arbeidsrelatie. In deze checklist vindt u welke informatie u minimaal moet vermelden in uw verzoek.

Risico’s opdrachtgever

Als achteraf sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst, dan loopt de opdrachtgever het risico van het betalen van (achterstallige loonbelasting), verlof, vakantietoeslag, premies werknemersverzekeringen en het werkgeversdeel in de pensioenpremie. Daarnaast kan een boete worden opgelegd met een terugwerkende kracht van vijf jaar.

Risico’s zzp’er

Niet alleen de opdrachtgever loopt een risico als achteraf de situatie anders blijkt te zijn. Ook zijn er risico’s voor de zzp’er. Denk aan een controle door de Belastingdienst van zijn aangifte inkomstenbelasting. Als de Belastingdienst hem niet aanmerkt als zzp’er, zal hij de aangifte corrigeren. Dit heeft als gevolg dat de aangegeven winst als loon wordt aangemerkt, waardoor bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling vervallen.

Uit te voeren acties

Het is van belang al alert te zijn op het werken met zzp’ers. Daarvoor moet u de gemaakte afspraken en alle feiten en omstandigheden in kaart brengen, om vervolgens op basis van de aandachtspunten uit het Deliveroo-arrest te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Tip! Als dat het geval is, dan is het van belang te kijken of de afspraken en de werkwijze zodanig kunnen worden aangepast dat er geen sprake van een arbeidsovereenkomst meer is. Dan kan het handig zijn gebruik te maken van modelovereenkomsten die zijn beoordeeld door de Belastingdienst.

Tip! Bekijk of het mogelijk is om als opdrachtgever de zzp’er een dienstverband aan te bieden indien u dit beiden een wenselijke situatie lijkt.

Disclaimer
Hoewel bij de samenstelling van deze Advieswijzer de uiterste zorg is nagestreefd, wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor onvolledigheden of onjuistheden. Vanwege het brede en algemene karakter van de Advieswijzer, is deze niet bedoeld om alle informatie te verschaffen die noodzakelijk is voor het nemen van financiële beslissingen.

Vanaf 1 juli 2026 € 3 vast douanerecht op invoer tot € 150

By nieuws

Op invoer in de EU van kleine pakketten met een waarde tot € 150 wordt vanaf 1 juli 2026 een vast douanerecht van € 3 per product geheven.

Registratie in éénloketsysteem

EU

Het vaste douanerecht van € 3 gaat gelden voor alle goederen die de EU binnenkomen als de verkopers van buiten de EU zijn geregistreerd in het éénloketsysteem voor invoer van de EU. In het éénlocketsysteem is 93% van alle e-commerce naar de EU geregistreerd.

De heffing gaat alleen gelden voor pakketten met een waarde tot € 150. Voor pakketten vanaf € 150 gelden nu namelijk al douanerechten.

Let op! Het vaste douanerecht gaat gelden per productgroep. Als een pakket drie verschillende producten bevat is vanaf 1 juli 2026 dus 3 keer € 3 vast douanerecht verschuldigd.

Tijdelijke oplossing

De heffing van € 3 douanerecht betreft een tijdelijke oplossing tot 2028. De Raad van de Europese Unie heeft namelijk in november 2025 al toegezegd om zo snel mogelijk douanerechten voor kleine pakketten in te voeren. Na invoering zal over alle goederen van minder dan € 150 douanerechten betaald worden tegen de normale EU-tarieven voor de afzonderlijke producten. Tot die tijd geldt vanaf 1 juli 2026 de tijdelijke regeling waarbij een vast douanerecht van € 3 wordt geheven. Onderwaardering van pakketten om daarmee belasting en invoerrecht te ontduiken en ontwijken, blijft daarmee dus nog wel mogelijk.

Administratiekosten

Er ligt ook een voorstel om, naast het vast douanerecht, nog een heffing in te voeren van € 2 voor administratiekosten. Dit zou in moeten gaan vanaf november 2026, maar het kabinet overweegt om dit in Nederland al eerder in te voeren. De besluitvoering over zo’n eerdere nationale handelingskostenvergoeding is per 13 januari 2026 echter tot nader orde uitgesteld. Nederland blijft wel de ontwikkelingen op dit vlak In Frankrijk, België en Luxemburg volgen. .

Overdrachtsbelasting: drie tarieven en hogere startersvrijstelling in 2026

By nieuws

De overdrachtsbelasting kent vanaf 2026 drie in plaats van twee tarieven. Daarnaast is de startersvrijstelling verhoogd. Waar moet u rekening mee houden?

Woning voor eigen gebruik

Woning

In 2026 geldt bij de overdracht van een woning die een koper zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, onder voorwaarden, een overdrachtsbelastingtarief van 2%. Dit is niet anders dan in 2025 toen hiervoor ook al het 2%-tarief gold.

Overige woningen

Wat wel gewijzigd is, is het tarief voor overige woningen. Verkrijgt u een woning die u niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, dan gold daar in 2025 nog een overdrachtsbelastingtarief van 10,4%. Vanaf 2026 is dit tarief 8%.

Bij overige woningen moet u denken aan een vakantiewoning, een woning die u koopt voor een studerend kind of een woning die u verhuurt.

Overig onroerend goed

Voor de verkrijging van overig onroerend goed blijft het overdrachtsbelastingtarief, net als in 2025, 10,4%.

Startersvrijstelling

Starters tot 35 jaar oud kunnen bij de aankoop van een woning die zij als hoofdverblijf gaan gebruiken, onder voorwaarden, een vrijstelling toepassen. Ze betalen dan geen overdrachtsbelasting. Een van de voorwaarden is dat de marktwaarde van de woning niet hoger is dan een bepaald bedrag.

In 2026 geldt de startersvrijstelling tot een marktwaarde van € 555.000 (2025: € 525.000). Is de marktwaarde hoger, dan geldt de startersvrijstelling niet, dus ook niet tot het bedrag van € 555.000.

Tip! Het grensbedrag voor de startersvrijstelling in 2027 is ook al bekend. In 2027 geldt de startersvrijstelling tot een bedrag van € 615.000. Voor de toepassing van de vrijstelling is de datum van de levering van de woning bij de notaris bepalend.

From July 1, 2026, a fixed customs duty of € 3 on imports up to € 150

By nieuws

From July 1, 2026, a fixed customs duty of € 3 per product will be levied on imports into the EU of small parcels with a value of up to € 150.

Registration in a one-stop shop system

EU

The fixed customs duty of € 3 will apply to all goods entering the EU if the sellers from outside the EU are registered in the EU’s single window system for imports. Ninety-three percent of all e-commerce to the EU is registered in the one-stop shop system.

The levy will only apply to parcels with a value of up to € 150. Customs duties already apply to parcels worth € 150 or more.

Please note! The fixed customs duty will apply per product group. If a parcel contains three different products, a fixed customs duty of € 3 will be payable three times from July 1, 2026.

Temporary solution

The € 3 customs duty is a temporary solution until 2028. In November 2025, the Council of the European Union committed to introducing customs duties for small parcels as soon as possible. Once introduced, customs duties will be paid on all goods worth less than € 150 at the normal EU rates for the individual products. Until then, the temporary arrangement will apply from July 1, 2026, whereby a fixed customs duty of € 3 will be levied. It will therefore still be possible to undervalue parcels in order to evade and avoid tax and import duties.

Administrative costs

There is also a proposal to introduce a € 2 levy for administrative costs in addition to the fixed customs duty. This is due to take effect from November 2026, but the government is considering introducing it earlier in the Netherlands. In doing so, the Netherlands is following developments in France, Belgium, and Luxembourg. Implementation will take place on February 1, 2026, at the earliest.

Bestuurlijke boetes overtreding registratieplicht UBO’s

By nieuws

Het is wettelijk verplicht om de uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) van vennootschappen en andere juridische entiteiten te registreren in het UBO-register. Wat zijn de bestuurlijke boetes bij overtreding van deze wettelijke verplichting?

UBO

Juridisch

De UBO, Ultimate Beneficial Owner, is de uiteindelijk belanghebbende in een vennootschap of andere juridische entiteit. Het betreft de uiteindelijke eigenaren of de mensen die de uiteindelijke beslissingen nemen.

Het gaat onder meer om mensen die meer dan 25% van de aandelen hebben in een bv, of meer dan 25% eigenaar zijn in een vof of maatschap. Ook mensen die meer dan 25% stemrecht hebben bij een statutenwijziging van een stichting of vereniging zijn UBO’s.

Let op! Is er niemand met een belang van meer dan 25%, dan zijn de hogere leidinggevenden UBO’s. Denk aan de vennoten of bestuurders.

Register

Vennootschappen en andere juridische entiteiten zijn verplicht om zelf hun UBO’s op te geven in het UBO-register bij de KVK. Doel van het register is het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en financieren van terrorisme.

Handhaving

De Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI) van het Ministerie van Financiën handhaaft of de verplichte UBO-gegevens altijd juist en volledig zijn opgegeven in het UBO-register. Het gaat daarbij met name om de gegevens die nodig zijn om de UBO’s te identificeren en om de informatie over de aard en omvang van het belang dat deze UBO’s hebben.

Bestuurlijke en strafrechtelijk

De handhaving kan plaatsvinden via bestuurlijke en via strafrechtelijke weg. De beleidsregel met de bestuursrechtelijke handhaving door middel van een bestuurlijke boete is op 1 januari 2026 in werking getreden.

Hoogte bestuurlijke boete

Uit de beleidsregel volgt dat de geldboete voor een niet, onjuiste en/of onvolledige UBO-opgave maximaal een geldboete van de vierde categorie bedraagt. Op dit moment (2026) is dat een bedrag van maximaal € 27.500.

De DFEI legt in beginsel niet meteen een boete op van € 27.500.

  • Bij een eerste overtreding kan de DFEI een boete opleggen van 10% van het boetemaximum, op dit moment dus € 2.750.
  • Bij een tweede overtreding binnen vijf jaar kan de DFEI een boete opleggen van 20% van het boetemaximum, op dit moment dus € 5.500.
  • Bij een derde overtreding binnen vijf jaar kan de DFEI een boete opleggen van 40% van het boetemaximum, op dit moment dus € 11.000.
  • Bij een vierde overtreding binnen vijf jaar kan de DFEI een boete opleggen van 80% van het boetemaximum, op dit moment dus € 22.000.
  • Bij een vijfde en volgende overtreding binnen vijf jaar kan de DFEI een boete opleggen van 100% van het boetemaximum, op dit moment dus € 27.500.

Van belang zijnde omstandigheden

Bij het opleggen van de boete houdt De DFEI rekening met de volgende omstandigheden:

  • de financiële draagkracht van de overtreder;
  • de mate waarin de overtreder meewerkt aan de vaststelling van de overtreding; en
  • de maatregelen die door de overtreder na de overtreding zijn genomen om voortduring of herhaling van de overtreding te voorkomen.

Deze omstandigheden kunnen leiden tot matiging van de hoogte van de bestuurlijke boete. De stelplicht en bewijslast dat van zulke omstandigheden sprake is, liggen bij de overtreder.

Last onder dwangsom

De DFEI heeft in bijzondere gevallen de mogelijkheid om te kiezen voor een andere aanpak, bijvoorbeeld door het opleggen van een last onder dwangsom.